Het opgroeien van de schrijver (II)

Toen ik voor de eerste keer ging praten bij de Bezige Bij, vroegen ze me of ik meer boeken ging schrijven, of het niet alleen bij die ene roman bleef die ze nu hadden gelezen. Ja, tuurlijk, ik ga meer boeken schrijven, dat is toch logisch? Maar heel logisch bleek dat niet te zijn; in 2004, het jaar dat ik debuteerde, waren er nog een stuk of zestig andere debuten, en van de meeste debutanten uit dat jaar zijn geen boeken meer uitgegeven.

In Nederland zijn een hoop mensen die zichzelf schrijver willen noemen, maar er zijn vooral heel veel mensen die een boek hebben geschreven.

Frank Heinen heeft in de boekenweek-special van Vrij Nederland een stuk geschreven over de klas van 2004, de debutanten van tien jaar geleden dus, en door de melancholische inslag van Frank zelf is het vooral mooie mistroostigheid om te lezen, maar een opvallend feit uit het stuk is hoe weinig mensen door zijn gegaan met uitgegeven worden. Niet gek natuurlijk: zestig debutanten, stel je voor dat die allemaal op drie, vier boeken zouden zitten nu, plus alle debutanten voor en na hen, die ook allemaal zouden blijven produceren (en uitgegeven worden): dat zouden angstwekkende hoeveelheden boeken zijn geworden, en het is al zo dringen in de boekwinkel.

Dat gesprek bij de Bezige Bij – ik had toen het gevoel dat ik een briljant en wereldschokkend boek had getikt, en dat was het natuurlijk niet. Het was zelfs schokkend normaal, achteraf bezien. Maar zo zat ik er wel, met dat gevoel: mijn debuut komt eraan en literair Nederland gaat schudden op de grondvesten. De redacteuren met wie ik toen sprak, wisten wel beter: dat wordt een aardig debuut, want die jongen kan schrijven, maar z’n goeie boeken moeten nog komen. 

Een aardig debuut: als ze dat toen hardop tegen me gezegd hadden, was mijn wereldje even ingestort, natuurlijk. Maar ik denk dat een aardig debuut de ideale uitgangssituatie is voor den schrijver. 

Volgens mij zijn er drie soorten debuten.

Het aardige debuut: een prima geschreven boekje waar niet veel reuring over zal ontstaan. Het verhaal is bij voorkeur van de coming-of-age-variant, jonge man of jonge vrouw maakt niks bijzonders mee en is een tikje ongelukkig. Zie: mijn debuut. 

Het wereldschokkende debuut: een briljant boek dat de schrijver nooit meer zal kunnen overtreffen.

Het wereldschokkend bedoelde debuut: een boek waarin vooral heel veel gebeurt, met malle personages en gekke wendingen, omdat de schrijver absoluut niet tussen de aardige debuten wilde eindigen. 

En hoe ziet de carrière van de schrijver er na zo’n debuut uit?

Bij het aardige debuut volgen meer boeken, die langzaam beter en beter worden (met vast wel een misser ertussen). 

Bij het wereldschokkende debuut volgen meer boeken die soms wel, soms niet goed zijn, maar de schrijver moet altijd vragen beantwoorden over zijn eerste boek.

Bij het wereldschokkend bedoelde debuut: geen vervolg van de schrijfcarrière.

 

Volgende week: Het opgroeien van de schrijver (III)

———————-

Walter van den Berg (1970) is deze maand Tirade’s zondagse gastblogger. Van den Berg publiceerde tot op heden – behalve vele kortverhalen, columns en reportages – drie romans: De hondenkoning (2004), West (2007) en Van dode mannen win je niet (2013). In Tirade 449 vind je zijn prachtige kortverhaal Voetbalkantine, in Tirade 450 een heftige ‘tirade’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.