Ongedierte

 

 

 

 

 

 

 

Opeens waren de tulpen weg. Ze waren net in bloei gekomen, rood, geel, paars, rondom het huis, maar toen we na een weekje in Nederland terugkwamen waren ze weg. Ze leken afgesneden dus misschien had iemand er een boeket van gemaakt. De eerste verdachte was mijn schoonmoeder die op de kinderen had gepast. Ze ontkende en wist bovendien meteen wie de echte dader was: reeën. Ze zijn er dol op, vertelde ze. Narcissen, daar houden ze niet van, maar tulpen vinden ze een lekkernij. We liepen nog eens een rondje. De narcissen stonden er nog.

Reeën. Toen we net in Zweden woonden waren ze een attractie. De opwinding was groot als ze zich in de tuin waagden. Later werden ze alledaags. Eentje had zelfs een naam: Lucy. Ze kwam elke dag langs, een winter lang, ongeveer op dezelfde tijd: een mager, mottig dier, zo levensmoe als wat, sjokkend door de sneeuw.

Maar toen begonnen ze de appels op te eten. En toen de groenten in het moestuintje. En nu dus de tulpen. Schattig hoor, die reeën, met die witte kontjes van ze, en die Bambikoppies, maar uiteindelijk is het ongedierte.

Ooit at ik om principiële redenen geen vlees, nu verlang ik naar een jachtgeweer: wat is het toch een zegen dat mijn principes zo flinterdun zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *