Roeien – een liefdesverklaring

De encyclopedie van het geluk 30

Ik heb veel nagedacht over de activiteit van het roeien. Gewoon omdat ik veel geroeid heb. En als de mederoeiers de bovenmenselijke goedheid hebben even te zwijgen is er ruimte voor denken. Laatst vertelde ik er iemand over.  Ik roeide op een sloep uit het begin van de eeuw. Op foto’s had ik de sloep zien hangen aan zijn moederschip in verre havens in de Oost. Nu lag hij in de stad en met tien man was er een aardige vaart in te trekken. De dollen piepten dan, de riemen gingen met een plons het water in. Een keer hadden we ons door ijs van een centimeter geploegd, hard werken en een feest voor het gehoor, de krakende en piepende massa die door de boeg gebroken werd, de klappen van de riemen die van wat hoger naar beneden geslagen werden om het ijs te breken. Het deed me kort denken aan Willem Barendtsz, wat moeten ze het huiveringwekkend koud gehad hebben, en eenzaam in de zwarte poolnacht. Het roeien ging zomer en winter door. Voor een solist kan het een opluchting zijn een radertje in een groter geheel te worden. Ik was verbaasd hoe gelukkig het me soms kon maken als er zwijgend tegen de wind in geploeterd werd en je wist dat je bijdrage van belang was, de lichte competitie tussen stuurboord en bakboord wie de meeste kracht leverde, de stuurman testte dat soms door het roer los te laten. Op zomeravonden als de stad geluiden maakte kon het stil zijn op het water, de late zon verstrooide zich op het kabbelend wateroppervlak en als we onder een brug voeren, rook je de stad en zag je de duiven ijverig op ongenadige balkonnetjes hun nesten maken. Soms moest er naar Muiden gevaren of naar Nes aan de Amstel. Bij Muiden was het IJmeer het grootste lichaam water dat ze aandeden, het voelde in de zwarte nacht huiveringwekkend groot en geweldig. Ik leerde mijn stad op een heel andere manier kennen, vanaf het water, de kades, de dokken, de planten die tegen de kades opgroeiden, de vogels wier wereld dit was, de eenden, rotganzen, mantelmeeuwen, kokmeeuwen, waterhoentjes, blauwe reigers. Het verdiepte mijn bestaan in een stad, omdat het element vanaf het land te vlak, te eenduidig was. In het water, roeiend of ook wel zwemmend leek het iets mee te willen delen, of werd je er in ieder geval zozeer deel van dat het je zowel beangstigen kon als vervullen van een intens geluk. Voordat een brug gepasseerd kon worden telde de stuur af en gaf het commando ‘laten lopen’ waarna je ver achteruitleunend de riem voor je buik langs halen moest zodat de riem langs ze zij van de sloep kwam en je smal genoeg was om de brug te passeren. In de donkerte van de brug had je net tijd om twee vlugge halen uit je drinkfles te nemen.

Het kon zo koud niet zijn of je zat zwetend in een sloep, zo intensief is het twee uur roeien. Het regent buiten vele malen minder dan je binnen veronderstelt, was ook een waarneming die ik eraan overgehouden had.

En al snel was ik in mijn verhaal verzeild geraakt bij Joseph Conrad, wiens werk ik verslonden had. Wanneer ik in een sloep zat, waande ik me misschien wel een jonge Conrad, gefascineerd door alles wat met zee en zeevaart te maken had. De man had in Polen, of bijna Oekraïne al jong zijn revolutionaire ouders verloren. Onder de begeleiding van een oom bracht hij het tot bijna volwassenheid toen hij rond zijn zeventiende liet weten naar zee te willen. Hij was onhoudbaar. Decennia zwierf hij rond op de wereldzeeën, meestal in Britse dienst. Al zijn romans spelen op plekken die hij zeilend bereikt heeft, een aantal ervan spelen zich eenvoudigweg af op een boot, zoals die die handelt over het eerste commando van een jonge kapitein die zijn schip op zee weet te krijgen wanneer er een wekenlange windstilte intreedt en er geen beweging in zijn schip te krijgen is en de onervaren kapitein onder veel meer te maken krijgt met een gevaarlijk mokkende bemanning. (The Shadow-Line) Conrad was een man van een vaste en consequente passie waaraan alles ondergeschikt was: de scheepvaart. De liefde die hij ervoor voelde culmineerde in zijn boek The Mirror of the Sea wat een liefdesbetuiging is aan de zeeën en de schepen die hij bevoer, waarin hij alle aspecten ervan, het wachten, de lading, de winden en zo voort stuk voor stuk met kennis van zaken bespreekt, als een handreiking bijna, een leerboek voor wie het nog beleven gaat. Ik stel me voor hoe de oude bebaarde zeeman in een huisje in Engeland, met pensioen aan dit boek gewerkt had, hoe het een redelijk technische verhandeling over scheepvaart lijkt maar hoe het in wezen een autobiografie is, of een weerslag van wat de man als de zin van zijn leven moet hebben ervaren. Ergens in Amsterdam kwam hij in een koude winter wekenlang vast te liggen omdat zijn schip op lading wachten die op de binnenvaartschepen in de kanalen en rivieren was komen vast te vriezen. Als we langs de oude havengebieden roeiden stelde ik me voor waar het geweest moest zijn dat de Pool wekenlang in onze stad rondliep, terwijl het vroor dat het kraakte, ergens eind negentiende eeuw.

Roeien geeft ruimte tot denken, in wezen kun je niet beter denken dan wanneer je twee uur lang hard lichamelijk moet zwoegen en de riemen het water in ziet gaan en je soms in een poging het zweet van je voorhoofd te wissen met je schouder een stuk lucht of een wand grachtenpanden opvangt, maar verder steeds slechts water en riemen ziet.

Van lieverlede; zo
komen zij nader: 8 roeiers,
steeds verder landinwaarts

groeiend in hun mytologie:
met elke slag steeds verder
van huis, uit allemacht roeiend;
groeiend tot alle water weg is,
en zij het hele landschap

vullen tot de rand. Acht –
steeds verder landinwaarts
roeiend; landschap daar al geen
water meer is: dichtgegroeid
landschap al. Landschap,
steeds verder land-

inwaarts roeiend; land
zonder roeiers; dicht-
geroeid land al.

Hans Faverey

Lezen

Joseph Conrad The Shadow-Line
Joseph Conrad The Mirror of the Sea
Hans Maarten van den Brink Over het water

naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Foto Edward S. Curtis, 1908, naam nog niet achterhaald

Broadway the Hard Way – over al of niet uitsterven

De encyclopedie van het geluk 29

Een van de opvallendste straten in New York is natuurlijk Broadway, alleen al op de kaart als je de schuine lijn al die rechte blokken ziet snijden. Het is een mooie, voortdurende herinnering aan wat niet voorbij is: de aanwezigheid van Native Americans in Amerika. Het is oorspronkelijk de ‘Wickquasgeck trail,’ het brede pad waarmee de Wickquasgeck – een Native American volk – het schiereiland Manhattan opreden. In wezen schijnt het 600 km door te lopen richting het noorden.

In Rebecca Solnits hoopgevende nieuwe boek The Beginning Comes After the End gaat het veel over de ‘Indeginous people’ de mensen die voor Columbus al in Amerika woonden. Haar hoopvol verhaal spitst zich toe op de vele na pakweg 1870 ontstane emancipatiebewegingen: van vrouwen, van Afro-Amerikanen, Hispanics en van Native People. Deze bewegingen – versneld na 1950 – die ook veel aan elkaar te danken hebben, elkaar nogal versterkt hebben, brachten een verandering in gang die nu weliswaar heftig bestreden wordt, maar waarvan de geest niet meer terug in de fles gaat. Volgens Solnit zijn de autocraten en oorlogshitsers van vandaag, ze noemt ze maar zelden bij naam, de ‘monsters uit de duisternis’  die nu eenmaal verschijnen bij het einde van een tijdperk. Hun rijk is stervende. Dat is wel de hoop die je wilt horen. Verandering is ingezet, de haviken voeren een achterhoedegevecht tegen de duiven.

Op een bijeenkomst in de jaren -90 van de twintigste eeuw, over de geschiedenis van zijn volk werd een leider van het volk van de Ahwahneechee van Yosemite verteld dat hij en zijn volk uitgestorven waren. Een vreemde opmerking om te maken in het gezicht van een levend mens. In het boek van Solnit blijkt dan ook dat niets minder waar is. Veel Native American volken zijn recentelijk succesvol geweest in het terugkrijgen van hun land. En er wordt steeds meer geluisterd naar hun manier van met land omgaan: zo is in California geleerd dat de manier waarop daar levende volken met vuur hun land onderhielden uiteindelijk tot minder natuurbranden leidt. De kolonisten vonden het belachelijk: maar zo nu en dan preventief een stuk grasland of bos in de hens zetten creëert vuurdrempels die veel erger voorkomen

David Graeber schrijft in The Dawn of Everything over zeventiende-eeuwse europeanen: ‘ In feite waren [ze] in veel opzichten totaal anders dan wij. Als het ging om kwesties van persoonlijke vrijheid, de gelijkheid van mannen en vrouwen, seksuele zeden of volkssoevereiniteit—of zelfs, wat dat aangaat, theorieën over dieptepsychologie—liggen inheemse Amerikaanse opvattingen waarschijnlijk veel dichter bij die van de lezer dan die van de zeventiende-eeuwse Europeanen.’

Kortom, ze zijn niet uitgestorven, en hebben Europa veel meer beïnvloed dan we wel dachten, claimt Solnit met Graeber. En dat betekent dus dat we nog steeds leren van inzichten die we eeuwen terug belachelijk en primitief vonden. We zitten midden in een grote paradigmawisseling.

In Michael J. Bentons Extinctions wordt diep ingegaan op de verschillende golven van uitsterven die de wereld al heeft ondergaan. Vijf golven van massa-uitsterven over de loop van 540 miljoen jaar. Misschien minder opwekkende lectuur dan Solnit, maar ergens zie ik overeenkomsten: een uitsterven is zelden een compleet uitsterven. En wat er overblijft, tsja, dat leidde ook tot wat wij nu een te beschermen wereld vinden. Ik doe dit boek eveneens veel onrecht door het te kort samen te vatten, maar: pieken in soortenverlies: ‘uitsterfgolven’ volgen een min of meer gelijksoortig patroon, vaak temperatuurschommelingen door verhoogd co2, sterfte op land, troep in zee, verzuring van de zee. In wat er aan soorten overblijft volgt vervolgens vaak een diversificatie: snel veel nieuwe soorten…

Door nauwkeurig naar uitsterven te kijken wordt het wel wat minder eng. De voor de hand liggende gedachte: ‘er overleven vast wel een paar dieren en planten en die ontwikkelen zich tot nieuwe boeiende soorten’ helpt ons Homo sapiens niet zo veel. Maar iets vrolijks zit er toch in. Helemaal uitsterven, dat kan ook ons nog bespaard blijven.

Laten we hopen dat de monsters van de duisternis, volgens Solnit, de achterhoedevechters van de ongelijke samenleving het eerst het loodje leggen.

Trump is al een end heen. Volgens Geert Mak is hij gewoon een psychiatrisch patiënt, een oude man die ontremd is geraakt en niet meer bijgestuurd wordt.

Ook hij krijgt de geest van verandering niet meer in de fles. Het tijdperk van de Trumposaurus komt tot een einde…

Lezen:

Rebecca Solnits The Beginning Comes after the End, Notes on a World of Change
Michael J. Benton Extinctions How Life Survives, Adapts and Evolves
David Graeber and David Wengrow, The Dawn of Everything A New History Of Humanity

En natuurlijk luisteren: Broadway the Hard Way, Frank Zappa

ps, de Curtis foto (niet uit The North American Indian The Complete Portfolios, maar uit the Unpublished Plains) sprak me – zoals veel van zijn foto’s – enorm aan. Nu vind ik tot mijn ergernis niet de naam en het volk van deze man. Graag Schrijf ik de volgende keer verder over de ongemakkelijke kwestie van antropologische fotografie: zonder Curtis zouden we deze prachtige man niet kennen, maar met Curtis… kennen we ook voornamelijk Curtis….

Zie ook hier.

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Collage – over de schoonheid van een snipper

De encyclopedie van het geluk 28

13 april 1923 arriveert op station Drachten een man wiens belangrijkste bezit een koffer vol papiersnippers is. Hij wordt afgehaald door de broers Thijs en Evert Rinsema, beiden kunstenaar, de eerste ook schoenmaker. Het intieme detail dat de man meteen sympathiek maakt.

Lijm moet een redelijk vroeg gereedschap van de mensheid zijn geweest: na de ontdekking van het vuur zal een mensachtige zijn opgevallen dat wat in de pan zit aan botresten nadat je het vlees hebt opgegeten, plakkerig is, soms zeer plakkerig.

Kurt Schwitters – de kofferdrager – is naast veel meer een eigenzinnig collageartiest: hij zoekt, verzamelt, scheurt en knipt en plaatst en plakt, daar komt het woord ook vandaan: colle is lijm. Het Woordenboek der Nederlandse taal zegt bij collage: ‘non-conformistische, vooral dadaïstische kunstuiting, bestaande uit een geheel van aan elkaar geplakte of gehechte knipsels, (deelen van) foto’s e.d. en/of veelal ongelijksoortige gebruiksvoorwerpen. Rond 1910 geïntroduceerd door G. Braque en P. Picasso en aanvankelijk bekend onder de fr. ben. papiers collés.’

Het echte collagemaken heeft massaproductie nodig: duur papier scheur en knip je niet: afvalpapier, tijdschriften en kranten, sigarettenpakjes, aanplakbiljetten, die knip en plak je. En dan gaat het om vorm, kleur, betekenis. Rijm, analogie, ritme. Het is een democratiserende kunstvorm. Er is geen vooropleiding of al te veel talent voor nodig. Het gaat om samenstellen, herkennen wat mooi is, een reactieve kunstvorm dus eigenlijk. Als je op zeker moment genoeg gekeken hebt in je leven, voldoende schilderijen hebt zien langskomen, landschappen, dan kun je een collage maken.

Een vreemde opeenvolging van andersoortige gebeurtenissen: een leven. Twee dingen die je na elkaar meemaakt gaan een verbinding aan: contaminatie, het een neemt iets van het ander over.

Of je wilt iets aan iets anders verbinden en brengt je twee beste vrienden met elkaar in contact. Collage. Als je erover gaan nadenken is alles collage. Ik ben bijvoorbeeld steeds onder de indruk van historici als Geert Mak. Soms vraag je je af: hoe doet hij dat? Welnu, in wezen is elke geschiedschrijving niet heel veel meer dan een kundige collage. De schrijver was er niet bij, hij plakt wat hij hier las aan wat hij daar las en verheldert soms het verband. Poëzie: collage. Heel veel film is collage van beeldmateriaal. Ook een nieuw gemaakte film is aaneenplakken van beelden uit het hoofd van de cinematograaf. Dansen: als je goed oplet is niet alleen dansen op een feest, maar ook veel choreografie vaak citeren van elkaars bewegingen of citeren van bewegingen die eens zijn gezien bij een ander ballet. Het essay zelf is het collagekunstwerk bij uitstek, citaten worden gebruikt als lijm van contrasterende tekstdelen. Een tuin is een collage van leven: het naast elkaar plaatsen van kunstwerken uit de natuur die een aantrekkelijk geheel vormen.

Het Lied van Alma

De jongen zat bij de beek,
Het water was zo hel-
der, op de bodem een vis zo leek
De vis zwom bliksemsnel
De jongen sprong naar beneden,
Het water was zo diep,
En beneden op de bodem,
Hoe het vanuit de verte riep:

Je bent hier niet bij de beek
En wat hier flitst zo fel,
is geen wendbare vis.
Je springt bliksemsnel,
Je springt diep naar beneden,
Je springt een end en ver:
Hier beneden op de bodem
Daar is de vreemde ster.

Kurt Schwitters

En zo is de collage de meest democratische kunstvorm: je hoeft er niets voor te kunnen, je moet iets herkennen als mooi. En vinden dat dingen bij en naast elkaar horen. En liefde voor het toeval helpt. Je creëert niet: je voegt samen, je stelt samen uit wat er al is. Je herkent en assembleert. In mijn collagepoging hier wordt Kurt Schwitters gedicht nog een poëticaler gedicht denk ik, en Martinus Nijhoffs gedicht misschien kosmischer. Maar ergens zit er een analoge centrale gedachte in deze gedichten. En ergens heeft die met een herinnering te maken, iets met water, vissen, een jongetje. En ik ben dan hier slechts lijm. Erg knap is dat niet, maar misschien stonden deze gedichten wel nooit eerder zo dicht bij elkaar.

Het kind en ik

Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.

Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.

Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel
herkende ik, was van mij.

Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.

En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.

Martinus Nijhoff

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

DE MENS ALS BIOPIC 15 Vincent van Gogh en de anderen 1

Afwezigen behoren tot de meest aanwezige karakters in verhalen. Ze zijn er niet, maar beheersen alle fictie en non-fictie van sprookjes tot nieuwsfeiten, van mythe tot cult movie, van Homerus tot Harry Potter.

Favoriet in de categorie der afwezigen zijn God en Allah, maar wat te denken van een nog steeds rondlopende seriemoordenaar, een verdwenen geliefde, de ondergedoken dictator, een onvindbare erfgenaam, de al te stille buurvrouw, de slimme veelpleger, de geheime aanbidder, Dr. Livingstone, de geest van vader, Bolle Jos?

Het zijn de niet-aanwezigen die spanning en dynamiek genereren. AMBER Alert! 

Dit dramaturgisch gegeven gebruikte ik in de achtdelige dramaserie Langs de Kant van de Weg. De serie gaat over mensen die tijdelijk een rol speelden in het leven van Vincent van Gogh. Mensen die straal vergeten – niet aanwezig – zouden zijn wanneer zij niet kort beschenen werden door het licht en het genie van Vincent van Gogh. Zij vormen de acht hoofdrollen in deze tv-serie.

*

Deel 1 VROUW MET KIND

Clasina (Sien) Maria Hoornik (1850–1904)

De serie begint met een hoogzwangere vrouw in een ziekenhuisbed. Haar dochtertje Willemien – vijf jaar – tikt as van een sigaar die haar moeder daar rookt. Sien Hoornik werkte als prostituee en hoogstwaarschijnlijk hebben Van Gogh en Hoornik elkaar op die manier ontmoet. Ze woonden twee jaar samen. Vincent timmerde een wiegje voor de baby – niet de zijne – en hij tekende alles wat los en vast zat in hun Haagse buurtje. Van trouwen kwam het niet.

Dat er over de aard van hun samenleven niet veel bekend is, maakte het mij voor makkelijk scènes te bedenken over Vincents artistieke ambities en hoe die ten slotte het samenzijn met Sien onmogelijk maakten.  

SIEN:

‘Jij bent geen kunstschilder, want die zijn rijk.’

‘Die rotzooi van jou, daar kan ik nog geen kachel van stoken.’

‘Ik ben ook niks, maar ik heb wel twee kinderen.’

VINCENT:

‘Als jij niks bent, zou ik je niet kunnen tekenen!’

Vincent wil weg. Naar Drenthe.

SIEN:

‘Ga dan! Ik zit niet verlegen om die Jezuïeten-smoel van je.’

Vincent vertrekt, op 11 september 1883. Op 22 september 1904 wordt aan rand van de Provenierssingel in Rotterdam het lichaam van een vrouw gevonden, ‘zeer vermagerd en met loshangend haar’. Sien.

*

Deel 2 DIE VERREKTE VAN RAPPARD

Anthon Gerard Alexander van Rappard – vijf jaar jonger dan Vincent – is ook zo’n naam die alleen genoemd wordt in relatie tot Van Gogh. Is dat jammer?

Zijn werk is opvallend vergelijkbaar met dat van George Hendrik Breitner, maar Van Rappard lijkt meer betrokken bij de mensen die hij schilderde en dat verbond hem dan weer met Van Gogh, met wie hij veel optrok.

De twee mannen werden goede vrienden, kameraden zelfs. Ze schilderden de watermolen van Nuenen, markante koppen van boeren, wevers, drukkers en arbeiders in hun werkplaatsen.

Anthon van Rappard was ook de eerste mens op aarde die oog in oog stond met De Aardappeleters.

Daar ging, zoals vaker bij Van Gogh, een ruzie aan vooraf.

VINCENT:

‘Anthon… Jij denkt schilderen te leren zoals je dansen leert, of eten met bestek. Ga weg van die academie, een ijzige, kouwe hoer.
De zucht naar harmonie is de dood!’

Hierna zagen de twee vrienden elkaar een tijd niet. Maar dan gaat Anthon toch onaangekondigd naar Nuenen. Vincent is daar niet, zo blijkt.

Anthon staat ten slotte achter de pastorie in het atelier/de schuur van zijn kunstbroeder.

Het is er doodstil.

Voorzichtig trekt hij uit een tiental onaffe doeken een nogal groot schilderij tevoorschijn. Hij bekijkt eerst de achterzijde, draait het dan om en ziet een boerengezin rond een tafel. Bij lamplicht prikken ze aardappelen uit een grote schaal.

ANTHON:

‘Dit is…
Dit is verschrikkelijk.
Een vloek. Een vloek is ‘t.
Ik kan jou hierin niet volgen.’

Zonder op Vincent te wachten, vertrekt Anthon van Rappard uit Nuenen.

*

Deel 3 DIRECTEUR IN ANTWERPEN

Michiel Karel Verlat (1824–1890)

Karel Verlat was een groot kunstenaar, maar werd te laat geboren. Dat was tragisch, althans zo portretteer ik hem in Langs de Kant van de Weg.

Verlat maakte tableaus met dieren in actie en verbleef een paar jaar in Jeruzalem om daar Bijbelse taferelen te schilderen. Hij werd gerespecteerd, maar Verlat komt ook de eer toe een van onze allergrootste kunstenaars van zijn Antwerpse academie geschopt te hebben met teksten als: ‘Kunst is moeder en dienares van het volk, maar zij is ook mannelijk, stoer en strijdbaar. Indien nodig is kunst vernietigend, streng en onbarmhartig.’

En tegen Vincent persoonlijk:

‘Uw boer Theo heeft in Parijs een… kunsthandel. Daar verkoopt hij kinderlijke uitsmeersels gemaakt door hasjies-gebruikers, absintdrinkers, impressionisten!’

En als Vincent nota bene een sigaret rokende schedel heeft geschilderd:

‘Er is in onze academielokalen geen plaats voor primitieve, onbeschaafde gemoedsuitstortingen, geen… verf-ophopingen! Ons monument van Schone Kunsten zal niet aangevreten worden door… charlatans.’

Het was voor mij een wellustig genoegen om de academievorst Verlat – prachtig gespeeld door Julien Schoenaerts – te zien vechten tegen het aanstormend modernisme. Ik had met hem te doen en dus zegt Verlat ten slotte ook tegen Vincent:

‘Mogelijk is er enig genie in u, Vincent van Gogh. Maar u zult begrijpen dat nabijheid van genie voor mij onverdraaglijk is.’

*

Deel 4 BROER IN PARIJS

Theodorus van Gogh (1857–1891) steunde zijn broer Vincent in elk opzicht, een aangrijpende broederliefde die legendarisch werd.

Als je zielsveel van iemand houdt, hoelang verdraag je dan diens kuren, diens stapels door iedereen afgewezen tekeningen en schilderijen? Hoe rekbaar is Theo’s geloof in zijn broer, met wie hij ook nog eens samenwoont: Rue Lepic 54.

Kunsthandel Boussod Valadon aan Boulevard Montmartre, najaar 1887. Theo is daar bedrijfsleider, maar heeft het moeilijk.

VALADON:

‘Hoe vaak heb ik u al gezegd dat ik nooit meer die rommel van uw broer in mijn zaak wil. Wanneer u nog eenmaal die smerigheid durft op te hangen, dan vliegt u eruit!’

Theo geeft toe, waarna het tussen de broers opnieuw hoog oploopt.

VINCENT:

‘Je stagneert een evolutionair proces, Theo. De generaties die na ons komen zullen je met de vinger nawijzen.’

Nu glimlacht Theo toch even. Hij herkent door alle teleurstellingen heen het vermogen van Vincent om de schilderkunst, zelfs het hele begrip ‘afbeelden’, te vernieuwen. Theo weet zich overigens wel gesteund door tijdgenoten als Claude Monet, Edgar Degas, Paul Gauguin, Toulouse Lautrec en Paul Signac.

Het was voor regisseur Jan Keja, voor mij en het hele productieteam een feest om al deze kunstenaars te laten leven en om te horen hoe zij lacherig op het werk van Vincent reageerden.

En dat allemaal in de schaduw van een nog half gebouwde Eiffeltoren.

Aan het eind van de aflevering wordt de situatie tussen de broers aan de Rue Lepic onhoudbaar.

THEO:

‘Je bent bloeddorstig. Elke kruimel brood die je eet, elke vezel textiel aan je lichaam komt uit mijn zak. Ik wil me niet schamen voor jou. Ga weg uit Parijs.
En eh…
Ik ga trouwen.’

"Foto van Ger Beukenkamp"
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.