En verder niets dan loodgieterswerk

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik zag deze foto in een boek over de fotografie van architectuur. Mijn eerste gedachte was: wat zou Rudy Kousbroek hierover hebben geschreven? Toen: maar wacht eens even, volgens mij heeft Kousbroek hierover geschreven. Ik dus naar de boekenkast, het rijtje Kousbroeken doorbladeren, niets. Dat overtuigde me niet: ik weet nog steeds zeker dat Kousbroek over deze foto heeft geschreven. Kennelijk heb ik dat stuk niet: wie mij eraan kan helpen, graag.

Maar goed, terug dan maar naar de eerste vraag: wat zou Kousbroek over deze foto hebben geschreven, als hij dat niet al had gedaan?

Ik denk niet dat hij zou hebben geschreven over de loodgegoten wirwar. Die is opvallend maar voorzover ik kan zien klopt het allemaal. Het is hooguit wat grof en onhandig, maar een raadsel zie ik niet.

Hij zou denk ik wel hebben gewezen op een aantal details, zoals het stukje zeep in de houder op de rand van het bad. Misschien zou hij de lucht van een vergelijkbaar stukje zeep uit zijn Indische jeugd hebben beschreven, of een meisje dat naar die zeep rook, of de tuin waarin hij dat meisje zag, of het jurkje dat ze droeg.

Hij zou ook hebben gewezen op iets dat ik niet meteen zag – nou ja, ik zag het wel, maar schreef het meteen toe aan de stand der fotografie in 1934, en zag het dus eigenlijk niet: waarom zijn dat stukje zeep, de kranen en de spiegel witgeschilderd? En in het verlengde daarvan: waarom die toiletbril dan niet? Een raadsel: Kousbroek zou er beslist iets over hebben geschreven.

 

 

 

 

 

 

 

Pas nadat ik de foto al een paar keer had bestudeerd, dacht ik aan John Updike. Updike (1932 – 2009) is de schrijver van vier boeken over Harry Angstrom – Rabbit voor de vrienden die hij niet heeft. Het eerste boek is geschreven en speelt rond 1960 en de volgende drie delen steeds een decennium later. Zo vertelt Updike niet alleen over een ouder wordende Amerikaanse man, maar ook over zijn veranderende land.

Toen Susanna en ik de boeken lazen, min of meer simultaan, hielden we niet op elkaar voor te lezen, het ene mooie zinnetje na het andere. Vaak schoot een van de twee al lezend in de lach en vroeg de ander gretig: wat is er, waarom lach je, lees eens voor… Zo ging dat ook met het zinnetje dat me, kijkend naar de foto van het merkwaardige loodgieterswerk, weer te binnen schoot. We lagen al in bed, Susanna schoot in de lach, ik vroeg wat er was. En toen las ze dat zinnetje voor.

Het staat in het laatste deel van de tetralogie, Rabbit at rest. Harry mijmert over Ronnie Harrison, waarmee hij vroeger als jochie op straat speelde en die sindsdien zijn pad is blijven kruisen. In alle vier delen komen we hem tegen. Harry heeft een hekel aan hem: Ronnie met zijn grote mond, gladde grapjes makend, de lolbroek van het stel, de verzekeringsagent met de snelle babbel. Altijd worden we herinnerd aan de knuppelachtige pik waarmee Ronnie, tot Harry’s afgrijzen, onder de douche na het sporten pronkte. Met enig genoegen registreert hij hoe Ronnie’s haar geleidelijk dunner wordt. Jarenlang heeft Harry een affaire gehad met Ronnie’s vrouw, Thelma. Op het nachtkastje naast het bed stond Ronnie’s portret: als ze neukten voelde Harry Ronnie’s blauwe ogen up his ass.

Maar met de jaren komt er een ander gevoel bovendrijven, een zekere verbondenheid, alsof de relatie door de duur ervan alsnog gewicht krijgt. ‘Harry feels that Ronnie has always been with him, a presence he couldn’t avoid, an aspect of himself he didn’t want to face but now does.’ Met die verzoening weet Harry ook zijn afkeer van Ronnie te relativeren. De manier waarop dit wordt beschreven – het zinnetje waarvan Susanna in de lach schoot en vervolgens ik ook – is vintage Updike.

‘That clublike cock, those slimy jokes, the blue eyes looking up his ass, what the hell, we’re all just human, bodies with brains at one end and the rest just plumbing.’ 

Joh. Saaymans

 

 

 

 

 

 

 

Ik heb nogal wat vragen gekregen over Joh. Saaymans. Bij een vorige gelegenheid schreef ik kort iets over deze vergeten Nederlandse dichter.

De regels die ik toen citeerde komen uit Gefermenteerde herinneringen, naar mijn smaak een van Saaymans’ beste gedichten. Het staat in zijn eerste bundel, Logaritme van de beer, uit 1966. In die bundel zijn nog de sporen te zien van de Vijftigers, vooral van Jan Elburg, maar tegelijk is de originaliteit onmiskenbaar. De gedichten maken op mij nog altijd een frisse indruk.

Gefermenteerde herinneringen is, zij het nogal verhuld, een elegie over zijn moeder, Katalijne Verhoeven. Kaatje. Een interessante vrouw. Een Alkmaarse, geboren in 1928, dochter van een caféhouder. Ze was al vanaf haar dertiende prostituee met haar vader als pooier. Ze kreeg Joh. in het laatste oorlogsjaar, op haar zeventiende. Hoewel ze tot aan haar dood in 1962, aan borstkanker, geweigerd heeft daar iets over te zeggen, was Joh. overtuigd dat zijn vader een Duitser was. In een van de schaarse interviews die hij heeft gegeven zegt hij: ‘Iets diep in mij voelt Duits, iets dat zowel hard als sentimenteel is… Ik begrijp de Duitse ziel, omdat ik er een heb…’ Een gewaagde uitspraak, nu ik erover nadenk: het interview stamt uit 1967.

Gefermenteerde herinneringen is een mozaïek van beelden die soms niet gemakkelijk te duiden zijn, maar uiteindelijk teruggaan op Kaatje.

vooruit dan vrouw van wellustig vlees
komaan met uw geplooide rokken
ruk de ligusters uit de goten
sneef de nachtegaal in zijn droom

Dan nog iets over zijn vrouw, Maria Gozo, want daar kreeg ik ook vragen over. Zij is Maltees maar Joh. ontmoette haar in Amsterdam, in 1968. Ik heb geen idee hoe ze daar verzeild is geraakt. Uit die tijd stamt de foto boven dit artikel, naar ik vermoed genomen op een jubileum van Uitgeverij Leonard Zwaneveld, nog zo’n vergeten monumentje uit de Nederlandse literatuur (alhoewel: misschien herinnert een enkeling zich de Groene Boompjesreeks). Maria is op de foto te zien, helemaal links, voor ons rechts van de vrouw die zich net omdraait en een arm heft. Ze heeft een witte jurk aan. De man aan haar rechterzijde, voor ons dus links, is wellicht Saaymans zelf, maar dat heb ik niet kunnen verifiëren.

Uiteraard heeft Saaymans over Maria geschreven, vaak in meanderende, mijmerende zinnen.

middernacht en sterren in blauwe schemer en jij oh jij oh jij
en ik en jij en ik en jij daar in dat wonderlijk weefsel van eonen

Wie een vergrootglas heeft, neme de moeite om Maria van nabij te bekijken: ze is inderdaad erg mooi.

Trots op Nederland

 

 

 

 

 

 

 

Wat is het? Masochisme? Of hebben we het niet eens in de gaten: dat we steeds opnieuw voor schut staan? Ik vrees dat het nog erger is. Ik denk dat we onszelf fantastisch vinden. Luister naar onze minister-president. ‘Nederland is een land om trots op te zijn!’

Dat ben ik helemaal niet. Ik schaam me kapot. Als Nederland hier in het nieuws komt gaat het over het gehaatzaai van Wilders, de zoveelste verzonnen Chinese investeerder van Victor Muller, de misbruikte peuters van Robert M. of de strafschoppen van Arjen Robben.

En dan komen we god-betere-het ook nog eens op de proppen met Joan Franka.

Joan Franka is vast een heel lief meisje en ik vind het echt supertof dat ze zich om de indianen bekommert, een topwijf is het, maar dat kwalificeert haar niet als zangeres. En vanwaar in hemelsnaam die tooi? Het azijnzure verslag van de Zweedse commentatrice kon ik alleen maar beamen. Nou ja, zei ze, zo gaat het elk jaar. Altijd komt er het moment dat je denkt: wat heeft die in godsnaam aan?… En: Ik hoop dat u haar heeft gehoord want die veren schreeuwden er nogal doorheen…

Nu mag van mij dat hele songfestival onmiddellijk met de vuilnisman mee, doortrekken die troep, verbranden, begraven, op laten vreten door de maden, uit laten kakken door de wormen, graag, hoe eerder hoe beter, maar dat doet aan mijn punt niets af: de gretigheid waarmee we onszelf steeds opnieuw voor lul zetten. Sieneke! De Toppers!

En weet je wie we volgend jaar sturen? Klukkluk.

Trots? Het is godverdomme hemeltergend.

Maar goed, het is schitterend weer, dus ik ga de tuin in. Schoffelen, wieden, liedje zingen. In dit land kun dat nog doen, zingen in de tuin, uit volle borst.

Euphooooo… hooooo …riaaaaaaaaaaaa!…

Uppsala

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vandaag in Uppsala. Uppsala is een studentenstad die Leiden in herinnering roept zonder ook maar in de verte op Leiden te lijken. Ruim, veel groen, monumentale gebouwen in mediterrane kleuren. De associatie met Leiden komt misschien door al dat jonge volk: nog zo vol vertrouwen.

Ik was er vroeg en liep eerst maar eens naar de botanische tuinen. Uppsala is de stad van Carl von Linné, Carolus Linnaeus, de grote botanist. Hij stond aan de wieg van een systematische beschrijving van planten en dieren. Die systematiek is een wonder: al die verscheidenheid in samenhang beschreven. Geen chaos, maar orde. Geen improviserende Schepper, maar strenge regels. En dat halverwege de achttiende eeuw, zonder kennis van die regels: het zou nog een eeuw duren voordat ze werden opgeschreven, in 1859, door Charles Darwin.

Maar goed, ik liep dus door die naar Linné vernoemde botanische tuinen, schitterend, overal bloei en een uitbundige zon – warm ook al: vier maanden geleden was het 50 graden kouder. Het was stil. Doodstil zelfs: geen mens te bekennen. Dat leidde tot een kleine paniekaanval, nou ja paniek, een flinke schrik, dat was het. Stilstaan, ongelovig rondkijken. Wat is er aan de hand? Is het Einde der Tijden aangebroken en zijn ze vergeten mij in te lichten? Vervolgens een korte opstoot van verontwaardiging: wel verdulleme! En dat dus in een seconde of twee, drie. Toen verscheen er een vrouw met een hondje, geloof het of niet, en dan weet je dat alles in orde is.

Het is een typisch Zweedse ervaring. Je loopt door een supermarkt, staat bij een benzinestation, rijdt een stadje binnen, en opeens zie je het: niemand. En dan dus de schrik, de verontwaardiging, en een dame met een hondje.

Hoewel, typisch Zweeds, ik heb zoiets ook wel eens in Nederland gehad, decennia terug. Ik had net mijn rijbewijs gehaald, een Fiat Panda gekocht (met zo’n 750 cl motor, verschrikkelijk, niet meer dan een overdekte bromfiets, het is een wonder dat ik nog leef), en ging op een zaterdagochtend in alle vroegte op weg om mijn zusje te bezoeken die toen in het noorden van Groningen woonde. Op de A6, tussen Almere en Lelystad, zag ik niemand voor me rijden. Ik keek in de achteruitkijkspiegel: niets. De andere baan: ook niets. In minder dan een seconde wist ik absoluut zeker dat ik een wegversperring over het hoofd had gezien en elk moment in een afgegraven wegdeel zou storten. Ik trapte op de rem, hard, en kwam piepend en glijdend tot stilstand op de vluchtstrook. Na drie, vier tellen verscheen er een dame met een hondje, geintje, andere auto’s natuurlijk, maar het duurde nog enkele minuten voordat ik kalmeerde: het hart bonkend als een Japanse trom, de keel opgezet als een rioolbuis, de handpalmen nat als een dijkdoorbraak.

Maar wacht eens even: ik was in Uppsala om het Augsburgse kunstkabinet weer eens te bekijken en daar iets over te schrijven. Nou ja, dat moet dan maar een volgende keer.

Een klotestemming

 

 

 

 

 

In mijn debuut staat een verhaal over het doelpunt van Marco van Basten in de EK-finale tegen de Sovjet-Unie in 1988. Daarin speelt de Russische keeper een grote rol, Rinat Dassajev. Het verhaal is naar hem vernoemd. En Dassajev verbijsterd achterliet. Hij komt er niet best van af: ik voer hem op als een fanatieke, ongevoelige reborn christen.

‘Ik vind het verbluffend te bedenken dat ik meer dan dertig jaar lang ongelovig ben geweest. Ik kan mij nu niet meer voorstellen te moeten leven in de barre wereld waarin de ongelovigen doorbrengen, een wereld die geen zin kent, geen doel, die gedreven door blinde natuurwetten naar het weliswaar verre, maar onontkoombare einde spoedt. Te moeten leven in het besef dat het eigen leven van geen enkele waarde is, dat het elke zin en betekenis ontbeert, en dat het tevoorschijn komt uit hetzelfde niets waarin het weer zal verdwijnen…’

Zojuist zag ik in De wereld draait door een item over het EK 1988. Er werd een stukje getoond van een recent interview met Dassajev: een breekbare man die getuige zijn moeizame gang aan parkinson of iets verwants lijdt. Maar ook: een heel innemende man. En: een tragische man. Dat was althans de suggestie. Na het EK is Dassajev – net als veel van zijn teamgenoten – in het westen gaan spelen en ten onder gegaan aan de weelde.

Mijn uitgever vroeg zich indertijd naar aanleiding van het verhaal af of je het wel kunt maken, moreel gezien, om zo aan de haal te gaan met iemand die nog leeft. Goede vraag. Het antwoord was wat mij betreft ja en ik gaf het zonder veel aarzeling. Het belangrijkste argument: wie met ernst schrijft moet meedogenloos zijn en alles doen wat nodig is om een verhaal of roman tot een goed einde te brengen. Dat heb ik gedaan, over de rug van Dassajev heen misschien, maar dat zij dan zo.

Tja. Ik vond het zojuist pijnlijk om naar die kwetsbare man te kijken. Kennelijk zit het me toch niet lekker dat ik zo lelijk over hem heb geschreven. Mensen reduceren tot literair materiaal en daarmee doen wat de schrijver het beste uitkomt: nobel is het in elk geval niet. Maar is dat een reden om zo’n verhaal niet te schrijven? Nu komt het antwoord toch ook weer zonder veel aarzeling: nee, dat vind ik niet. Dan maar immoreel.

Er wordt Dassajev natuurlijk naar het doelpunt gevraagd. Hij vertelt dat hij er een video-opname van heeft.

‘Kijkt u er nog wel eens naar?’
‘Ja, als ik in een bepaalde stemming ben, dan kijk ik wel.’
‘Wat voor stemming?’
‘Een klotestemming, eerlijk gezegd.’

Batman

 

 

 

 

 

 

Jona rent door de tuin in zijn Batmanpak. Het was zijn eerste grote aankoop. Voor zijn vijfde verjaardag kreeg hij geld van opa en oma en daarmee mocht hij zelf iets uitzoeken in de speelgoedwinkel. Na een uurlange rondtocht langs speelgoedauto’s, lego, spellen, puzzels, poppen, zwaarden en geweren, spoorbanen, racebanen, verkleedkleren, action heroes, knuffels, playmobil, plakplaatjes, klei, schildersdozen – we trainen ze vroeg, de toekomstige dragers van onze welvaart – viel de verrassende keuze op het Batmanpak.

Het was te groot, maar dat gaf niet. In de vakantieweek die volgde droeg hij het dagelijks. Het pak rimpelde rond zijn lijfje, ondanks de met schuimrubber opgevulde schouders en borst, de maillot rimpelde langs zijn benen. De brede gele ceintuur zakte tot op zijn heupen en soms erover, tot op zijn voeten. Omdat de kap te groot was, vielen de ooggaten tot over zijn ogen, zodat hij het masker naar boven moest vouwen om iets te kunnen zien. De bij Batman altijd zo alerte vleermuisoortjes hingen neer: ze deden denken aan de oren van een uitgeblust konijn.

Maar dat gaf dus niets. Hij droeg het pak met overtuiging en trok sprintjes in de allrum omdat die cape dan zo lekker zwierde. Soms zong er de Batmantune bij, uit volle borst, in een uitvoering van The Jam die ik hem had laten horen.

Na-na-na-na-na-na-na-na-na-na… Batman!

Nu rent hij dus door de tuin, een half jaar later. Aanleiding zijn de nieuwe sportschoenen die van het merk Batman zijn. Daarmee rent hij nog harder en zwiert die cape nog mooier. Het pak is hem nog steeds te groot maar kennelijk ziet hij voldoende om zonder het masker omhoog te vouwen zijn sprintjes te trekken. Dat zwieren van de cape probeert hij te betrappen door al rennende om te kijken maar dat lukt niet: als hij zijn hoofd draait, draait de kap niet mee. Hij blijft vervolgens staan om de kap met twee vleermuishandjes goed te draaien, maar dan is het natuurlijk te laat. Hij probeert het drie, vier keer opnieuw, en geeft dan op.

Even later zie ik dan dit: de kleine gestalte van Batman, op zijn knietjes, verdiept in een plantje of een insect. Het masker heeft hij toch maar weer omhooggevouwen.

Seedorfsyndroom

We gaan het EK dus niet winnen. Robben zal op een cruciaal ogenblik missen, zoals hij miste tegen Spanje, en zoals hij miste tegen Dortmund, en zoals hij miste tegen Chelsea. Het Seedorfsyndroom: de dwanggedachte een Glorieus Lot te belichamen. Afgelopen zaterdag strafte een zeldzaam goed gecaste Didier Drogba namens de goden de hybris af.

De vraag is: wie houdt Robben tegen? Is er nog iemand die dat durft? Van Persie? Van der Vaart? Van Bommel? Van Marwijk? Ooit werd Robben gewisseld door Advocaat en kreeg Advocaat de natie over zich heen. Ribéry heeft als laatste geprobeerd Robben te stuiten en dat kwam hem op een boete van 50.000 euro te staan, een half weeksalaris, dus dat laat je een volgende keer wel uit je hoofd. Misschien moeten we Van Hanegem opstellen, dan is er nog een kans.

Het zal vermoedelijk als volgt gaan. In de halve finale tegen Spanje – er is nog niet gescoord – gaat Robben in de 82e minuut alleen op Casillas af. Het doet hem ergens aan denken maar die knop heeft hij allang omgezet en dus heeft hij niets geleerd. De bal springt van zijn voet. Dan volgt de gebruikelijke reflex: hij laat zich vallen. Strafschop. Robben neemt de bal. Van Persie zet een stap in zijn richting maar houdt dan in. Van der Vaart maakt een vaag gebaar. Van Bommel kijkt naar Van Marwijk die naar de klok kijkt. Robben legt de bal op de stip, neemt een aanloop en schiet twee meter over.

In de 88e minuut, na balverlies van Robben, lepelt David Villa de bal listig van veertig meter over Stekelenburg.

Van Gelder: Heb je getwijfeld of je die strafschop moest nemen?
Robben: Nee, je moet doen wat je moet doen…
Van Gelder: Van Persie probeerde je tegen te houden.
Robben: Robin? Nee, die heeft veel respect voor me…
Van Gelder: De bal ging wel erg hoog over. Hoe kon dat?
Robben: Er was iets met het gras, dat voelde dus echt niet goed…
Van Gelder: En nu?
Robben: Nou gewoon, de knop omzetten…
Van Gelder: Kun je dat?
Robben: Tuurlijk, daar ben je prof voor…

Kroontjespen

Op mijn verjaardag kreeg ik een potje inkt. Zwart. Perle noir. Andere kleuren die de firma J. Herbin (depuis 1670) kan leveren zijn onder meer diabolo menthe, rose cyclamen, vert olive en cacao du brésil. Ik had om inkt gevraagd om te kunnen schrijven met de kroontjespen die ik een tijdje geleden van mijn broer kreeg: een slanke blauwe houder met een tiental fraaie pennetjes. Hij heeft er ooit mee leren schrijven in zijn schoonschrijfschrift.

Schrijvers hechten aan hun materiaal, op het bijgelovige af. Ik heb nog ergens een handtekening van Gerard Reve, gezet met de kroontjespen. Hij heeft het ook wel eens geprobeerd met een ganzenveer. Hermans had zijn typemachines, Van der Heijden heeft zijn Mont Blanc vulpen. Computerhaters beweerden indertijd dat ze konden zien dat een tekst op de computer was geschreven: dat zou blijken uit een zekere slordigheid, een zekere gemakzucht, die werd gefaciliteerd door het digitale onding.

Ik heb zulke beweringen altijd een beetje kinderachtig gevonden. Goed schrijven is een kwestie van talent en inspanning, niet van het juiste materiaal. Picasso zou met een afwasborstel meesterwerken maken waar u en ik met een marterharen kwast van ons leven niet aan toe zouden komen.

Maar goed, oefenen dus. Met het puntje van de tong tussen mijn lippen schrijf ik de eerste regels van een van mijn favoriete gedichten van Joh. Saaymans op een A4-tje.

de kleur van haar dood
de tred van haar ziel
waar ik ooit ontstond
breekt nu gejubel los

Het valt niet mee maar na een tijdje glijdt de pen min of meer soepel over het papier. Er is een direct, wat schraperig contact, een geluid dat Tosca Hoogduin in herinnering roept, een geur van walnoten, en een suggestie van diepte die misschien te maken heeft met dat perle noir. Aan de andere kant: al na een paar regels gaat mijn schrijfhand pijn doen door de krampachtige greep. Kunst heeft baat bij een zekere mate van lijden, zullen sommigen zeggen: de pijn zet het intellect op scherp. Maar ook dat heb ik altijd een wat kinderachtig idee gevonden. Lijden levert niets op, geen scherpte, geen loutering, geen wijsheid, helemaal niets: lijden debiliseert alleen maar.

Over lijden gesproken. Wie kent Joh. Saaymans nog? Hij debuteerde als negentienjarige met het bejubelde Logaritme van de beer (1966), publiceerde vervolgens het omstreden Saffiervet (1982) en eindigde met het weggehoonde F*%&! (1991). Tussendoor was er de ook in eigen ogen niet geheel geslaagde essaybundel Over het dromen van vrouwen (1986). Na zijn laatste bundel trok hij zich terug uit de literatuur. Tegenwoordig is hij hoogleraar Evoluzzjonarju Letteratura aan de Universiteit van Valletta, op Malta. Hij is getrouwd met de liberale politica Maria Gozo. Zij schijnt erg mooi te zijn, dat dan weer wel.

Gevelde reus

 

 

 

 

 

 

 

De lente is aan het sukkelen geraakt. Het regende de afgelopen dagen aan een stuk door. Boven de velden hangen kakafonische luchten – het werk van een atmosferische action painter die van wind, wolken en scheuten zonlicht woeste vergezichten maakt. Tevreden is hij nooit: nu voegt hij er nog een vlaag paarsblauw aan toe, dan nog wat grijswitte slierten, en daar haalt hij met een veeg van zijn hand een strook hemelsblauw tevoorschijn.

Gisteravond brak er een onweer los met geweldige rukwinden, zodat ik mijn hart vasthield voor de paar dode bomen die in de buurt van het huis staan. Afgelopen winter is zo’n kreng gesneuveld, in een storm. Hij stond gelukkig wat verder van het huis en viel precies tussen twee schuurtjes in. Als je er dan bij staat, zie je opeens wat een ongelooflijke hoeveelheid hout dat is, zo’n dode boom, en wat een ravage zo’n val aanricht. Dat heb je liever niet op je dak.

Ooit heeft hier een mysterieuze bomenziekte gewoed. Her en der rond het huis staan nog de slachtoffers, de lijken, jaar na jaar kaalgevreten door weer en wind: eerst de twijgjes, dan de wat grotere takken, dan de nog grotere; ondertussen liet de bast los in lange repen die neerhingen als oud behang en tenslotte vielen; aan de voet van de overleden reuzen liggen deinende tapijten van halfverteerde schors. Wat resteert zijn grove, starre, door zon en sneeuw gebleekte skeletten. Zo kunnen ze nog jaren blijven staan, kennelijk onaangedaan, maar van binnenuit aangevreten door de hemel weet wat voor rot. Het is een kwestie van tijd, zoals alles: een onweersbui, een rukwind, en daar gaat-ie.

Bomen wekken de indruk dat ze alles kunnen doorstaan, maar dat is dus niet zo. Misschien dat ik daarom, afgelopen winter, kijkend naar die door de winterstorm gevelde reus, iets voelde dat ik alleen maar kan omschrijven als rouw – een verdriet dat enkele dagen als een heidebrand onder de oppervlakte woekerde en waaruit af en toe een woedende vlam oplaaide die meteen weer neersloeg, ingerekend door de eigen machteloosheid.

Studeerkamer

 

 

 

 

 

 

 

Gister wilde Jona in mijn werkkamer spelen, op geleide van een ingeving waar ik slechts naar kan gissen – de behoefte misschien om een mannenverbond te smeden, of een brug te slaan tussen zijn vijf en mijn vijftig jaren, tussen zijn perzikzachte huid en mijn ongeschoren wangen, zijn deinende krullen en mijn grijze slierten, zijn ogen waarin de wereld zachtjes glanst en de mijne die, enfin. Ik moest werken, wilde mijn kop erbij houden, maar kon hem natuurlijk niet weerstaan en haalde gehoorzaam de bak met Kapla terwijl hij zelf met een armvol bussen en vrachtauto’s aan kwam rennen.

De kamer van mijn vader, vroeger, op de Pluimessenlaan: niet zijn werkkamer maar zijn studeerkamer. Het was een kleine, met boeken beklede ruimte. De boeken waren een spiegel van zijn interesses: theologie, kunstgeschiedenis, Israël, natuurwetenschappen. De kasten zelf lieten zien hoe de wereld veranderde: van de bij hun huwelijk door een timmerman op maat gemaakte houten kasten, via de lichte, zonnige Tomadorekjes, naar de stalen, nogal grimmige systeemkasten van de firma Ahrendt.

Onder het raam een lichthouten bureau, Scandinavisch, dat hij nog altijd heeft, het bureaublad ordelijk maar altijd in bedrijf. In de loop der jaren was het de betrouwbare drager van een hoge, zwarte typemachine, een lichtgrijze portable, en uiteindelijk een computer. Onder die typemachines lag een dikke, grijze mat om het geluid van zijn getik te smoren, maar dat hielp niet veel: hij schreef met inzet. De laden van het bureau bevatten overzichtelijke verzamelingen van pennen en potloden, een puntenslijper, een nietmachine, een rol plakband, en de van oude repetities of vergadernotulen gesneden notitieblaadjes. Het ladenblok met het Alzicht Hangmappensysteem, naast het bureau, bracht zijn zin voor orde en systeem tot nieuwe hoogten.

Op de lichtgrijze stenen vensterbank stond een holle, houten appel met een dekseltje dat opgetild kon worden aan het steeltje. Als ik me goed herinner zaten er postzegels in. Daarnaast stonden foto’s van de kinderen – mijn zusje, zes, zeven jaar, met een verlegen glimlach, het kruis van haar maillot tot onder de rand van het korte jurkje gezakt -, de wat onbeholpen bouwsels en baksels die we meenamen van school, en de dieren die hij zelf maakte van aan het strand gevonden voorwerpen – gebleekte en uitgeloogde stukken hout, veren, schelpen.

Ergens hing een foto van Golda Meir, ergens anders eentje van Martin Buber.

En wie naar buiten keek – maar dat deed hij denk ik maar zelden – zag een tableau van achtertuintjes en schuurtjes, het poortje, het tweelingrijtje woningen aan de Notenlaan, alles even privaat als openbaar en alles even ordelijk als kleurrijk, in elkaar gestoken als Ministeck.

Een paar duizend kilometer noordelijker en een handvol decennia later speelt Jona in mijn werkkamer. Als ik tijd van leven heb zal ik horen wat hij zich ervan herinnert. Veel zal het misschien niet zijn want hij gaat op in het bouwen van een intrigerend patroon van Kapla, aan een stuk door pratend, het is een weg, nee een parkeergarage, nee gewoon een gebouw pappa. Eenmaal klaar manoeuvreert hij met de bus en de vrachtauto in het bouwsel, nu in stilte, verzonken in een vlinderlichte ernst die ik niet waag te verstoren.

Femen

 

 

 

 

 

 

 

Jarig. Daar hoort ontbijt op bed bij, gezang, cadeaus, en een waxinelichtje waarvan de hitte een kleine draaimolen aandrijft. Aan de uiteinden van de schuingeplaatste schoepjes hangen verjaardagstaartjes met de tekst happy birthday. Het is een wat ongelukkig symbool: zo’n in zinloze rondjes draaiend molentje dat met het doven van de vlam geruisloos tot stilstand zal komen.

Maar ik ga niet miezeren. Daar is geen reden toe. Neem het nieuws. In Oekraïne heeft een topless activiste van Femen geprobeerd de EK-beker te jatten. Het is niet gelukt, maar dat is het punt niet. Femen bestaat uit een groep van zo’n driehonderd jonge vrouwen die, doorgaans topless, protesteren tegen sekstoerisme, seksisme en andere narigheid. Het is een aanstekelijk protest. Het aardigste ervan is dat ze hun tegenstanders in hopeloze verlegenheid brengen. Hoe behoud je als gezagsdrager de waardigheid van je ambt als je een halfnaakte, spartelende vrouw in de boeien moet slaan? Inderdaad, dat gaat niet.

 

 

 

 

 

 

 

Het doet me denken aan het onvergetelijke programma De bevalling, van SBS geloof ik, jaren geleden. Aan de randen van het beeld zag je vaak de man, de vader, verbeten glimlachend in starre paniek, nog niet zo lang geleden frontsoldaat maar opeens achter vijandige linies. Ik heb me indertijd tranen in de ogen gelachen.

Stel, we winnen het EK. Een gelukkige 1 – 0 tegen Duitsland. Van Bommel staat op het punt de beker te ontvangen uit handen van Willem-Alexander. Naast de prins staat Maximá, stralend als altijd, maar dan zie je het opeens, iets in haar ogen, iets in haar houding: een ongebruikelijke ernst. Wat gebeuren moet gebeurt vervolgens: met een groots gebaar rukt ze het lijfje van haar oranje mantelpakje open en toont de wereld haar royale borsten, de een beschilderd met de Nederlandse vlag, de ander met de Duitse, en op haar buik, in rode lippenstift: lieve pappa, wegkijken is soms hetzelfde als meedoen.

En dan moet je dus goed letten op Mark van Bommel.

Aan den dikken os

 

 

 

 

 

 

 

In de zomer van 1908 was de net 26-jarige Nescio in Veere en schreef er een paar brieven aan zijn hoogzwangere vrouw, Agathe Tiket. Liefi, zo luidt de aanhef van de eerste brief. Aan den dikken Os, staat er boven de tweede.

In Veere beleefde Nescio na een wat moeizame start een paradijselijke tijd die hem het materiaal gaf voor De uitvreter. In de brieven die hij aan zijn vrouw schreef zie je dat verhaal al opwellen. ‘En ‘t tij kwam in en ‘t tij ging uit; ‘t water rees en viel.’

In haar nabeschouwing schrijft Lieneke Frerichs, die Nescio’s verzameld werk en ook deze brieven bezorgde, dat Nescio in Veere zijn grote thema’s vond: het verlangen naar momenten dat we onszelf verliezen in een groter geheel, opgaan ‘in God’, zoals Nescio het zelf schreef, en het onvermogen om zulke momenten vast te houden. ‘God’s doel is de doelloosheid’, zo beschreef Nescio het in Titaantjes. ‘Maar voor geen mensch is weggelegd dit bij voortduring te beseffen.’

‘Zoiets als dit heb ik nog nooit beleefd’, schrijft hij op 11 juni 1908, ‘De stokoude Indiers moeten Veere bedoeld hebben toen ze den lui ‘t Nirwana voorhielden, ‘t niet zijnde zijn. Alles is goed en d’r kan niets dan goeds komen. Eigenlijk wordt hier heelemaal niet gedacht. Soms springen mij vanzelf de tranen in de oogen, zoo maar zonder dat ik ergens aan denk, enkel van de welbehagelijkheid.’

Het Nirwana had aardse kanten, zoals het hoort, en ze geven de brieven soms een scherp kantje. Ergens staan een paar achteloze maar nogal schokkende regels over het doodtrappen van een zeehondje. ‘De Arnemuider had ‘m in een ommezien bij z’n achterpooten in de hoogte en maakte ‘m met zijn waterlaarzen af voordat i goed wakker was. Dat geeft een rijksdaalder premie van ‘t rijk.’

Gevoeligheden zijn afhankelijk van tijd en plaats, dat wordt maar weer eens duidelijk. Dit blijkt ook wel uit het feit dat Nescio zijn hoogzwangere vrouw en zijn één jaar oude dochtertje Ati in Amsterdam achterlaat, kennelijk zonder gewetensproblemen. Lieneke Frerichs heeft een ontroerend briefje van Nescio’s vrouw in het boekje opgenomen. Haar frustratie wordt hier en daar duidelijk. ‘Api verlang je nu helemaal niet naar ons? Niet erg hè?’ Toch is de dikke os een ongelooflijke lieverd, ondanks de frustratie. ‘Dag paatje, maak maar veel plezier hoor en amuseer je uitstekend.’

Je zou de in zichzelf verzonken jonge schrijver alsnog terug willen sturen naar Amsterdam, naar zijn vrouw en dochtertje, maar dan hadden we misschien De uitvreter moeten missen en dat heb ik er nou ook weer niet voor over. Het zou nog anderhalf jaar duren voordat Nescio met dat verhaal zou debuteren, in De Gids, inmiddels vader van drie dochters en de vierde onderweg.

Nescio. Brieven uit Veere. Bezorgd en toegelicht door Lieneke Frerichs. Van Oorschot, 2010.

Alles wordt weer aarde

 

 

 

 

 

 

 

 

Afgelopen weekend hebben we een stuk weide afgebrand en omgespit om er een moestuintje aan te leggen. Mijn eerste moestuintje had ik in Nederland, aan de Vecht. Daar kwamen op zonnige dagen hele slierten motorrijders voorbij, loodgieters en verpleegkundigen en accountmanagers en verzuimambtenaren en it-consultants, relaxend in het stiltegebied, geloof het of niet. Op betere momenten was het er een paradijs: het water van de Vecht donkergroen, de weilanden vol scholeksters en kieviten en ganzen, de wolken als slagschepen, zo laag dat je ze bijna kon aanraken. De tweede moestuin had ik in Zweden, bij ons vorige huis, daar vraten reeën de sla op. Nu dus nummer drie: de blaren staan me in de handpalmen maar dat hoort erbij. 

Om de grond te verbeteren verzamelen Jona en ik paardenstront in het veld waar vorige zomer vijf ponies stonden. De vijgen zijn half gedroogd maar bij openbreken nog smeuïg, ongeveer zoals goede gehaktballen. Er zitten ook een paar stapeltjes met keiharde keutels bij en iets wat kennelijk diarree is geweest maar inmiddels is ingedroogd tot een plakkaat dat zich goed laat opscheppen. 

– Wordt alles weer aarde, pappa?
– Ja, alles wat leeft in elk geval.
– Maar poep leeft toch niet?
– Nee, maar dat komt uit iets levends, dat telt ook.
– Hoe wordt poep aarde?
– Het valt uiteen in kleine stukjes, en die worden opgegeten door wormen, en die maken er aarde van.
– Eten wormen poep?
– Wormen eten alles, net als de Fransen. En wormenpoep, dat is dus aarde.

Hij denkt hierover na terwijl we de vijgen bij elkaar harken en opscheppen. De zon schijnt, groene sprieten komen tussen het verdorde gras van vorig seizoen tevoorschijn, in de sparren verderop tikt een specht, maar ik kijk alleen maar naar mijn kind: een fronsje boven de neus, lange haren die alle kanten op waaien in het lentewindje, en in zijn blauwe ogen de wereld een goede maar onbegrijpelijke reus.

Monomane werker

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Laatst schreef ik iets over de merkwaardige archivaris die mijn geheugen beheert. Bladerend door Een kuil om snikkend in te vallen las ik bij Kousbroek over de monomane, compulsieve werker die ons brein aan de gang houdt. Deze moet, schrijft Kousbroek, aan het werk worden gehouden, ‘want zodra hij een onbezet ogenblik heeft, gaat hij naar het archief en haalt er allerlei sinds lang afgewikkelde affaires uit, die hij ongemerkt opnieuw in de administratie introduceert.’ Een complicatie hierbij is dat deze monomane werker ook de oorspronkelijke archivaris is: hij kent alle stukken. ‘In de kelders waar die opgeslagen liggen waart hij ‘s nachts rond als een somnambule en bladert mompelend in dossiers waarvan iedereen in de organisatie het bestaan al was vergeten.’

Ach, Rudy Kousbroek. Het is alweer twee jaar geleden dat hij stierf. Wordt er ergens gewerkt aan het verzameld werk? Is er iemand bezig met de biografie? Of is Nederland een land geworden waarin zulke dingen niet meer noodzakelijk worden gevonden?

Vuur

Nog zo’n voorjaarsritueel: het verbranden van het tuinafval. Dat bestaat uit het dode hout dat overal ligt en de jonge boompjes die we vorig seizoen hebben gerooid in het bosje naast het huis om weer zicht te krijgen op de kerk. We verslepen alles naar een plek in het weiland waar we een moestuintje willen aanleggen, zagen, knippen, en bouwen zo een mooie stapel.

Als in de namiddag de wind gaat liggen is het zo ver: we proppen kranten in de stapel, sprenkelen benzine erover en steken de zaak aan. Binnen een paar minuten loeit het metershoog op en is de hitte niet te harden – we moeten meters afstand houden. Een uur lang slepen we nieuwe voorraden aan om het monster aan de gang te houden maar dan laten we het inzakken tot een zachtgloeiende massa. Terwijl de zon zakt en lange schaduwen trekt grillen we worstjes. Zo nu en dan sist het vuur van het druipende vet. We eten de worstjes op knapperige broodjes met mosterd en ketchup. Bier erbij en er wordt iets voelbaar van het paradijs.

Het spreekt tot de verbeelding, vuur, al millennia. Vuurrood, een vurige vrouw, vurige liefde, het vagevuur, het reinigende vuur, het paasvuur, bevrijdingsvuur, de Vuurrede, tongen van vuur, de brandende braamstruik, onder vuur liggen, het Olympisch vuur, vuurspuwende draken, de brandende kruisen van de KKK, de eeuwige vlam, O ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe, het vuur van Prometheus, vuurdoop, vreugdevuur, de vuurbuikpad, in vuur en vlam, een lopend vuurtje, Earth Wind & Fire, dancing through the fire just to catch a flame, een slagschip klaar voor vuur…

Maar ik ben er niet voor in de stemming, al die betekenissen en associaties, en houdt het bij wat de dingen simpelweg zijn. Vuur dus. ‘s Avonds laat is er nog altijd een smeulende massa die we bijeenharken zodat de laatste restantjes goed verbranden. De volgende dag resteert een stapel as, onschuldig wit, maar die witte onschuld blijkt misleidend: als ik de stapel uiteenhark slaat de hitte me in het gezicht, als een gloeiende pannekoek.

Valse tegenstellingen

 

 

 

 

 

 

 

Wat een gedoe toch met de Dodenherdenking. Eerst was er dat mooie gedicht van de vijftienjarige Auke de Leeuw. Dat gaat over Auke’s oudoom, Dirk Siebe, een Nederlandse jongen die bij de Waffen-SS diende en aan het Oostfront stierf. Dirk was een goede man, schrijft Auke, maar maakte een verkeerde keuze. Die keuze verscheurde zijn familie, generaties lang, tot aan Auke toe.

Toen bekend werd dat dit gedicht bij de Dodenherdenking op de Dam voorgelezen zou worden, kwam er protest. Het Nederlands Auschwitz Comité schermde met de ’emotionele en verontruste reacties’ van de achterban en dreigde de herdenking te boycotten. Het CIDI had het over het ‘schofferen van de slachtoffers’. Esther Voet van het CIDI: ‘Wat is de volgende stap, ook Eichmann herdenken omdat hij een verkeerde keuze heeft gemaakt?’

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei zwichtte voor de druk, met tegenzin naar het mij voorkwam, meer om de lieve vrede te bewaren dan om een andere reden, maar Auke mag zijn gedicht in elk geval niet voorlezen.

En nu is er weer gedoe, in Vorden. Daar wil de gemeente tijdens de herdenking op de begraafplaats mensen de gelegenheid geven een route te kiezen die langs tien Duitse graven voert. Federatief Joods Nederland spande een kort geding aan want ze beschouwt ‘deze vorm van herdenken als een onrechtmatige daad tegenover slachtoffers, dood en levend.’ Zelfs het Simon Wiesenthal Center in Jeruzalem bemoeit zich ermee: de beslissing van de gemeente Vorden ‘laat het verschil tussen slachtoffers en daders vervagen’.

De reacties maken duidelijk dat de oorlog door veel mensen nog altijd in zwartwit schema’s wordt ervaren: goed versus fout, slachtoffer versus dader, verzetsheld versus verrader, de geallieerden versus de ‘moffen’. Die oudoom van Auke de Leeuw was fout en dat moet zo blijven anders vervaagt het onderscheid tussen daders en slachtoffers en dan moet je ook Eichmann herdenken.

Het zijn valse tegenstellingen. Oorlog is rotzooi, geklieder en troep. In geen enkele oorlog zijn de lijnen scherp. Wie scherpe lijnen trekt, schept valse tegenstellingen. Dat is pijnlijk: als we iets zouden moeten herdenken, is het dat juist valse tegenstellingen aan het begin van oorlog staan.

PS
De rechter is inmiddels gezwicht: Vorden mag die Duitse soldaten niet herdenken. Alle ‘echte slachtoffers’ kunnen tevreden zijn. Hoewel, de organisatie TOF, Tradition is our future (die zelf zegt te bestaan uit ‘enkele tientallen overwegend joodse jongeren’), heeft desondanks een reclamevliegtuigje boven Vorden laten vliegen met de tekst: ‘Vorden is fout’.

Fout. Weer dat zwartwit schema waar ik het over had. En zo worden de herdenkingen gekaapt door organisaties die haarscherpe lijnen weten te trekken. Ik wil daar niets mee te maken hebben. Wilt u herdenken in uw enkelvoudige schema’s van goed en fout: ga uw gang. Maar ik doe er niet meer aan mee.

 

Ongedierte

 

 

 

 

 

 

 

Opeens waren de tulpen weg. Ze waren net in bloei gekomen, rood, geel, paars, rondom het huis, maar toen we na een weekje in Nederland terugkwamen waren ze weg. Ze leken afgesneden dus misschien had iemand er een boeket van gemaakt. De eerste verdachte was mijn schoonmoeder die op de kinderen had gepast. Ze ontkende en wist bovendien meteen wie de echte dader was: reeën. Ze zijn er dol op, vertelde ze. Narcissen, daar houden ze niet van, maar tulpen vinden ze een lekkernij. We liepen nog eens een rondje. De narcissen stonden er nog.

Reeën. Toen we net in Zweden woonden waren ze een attractie. De opwinding was groot als ze zich in de tuin waagden. Later werden ze alledaags. Eentje had zelfs een naam: Lucy. Ze kwam elke dag langs, een winter lang, ongeveer op dezelfde tijd: een mager, mottig dier, zo levensmoe als wat, sjokkend door de sneeuw.

Maar toen begonnen ze de appels op te eten. En toen de groenten in het moestuintje. En nu dus de tulpen. Schattig hoor, die reeën, met die witte kontjes van ze, en die Bambikoppies, maar uiteindelijk is het ongedierte.

Ooit at ik om principiële redenen geen vlees, nu verlang ik naar een jachtgeweer: wat is het toch een zegen dat mijn principes zo flinterdun zijn.

Herezegendezespijzeamen

Krijg nou wat, opeens herinner ik me dat mijn moeder wel eens bad voor de avondmaaltijd, bij de zeldzame gelegenheden dat mijn vader er niet was. De ronde tafel, vier kinderen, hoofdjes gebogen. Ik herinner me hoe moe ze was en hoe ze het gebed spatieloos afraffelde.

Herezegendezespijzeamen.

Waar komt zo’n herinnering in hemelsnaam vandaan? Ik zit gewoon aan mijn bureau te werken en dan opeens zo’n herinnering.

De archivaris die mijn geheugen beheert is een merkwaardige figuur. Hij lijkt vaak paniekerig te willen raden wat ik nog eens wil zien of horen, haalt het betreffende voorval haastig van een plank of uit een doos, en duwt het in een bewustwordingskwab.

En dan zit ik opeens met mijn moeder, jong nog, het haar gepermanent. Met dat gepermanente haar verschaf ik de archivaris een nieuwe aanwijzing want daar verschijnt de olijfgroene droogkap, en dan de geur van haarlak, en dan het sjaaltje dat ze wel eens om haar haar deed. Een paar tellen gebeurt er niets maar dan zie ik hoe ze haar lippen stift in het halletje, voor de spiegel, voordat we naar de kerk gaan. Ik sta naast haar in mijn zondagse kleren, de haartjes gekamd, en zie alles: de snelle bewegingen van de roodgepunte stift, het naar binnen trekken van de lippen, de mummelbeweging, de inspectie in de spiegel met iets opgeheven kin, nog een haaltje langs de onderlip, nog een keer mummelen en dan de lippenbeet in het witte tissue om het overtollige rood te verwijderen.