Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

De encyclopedie van het geluk 30

Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je werk wordt gedaan.  

Als je te veel hebt gedaan moet je een poosje nietsdoen. De grote filosofieën van de wijsheid: de Tao, het (zen)boeddhisme zijn er duidelijk over. En de prediker zegt: ‘Lucht en leegte, alles is leegte’. Het lijkt erop dat nietsdoen een betrekkelijk zinnige bezigheid is.  De befaamde stelling van Blaise Pascal dat alle problemen op de wereld ontstaan doordat men niet in staat is met zichzelf in een kamer te blijven is niet het hele verhaal: men verlaat die kamer omdat het zo moeilijk is om niets te doen.

Als je bij deze oude wijsheden nog eens de modernere als mindfulness, of een denker als Eckardt Tolle voegt, dan wordt het steeds duidelijker. We moeten echt meer niets doen! Voor Tolle is dat: leef in het nu. Er is geen denken meer nodig, geen zorgen meer als je in staat blijkt dat denkhoofd uit te zetten en alleen maar nu te zijn, zonder te veel verleden, maar zeker zonder toekomst. Zoiets kun je doen door adem te halen. Ademhalen is het minimale wat je moet doen om te blijven leven: het is niet niets, maar wel bijna niets. Toen ik dat eenmaal doorhad – ik ben betrekkelijk laat in deze dingen – ben ik eens regelmatig gaan proberen een halfuurtje niet na te denken, maar wel te ademen. Je zou dat mediteren kunnen noemen. Langzaam inademen door je neus, langzamer uitademen door een spleetje tussen je lippen: adem gedoseerd laten ontsnappen. Ik heb het in drie eenvoudige stapjes geleerd. Eerst tien minuten, toen twintig en toen een half uur. Ik zit op een stoel, omdat anders alle aandacht gaat naar het ongemak van op de grond zitten. De bedoeling is: niet denken, maar wel ademhalen, voelen waar je bent, voelen wat je lichaam doet, wat je waar voelt, wat je hoort. Als je even afgeleid wordt, dan weer terug naar ademhalen.

Het is gek te bedenken dat dit een complete wereld is, dat er miljoenen mensen mee bezig zijn steeds dit doen: even niets doen.

Prediker is zeer wijs, vindt dat alles weinig is, maar er is wel een God. Boeddha zegt dat alles lijden is en als je dat accepteert wordt het makkelijker, Tao zegt dat het om het nu gaat: niet waar je aankomt, maar de weg erheen. En raadt nadrukkelijk aan niets te doen. In alle drie de tradities zitten elementen van nietsdoen en alleen maar ademen.

Aan het begin van de coronaepidemie verscheen bij uitgeverij Van Oorschot De kunst van het nietsdoen, van Kenkō. In het Japans heet de verzameling teksten Tsurezuregusa (徒然草) wat je met ‘ledigheidskruid’ kunt vertalen. Dat wat door ledigheid ontstaat.

‘Al wie zijn tijd verkwist met nutteloze bezigheden moet bestempeld worden als een dwaas of een schoft. Je kunt er niet omheen dat er heel wat te doen is in dienst van de natie, of van je meester, zodat er weinig tijd overschiet voor jezelf. Denk er maar eens over na. Als mens zit er niets anders op dan, in de eerste plaats, voedsel te bemachtigen, in de tweede plaats kleren en in de derde plaats een onderkomen. Die drie dingen zijn voor een mens essentieel – verder niets. In vrede leven zonder honger, zonder kou en beschermd tegen de natuurelementen – daarin schuilt ons welbehagen. Daar staat tegenover dat we allemaal ziek kunnen worden – een vorm van lijden die moeilijk te dragen is. Laten we de geneeskunde dus niet vergeten. Zo komen we aan vier dingen zonder welke je als ‘arm’ kunt worden beschouwd. En al wie die vier bezit mag zich rijk noemen. Al het overige is luxe. Wie zal zich onbedeeld voelen zolang hij in alle eenvoud van die vier kan genieten?’ (vertaling Jos Vos)

Mmm. Nutteloze bezigheden maken je een schoft. Dan denk ik onmiddellijk aan het oranje kind in het Witte Huis. Als iemand slecht niets kan doen dan is hij het. Kon hij het maar! En vrijwel alles wat hij doet leidt tot niets, of tot lijden van een grote groep mensen. Aan dergelijk handelen heeft de Tao nou juist een broertje dood:

Ieders begrip van wat mooi is in de wereld houdt verband
met wat lelijk is.
Elk besef van wat goed is komt neer op de kennis van het
kwaad, en niets anders.
Iets en niets brengen elkaar voort.
Moeilijk en makkelijk completeren elkaar.
Lang en kort bestaan in verhouding tot elkaar.
Hoog en laag vullen elkaar aan.
Tonen en klanken harmoniseren met elkaar.
Voor en na volgen op elkaar, in alle eeuwigheid!

Daarom houdt de Wijze zich in zijn daden bij het nietsdoen.
Zonder woorden verspreidt hij zijn leer.
Alle dingen verschijnen, maar zonder zijn initiatief.
Zij handelen, maar zonder zijn steun.
Wanneer alles is volbracht, dan zal hij niet blijven.
Ja! Juist door niet te blijven gaat hij niet verloren.*

In de Tao is wu wei elementair niets doen. Kristofer Schipper, de vertaler, legt het uit:

‘en eigenlijk gaat de hele Laozi (en ook de hele Zhuangzi) over weinig anders. Het ‘niets doen’ lijkt paradoxaal, maar het is net zo essentieel als de remmen van een voertuig. Een wagen is er om te rijden en vooruit te komen, maar zonder remmen is hij onbruikbaar, en als je dat weigert aan te nemen wordt het gevaarlijk voor jezelf en voor anderen.’

Remmen dus. Lekker overzichtelijk. Zelf heb ik twee varianten van mediteren – remmen – die heel dicht bij niets doen komen en die zijn: ‘bladeren kijken,’ net iets intensiever dan alleen maar ademen, maar nauwelijks, en in een vijver kijken. Beide zijn dingen die je langer dan een half uur kunt volhouden zonder in slaap te vallen, en in wezen toch een intense manier van nietsdoen zijn. Er komt echt geen denken aan te pas. Alleen waarnemen op een heel basaal niveau.

Het in een vijver kijken is wellicht van Chinese makelij, althans zowel in de Japanse als in de Chinese klassieke poëzie zijn kijken in een vijver topoi, klassieke plaatsen.

In China bijvoorbeeld Yan Yu, dertiende eeuw in de vertaling van Wilt Idema

Bij de vijver

Het vijverpaviljoen is koel geworden na de regenbui:
Waterkastanjes, lotusvruchten delen samen ’t najaar.
Helaas dat alle groene golfen door hen zijn bezet
Zodat geen water overblijft voor meeuwen om te baden!

of Yuan Mei, 18e eeuw:

Na een regenbui

Een windvlaag drijft het kroos uiteen
De regen klettert op de vijver.
Een groene kikker weet zich Boeddha
En zet zich op een lotusbloem.

of in Japan, Bashō in vertaling van Jos Vos:

Oh, wat lijkt hij
op zijn spiegelbeeld:
de wateriris

Of

De oude vijver –
een kikvors springt erin,
de klank van water.

Niets doen aan een vijver. Je moet een heel laag lui stoeltje hebben. En je moet accepteren dat je pas na twintig minuten iets gaat zien. Of dat nou is omdat alles wat leeft in de vijver die tijd nodig heeft om aan je te wennen, of omdat je ogen en je concentratie die tijd nodig hebben om naar langzame en onbelangrijke dingen te kunnen kijken weet ik niet, maar het is een wetmatigheid. En wat je dan allemaal ziet! Wat gebeurt er nu echt bij deze varianten of bij het meditatief nietsdoen? De gedachte is geloof ik dat je bent waar je bent, zo min mogelijk nadenkt. Wel waarneemt wat je lichaam is, waar het is, wat het voelt. Dus wat je ruikt, hoort, voelt, ziet (behalve bij meditatie want daar zijn je ogen geloken). Als je tennist is een uur zo voorbij. Als je een film kijkt is drie uur zo voorbij. Maar als je ademhaalt en verder niets, of in een vijver staart, dan duren tien minuten lang. En een half uur een oneindigheid. Je rekt de tijd uit dus.

Een geschiedenis van het niets doen

En wie zou die schrijven?           

De eerste historici
waren verrast: het bewoog, ja, maar onmerkbaar;
gebruikte Tijd zoals actie dat deed, vond plaats gedurende
de uren, de dagen, had een plek nodig zich te ontvouwen
zoals al die dingen die het niet was.      
De instrumenten
ontworpen om het te vangen, konden het niet bijhouden; het oog
gleed eraf als water van een olieachtig doek.
Op foto’s was het de schaduw die uit beweging leek
te lekken, zodat elk bewegend
ding altijd in het gezelschap
van zijn geest leek, zijn eigen grijze tegenpool.
In oorlogen werd het afgeleid uit het slap tuigage
van de oorlogsschepen, het flottielje dat zich aan zijn kade nestelde.
Heraclitus wist het: in hetzelfde niets
stapt niemand tweemaal.                        

Natuurkunde begon
toen ontdekt werd dat alles
een overeenkomstig niets verwekt;
metafysica toen men leerde dat in
een perfecte wereld alles wat gedaan is
slechts sterk verlangde naar hetzelfde wat ongedaan bleef.

Zijn scheppingsverhaal voerde nog altijd helden, veldslagen, tempels op…
alleen voor de ruimtes die ertussen lagen. Voorvallen?
Nee; de ruimtes die voorvallen scheiden,
de hongerloze witte dromen tussen verschillende malen ontwaken in,
de trage middagen die aan de grond liepen van verveling.
Zijn heilige boeken, smetteloos van nalatigheid,
beloofden een paradijs waar alle verspilde
energie, vervlogen talenten, gemiste
afspraken met het lot of met vrienden
zouden samensmelten in één oneindigheid van annulering;
waar niet te zijn geboren maar net iets minder goed was.

Patrick McGuinness

* Lao Zi Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, vertaling Kristofer Schipper

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.