Burger, wacht

De Amsterdamse buurt waarin ik woon is vergeven van de ouderen met een mening. Ik ben daar in principe voor, en heb tot dusver de bijkomende minpunten geaccepteerd. Zo kun je in mijn straat bijvoorbeeld geen band plakken zonder commentaar, en word je er al aan herinnerd dat je de kak van je hond moet opruimen als voornoemde hond nog aan het kakken is. 

Vanochtend heel erg vroeg bracht ik onze zoon naar zijn opa en oma voor de wekelijkse oppasdag. Op of aan mijn fiets (die geen bakfiets is) vervoerde ik: een zoon van twee jaar oud, een loodzwaar opvouwbaar kinderbed, een matras, een rugzak vol luiers en andere parafernalia en een middelgrote hond. 

De reis verliep voorspoediger dan je zo verwachten, totdat Otis de Hond ervoor koos om midden op de weg door zijn hurken te gaan. Zelfs een middelgrote Stabij is als hij zijn zwaartepunt omlaagbrengt bijna niet meer van zijn plek te krijgen. Toen ik nog aikidoleraar was gebruikte ik Otis vaak als voorbeeld voor het belang van ‘zakken’ in bepaalde technieken. 

Otis zakte. Bijna werd ik met mijn hele hebben en houden omvergetrokken. Net op tijd kon ik de riem van mijn pols laten glippen, en hijgend van de schrik stapte ik af. Ik haalde het bedje en het matras uit de fietskrat, balanceerde mijn fiets tegen een muurtje en bezwoer Nadim zich niet te verroeren. Uit mijn jaszak haalde ik een speciaal voor deze eventualiteit meegenomen sportkatern van de Volkskrant. Terwijl ik me tussen het verkeer bukte om zijn poep van de straat te plukken, hoorde ik achter me de kenmerkend jodelende stem van een oudere Jordanese. 

‘Dat kan toch niet,’ galmde het. ‘Zo’n hond laten loslopen, met al dat verkeer. De mensen tegenwoordig…’

De vrouw was dik en in het paars. Een in verhouding nog dikker heel klein hondje draafde sur place – en inderdaad aangelijnd – aan haar zij. Het kefte schel en onophoudelijk.

‘Ik ruim even iets op, hier,’ zei ik met mijn tanden opeen. ‘Zoals u ziet.’ 

‘Je laat die hond gewoon loslopen, met al dat verkeer. Dat doe je toch niet?’

‘Hij loopt toch op de stoep?’

‘Echt,’ ze schudde haar hoofd alsof het los moest. ‘Ik begrijp die mensen echt niet.’

Heel kalm ben ik toen naar mijn fiets gelopen, waar ik uit de tas met parafernalia de M-16 pakte. 

Dit is mijn bekentenis.

 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Wat Dostojevski kan

Berkenbos, Rusland uit de trein.

In november en december lees ik Russen, dat is al vrij lang zo, Tsjechov, Toergenjev, Tolstoj, Babel, Boenin. Dit jaar lees ik De idioot van Dostojevski in de nieuwe vertaling van Arthur Langeveld.

Ik begon lang geleden met Dostojevski’s  De speler en heb er een lichte gokverslaving aan overgehouden. Aantekeningen uit het ondergrondse  vond ik snel prachtig en ik heb daar een poosje verschillende vertalingen van gespaard, zo had ik Memoires uit het souterrain.  

Mijn vader sprak soepel Russisch en daarmee begon waarschijnlijk mijn interesse. Hij zat in het leger als dienstplichtig soldaat rond 1953, de Koude Oorlog was fris uitgebroken en taalvaardige soldaten konden een opleiding tot ondervrager krijgen. Mijn vader was er een van en als jongetje stel je je dan graag voor dat je vader eigenlijk een soort James Bond was. Hij leerde ook in alles rijden wat een motor had en ook dat maakte grote indruk. En hij leerde er verschrikkelijk goed biljarten. Ook dat was gaaf. Veel later zong hij in een Kozakkenkoor, dat was minder gaaf. Op vakanties kwam er altijd wel een moment dat mijn vader aan de praat raakte met iemand die een Rus bleek te zijn. Dan luisterde je, en verstond niets.

Voor Sinterklaas maakte mijn zuster eens  een ‘Geschiedenis van Rusland’ voor hem, een handgeschreven en -geïllustreerd boek, lang voordat ik ooit het standaardwerk van Bezemer zag.

In de Trans Siberië Expres  waar ik om naar Beijing te reizen in Moskou opstapte– alwaar een grote groep laveloos dronken Russen  onderling vechtende was, zonder precisie, maar met stille wanhoop,  werd ik al snel uitgenodigd om een potje schaak te spelen. Ik won de twee eerste partijen en verloor de volgende 35. Ergens halverwege begreep ik dat de eerste twee uit beleefdheid aan mij gelaten waren.  Ik maakte ook nog een nasleep van sovjet-onvriendelijkheid mee in de dame van de restauratie die steeds als wij besloten te gaan dineren de wagon sloot en iets onduidelijks prevelde over tijdzones, die nooit consequent maar wel steeds  in haar voordeel werden aangewend. En post-sovjet vriendelijkheid: de oude dame in onze couchette die met ons dan maar haar groengekookte ganze-eieren deelde.

De idioot is tussen de boeken die in het Nederlands verschenen dit jaar en die ik las, een verademing van frisheid en vertelkracht, vaart en authenticiteit. De idioot is een vorst  die vriendelijk en beleefd en eerlijk is en om die redenen door de meesten als een halve zool wordt weggezet. Maar zijn sociale intelligentie overstijgt die van veel andere personages. En hij is volstrekt echt, zo echt, dat ik de textuur van zijn huid, figuur, oogopslag, adem, haarinplant, wijze van lopen ken, zonder dat die beschreven worden.  Dat is wat Dostojevski kan, en dat is wat Langeveld kan vertalen.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Scheidsrechter

Wie zou Menno Fernandes zijn? Sinds eind augustus staat er iedere vrijdag op de achterpagina van NRC Handelsblad een column van een scheidsrechter. Aangezien de columnist, met uitzondering van de website van de krant, niet bestaat op internet, moet ‘Menno Fernandes’ wel een pseudoniem zijn. Maar van wie?
            Het lijkt me duidelijk dat het incident in Almere, waarbij een grensrechter werd doodgeschopt door een paar spelers, de aanleiding was voor het in het leven roepen van deze column. In het allereerste stukje van ‘Menno Fernandes’ wordt daar ook expliciet naar verwezen. De ik-persoon krijgt van een chirurg te horen dat hij moet stoppen met voetballen. Door de dood van de grensrechter komt hij op het idee om dan maar scheidsrechter te worden, zodat hij wel nog het veld op kan.‘De chirurg in Rotterdam vond het een denkbaar alternatief. Vooral het feit dat ik dan niet meer tegen een bal aan zou schoppen, leek hem de geschikte ontlasting voor mijn kniegewricht.’
            Sinds de eerste aflevering van ‘De scheids’ op 30 augustus van dit jaar heb ik geen column gemist. De ik-persoon roept veel sympathie op, waarmee het nobele doel van de krant, namelijk: meer aandacht en sympathie vragen voor degene die over het algemeen alleen maar wordt uitgescholden, wordt bereikt. Na de dood van grensrechter Richard Nieuwenhuizen werd er door veel mensen weer eens terecht op gewezen hoe belachelijk het eigenlijk was dat iemand die op zaterdagochtend vroeg een voetbalwedstrijd mogelijk maakt, in de regel negentig minuten lang wordt uitgescholden. Dat roept bovendien de vraag op: waarom zou iemand dat eigenlijk voor zijn lol doen? Door de column van ‘Menno Fernandes’ begin je daar iedere week steeds meer iets van te begrijpen. Hij schrijft rustig, zorgvuldig en een beetje weemoedig en weet steeds veel gevoel op te roepen. Twee weken geleden raakte ik zelfs ontroerd, omdat zijn column ‘Wie is toch die man langs de lijn?’ raakte aan iets wat ikzelf heb meegemaakt.
            In deze column van 15 november beschrijft hij hoe zijn vader naar het voetbalveld was gekomen om naar hem te kijken. Dat er iemand, en dan niet iemand van de bond, naar het veld komt om naar een scheidsrechter te kijken, is al een haast ondenkbaar gegeven. Alleen de voetballers hebben toeschouwers. Het mooie van de column is vervolgens dat pas aan het einde blijkt dat ‘die man langs de lijn’ de vader van de ik-persoon is. Tijdens de rust zitten ze tegenover elkaar in de kleedkamer, met een banaantje. ‘We pellen, we eten en we zwijgen.’ De ik-persoon denkt aan vroeger, toen hij nog zelf voetbalde en zijn vader ook altijd langs de lijn stond.
            Deze column raakte me extra, omdat ikzelf mijn hele jeugd gevoetbald heb en er op een zaterdagochtend onder mijn teamgenoten ook de vraag ‘Wie is toch die man langs de lijn?’ rees. Ik speelde bij HFC, op de grens van Haarlem en Heemstede. Iedere week stonden er veel vaders langs de lijn. Die van mij niet, want mijn ouders waren gescheiden en hij woonde in Amsterdam. Op een dag kwam hij onverwacht kijken.Hij droeg zoals altijd een lange regenjas en een zwarte hoed. Zijn twee tassen, vol met papieren voor zijn werk, had hij kruislings over zijn schouders hangen, zodat er op zijn borst een leren x verscheen. In zijn hand hield hij zijn onafscheidelijke paraplu. Hij stond een beetje onwennig aan de zijlijn, kwam ook pas na het fluitsignaal aanlopen en bleef een eind terzijde van de andere vaders staan. Volgens mij hebben we elkaar niet gegroet.
          In de rust, in de kleedkamer, maakten mijn teamgenoten de grootste lol over ‘die kinderlokker’ die daar aan de kant stond. Wie was die rare vogel toch. En wat kwam hij doen? Ik weet niet meer of ik het raadsel in de kleedkamer toen heb opgelost. Uit schaamte misschien wel niet. Maar als ik eraan terugdenk voel ik eerder trots dan schaamte. Omdat hij niet zo’n doorsnee Heemsteedse voetbalvader was.

‘Ik wil nooit meer iemand ontregelen!’ – Alsof het voorbij is

Karin Jonkers

Toneelspelers zijn de moedigsten aller kunstenaars. Zij durven de vergetelheid recht in het gezicht te kijken. Ieder slotapplaus is een vloedgolf die hun zandkasteel verzwelgt.

10) Julian Barnes’ The Sense of an Ending (2011)/Alsof het voorbij is (AHVI) is een filosofische roman – bij vlagen een verhalend essay – over tijd, vergankelijkheid, herinneren en de (on)kenbaarheid van de werkelijkheid. De wendingen waarmee je tegen het einde van het boek wordt geconfronteerd volgen de wetten van het televisiedrama/melodrama en trekken je dus in een hoog tempo door het verhaal.

9) Regisseuse Madeleine Matzer heeft Barnes’ boek bewerkt tot een toneelstuk.

8) Zo geestdriftig als de jury van de Man Booker Prize en De Europese Literatuurprijs ben ik niet over het boekje van Barnes, maar ik kan het iedereen zeker aanbevelen. AHVI is een beheerste, brave en ook wat doorgecomponeerde vertelling (een beetje zoals Harry Mulisch ze vanaf De aanslag begon te schrijven) – dat gecontroleerde past bij de protagonist, en misschien ook wel bij de Engelse cultuur (ik generaliseer!, ik chargeer!), maar is er wel debet aan dat lezing van de roman nergens een groot intellectueel of emotioneel avontuur wordt. Wat mij betreft is het dan ook een verademing dat zestiger Tony Webster, verteller en protagonist van AHVI, in de toneelbewerking wordt gespeeld door de decaden jongere Marijn Klaver en dat zijn collega Lidewij Mahler een waaier aan rollen vertolkt. Op het toneel krijg je het avontuur, de speelsheid en het experiment dat je in de roman mist.

7) ‘Ze slaagde er op de een of andere manier in om er – in mijn ogen althans – tegelijk als een twintiger en een zestiger uit te zien.’ Julian Barnes, Alsof het voorbij is, vertaald uit het Engels door Ronald Vlek, Uitgeverij Atlas Contact (2011;p.124).

6) De knappe, jonge vrouw die afgelopen zaterdag, tijdens de première van Alsof het voorbij is, naast mij zat en na het slotapplaus een gesprekje met mij aanknoopte (ja,ja), vertelde dat ze het boek van Barnes niet had gelezen, maar dat ze naar de voorstelling was gekomen omdat ze van theater hield. Ze had, zei ze, het verhaal uitstekend kunnen volgen. Blijkbaar is het dus niet nodig om Barnes’ roman te lezen voordat je naar de toneelbewerking gaat. Toch heb je volgens mij een mooiere, rijkere avond als je dat wél doet.

5) De voorstelling, AHVI, wordt gedragen door genoemde Marijn Klaver. Door de ironische distantie die de acteur betracht – of die zijn personage tot de wereld betracht en die Klaver als acteur tot zijn rol en zijn publiek lijkt te betrachten – doet hij soms denken aan de jonge Jacob Derwig.

4) Protagonist en verteller Tony herinnert zich de volgende uitspraak van Adrian: ‘Ik heb een godsgruwelijke hekel aan die Engelse gewoonte om serieus zijn niet serieus te nemen. Daar heb ik echt een godsgruwelijke hekel aan.’ (2011:p39 + echo op p.87). De woorden doen denken aan een regel van Nanne Tepper: ‘Ik heb een gloeiende kuthekel aan ironie.’ Adrian is dan ook één van de zelfmoordenaars in AHVI.

3) Door Barnes’ boek en Matzers voorstelling realiseer je je hoe meedogenloos zelfmoord is. Hoe meedogenloos doodgaan in het algemeen is. Wat je er voor de achterblijvers mee fixeert. Bovendien realiseer je je dankzij AHVI hoe afschuwelijk moeilijk het is om recht te zetten wat je jaren terug hebt kromgeleefd.

2) Willem Frederik Hermans*: ‘Dood heeft niet enkel de betekenis van sterven, van einde van een organisme, maar de ruimere van einde van elke bestaande toestand, einde van elk ogenblik. Dood is niet alleen vergaan, maar ook vergeten worden, verdwijnen, doden is niet alleen slachten en vernietigen, maar ook verraden en bedriegen.’

1) Tijdens de voorstelling zingt Lidewij Mahler een paar Zeer Korte Liedjes. Één van die liedjes is ook verwerkt in de trailer voor de voorstelling die je hier kunt bekijken.

0) Na afloop van de première drinkt Maarten, die het decor van AHVI heeft ontworpen, een glaasje champagne. We wisselen wat neutrale opmerkingen uit over de voorstelling en over het decor. ‘En concluderend,’ vraagt Maarten grijnzend als ik een bitterballetje in de mosterd doop, ‘kan het geheel de tand des Tyns doorstaan?’ Ik antwoord naar waarheid, bevestigend.

Eindoordeel AHVI: erg mooie voorstelling. Vier afgedekte koffiekopjes (4/5). Bij de première was het vanaf de eerste seconden duidelijk dat hoofdrolspeler Marijn Klaver er zin in had. Je kunt bezoekers in andere theaters alleen maar toewensen dat Klaver en Mahler die concentratie hun hele tournee kunnen blijven opbrengen.

Soundtrack: If I could turn back time.

Volgende week: Miek Zwamborn.

Titelverklaring van dit stukje: ‘Ik wil nooit meer iemand ontregelen!’. Een uitroep die Tony tegen het slot van het stuk doet en die correspondeert met bijna dezelfde uitroep in het boek (AHVI;p.155).

Noot

*Uit: WFH, Het sadistische universum I/Antipathieke romanpersonages (1960).

 

In aantocht – Tirade 451

We waren er niet op uit – en eigenlijk is het ook niet aan ons om de these te formuleren, laat staan die te toetsen of zelfs maar in omloop te brengen – maar Tirade 451 zou weleens het allerbeste Tiradenummer van 2013 kunnen blijken te zijn geworden. Lest best, om eens een gangbare woordcombinatie te gebruiken. Maar, als gezegd, het is aan jou, aan jullie om over Tirade 451 te oordelen. 

Ter zake!

Vanaf maandag 2 december aanstaande is Tirade 451 te koop in de zelfstandige boekhandel en te bestellen via deze site.

Tirade 451 bevat verhalen van D. Hooijer, Álvaro Enrigue, Jan van Mersbergen, Arjaan van Nimwegen, Jaap Ferwerda, Rebecca Makkai en Eugenia Rico.

Verder vind je in het nummer het papieren poëziedebuut van Hannah van Wieringen én gedichten van Leo Vroman, Heinrich Heine, A.E. Housman en Stevie Smith.

Beschouwingen, essays en herinneringen zijn er van: Detlev van Heest, Elisabeth van Nimwegen, Wouter van Oorschot, Harrie Geelen, Carel Peeters en Charlotte Mutsaers.

Tirade 451 – jouw intellectuele eindejaarsbonus.

Tirade wordt uitgegeven door het zelfstandige Uitgeverij van Oorschot.

Abonnementen: alhier.

Blauwe lijster in beukenhaag

Naar: ‘Bluebird in cutleaf beech‘ – Wendy Wilder Larsen *

 

er zit geen pigment in blauwe veren

alle andere kleuren zijn eruit gedreven

blauw is wat over blijft

 

die precieze tint van ridderspoorblaadjes

die op mijn moeders laktafel vielen

onder de koepel in de zomer

 

de kleur van verwijdering

de pijn in mijn vaders marineblauwe ogen

op die foto in het leger

 

blauw

de vervaagde overgooier op een foto van mij

handen gevouwen, zelfde waterige ogen

 

de kleur waar we het liefst over nadenken

niet omdat ze ons aantrekt

maar omdat ze ons achter zich aansleurt

 

de blauwe gloed van een dwaallicht

die ons laat verdwalen op de kruising

ons een moeras in lokt

 

blauw ook

deze afwezigheid

dit uiteen vallen

 

nog zou ik zoeken

en roepen

 

daar

 

moeder

vader

 

bluebird

 

 

*Vertaald door Lieke Marsman.  Eerder verschenen in Tirade 447. 

Over kikkers en godinnen

De eerste keer dat ik moest huilen door eten was in Friuli.

Restaurant Da Toso zit in een villa in een woonwijk in Tricesimo. Via een achterdeur krijg je toegang tot de zaak. In de gang passeer je een grote productiekeuken waar vrouwen met schorten en haarkapjes aardappels, bonen en groenten garen. Maar het echte koken gebeurt in een open haard in het midden van de eetzaal.

Meneer Toso, een vijftiger met een snor en een blauwe leesbril, krijgt van de bediening bestellingen door en schuift wat heen en weer met gloeiende kooltjes tot hij ziet dat alles klopt. Dan legt hij zijn vlees op het rooster. De volgorde van je bestelling doet er niet toe: als Toso vindt dat het goed is, krijg je te eten. 

Door de pretentieloosheid van de man en zijn zaak had ik mijn aandacht laten verslappen, en zonder na te denken sneed ik een stuk van de kotelet die voor mijn neus werd gezet. Ik lachte nog om iets wat mijn vrienden zeiden, nam een hap en schoot meteen vol. Gelukkig had ik mijn bril op, en leek iedereen aan tafel opeens zijn volle aandacht bij zijn eigen bord te hebben. Pas op de terugweg, in de auto bij Leonardo, durfde ik te bekennen dat ik om de perfectie van Toso’s varken tranen gelaten had.

Wat ik me de laatste tijd afvraag is: zou ik tegenwoordig ook nog huilen om die kotelet? 

Hoe meer we over iets weten, hoe moeilijker het lijkt erdoor geraakt te worden. Zo is het me vergaan met alles waarin ik me verdiept heb. De enige logische conclusie is dat ervaring leidt tot uitdoving. In de psychologie heeft men het over systematische desensitisatie. Door herhaalde blootstelling aan een (meestal aversieve) stimulus sterft de daaraan gekoppelde (emotionele) respons geleidelijk uit. 

Is ouder worden een vorm van systematische desensitisatie voor het leven als geheel?

Vanochtend vond onze zoon Nadim een liedjesboek in zijn schoen. Even later, op de fiets, zong hij luidkeels Zie de maan schijnt door de bomen.

De maan scheen ook echt door de bomen, en het was Nadim die me erop wees.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Hoe zou het met Bernd zijn?

De Filipijnen

Bernd was een Duitser  die we  ontmoetten op Malapascua, een bounty-eiland in de Filipijnen. Van dat soort eilanden zij er nogal veel. Het is werkelijk onmogelijk veel zinnigs te zeggen over een eilandenrijk; 7.000 zijn het er geloof ik en allemaal zo verschrikkelijk anders. Tot mijn spijt belandden we nooit op Palawan, het eiland waar de geweldigste dieren van de Filipijnen wonen. Over een ding waren we het na een eiland of 10 wel eens, de Filipijnse keuken is niet per se een van de betere. Dat is vreemd, want alle andere Aziatische keukens zijn nogal spectaculair. De Filipijnen wijken dan ook af: gekoloniseerd door Spanje, en vervolgens lang onder Amerikaanse invloed. Misschien meer Micronesië dan Azië.

Bernd vormde in zijn eentje met twee tafels een culinair atol. Op het kleine koraaleilandje, waar alle activiteit zich op het strand afspeelde – hutjes voor toeristen – bevond zich een halve kilometer landinwaarts (verder lopen zou je weer aan een strand brengen), het huis van Bernd, twee tafels op de veranda. Hij moet daar – als veel Duitsers – aan een vrouw zijn blijven hangen, maar haar zagen we nooit. Hij kookte werkelijk onweerstaanbaar goed. We leefden van een beperkt budget, dus we aten overdag  sinaasappels en mango’s en crackertjes om ’s avonds het diner bij Bernd te kunnen betalen. Voor vier mensen kookte hij dan, twee tafels voor twee personen, geen tweede shift, dat was alles.

Na alle kip adobeeen onbegrijpelijke specialiteit van het land – wisten we niet wat ons overkwam, en vooral begrepen we niet waar hij het allemaal vandaan haalde. Vermoedelijk kookte hij zoals zoveel eilanders uit een gigantische vrieskist die hij eens per jaar in Hamburg ging aanvullen. Maar de vis!

In 1983 las ik in F. Sionil José, Mis in Manilla, een uitgave in de Novib-bibliotheek waarop wij als echte ouderwetse vrijzinnig gereformeerde voorstanders van ontwikkelingshulp in die dagen geloof ik een abonnement hadden, voor het eerst over de Filipijnen. Ik vond het indrukwekkend, spannend, licht beangstigend. Toen ik later vanuit het beschaafde Hong Kong naar Manilla vloog was ik voor het eerst in mijn leven bang voor een land waarvan ik vrijwel niets wist. Het was onrustig en er waren net een paar Duitsters vermoord, dat scheelt natuurlijk.

Reizen over de Filipijnen was allereerst een reis in de tijd, ik ben een aantal maanden in het Amerika van de jaren vijftig geweest, fastfood restaurants waar in lichtblauw geklede meisjes op rollerskates bedienden, de jukebox in de hoek schalt rock ’n roll. In de kleurige jeepnies klatert dezelfde muziek je toe. In het noorden, op Luzon liep ik door een dorp dat uit voornamelijk houten huizen met veranda’s onder pijnbomen bestond waar de kleurige bordjes stonden in de versgemaaide gazons: ‘Sagada, Winner of the Clean and Green Contest.’

De tyfoon woei over Malapascua heen voordat hij aan land ging in Leyte. ‘Just because you have so much to give does not mean that it’ll all be accepted. There’s more to giving than just giving’ schreef Sionil José.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

W.F. Hermans en Jacques Gans

Ik bladerde door het register van Boze brieven van Bijkaart, een boek dat ik vorige week op het Waterlooplein kocht. Daarbij stuitte ik onder andere op de lemma’s ‘Lutjebroek, Geheime Landheer van, zie Reve, G.K. van het’ en ‘Volksschrijver, Nederlands Meest Miskende, zie Reve, G.K. van het’.
            Via het register kwam ik ook op een stuk van Hermans dat ik ooit al eens had gelezen maar daarna nooit meer kon terugvinden. Het gaat daarin over Hermans’ poging om in een café te schrijven. Aan het begin van zijn carrière dacht hij nog dat dat hoorde bij het romantische bestaan van een schrijver.
           
De schrijver door wie hij vooral op dat idee was gebracht, was Jacques Gans, iemand die in de woorden van Simon Carmiggelt ‘sinds jaar en dag de gewoonte had, de beschaving op de tenen te gaan staan’. Gans had het namelijk in een van zijn stukken over zijn ‘schrijfcafé’ gehad en die term had grote indruk op Hermans gemaakt.
            ‘Schrijven in een café – nou, het sprak toch zeker vanzelf dat dit iets was dat je alleen in een Parijs café echt kon doen!’
            In 1949 ging Hermans naar Les Deux Magots en in de rest van het stuk gaat het uiteraard over de mislukking waar deze onderneming op uitliep. ‘Ik kon me niet meer voorstellen dat iemand echt in een café ging zitten schrijven,’ schrijft Hermans, ‘zolang hij nog ergens een dak boven zijn hoofd had. Ik zou het nooit meer doen.’
            Aan het einde van dit stuk deelt hij nog een sneer uit aan degene die hem op het idee had gebracht: ‘Zijn [Jacques Gans’] boeken zie je nergens meer, geloof ik. En als ik het wel heb, schreef hij trouwens bijna niets bijzonders.’
            Hermans schreef dit in 1976. Dat Hermans hier doet alsof hij niet precies wist hoe het zat met die Gans en zijn literaire werk, is opmerkelijk als je de voorgeschiedenis kent. Hermans was in de periode dat hij in Les Deux Magots ging proberen te schrijven juist heel erg geïnteresseerd in Gans. (Wat natuurlijk alleen al blijkt uit het feit dat hij Gans’ schrijfgewoontes probeerde te kopiëren.) Hij schreef niet één maar twee lovende recensies over Gans’ briljante roman Liefde en goudvissen. En hij voerde Gans als personage op in zijn novelle Hermans is hier geweest.
            Gans maakte zich onmogelijk bij Hermans door in 1955 partij te kiezen voor Adriaan Morriën in diens ruzie met Hermans. Hij noemde hem bovendien een ‘ietwat blauwige treiterige kwal’ en hij verweet hem ‘wezenloze lafheid’ tijdens de rechtszaak over Ik heb altijd gelijk.
            Hermans sloeg terug met – helaas voor Gans – een van de beste stukken uit Mandarijnen op zwavelzuur. Volgens zijn biograaf Willem Maas moest Gans zelf ook lachen om dat stuk.
            Mede door Hermans’ publieke vernietiging van Gans is diens roman Liefde en goudvissen een van de meest ondergewaardeerde boeken uit de Nederlandse literatuur geworden.
            Jeroen van Kan is bij VPRO Boeken begonnen met het project Boekencast: een programma waarin mensen vertellen over een boek dat grote indruk maakte maar dat tamelijk onbekend is. In december vertel ik over Liefde en goudvissen. Jeroen schreef alvast een blog over Gans en over zijn oom Ed van Kan, die net als Gans ‘het zwerven niet kon laten’.

Rozen verwelken, schepen vergaan – maar schoonheid op film: blijft altijd bestaan

Onlangs – na afloop van Gilles’ publieke en toch ook érg intieme tête à tête met jubilerend collega Renate Dorrestein – hadden Menno en ik het over film, over de kunstfilm. Hoewel ik niet één Ultieme Lievelingsfilm koester, breng ik tijdens zulke conversaties wel vaak/graag Jacques Demy’s Les parapluies de Cherbourg (1964) ter sprake, een film die al jaren in mijn Top Tien staat*. Les parapluies is – met, onder meer, Polanski’s Repulsion (1965) – een van de redenen waarom ik de carrière van Deneuve ben gaan volgen.

Film: Elle s’en va (ESEV).

Starring: Catherine Deneuve.

Regie: Emmanuelle Bercot.

Genre: richtingloze road movie die overgaat in Franse variant op Boer zoekt Vrouw. En daartussen zijn we nog op bijna documentaire wijze getuige van een streekfeest en een Miss Frankrijk 1969 reünie.

Verhaal: ‘Je suis une femme amoureuse qui est trahi!’ Na een hoop gezeik eindigt een gefailleerde restauranthoudster op een boerderij. En vallen me daar alle puzzelstukjes toch in elkaar zeg!

Een boerderijtje met rozen langs de gevel… een zwijgzame, norse man met gorilla-look en een keuken met alles erop en eraan… Wat wil een vrouw nog meer heden ten dage?

‘Een hartsvriendin om 24/7 mee te roddelen?’

‘Dat reken ik goed. Maar hou d’r verder je grote bek over, anders heb ik straks Margriet van der Linden weer aan m’n reet hangen.’

Cut to the chase.

Eindoordeel ESEV: totale crap. Één wagenziek, in een korenveld overgevend jongetje (1/5).

‘Mag ik nog iets vragen? Tegen het eind van ESEV, als Deneuve en die boer voor het eerst zoenen bij de voordeur, doen ze heel erg aan verliefde tieners denken… ook als hij haar hand pakt en ze in het struikgewas verdwijnen… Vond je dat niet een beetje raar?’

‘Goed gezien… De suggestie is dat Deneuve zojuist een trauma heeft verwerkt… De psychologische grid van de film is deze: als twintiger, toen ze Miss Bretagne was, heeft Bettie (Deneuve) haar grote liefde verloren bij een auto-ongeluk… vandaar die paniekaanval als ze op de snelweg moet uitwijken voor een ambulance… Tijdens de fotoshoot die deel uitmaakt van de reünie van Miss Frankrijk 1969 valt Bettie flauw en ontmoet vervolgens, in het ziekenhuis, die oude boer. We moeten hem zien als een soort (reïn)carnatie van die verongelukte jeugdliefde… Na meer dan veertig jaar stasis kan Bettie ‘de draad van haar leven’ weer oppakken… haar trauma is verwerkt, in haar hart is weer plek voor een nieuwe Grote Liefde.’

‘Prettig geregeld.’

‘Zo gaat dat in de mainstream cinema.’

‘Champagne!’

‘Dankzij haar kleinzoontje lijkt ze zich zelfs weer te verzoenen met haar lelijke, agressieve dochter. All is well that ends well. En oma Bettie leeft dan misschien niet heel lang meer, maar wel heel gelukkig.’

‘Nog meer champagne godverdomme!’

‘…’

‘Moeten we het nog over Deneuve de actrice hebben? Vind je haar nog een mooie vrouw?’

RapapaRapapaRapapa… Tjing-BOEM!

Ik zou ook nog iets schrijven over Freek de Jonge’s Circus Kribbe. Wat moet ik ervan zeggen? De voorstelling combineert elementen van de historische roman, het sprookje en de conference… de teksten zijn tot een modernistisch geheel gestructureerd en worden gebracht door Freek de Jonge, dus je hebt een schitterende avond. Eindoordeel: vier op de kerkdeur bonzende beren (4/5).

Tirade – beknopt waar het kan.

Soundtrack: Ik kom altied terug.

Volgende week: tekst, tekst en nog eens tekst.

Noten

*Net als Robert Rodriguez’ Desperado (1995), maar dat is om haartechnische redenen.

Schrikkeljaren

Toen ik een jaar of 15 was begon ik opschrijfboekjes bij te houden. Daarvoor schreef ik ook al wel, maar vooral op de computer, en op een gegeven moment was het tijd voor ‘het echte werk’. Ik wilde tenslotte schrijfster worden, dus kocht ik in de plaatselijke hobbywinkel het mooiste schriftje dat ze hadden: harde kaft, leeslint, geen kantlijn – en schreef alle gedichten waar ik op dat moment mee bezig was er in over. Het voelde alsof ik vanaf dat moment een boek had, en een boek heeft een titel nodig.

Na lang peinzen noemde ik mijn boek zeer tevreden ‘Schrikkeljaren van een waterlelie in spé.’

Inmiddels kan ik er wel om lachen, maar in de daaropvolgende jaren heb ik me behoorlijk geschaamd, want het is natuurlijk een vreselijke titel en iemand die zo’n soort titel bedenkt is mogelijk een slecht mens, of toch in ieder geval een slecht schrijfster. Overigens paste de titel zeer goed bij de inhoud van het boekje, die net zo pretentieus en pompeus was (ik citeer uit het gedicht ‘Schrikkeljaren #2’: Vervreemd me en verdrijf uit mij de zondebok, / maar bovenal: verblijf in mij,// opdat ik in je leegte stuip kan trekken / en bij de gekken vrijheid vind. // Omdat je medicatie bent die ik / vrijwillig over wil doseren. // Dit abstraheren is de rode draad / tot strop of strik verdoemen. // Van het leven leren is je dagboek / wet van Murphy noemen.) Ik ben nu eenmaal iemand met een prima gevoel voor dramatiek, dat was toen niet anders, dus ik begrijp ook wel een beetje waar het vandaan komt.

Ongeveer tegelijkertijd bedacht ik dat als ik ooit echt een boek uit zou geven, ik een pseudoniem zou gebruiken. De achternaam die ik aan zou nemen zou ‘Stokkvågen’ zijn – naar een klein plaatsje ergens aan de kust van Noorwegen waar ik nog nooit geweest was, maar waar ik wel een tijdlang een behoorlijke obsessie mee had, omdat ik de naam zo mooi vond, en de resultaten van google images desolaat waren overeenkomstig mijn melancholische stemmingen, en omdat ik sowieso een lichte obsessie had met Noorwegen. Deze plaatsnaam was na een random pinpoint op de landkaart die op mijn kamerdeur hing naar voren gekomen. Bij gebrek aan boek noemde ik vervolgens al mijn neopets ‘Stokkvågen’ of een verbastering daarvan (Stokkie, Stokvaagje, Stokkva) en ook prijkte het woord ongeveer een jaar lang in mijn MSN-screenname. Uit principe gebruikte ik in die tijd geen smilies op MSN, dat vond ik oppervlakkig.

Dit alles om maar aan te geven dat een mens anders tegen dingen aan kan gaan kijken, al helemaal gedurende haar puberteit (gelukkig maar). Maar aangezien ik er vanuit ga dat ik de rest van mijn leven minstens evenveel ga veranderen als ik van mijn 15e tot aan nu deed, ben ik soms opeens bang dat de (titel)keuzes die ik nu maak me over 50 jaar net zo idioot gaan schijnen als de eerste titel die ik ooit bedacht. Het verzinnen van een titel is heel moeilijk – Merijn schreef daar onlangs een leuk stukje over. Gelukkig zijn er nu mensen die meedenken en indien nodig aan de bel trekken, dus ik denk wel dat ik met een gerust hart kan zeggen dat mijn volgende bundel, die ergens de komende maanden uit moet komen, ‘De eerste letter’ gaat heten.

Mijn leven met Martijn Knol

imagesSinds Martijn Knols post van 21 oktober, wordt me van alle kanten gevraagd wat onze gezamenlijke geschiedenis nu precies is. Een van mijn minder literair onderlegde vrienden zei zelfs recht voor zijn raap: ‘Wat heb jij met die weerman uitgevreten?’

Omdat ik een (met een vrouw) getrouwd man ben, en mede daardoor het een en ander hoog heb te houden, wil ik hier het begin van een eind maken aan alle speculatie. Wat zich tussen Martijn en mij afspeelde heeft geen dag langer geduurd dan onze tijd samen bij het Corps Mariniers*.

Stel je voor dat je in alle maanden van training, manoeuvres en Backgammon alleen maar kortgeschoren mannen te zien krijgt. Overal waar je kijkt: stekelkoppies, gladgeschoren wangen en onuitgeknepen puisten. In elke locker de heilige drieëenheid van 8×4De Vergulde Hand en Colgate Bi-fluor. De vroege jaren negentig hadden nog zo weinig te bieden voor de zichzelf respecterende man.

Enter Martinus Eleonora Bethesda Knol**. Vanaf het moment dat hij door het uitvallen van mijn slapie Benny Zeewolde de brits onder de mijne betrok, voelde ik hoe de door mijn ouders uitgezette koers die uiteindelijk had moeten leiden tot een hoge functie bij de strijdkrachten heel geleidelijk zijn noorden verloor.

De deur van onze barak ging open. Knol kwam binnen en marcheerde – de trotse borst naar voren – in een rechte lijn naar de hem toegewezen locker. Terwijl ik deed alsof ik mijn Playboy las, tuurde ik naar deze jonge korporaal eerste klas, die met Japanse precisie een welhaast eindeloze hoeveelheid haarproducten uit zijn duffel haalde en in een net en schijnbaar alfabetisch gelid in zijn locker opstelde. Meteen werd ik zijn dwingende invloed gewaar: de woorden ‘welhaast’ en ‘schijnbaar’ waren voor die dag nog nooit in me opgekomen. Laat staan het woord ‘gewaar’.

Maar op wat nu kwam was ik als jonge jongen, al veel te lang uit zijn Brabantse moeders armen weg, absoluut niet voorbereid. De korporaal deed een stap terug, rechtte zijn rug, stiet de hakken met een vette klik opeen en salueerde zijn haarproducten. Ondanks de gruwelijke klap die mijn val op de plankenvloer veroorzaakte keek Knol niet om. Hij leek het zelfs niet gehoord te hebben.

‘Op de plaats rust!’ schreeuwde hij tegen zijn spiegelbeeld, en zette zijn benen op schouderbreedte uiteen. Opeens had hij de aandacht van alle leden van ons peloton. Korporaal eerste klas Martinus Eleonora Bethesda Knol nam zijn baret af en schudde zijn hoofd zoals ik alleen de meest nobele volbloed-Arabier bij de manege achter mijn ouderlijk huis had zien doen. De donkerbruine krullen vielen schier eindeloos als in een geloopte installatiekunstvideo over zijn tengere schouders.

Het was zo’n overweldigend schouwspel dat ons peloton de adem collectief inhield. De grote klok boven de deur van de barak tikte droog zijn seconden weg terwijl wij ons vergaapten aan de glinstering, de pracht, de diepdonkerbruinheid van ‘s korporaals lokken.

Pas later zouden we er – met hulp van de immer onzelfzuchtige Knol – achter komen hoe een vrijstelling alternatieve haardracht op religieuze gronden (in ruil voor bepaalde diensten) geregeld kon worden bij de stafsergeant.

Maar daarover een volgende keer.

 

* Overigens ten onrechte door Knol gespeld als Korps Mariniers

** Ja, dit is zijn echte naam

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Eerlijke slechteriken

Het tweede deel van de memoires van Theo Kars, verscheen recentelijk bij de prachtuitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep– over welke uitgeverij dezer dagen God zijn beschermende hand moge uitstrekken.   Kars is op tweederde gevorderd met Memoires van een slecht mens dat toch betrekkelijk zeldzaam is in de Nederlandse literatuur:  memoires namelijk van een schrijver. De aanleiding die Kars kan hebben gehad dit werkstuk aan te vangen is dat hij een goed deel van zijn leven ondergedompeld is geweest in de vertaling van memoires, die van Giacomo Casanova namelijk en dit heeft onwillekeurig invloed op hem gehad. De libertijn die Casanova was wordt in deze eeuw nagevolgd door de amorele optimalisator van zijn eigen geluk: Kars. Want dat is wat Kars beweert te doen: eerlijk en zonder morele overweging zijn geluk en genot optimaliseren. Maar hij staat zichzelf daarbij oogkleppen toe, een restje waarschijnlijk van zijn religieuze opvoeding die hem uiteindelijk niet ten diepste toestaat amoreel te zijn, hij blijft het voelen als immoreel. Het zijn deze oogkleppen die de zwakte in het boek vormen.

Amoraliteit is een opluchting in een ‘normen en waarde’ cultuur als de onze die ons tot zeer recent van bovenaf werd opgedrongen, slijmsijs Balkenende wenste er zelfs een nationaal debat aan te wijden.

Bij egotisten weet men veel beter wie men voor zich heeft. Afgezien van het totale gebrek aan humor van het boek (want grappige egotisten zijn dan weer een zeldzaamheid) is het een baken van duidelijkheid. ‘How I did it’. Maar literatuur en duidelijkheid hebben niet per se zoveel met elkaar te maken wanneer duidelijkheid vooral rechtlijnigheid is. Kars blijft toch teveel de boekhouder van zijn naar eigen oordelen geniale repliek op de eisen van de buitenwereld.

Dan is de normatieve  kracht van Nicolò Machiavelli van geheel andere orde: ‘Hoe het te doen.’ Kars en Machiavelli delen hun expliciete amoraliteit, en bij Machiavelli voelt dat echt als een opluchting. In een klein boekje uit 1987 van wederom de prachtuitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep schrijft vertaler en inleider Frans van Dooren (Martinus Nijhoffprijs 1990) over de amoraliteit  in De Heerser die eeuwenlang voor immoraliteit is aangezien. En dat verhinderde een goede lezing van het boek. Hoe amoreel ben ik dat ik met een zucht van verlichting kennisneem van dit machtspolitieke denken dat meer ronduit is dan ik ooit waarnam: ‘Om het bezit te waarborgen, is het voldoende dat men het geslacht van de vroegere machthebbers uitroeit.’ en ‘Iemand die dit soort gebieden verovert en wil behouden , moet twee dingen terdege in de gaten houden, in de eerste plaats dat hij de familie van de vroegere heerser moet uitroeien en vervolgens dat hij noch in de wetten, noch in de belastingen veranderingen mag aanbrengen.’

‘De tweede oplossing (voor het vestigen van een nieuwe heerschappij) , die nog beter is dan de eerste, is het stichten van kolonies op een of twee plaatsen, die als het ware de punten zijn die dat gebied vastkluisteren. Want het is noodzakelijk òf dit te doen, òf er troepen soldaten te legeren. Kolonies kosten niet veel geld, en de heerser kan ze stichten en in stand houden zonder dat hij er iets voor uitgeeft, of hooguit een klein bedrag. Hij benadeelt alleen maar degenen van wie hij landerijen en huizen afneemt om ze aan de nieuwe bewoners te geven.’

Klare taal. En verderop: ‘In verband hiermee moet opgemerkt worden dat men de mensen òf moet strelen òf moet uitroeien. Want iemand die licht wordt aangepakt wreekt zich terwijl iemand die zwaar geweld wordt aangedaan zich niet meer kan wreken.’

De grote Italiaanse mediakrijgsheer Berlusconi heeft door een gebrek aan concentratie het boek maar tot en met hoofdstuk 18 gelezen (maar dan wel heel goed).

In hoofdstuk 19 had hij kunnen lezen hoe je als heerser kunt vermijden  dat je veracht en gehaat wordt. Maar toen kwam de kapper om zijn toupetje te verven.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Het spookhuis aan het Spaarne

Op het Waterlooplein lag bij de boekenkraam min of meer het complete oeuvre van Hermans, Reve en Wolkers. De boeken van Reve waren allemaal stukgelezen, die van Hermans en Wolkers zagen er ongelezen uit. Toen ik er een paar opensloeg, bleek dat ze allemaal uit de kast van een bekende HP/De Tijd-journalist kwamen. Of uit de kast van iemand met dezelfde naam. Ik vroeg me af wat er aan dit dumpen van de Nederlandse literatuur vooraf was gegaan. Het plotselinge inzicht dat het werk van Hermans, Reve en Wolkers toch eigenlijk weinig voorstelde? Dat Harry Mulisch, wiens oeuvre afwezig was, achteraf bezien De Grote Ene was?
            Ik stelde een stapel samen en vulde daarmee de laatste gaten in mijn Hermans-collectie. Van Wolkers kocht ik ook drie boeken, om erachter te komen of ik wel of niet terecht was gestopt met het lezen van zijn werk na Turks fruit, Terug naar Oegstgeest en De doodshoofdvlinder.
            Maar het interessantste boek uit mijn stapel was van Maarten ’t Hart. Aangezien het vol zat met aantekeningen, wat ik niet had gezien, kreeg ik het gratis mee. Het was ’t Harts eerste boek in de Privédomeinreeks, Het roer kan nog zesmaal om. Toen ik thuiskwam, zag ik dat het was gesigneerd. Niet bepaald een ‘Klondyke-vondst’, want ik heb een tweedehandsboekhandelaar wel eens horen opmerken dat ongesigneerde boeken van ’t Hart zeldzamer zijn dan gesigneerde exemplaren.
            Het bijzondere aan dit exemplaar zat ’m in de aantekeningen. De vorige eigenaar (niet de HP/De Tijd-journalist maar iemand wiens naam op de titelpagina ik niet kan ontcijferen) heeft het boek volgekladderd met onderstrepingen, aantekeningen en privébespiegelingen. Hij las het volgens een aantekening in de nacht van 31 mei op 1 juni 1984 en werd door ’t Hart aangespoord tot allerlei warrige formuleringen over zichzelf – contact met jongens, meisjes, wel of niet homoseksueel etcetera. Ook had hij de gewoonte om tijdens het lezen archaïsche woorden te onderstrepen en bovendien te turven hoe vaak die voorkwamen. Zonder het boek zelf te lezen gaf een blik op al die onderstrepingen een heldere indruk van ’t Harts taalgebruik en favoriete woorden. Zo bleek bijvoorbeeld dat ’t Hart nogal eens ‘verbijsterd’ is en dat hij dingen vaak ‘verbijsterend’ vindt.
            De privébespiegelingen van de vorige eigenaar, die een tamelijk krankzinnige geest leken te verraden, deden me enigszins denken aan de vondst van documentairemaker Wim van der Aar. Op hetzelfde Waterlooplein kocht hij een keer geluidsbanden, die vol bleken te staan met opgenomen telefoongesprekken van een zekere Van Waveren. Van der Aar ging op zoek naar het levensverhaal van deze Van Waveren en maakte daar een werkelijk briljante documentaire over.
            Op een van de geluidsbanden stond een fascinerend gesprek tussen Van Waveren en zijn moeder. Daaruit bleek in ieder geval dat de twee een tamelijk gestoorde relatie hadden en verder dat zij vroeger een ziekte voor haar zoon verzon om hem niet naar school te hoeven laten gaan. Ze woonden in een groot huis aan het Spaarne in Heemstede, waar ik regelmatig langsfietste. Het stond destijds bekend als ‘het spookhuis’, vanwege de merkwaardige architectuur en omdat niemand iets wist van de mensen die er woonden.
            Een verkorte versie van De Van Waveren Tapes werd een jaar geleden uitgezonden op televisie. In diezelfde week was Van der Aar te gast in De Wereld Draait Door.

‘Bezie ons met affectie’ – La Grande Bellezza (2013)

Film: La Grande Bellezza (2013).

Regie: Paolo Sorrentino.

Genre: nostalgisch melodrama.

‘Opgewarmde rijst is lekkerder dan gekookte rijst,’ zegt kunstcriticus Jep Gambardella, de geblaseerde protagonist van La Grande Bellezza (LGB) tegen de (hoofd)redactrice van de krant waarvoor hij schrijft. In culinaire zin mag daar veel voor te zeggen zijn, in overdrachtelijke zin: wat minder. Al die hysterische beroepskijkers die La Grande Bellezza de afgelopen dagen vijf sterren hebben gegeven, vieren het feest der herkenning.

LGB ziet eruit als een meesterwerk, de film bedwelmt en onderhoudt als een meesterwerk, houdt je hongerig als een meesterwerk (zelf wil ik LGB een dezer weken nog een keer gaan zien), maar is toch vooral een meesterlijke herhalingsoefening.

LGB is opgewarmde rijst.

Twee van die vijf consensussterren zou ik er dan ook graag af-onderhandelen.

Het verhaal van LGB is heel eenvoudig: protagonist Jep heeft veertig jaar geleden een roman geschreven en scheidt sindsdien alleen nog maar journalistiek werk af. Hij leidt een feestend leven en als kort na elkaar twee dierbaren overlijden (een jeugdliefde en een nieuwe liefde) raakt hij in een depressie, of treedt zijn depressie aan de oppervlakte. De tegenstelling vlees (leven) en steen (standbeelden, dood) is een van de belangrijkste beeldende motieven van LGB. Jep is een levend standbeeld, hij zit vast in de conventies van zijn milieu.

Al vroeg in de film worstelt Jep met een existentieel onbehagen. Hij zoekt naar manieren om zijn leven betekenis te geven, het te laten doorbloeden. Wanneer hij de strippende dertigster leert kennen die later zijn geliefde wordt, Ramona heet ze, zegt hij dat ze een man moet zoeken, een gezin moet stichten: ‘Een gezin is iets moois.’

‘Ik ben niet geschikt voor mooie dingen,’ antwoordt ze.

Jep lijkt hetzelfde standpunt in te nemen.

Wanneer Jep en Ramona naar de begrafenisplechtigheid moeten van een jongen die zich heeft doodgereden (zelfmoord), legt Jep aan Ramona uit hoe je zelfs tijdens een teraardebestelling het ‘fare la bella figura’ in praktijk moet brengen. Verrassend genoeg raakt hij, als één van de dragers van de kist, in het gangpad van de kerk, zo gegrepen door verdriet dat hij onstelpbaar begint te huilen.

Als later ook Ramona sterft, kun je Jep’s wanhoop haast door de soundtrack heen horen gonzen.

Dankzij een ontmoeting met een 104-jarige non rijpt het inzicht, bij Jep, dat hij zijn ziel alleen kan redden door te offeren: hard werken, literatuur bedrijven.

De romankunst moet Jep brengen waarvoor een gezin, het geloof, feesten en drugs enkel surrogaat zijn: voldoening.

LGB is een opera die transformeert tot mis. Van iemand die alleen kan nemen, consumeren, wordt Jep iemand die weer kan geven, produceren, en delen. Het is prachtig en virtuoos gedaan/gekozen – camerawerk, decor, acteren, verhaalcompositie – maar je hebt het allemaal al eens gezien of gelezen (Proust, Huysmans, Fellini, Visconti, Scola).

Sorrentino had het verhaal van Jep niet beter kunnen construeren, situeren en vormgeven dan hij heeft gedaan. Alleen… had hij niet beter een ander verhaal kunnen vertellen?

Geprivilegieerde, lethargische babyboomer komt tot het inzicht dat hij sterfelijk is… tja… nou… Zoals de Nederlandse filmmaker Jaap van Heusden in dit soort gevallen zegt: ‘Gast… de wereld staat in brand… welk verhaal ga jij mij vertellen?’

Het is prettig mijmeren in je handgemaakte jasje op je comfortabele buitenmeubilair… en Jep kan er heerlijk gekweld bij kijken… Maar voor de status quo – cinematografisch, politiek, maatschappelijk – is LGB niet gevaarlijker of offensiever dan het eerste het beste interieurtijdschrift…

En ik vrees dat dat – het keurmerkje veilig kijken – één van de oorzaken is voor het hysterische enthousiasme van de beroepskijkers. Je vergapen aan rijkdom en schoonheid en je dan ook nog moreel superieur mogen voelen aan de protagonist van de film: goeie deal! Lekker!

Eindoordeel: geweldige film van een onsterfelijk talent dat zijn klauwen wel wat agressiever in de wereld mag slaan. Drie over het zeewater waaiende meeuwenkreten (3/5).

Waarbij zij aangetekend dat ik Miguel Gomes’ Tabu (2013) nog steeds de beste film vind die ik dit jaar heb gezien.

Tirade – laat zich niet zo gemakkelijk meeslepen.

Soundtrack: Ramona. En:  Zbigniew Preisner – Dies Irae .

Toegift – drie linkjes.

Ik zou het laten weten als de trailer van Wes Andersons The Grand Budapest Hotel (2014) online was. Het is zover: bekijk ’m hier.

Er is een interessante nieuwe site over Jeroen Mettes online.

En op de website van VPRO boeken: Beest, een aflevering van ‘Groeten uit Harkdorp’, de Tirade regiosoap.

Zo… van tien tot twaalf vergaderen met mijn Management Team, dan een lange lunch buiten de deur, vanmiddag genieten van het superieure proza van de superieure Maxim Februari in de NRC en dan… hups de avond in!

Volgende week: ‘Elle s’en va’, Circus Kribbe. En meer.

*Titelverklaring van dit stukje: Jep zit regelmatig met zijn vrienden op zijn gigantische Romeinse balkon – uitzicht op het aan de overkant gelegen Colosseum. Op een avond  sloopt hij één van zijn vriendinnen totaal, verbaal wel te verstaan. Hij vindt haar te hard in haar oordelen over de tijdgeest en haar vrienden en vindt dat ze net zo’n grote puinhoop van haar leven heeft gemaakt als de mensen die ze met haar verwijten bestookt: haar man gaat vreemd, zelf heeft ze haar elf romans alleen maar kunnen publiceren dankzij haar connecties en dan is ze nog een waardeloze moeder ook. Jij bent net zo erg als wij allemaal, stelt Jep, dus wees mild: ‘Bezie ons met affectie.’. In het licht van de verdere verwikkelingen van LGB krijgt deze opmerking een steeds ironischer betekenis – en mijn punt is natuurlijk dat Sorrentino’s blik op zijn tijd wat al te affectief is.

‘Absolutely capital-G-great’ – Cynthia Ozick (II)

Zoals gezegd: mocht je toevallig niet eerder vertaalde verhalen van Cynthia Ozick aan het vertalen zijn, dan zouden wij, de redactie van Tirade, je vertaling, na voltooiing, graag lezen. Het inzenden van zo’n vertaling is: heel eenvoudig.

Hieronder een filmpje waarin mevrouw Ozick mijnheer Mailer een paar kritische vragen stelt.

 

Malevich in Florence

Op de zondagochtend na Allerheiligen liep ik met mijn zus een kerk in Florence binnen. Het was er schemerig, wierokerig en vol. We bleken midden in de mis beland te zijn, de verzamelde kerkgangers richtten zich juist op voor het uitspreken van de geloofsbelijdenis. Hoewel zo’n gebed voor ons ongelovigen niets meer betekent dan het bestellen van een brood bij de bakker, merkte ik dat we beiden als aan de grond genageld stonden te zwijgen. Op enkele keren na – ook in Italië – ben ik nooit bij een mis aanwezig geweest; mijn zus ook niet.

Een soortgelijke sensatie hebben veel bezoekers van de Galleria Academia wanneer ze oog in oog staan met de David van Michelangelo. (Als je tenminste van ‘oog in oog staan’ kunt spreken, want behalve dat je hem helemaal niet op ooghoogte beziet, is hij ook nog eens zo scheel als Trijntje Oosterhuis.) Om zijn sokkel staan legio mensen met hun mond halfopen omhoog te kijken, kennelijk onder de indruk van zoveel schoonheid, trappelend om een foto te maken van dat kolossale stuk marmer (wat verboden is). David is natuurlijk een imposante verschijning van vier meter hoog, nog naakt ook, en vakkundig gemaakt. Helaas blijf ik erbij dat hij slechts vanuit één positie een knappe vent is, namelijk frontaal van onderaf. Vanuit alle andere hoeken heeft David een te groot hoofd, te grote handen, te lange armen en te dikke benen.

Wel raakte ik onlangs geïmponeerd door Malevich in het Stedelijk. Het totaalbeeld dat daar is neergezet maakt zijn zoektocht langs zo’n beetje alle kunststromingen van begin vorige eeuw inzichtelijk. Zeker voor iemand als ik, die hem alleen kent van zijn suprematistische werken, de geometrische vormen op een gebroken witte achtergrond, uit de vaste collectie van het museum. Het is net alsof Malevich in zijn eentje de avant-gardistische kunst van ongeveer 1900-1925 vertegenwoordigt. Niettemin was voor mij de opstelling met de suprematistische composities, en (letterlijk) bovenal Het Zwarte Vierkant, het hoogtepuntje van deze overzichtstentoonstelling.

Malevich presenteerde zijn vierkant in 1915 als opvolger van het Russisch-orthodoxe icoon door het op dezelfde plaats, in de hoek van de ruimte, te hangen. Dat hij na dat statement van je welste eerst nog meer iconen schilderde, zag ik in het Florentijnse Palazzo Strozzi*. Daar hangt momenteel de tweede stap in de vormentaal van het suprematisme: de cirkel. Samen met de crucifix vormen die drie het pallet voor de composities waarmee Malevich zoveel aanbidders c.q. volgelingen wist te vergaren.

Andere schilders, bijvoorbeeld Pavel Filonov en Marcel Duchamp, hadden allerlei toeren nodig om tijd, ruimte en beweging te integreren. Malevich zorgde slechts met enkele vlakken en kleuren voor een kijkje in de interne processen van een tijdstip, tegen de achtergrond van de oneindigheid. Hij ‘supremeert’ niet alleen de schilderkunst maar ook de toeschouwer tot de mentale ruimte, los van lichaam, geest en omgeving. Het suprematisme heeft de potentie een religie te zijn.

Anders dan in het geval van de David kan ik naar Malevich’ werk niet objectief kijken. Ik bewonder Michelangelo om zijn vakmanschap en daardoor zie ik liever zijn onvoltooide beeldengroep van stervende slaven dan zijn gelikte David. Daarentegen kijk ik naar de suprematistische composities op dezelfde manier als naar een mis in de kerk. Ik voel de heiligheid en de waarde van religie, of dat nou de christelijke of de suprematistische is, maar ik kijk als een voyeur naar een geloof dat niet het mijne is.

 

* l’Avanguardia russa, la Siberia e l’Oriente, te zien t/m 19 januari.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Gedichten

Vrijdag alweer. Ik houd het even niet bij. In plaats van een stukje bied ik jullie alvast wat leesvoer voor het weekend. Hier zijn 3 gedichten die Heel Mooi Zijn :

Roodkapje – Carol Ann Duffy (vertaald door ik weet even niet wie, vul mij aan)
I was Using Your Mail Order Drugs – Karyna McGlynn
Reading Akhmatova in Midwinter – Lavinia Greenlaw

 

 

& een gedicht dat ik vertaalde:

Verdriet – Matthew Dickman (2008)
(Naar: Grief – Matthew Dickman)

Wanneer verdriet bij je op bezoek komt
verkleed als een paarse gorilla
moet je jezelf gelukkig rekenen.
Je moet haar aanbieden wat er over is
van je avondeten, het boek dat je probeerde te lezen
moet je wegleggen,
je moet een plaats vrijmaken aan het voeteneinde van je bed,
terwijl haar ogen van de klok
naar de televisie gaan en weer terug.
Ik ben niet bang. Ze is hier eerder geweest
en nu herken ik haar tred
als ze het huis nadert.
Sommige nachten, als ik weet dat ze komt,
haal ik de deur van het slot, ga liggen op mijn rug
en tel de stappen
van de straat naar het portiek.
Vanavond neemt ze een pen en een strook papier mee,
vertelt me de namen op te schrijven
van iedereen die ik ooit heb gekend
en we verdelen ze onder in levenden en doden
zodat ze willekeurig een naam kan kiezen.
Ik zet haar favoriete Willie Nelson album op
want ze mist Texas
maar ik vraag niet waarom.
Ze neuriet een beetje,
zoals mij broer doet wanneer hij tuiniert.
We blijven wel een uur zitten
terwijl ze me vertelt hoe onredelijk ik geweest ben,
huilen aan de kassa,
weigeren te eten, weigeren te douchen,
al het roken en al het drinken.
Uiteindelijk legt ze een van haar zware
paarse armen om me heen, rust
haar hoofd tegen het mijne,
en opeens voelt het een beetje romantisch.
Dus ik zeg tegen haar,
het voelt een beetje romantisch.
Ze pakt nog een naam, dit keer
van het stapeltje doden
en draait zich naar me toe zoals ouders dat doen
vlak voordat je je terechtgewezen voelt of je schaamt.
Romantisch? zegt ze,
terwijl ze de naam hardop voorleest, langzaam,
zodat ik me bewust ben van elke lettergreep, elke klinker
die zich om mijn botten vouwt als nieuwe spier
is de klank van diegenes lichaam
en van hoe ondoordacht het is, hoe achteloos
dat zijn naam op het ene stapeltje ligt en niet op het andere.

 

Houdt van boeken

imagesIk kan me jaren herinneren waarin ik nauwelijks nat werd. Horecajaren, toen ik om de hoek van mijn huis werkte en kon wachten tot na de bui voor ik me buiten waagde. Sinds de geboorte van onze zoon lijk ik voortdurend door de regen te moeten. 

Al twee jaar leef ik volgens Nadims ritme, een timing die verdacht vaak samenvalt met hemelwater, buien waarvan ik vermoed dat ze wel eens even plaatselijk zouden kunnen zijn als de straat waarin ik fiets, de boom waaronder ik schuil; de kapotte paraplu die ik boven ons hoofd houd.  

Vanochtend op de crèche, toen ik met het water in mijn oren de verschillende gele rubberlagen van zijn lijfje aan het pellen was, bedacht ik dat een minder kranig mens inmiddels zou gaan denken dat de Heer zijn handen van hem afgenomen had. Niet ik. Negatieve aandacht was tenslotte ook aandacht. En hoe meer het regende, hoe meer ik las. Schrijven ging ook heel goed als het met bakken naar beneden kwam. Aangezien het overduidelijk Gods plan was dat ik in de komende 28 jaar Renate D. naar de kroon ging steken waar het om productie ging, mocht ik hopen dat het flink op me bleef regenen. Nog iets wat ik aan mijn zoon te danken zou hebben. 

Ik tilde mijn manneke het lokaal in en zette hem op een hoge stoel aan tafel. Terwijl ik zijn spulletjes opvouwde en in zijn la legde, viel mijn oog op een lijstje dat boven het verschoonkussen aan de wand getapet zat. Persoonlijke voorkeuren en allergieën van de kinderen waren er in ronde letters opgeschreven. Er zweefden nog net geen bolletjes boven de i’s. 

Sommige kinderen hadden hele waslijsten achter hun naam. Geen brood, las ik. Pas op! Lactose!!! en Wil twee spenen in bed. Natuurlijk zocht ik naar de naam van mijn jongen, die nu achter me met druipende haartjes zijn boerderijpuzzel aan het leggen was. Bij allergie stond niets, bij slapen en eten ook nietHelemaal aan het eind van de rij, onder het kopje opmerkingen was met paarse stift Houdt van boeken geschreven. 

 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Over wetenschap en perverse seks, en geverfd textiel

Een van de eerste boeken die ik las toen ik aan een universiteit studeerde was vast niet toevallig Sir Karl Poppers De groei van kennis. In een vroeg hoofdstuk beschrijft Popper een mooie overwinning van het wetenschappelijk denken, van hypotheses, falsificatie en verificatie aan de hand van – ik meen – een Oostenrijkse kraamkliniek. De onbegrijpelijke sterfte door kraamvrouwenkoorts wordt door een arts-assistent heel heldhaftig naar een oplossing gedacht: langzaamaan, steeds mogelijkheden uitsluitend, komt de man erachter dat handen goed wassen voor ze in een bloedende vrouw te stoppen, helpt.

Op Amerikaanse films, waarin de aarde gered wordt door een sergeant die moedig genoeg is het tegen monsters op te nemen na, is er nauwelijks groter heroïek denkbaar dan die van de medicus die redenerend tot inzichten komt die levensreddend blijken te zijn. Hoe voor de hand liggend ze in retrospectief ook mogen lijken.

Daarbij zijn ziektegeschiedenissen fascinerend. Ook in het schitterende boek Ontregelde geesten van Douwe Draaisma val je van verbazing in verbijstering. Verhalen waar die van zijn grote voorbeeld Oliver Sacks bij verbleken. De geestesafwijking bijvoorbeeld dat iemand meent dat hij geen linker been behoort te hebben. Terwijl hij dat been wel heeft. En dat die overtuiging zover kan gaan dat het tot amputatie komt en dat die patiënt dan pas echt gelukkig is, want dan past zijn lichaam bij het beeld dat hij van zichzelf had. Of het verhaal van het syndroom van Capgras, waarbij de zieke meent dat iedereen in zijn omgeving vervangen is door een dubbelganger. Huiveringwekkend. Een echte extra kwaliteit van het boek is dat het een geschiedenis van de 19e eeuwse psychiatrie is.

Een ander weergaloze verzameling van ziektegeschiedenissen uit die tijd is de  Psychopathia Sexualis: eine Klinisch-Forensische Studie van Richard Freiherrvon Krafft-Ebing – en ik voel dat ik je als lezer een beetje aan het verliezen ben. But you ain’t seen nothing yet.  Zekere episodes, als die over een man die bij voorkeur masturbeert als hij op een begraafplaats uit een opgegraven lijk de ingewanden vist, behoren tot de tederste in hun soort. Waarom? Door de oordeelloosheid van de beschrijving. Krafft-Ebing kwam ze gewoon tegen in zijn praktijk, deze mensen met vreemde seksuele voorkeuren en beschreef hun geval, niet veel meer.

Dat de medische wetenschap enorme obstakels heeft overwonnen heeft is bekend, maar welke het waren minder. In The Emperor of all Maladies, A Biography of Cancer, vertelt  Siddartha Mukherjee het verhaal van William Stewart Halsted, een Amerikaans chirurg die rond 1900 befaamd was om zijn radicale operatie van borstkanker, waarbij hij diepgravend te werk ging, conform de Latijnse stam van dat woord: tot in de wortel. Zeer omvangrijke operaties dus, waarbij soms maar een half mens overbleef.  Halsted is een mooi voorbeeld van een waarschijnlijk goedbedoelende wetenschapper die niet op het juiste moment de juiste vragen heeft kunnen stellen. Zijn oplossing diep te graven werd deels gerechtvaardigd door zijn waarneming dat kanker vaak terugkwam na een operatie. En zijn suggestie dat er dus meer verwijderd moest worden had een redelijke grond, maar hij heeft te weinig getracht zijn hypothese te falsificeren. Mukherjee merkt droogjes op dat het in de helft van de gevallen een niet uitgezaaide kanker betrof, waardoor de grote operatie niet beter was dan een heel locale, bij de andere helft was wel van een metastase sprake en ging de operatie dus toch niet ver genoeg. Het was dus in alle gevallen teveel. Halsted zag dit niet omdat hij dingen niet wist die wij nu wel weten, maar ook om dat zijn status en zijn succes met hem op de loop gegaan waren. Hij durfde onvoldoende te twijfelen, en nam te weinig moeite om de resultaten kritisch te bekijken. Hij werd vereerd, zijn studenten zaten op de goede plek. Hij was autoritair en bracht geld op. Veel problemen die ook vandaag relevant zijn.

Maar het meest ontbeerde hij waarschijnlijk de vonk van inzicht die de wetenschap naar een volgend plan brengt. Want dat is het soms. Maar even vaak: volstrekt toeval. Zoals bij de latere nobelprijswinnaar Paul Ehrlich, de vader van de chemotherapie, tevens de ontdekker van het middel tegen syfilis en difterie, die zijn laboratorium op twee minuten afstand van een grote chemische fabriek had. Een fabriek die alle toen bekende chemicaliën in huis had, omdat deze fabriek gespecialiseerd was in het maken van verfstoffen voor textiel, een lucratieve handel tijdens het hoogtepunt van de industriële revolutie.  En zo heeft de uitvinding van de katoenmolen behoorlijk bijgedragen aan de uitvinding van het principe achter chemotherapie.

Een nog fraaier voorbeeld van toeval in medische wetenschap is dat uit de gevolgen van het giftige mosterdgas dat in de Eerste Wereldoorlog voor het eerst gebruikt werd de conclusie kon worden getrokken dat dit gas het aantal witte bloedcellen dramatisch verminderde. In aangepaste doses een middel tegen de ziekte waarbij deze witte bloedcellen de overhand nemen: Leukemie.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Schrijvers en titels

Het verzinnen van een goede titel voor een boek is een kunst apart. De beste schrijvers kunnen de slechtste titels verzinnen en andersom komt waarschijnlijk ook voor. Als redacteur op een uitgeverij weet ik dat titels vaak op het allerlaatste moment, als de aanbiedingsfolder wordt gemaakt, verzonnen worden en dat dat vaak door iemand anders dan de schrijver zelf gebeurt.
           
Scott Fitzgerald wilde dat zijn Gatsby-boek On the road to West Egg ging heten, of anders Among ash-heaps and millionairs. Op het laatst stelde hij Max Perkins de titel Under the Red, White and Blue voor. Maar zijn uitgever schreef hem terug dat het boek al gedrukt werd onder de titel The Great Gatsby. Volgens velen niet alleen een goed boek maar ook een heel goede titel.
            Ik vind het altijd wel mooi als er in de titels van een oeuvre een systeem valt te ontdekken. Zoals dat alle titels van Stephan Enter uit één woord bestaan. Of het gegeven dat het woord ‘zon’ vaak voorkomt in titels van Jeroen Brouwers: Bezonken rood, Het verzonkene, De zondvloed, Zonsopgangen boven zee en trouwens ook Zonder trommels en trompetten.
            Aan die laatste titel zit een verhaal vast: Lodewijk van Deyssel kreeg ooit een manuscript toegestuurd van een jonge schrijver met het verzoek om dat te lezen. De schrijver vroeg Van Deyssel ook of hij er niet een goede titel voor wist. ‘Komen er in het boek trommels en trompetten voor?’ vroeg Van Deyssel. ‘Nee,’ antwoordde de schrijver. ‘Welaan waarde heer,’ antwoordde Van Deyssel, ‘noemt u uw boek dan Zonder trommels en trompetten.’ Door deze anekdote kwam Brouwers aan zijn titel. Volgens de inmiddels overleden Harry Prick, grootste Van Deyssel-kenner die ooit heeft bestaan en zal bestaan, had deze anekdote trouwens niets met Van Deyssel te maken.
            Over de vraag wat een goede titel is, bestaan uiteraard verschillende meningen. Een paar van mijn eigen favorieten uit de Nederlandse literatuur: Liefde en goudvissen van Jacques Gans, Haast hebben in september en De honden jagen niet meer van A. Alberts, Moedwil en misverstand van Hermans, Wat kunnen wij van rijke mensen leren? van D. Hillenius, Biefstuk en benzine van Jan Fontijn en Vanwege een tere huid van A. Koolhaas. Welke mooie titels vergeet ik hier?
            A. Alberts is naar ik weet de enige auteur die een boek heeft gepubliceerd dat onder drie verschillende titels is verschenen. Nadat De eilanden en De bomen waren uitgekomen, zou in 1954 De vergaderzaal moeten volgen. Alberts had dat boek al in 1952 aangekondigd bij zijn uitgever Geert van Oorschot. Maar Alberts kreeg het boek niet af en werkte ondertussen aan andere projecten, waaronder het boek De Franse slag. Omdat hij in verband met zijn nalatigheid wat betreft De vergaderzaal Van Oorschot niet onder ogen durfde te komen, verscheen het boek bij Paris. Toen in 1974, twintig jaar later dan aangekondigd, De vergaderzaal toch eindelijk bij Van Oorschot verscheen en het boek een commercieel succes werd, kwamen er herdrukken van eerdere Alberts-titels op de markt. Een daarvan was De Franse slag. Van Oorschot vond dat het boek een nieuwe titel moest krijgen en belde Alberts op. ‘Aan Frankrijk uitgeleend,’ zei Alberts door de telefoon. Maar Van Oorschot verstond Aan Frankrijk uitgeleverd en zette die titel op het omslag. Dat vond hij onbewust waarschijnlijk ook een krachtigere variant. Bij de derde druk werd dit misverstand rechtgezet en verscheen het boek alsnog onder de titel Aan Frankrijk uitgeleend.
           
Nog een titelanekdote: in 1985 verscheen Geschiedenis van de Russische literatuur van Karel van het Reve in zowel een gebonden als een paperbackversie. Van het Reve kwam naar de uitgeverij om zijn auteursexemplaren op te halen en zag tot zijn ongenoegen dat er De Geschiedenis van de Russische literatuur op stond, met het lidwoord ervoor. Terwijl hij naar zijn eigen idee een geschiedenis had ingeschreven, in plaats van de enige echte, definitieve. Vervolgens zijn de stofomslagen van de gebonden editie verwijderd en vervangen. Maar omdat niet alle exemplaren zijn onderschept, zwerven er antiquarisch nog steeds een paar gebonden eerste drukken met het oude omslag rond. Er bestaan mensen die daar graag veel geld voor betalen.

‘Aspiratie, ambitie, verlangen’ – over autonomie

Het meest ‘subversieve’ dat je vandaag als schrijver kunt doen is misschien minder het ontregelen van een of alle bestaande regels, dan het opstellen van nieuwe regels. Aspiratie, ambitie, verlangen: dáárop lijkt het grootste taboe te rusten. Dit taboe doet zich bijvoorbeeld voor als verfijnde ironie – het ongeloof in de substantialiteit van grote verlangens – of als vulgair sentimentalisme – de kleinburger of universele consument die eist dat elk verlangen wordt ingezet voor zijn persoonlijke ontroering/entertainment. (De analogie (compliciteit?) met de huidige liberaal-democratische consensus lijkt me overigens evident: elk maatschappelijk verlangen dat de wil-tot-soepel-functioneren overtreft zou automatisch leiden tot de Goelag etcetera, etcetera.)

 Jeroen Mettes, Weerstandsbeleid (Wereldbibliotheek, 2011;p. 239/240).

‘Een blogstukje met een motto? Wat raar! Dat zie je eigenlijk nooit! Wat gek! Ik vind dat niet normaal! Het stukje is nog maar net begonnen en ik ben al helemaal uit mijn doen! Nou, wat vreemd zeg! Gut! Tjonge, jonge! Dat is heel anders dan wat ik gewend ben! Ik weet niet of ik dit wel leuk vind! Ik weet niet of ik dit wel trek! Ik vind het eng! Ik vind het griezelig! Ik vind het naar! Ik denk dat ik er maar eventjes vandoor surf! Het is mij allemaal een beetje te onvoorspelbaar hier… huuh!’

Tot mijn grote spijt had ik beloofd iets te schrijven over Stephen Kings vervolg op The shining (1977). Nou, vangen…

Auteur: Stephen King.

Boek: Dr. Sleep (2013).

Eindoordeel: beneden kritiek.

Blijkbaar bestaat er werkelijk zoiets als lage – al te lage – kunst. Ik heb totaal geen behoefte om in te gaan op het handjevol passages in Kings roman dat wel de moeite waard is en het ontbreekt me al helemaal aan de lust om over de rug (geen woordspeling) van Kings boek wat van mijn gebruikelijke flauwiteiten te debiteren. Al is op de talloze bespottelijke, occulte passages in Dr. Sleep die bekende uitspraak van Oscar Wilde van toepassing: je moet wel een hart van steen hebben om hierbij niet in schaterlachen uit te barsten. Hopelijk meldt zich een cineast van het kaliber Stanley Kubrick om Kings boek intelligent te adapteren voor het witte doek.

De Nederlandse vertaling van Dr. Sleep is verschenen bij de één of andere kloterige concernuitgeverij waarvan ik je, erop vertrouwende dat je het boek van King sowieso ongekocht laat, de naam onthoud.

In het algemeen geldt natuurlijk: koop je boeken en losse nummers van literaire tijdschriften bij zelfstandige boekhandels. En probeer je zoveel mogelijk te beperken tot titels die verschijnen bij zelfstandige uitgeverijen. Anders kun je je huis, je bezittingen, je dierbaren en jezelf net zo goed meteen helemaal ondersmeren met de zachte stront van zieke kistkalveren.

Overigens ben ik van mening dat auteurs die hun werk onderbrengen bij een concernuitgeverij – een heuse receptie/balie!, representatief geklede redacteurs!, borrels met luxe hapjes!, fotomomentje bij het ondertekenen van een nieuw ‘contract’!, anoniem kapitaal!, efficiency!, winstmaximalisatie! – zich geen grote muil kunnen veroorloven over cultuurbezuinigingen, verharding van de samenleving en censuur. Alles is in alles, zoals Multatuli leert.

Maar laat het maar weten als je er anders over denkt. Dan gaan we lekker polemiseren.

Tirade – bloedserieus.

Volgende week: ‘Hahaha, schitterend!’

‘Wacht, wacht, wacht… wacht nou es eventjes… beweer je nou dat er bij concernuitgeverijen helemaal geen goeie boeken verschijnen?’

‘Nee, sterker: het werk van verschillende van mijn lievelingsauteurs – sommigen springlevend, anderen morsdood, derden ergens daartussenin – verschijnt nu nog bij concernuitgeverijen… Maar noblesse oblige: ik zou graag zien dat alle supertalenten hun werk zouden onderbrengen bij zelfstandige uitgeverijen… Er zijn er genoeg: Van Oorschot, Wereldbibliotheek, De Harmonie, Van Gennep, Karaat, De Geus, Podium, Prometheus, Perdu, IJzer, enzovoort, enzovoort..’

‘Jezus… zijn jullie allemaal van die sektarische, mueslivretende sandalen bij Tirade? Of ben jij de enige? Met je rare Jezushaar. Godverdomme man, die bedlegerige lachebekjes van DasMag vind ik altijd net een stelletje VVD-ers, maar jij lijkt je op te houden aan de gans andere zijde van het lifestylespectrum…’

‘Ik dank je hartelijk.’

Soundtrack: Original Alpenland QuintettJetzt Geht’s Los.

 

 

Wisselzondag: Hannah van Binsbergen

Hannah van Binsbergen | Zoek de kogel die je waardigheid bewijst

Hoe kun je je aandacht ervan afleiden en weer eens een veld inlopen
waar niet veel meer aan de hand lijkt
Je moest niet lachen toen je viel voor iemand zonder hart
hoe vaak je ook beweert dat het een grap was
Ik kan niet zeggen dat ik heb geleefd op de manier die mij het beste leek
en kan niet kijken naar mezelf en wat er uit mijn lichaam stroomt maar
weet van de onmogelijkheid die dingen ooit nog terug te krijgen

Ik kan daar één ding over zeggen en dat is
dat het niet waar is

Je kunt niet kijken naar jezelf: deze dingen zijn niet nieuw maar lijken zo onmogelijk ver weg
als iemand over tafel leunt en zegt: ik heb een nummer voor je. Bedenk dat het een keer te laat zal zijn, je weet niet of er dan nog iemand is
Als iemand zegt: ik kan daar één ding over zeggen
en zich omdraait om te kijken hoe je valt of eigenlijk waarom
en je wist niet dat ze wisten dat je viel.

 

 

Vrijdag frietdag

In het huidige nummer van Tirade (450) staat een tirade van Menno Hartman over patat, of beter gezegd: tegen patat. Hij schrijft het volgende:

Mij stoort de lucht van patat. Ik kan slecht tegen dingen die zich in een algemeen en groot publiek mogen verheugen. Waarom is dat? Is patat dan niet lekker? Ja­wel, één keer per jaar is patat lekker. Een mens moet zich beperken tot een keer per jaar patat. En dat is niet uitsluitend omdat je te dik wordt van patat. Dat is ook omdat er zo vreselijk veel andere dingen te eten zijn. Elke keer dat je patat eet, roep je over jezelf af dat je een gerecht niet zult leren kennen.

Wij aten vroeger thuis bijna elke vrijdag patat (overigens noemden wij patat ‘friet’ en dat vind ik toch een vriendelijker woord). Om de beurt moesten mijn zus en ik naar de snackbar (die wij ‘friettent’ noemden en ook dat vind ik een vriendelijker woord) in het nabijgelegen winkelcentrum om daar ‘voor vijf gulden’ te kopen, en soms een nasibal voor mijn moeder. Om de beurt probeerden mijn zus en ik hier vervolgens onderuit te komen, wat meestal leidde tot vreselijke ruzie. Was er een tijdje geen friet meer gegeten en waren we vergeten wie er voor het laatst naar de friettent was gegaan, dan werd er geloot. Ook dit leidde meestal tot ruzie. Verloor mijn zus de loting, dan zat ik vervolgens gniffelend op de bank te wachten tot ze terugkwam en dacht alvast verlekkerd aan de frietjes die mij zo dadelijk ten deel zouden vallen. Verloor ik zelf, dan liep ik met lood in mijn schoenen en bonzend hart richting de schuur om mijn fiets te pakken. Een enorme angst overviel me, iedere keer opnieuw.

De reden: ik was vreselijk bang dat ik een klasgenootje of anderszins bekende tegen zou komen. Die mij daar zou zien staan, in Snackbar Dagobert Duck. Met een zak friet. En een nasibal. Loser. Zeer slecht voor mij reputatie op het schoolplein, dacht ik. Soms verborg ik de plastic zak met het snackbar logo tijdens de drie minuten durende fietstocht naar huis zelfs onder mijn jas, waar mijn moeder op den duur ondefinieerbare vetplekken in ontdekt moet hebben.

Toch was het niet per se de angst om voor ‘goedkoop’ of ‘ongezond’ door te gaan die me op zulke momenten parten speelde. Omgekeerd had ik het namelijk ook: als ik met mijn ouders uit eten ging in een duur restaurant was ik misschien nog wel banger dat mijn leeftijdsgenoten ons zouden zien zitten, en dat ze mijn familie dan decadent of zelfs arrogant zouden vinden. “Lieke en haar ouders voelen zich zeker te goed om zelf hun eten te bereiden,” zo gonsde het door mijn hoofd. Naar mijn ouders toe verklaarde ik mijn restaurantfobie altijd heel nobel door te zeggen dat ik er gewoon niet van hield om bediend te worden. We kunnen toch ook thuis eten, mam, da’s gezellig, dan maak jij die lekkere lasagne, zei ik dan. En dacht: wat mijn part maak je die vreselijke visschotel waar ik iedere keer weer van gruwel, als je me maar thuis laat eten. Overigens bestelde ik bijna altijd een gerecht met frietjes, waar ik me dan weer voor schaamde, want waarom niet iets met orgaanvlees en/of zalmmousse.

Ik dacht dat dit alles zou veranderen op het moment dat ik ging studeren, maar niets was minder waar. Op de een of andere manier belandde ik in het enige studentenhuis van Amsterdam waar men er van hield om eigenhandig klein wild te schieten op het landgoed van iemands Britse familie en waar de ambachtelijke serranohammen boven de schouw te drogen hingen (totdat de maden eruit kwamen kruipen, dat dan weer wel). Als je zo nodig iets wilde frituren, dan moest je maar een pannetje olie opzetten. Een frituurpan kwam er niet in. Nog steeds vraag ik mij af hoe het mijn huisgenoten toch lukte om een zweem van goede smaak om zich heen te hebben wanneer het eten betrof, terwijl ze tegelijkertijd bijna iedere avond pasta-rode-saus (incl. analoog-kaas) naar binnen schoven. Want als je eenmaal bewezen hebt over ver-ontwikkelde smaakpapillen te beschikken, dan is het opeens wel weer bon ton om ‘slecht’ te eten. Het lukte me maar niet om wegwijs te worden in dit oerwoud van eet- en kookregels en op den duur begon ik steeds vaker kant en klaar maaltijden naar mijn kamer te slepen. 

Waar dit allemaal vandaan komt, ik weet het niet precies. Tegenwoordig ben ik allang niet meer de moeilijke eter die ik als kind was, en koken gaat me ook prima af, mits ik mijn best doe. Maar het probleem met faalangst is juist dat je op een gegeven moment je best niet meer doet. Ik heb het gevoel dat ik nog niet over het vermogen een ui te fruiten beschik op het moment dat er iemand meekijkt, dus probeer ik het niet eens meer en ben ik in de keuken degene die de kok toeroept dat ze normaal gesproken tosti’s eet als avondeten. Terwijl dat helemaal niet waar is. Maar dan heb ik in elk geval een houding.

Het probleem is dat ik het idee heb dat alles wat ik in mijn mond stop voor altijd iets zegt over wie ik ben, en misschien nog wel meer: over of ik de moeite waard ben. Ik kan dit gevoel niet goed uitleggen – het heeft mogelijk te maken met verschillende kerstdiners in de jaren ‘90 waarbij ik als enige familielid de amuses van mijn culinaire tante niet door mijn keel kon krijgen, wat resulteerde in een eindeloos ge-‘probeer het nou toch een keertje, één klein hapje maar’ van de rest van de tafel (ja, rotzakken, ik weet dat een amuse maar één klein hapje is, maar ik ga zo meteen een soepbord vol kotsen en dan zullen jullie voor altijd spijt hebben) waarna ik me tekort voelde schieten. Sommige dingen hoor je nu eenmaal lekker te vinden, en ik ben gevoelig voor wat hoort. Tevens heeft het waarschijnlijk te maken met het feit dat ik het hyperbewustzijn dat ik als kleuter al had de rest van mijn leven achter me aan heb gesleurd.

Dit alles leidde ertoe dat ik in Menno’s tirade een echo hoorde van de gemene culinaire smaakpolitie die zich al zo lang in mijn hoofd bevindt. De angst bekroop mij dat ik alleen maar redacteur van een blad als Tirade mag zijn als ik er tegelijkertijd toastjes met kaviaar bij eet. Maar afgezien daarvan vind ik friet ook gewoon een heel lief gerecht. Juist omdat het zo niet-verantwoord is helpt het mij eens in de zoveel tijd de strengheid die ik ten opzichte van mezelf handhaaf te doorbreken, en dat maakt het troostrijk. Ik herinner me hoe ik ooit op een terras vreselijke ruzie met mijn geliefde zat te maken -het ging er verhit aan toe en we stonden op het punt om elkaar te dumpen. Maar toen kreeg de oude vrouw die in haar eentje aan het tafeltje naast ons zat een bord friet voorgeschoteld. De combinatie bejaarde/patat was killing, en er was ook nog eens sprake van ketchup. Op dat moment gleed alle boosheid uit me weg en maakte plaats voor een eindeloze mildheid, zowel jegens mezelf als jegens mijn geliefde.  Zij had hetzelfde. We legden het bij.