Normaliseren

Omdat ikzelf vloekend in de kroeg was aangekomen, snapte ik dat van Rob en Ivo ook prima. Er is een nieuw soort kutweer opgestaan, een ijzige zwepende regen die doet denken aan de vrijkomst van lang opgekropte woede.

Binnen een halfuurtje zat onze ronde tafel vol, en terwijl het vocht uit mijn broek en trui verdampte dronk ik met enige tevredenheid mijn bier. Dat niemand anders van ons gezelschap fluitjes bestelt wekt zo nu en dan ergernis, maar ik vind dun glas nu eenmaal prettiger dan de dikke kroezen die tegenwoordig voor vaasjes doorgaan.

De avond verliep zonder opmerkelijkheden, en geleidelijk begon het me te irriteren dat het zo normaal voelde om zonder beperking behalve een nogal doordeweekse eindtijd in de kroeg te zitten. Waar was de juichstemming? Waar waren de ratels en spandoeken met gebroken ketens erop, de afbeeldingen van laarzen die het bolle toetervirus pletten?

Na sluitingstijd crashten we een verjaardag in een zijstraatje van de Nieuwmarkt. Ivo had ons verlaten, en ik was trots op Rob omdat hij het ondanks een zware periode nu en dan nog laat maakt. Daarbij toont hij dan steeds een elegant soort enthousiasme.

Terwijl ik gin-tonics voor ons maakte in de woonkamer van de jarige (wier naam maar niet in mijn hoofd wilde blijven zitten) bedacht ik dat we de regering dankbaar mochten zijn voor de geleidelijke heropening van alles. Onze katers zouden we zo weer geleidelijk leren dragen; telde ik nu nog een clubbezoek op bij mijn inname dan kon je eigenlijk beter corona krijgen.

De tijd lijkt sneller te zijn gegaan tijdens de pandemie. Mensen die ik een tijdje niet zag leken opeens veel ouder. Terwijl ik een tweede gin-tonic voor ons maakte en proostte met de gastvrouw (haar naam lag echt op het púntje van mijn tong), bedacht ik dat ikzelf dus ook veel ouder zou zijn geworden. Misschien was het moment waarop ik natuurlijkerwijs mijn laatste clubbezoek zou hebben beleefd ergens in de pandemische periode gekomen en voorbijgegaan.

Toen de tonic op was fietste ik met mijn capuchon over mijn hoofd naar huis, om pas bij aankomst te beseffen dat het niet langer regende. Ik beklom de trappen, mikte mijn sleutels in de bak achter de deur en strekte me in mijn ondergoed uit op de bank. De dekens die er lagen waren te kort, waardoor ik koude voeten kreeg, maar ik had B beloofd om op de bank te slapen als er kans was op biersnurken.

Ik stond op om thee te zetten, nam mijn plek weer in en tuurde uit het raam, waar het nijdige gezweep al was hervat. Wie zijn ogen sloot kon zich in een wasstraat wanen, maar werd ook snel duizelig. Ik dronk wat van de hete thee en staarde in de wervelingen buiten.

Ik trok een van de katten op schoot en liet me achterover in de kussens zakken. De kat begon te spinnen en trok daarmee de andere kat aan, die een plekje naast mijn hoofd zocht. Toen de thee op was leek er door een breukje in de hemel al wat daglicht heen te dringen.

Still got it, mompelde ik, en stak een vuist de lucht in. Voordat mijn arm de bank weer raakte, was ik diep in slaap.

___________________

illustratie: Gabriël Kousbroek, fineliner op biervilt

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Telt rauw en rommelig rouwen ook?

‘Het is beter als jij nu weggaat.’ De dokter keek me aan en ik wist genoeg. We zaten in een kamer met een bed op wieltjes en drie stoelen. ‘Even een frisse neus halen, of misschien een kopje thee in de hal?’ In de lift stroomden de tranen over mijn wangen. Van ontkenning was bij mij geen sprake. De meneer die tegelijk met mij was ingestapt vroeg of ik slecht nieuws had gekregen. ‘Ze gaat dood.’ Aarzelend legde hij een hand op mijn schouder. Ik werd buitengesloten, geïsoleerd, maar alleen omdat ik luisterde naar de dokter. Ik ging maar niet in discussie; onderhandelen had geen zin. Vreselijk kwaad was ik, maar ik wist niet op wie. 

Wat ik had gevoeld na het slechtnieuwsgesprek waren alle emoties die ik kende tegelijk maar ook: niets. Later merkte ik dat ik dat wilde begrijpen. Bestond er een verklaring?

Een gangbare psychologische theorie op het gebied van rouw is die van Elisabeth Kübler-Ross. Rouwenden zouden vijf fases doorlopen: (1) ontkenning & isolatie, (2) woede, (3) onderhandelen, (4) depressie en (5) acceptatie.

Olivia McNeely Pass, emeritus hoogleraar Amerikaanse literatuur aan Nicholls State University in Louisiana, toont dat Toni Morrisons roman Beloved (1987) een haast perfecte narratieve belichaming lijkt te zijn van deze theorie. Het personage Sethe, dat rouwt om haar dochter, doorloopt de vijf fases keurig volgens het boekje: eerst ontkent ze de werkelijkheid, dan wordt ze boos, enzovoort. 

Na het lezen van Pass’ artikel pakte ik mijn notitieboek en tekende ik een schema met vijf vlakken die ik nummerde. 

(1) Ontkenning & isolatie

Hoe leger mijn maag, hoe leger mijn hoofd. Door mijzelf restrictieve voedingsregels op te leggen kon ik ontsnappen aan de werkelijkheid die van de ene op de andere dag donker was geworden.

(2) Woede

Trillend liep ik langs het rokershok. Hoe durfden ze, wilde ik schreeuwen. Hoe konden ze daar in een groepje staan inhaleren terwijl zij – nooit één sigaret aangeraakt – in een bed op wieltjes moest liggen wachten op het einde?

(3) Onderhandelen

’s Avonds belde ik haar op. Zoals ik bij mijn vader had gezeurd of ik alsjeblieft na het schoolfeest alleen naar huis mocht fietsen, zo smeekte ik haar om nog een ronde chemotherapie te proberen.

(4) Depressie

Het was er eerst de hele dag. Later viel het me aan vanuit de rug: terwijl ik een proefwerk maakte, als ik mijn balletkleren stond aan te trekken, in de rij bij de bakker. 

(5) Acceptatie

Of ik ooit volledig zal aanvaarden dat ze niet terugkomt betwijfel ik. Maar ik glimlach weer als ik mij voorstel op een feestje – glunderend van trots om haar voornaam te dragen. Ik probeer naar de wereld te kijken zoals zij het me heeft geleerd: met tevredenheid en interesse. En de meeste dagen lukt dat.

De volgende ochtend bekeek ik het schema opnieuw. Alles wat ik had opgeschreven was waargebeurd. Toch klopte er iets niet. Was de meest complexe periode uit mijn leven zo makkelijk te structureren?

Eerder die maand had ik Robbert Welagens nieuwe roman Raam, sleutel (2021) cadeau gekregen. Karlijn wordt voor een televisieprogramma geïnterviewd door Hanna. Er is chemie tussen de twee: een hand op een knie brengt Karlijn van de leg. Nog geen uur later verongelukt Arne, Karlijns geliefde. Hij was in zijn lunchpauze op weg naar haar omdat de deur was dichtgewaaid – ze had geen sleutel.

Ik las het boek in één dag uit en wilde na de laatste bladzijde opnieuw beginnen, maar eerst bekeek ik de achterflap. ‘Karlijns omgeving verwacht dat ze rouwt, maar dat lukt haar niet.’ Ik fronste. Het lukt haar niet?

Mag je dan pas zeggen dat je rouwt als je de door wetenschappers vastgelegde route volgt? Moet je soms verplicht onderhandelen voordat je naar de depressiefase kan? Is ontkenning en acceptatie op hetzelfde moment verboden? 

Ik maakte opnieuw een vijfdelig schema en pakte Raam, sleutel erbij. Het lukte heus: in ieder hokje kon ik voorbeelden schrijven. Maar de passages die ik tijdens mijn eerste lezing had onderstreept, de aller-ontroerendste zinnen, paste nergens. Hoe ze bewust een douchegordijn koopt dat Arne lelijk had gevonden (‘hij zal het toch niet gebruiken’) maar ook zijn T-shirts in de wasmachine doet (‘het is een kleine moeite’). Dat ze verliefd wordt op de persoon die in haar ogen medeplichtig is aan de dood van haar allerliefste. Een kartonnen versie van zichzelf in bed leggen om Arne te horen lachen en tegelijk hopen dat hij wegblijft.

De rouwfases lopen door elkaar, treden tegelijk op, zijn soms afwezig. Bovendien zijn er stadia die je in de wetenschappelijke literatuur niet terugleest.

Karlijns rommelige rouwproces raakt mij. De atypische fases zijn troostend omdat juist dat rauwe voor mij zo typisch is voor rouw. Het is niet iets wat kan (mis-)lukken. Karlijns vader lijkt dat te begrijpen: ‘Iedereen huilt op zijn eigen manier.’

Plonia Westendorp

Plonia Westendorp (1998) is verpleegkundige en student Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam.

De droom van de rode kamer

De huidige erfprins van Beiying had voor de lijkprocessie van dame Qin – door eretekens voorafgegaan, door gongs en baldakijnen, vergezeld van honderd draagstoelen – een banket aangericht naast de weg, waarbij een orkest speelde, zodat het gezelschap zich wat kon verpozen. We zitten midden in het eerste boek van de vier die de vertaling (Mark Leenhouts, Anne Sytske Keijser en Sylvia Marijnissen, Athenaeum 2021)) vormen van het klassiek Chinese De droom van de rode kamer van Cao Xueqin (1715 – 1763).

In het voorgaande hoofdstuk heeft Xifeng, een doortastende jongedame en ‘tante’ van de hoofdpersoon Baoyu de leiding over de vrouwelijke rouwvertrekken genomen van deze familie, waaraan ze verwant is. Dat leidde tot appels van honderden diensters en het uitwisselen en verzamelen van bonnetjes voor aankopen van benodigdheden en het verdelen van taken per tiental diensters. Deze diensters heten bijvoorbeeld Wielewaal, of Kleur, of Bekoring. Door de administratie met bonnetjes kan de lezer die China wel eens bezocht aansluiting bij zijn ervaringen vinden: de kleine administratie is nog steeds een groot goed in China.

Wat een boek! Literair gezien interessant vanwege de brede opzet en gedurfde lange aanlopen naar waar het om gaat – als dat überhaupt ooit duidelijk wordt, misschien gaat het om de lange aanlopen – de veelheid aan karakters, de slingerende verteltrant. Antropologisch interessant om de ingewikkelde interdependenties tussen de families en de leden ervan. Filosofisch om de taoïstische verwijzingen, de poëzie, maar ook om het bewustzijn van hoe een meisje als ‘Wielewaal’, een van de drie die zich bijvoorbeeld in een bepaald paviljoen met de aanwezigheid van theeblaadjes bezighoudt zal nadenken over zelfverwerkelijking. Hoe vergelijken wij ons leven met dat van haar, is het beter, minder?

Wat een boek! Van uiterst verfijnde erotische toespeling tot casual verkrachtingen van jongens onderling, van recepten en poëzie tot vlootschouw van aanwezigen. De wereld is vaak teruggebracht tot een dorpsgelijk huishouden waar honderden familieleden en personeel een leven leiden op een paar vierkante kilometers. Reputaties en dromen, interpretaties van versregels, betekenis van namen zijn minstens even belangrijk als daadwerkelijke handeling en omgang. Je kunt in het ongeluk gestort worden of in genade aangenomen. Verdienste doet er dan niet zoveel toe, lijkt het. Een verfrissende duik in een totaal ander bestaan, in weergaloos Nederlands een weergaloos Chinees epos dat tegelijkertijd intens bevreemdend en bijzonder nabij is.

Ik bracht u ter begraving op de Stenentorenberg:
Cipres en den zijn donkergroen – de dragers gingen heen.
Uw beend’ren rusten tussen witte wolken nu voor eeuwig
En zinloos gaat het stromend water naar de mensenwereld.

(Uit: W.L. Idema Spiegel van de klassieke Chinese poëzie, Meulenhoff.)

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

After Party

Vindingrijkheid komt voort uit een beperking, en in die zin waren de coronabeperkingen een geweldige stimulans voor mijn meer subversieve vrienden. Zelf heb ik de afgelopen twee jaar geen illegale rave bezocht; tijdens de jaarwisseling skipte ik ook nog dat ene loodsfeestje in Noord, hoewel ik op het twaalfuurmoment zóveel onrust in me had dat ik mijn sterretjes nauwelijks kon vasthouden.

Tegen kleine huisborrels zei ik sinds de tweede lockdown geen nee meer, ook omdat ik de schade voor mijn gezin hoger schatte als ik er niet zo nu en dan opuit ging. Ik geloof dat ik dat soort illegale samenkomstjes – na de stille stad zelf, natuurlijk – het meest ga missen.

Afgelopen vrijdag was waarschijnlijk de laatste keer dat iemand van mijn kroegvrienden haar huiskamer openstelde omdat De Pels vroeg dicht ging, en alles voelde al anders.

Om te beginnen had drinken bij Cindy best gezien kunnen worden als repetitie voor een culturele uiting: bijna alle aanwezigen waren schrijver, en repetities voor culturele uitingen waren onder de beperkingen toegestaan. In een rugzak had ik de ingrediënten voor gin-en-tonics meegenomen, maar de opkomst was zo hoog dat vriend Sabry de biertaxi maar weer eens belde. Ik ben gehecht geraakt aan zijn tikkies, die altijd tegen het einde van de volgende ochtend binnenkomen.

We waren niet bezorgd dat een van de buren de politie zou bellen, laat staan dat er iemand zou komen om de ramen open te zetten voor ventilatie of het markeren van die plekken op de vloer waar we te allen tijde moesten blijven staan voor de correcte afstand. Hoewel wat we deden nog steeds niet mocht, mocht het al bijna weer wél, en geen klabak of boa zou zich daar nog druk over maken.

Ik keek om me heen in de volle woonkamer en klopte nog maar eens wat mensen op de schouders. Het was natuurlijk fijn dat iedereen er was, maar de drijvende kracht leek er een beetje uit. Voor een korte periode waren wij veertigvijftigers weer kwajongens en -meiden geweest. Nu werd het voor de laatste keer in ons leven tijd om dat los te laten.

De volgende ochtend, niet lang na Sabry’s tikkie, appte Cindy dat ze corona had.

Beeld: Walter Stokman – Sabry’s sokjes

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Patiënt Hongarije

Ik betrap mezelf erop dat ik over Hongarije ben gaan praten alsof het een psychologische patiënt is. ‘Onverwerkt trauma’, ‘onderdrukte gevoelens’, ‘zwijgcultuur’ en ja, misschien ook wel eens ‘grootheidswaanzin’. Zulke woorden gebruik ik als ik met mijn Nederlandse vrienden over de Hongaarse geschiedenis praat. De Hongaarse herinneringspolitiek is niet anders te begrijpen. Het Hongarije van nu heeft de historische trauma’s van vorige generaties overgeërfd, omdat er decennialang niet over gepraat mocht worden.

Zo werd ook het lot van de dichter Miklós Radnóti (1909-1944) verzwegen. Als joodse Hongaar werd hij vanwege de Hongaarse rassenwetten naar een werkkamp gestuurd voor dwangarbeidsdienst, en vond hij uiteindelijk tijdens een dwangmars de dood. Al die tijd bleef hij dichten. Zijn indrukwekkende getuigenis is na zijn dood in een schriftje in de binnenzak van zijn jas in een massagraf teruggevonden. Zo werd Radnóti’s poëzie postuum beroemd. Maar wat er tijdens zijn laatste dagen is gebeurd, blijft onduidelijk.

‘Allerlei tegenstrijdige verhalen deden de ronde in de jaren 50,’ vertelde literatuurhistoricus en Radnóti-expert Győző Ferencz mij. Aanvankelijk geloofden de Hongaarse communistische partij dat de nazi’s, die Hongarije in 1944 waren binnengevallen, ook Radnóti hadden vermoord. Fascisme en antisemitisme – dat waren misdaden die alleen nazi-Duitsland had begaan, zo luidde de aanname. Toen het massagraf met Radnóti’s schriftje was teruggevonden, werd daarom ook geen forensisch onderzoek naar de daders gestart. Het ministerie van Binnenlandse Zaken legde hoogstens een dossier aan, waarvoor ze omstanders, maar geen van de overlevenden van de dwangmars, lieten interviewen. ‘Dit was allemaal onderdeel van dezelfde strategie,’ legt Győző me uit: ‘verhullen dat Hongaren schuld droegen. Het waren de Duitsers.’

Dit reflex is niet uniek aan Hongarije. Veel Europese landen die tijdens de Tweede Wereldoorlog een tijd door de nazi’s bezet waren, konden (en kunnen) moeilijk onder ogen komen dat landgenoten in veel gevallen ook medeplichtig waren aan de Holocaust. Ook in Nederland. Terugkijkend bleek in deze periode het verschil tussen goed en kwaad niet zo zwart-wit als we hadden gewild. Pas in de jaren 60 begonnen we ook de joodse slachtoffers te herdenken op 4 mei. Daar ging een lange maatschappelijke discussie aan vooraf.

Veel Europese landen hebben dus met die herinnering geworsteld. Het probleem van Hongarije is dat die noodzakelijke maatschappelijke discussie over dit complexe trauma jarenlang door de communisten is onderdrukt. ‘Dat soort zelfreflectie, waar ruimte voor is in een democratie, heeft in Hongarije nooit plaatsgevonden,’ legt historicus Krisztián Ungváry uit in deze boeiende internetdocumentaire. ‘Veel Hongaarse communisten waren namelijk lid van de fascistische partij geweest, die na de Duitse inval in 1944 de dienst had uitgemaakt. Het was eigenbelang om te zwijgen over hun misdaden.’

Pas nadat de communisten uit Hongarije vertrokken waren, kwam de waarheid boven water. Ook Radnóti’s zaak werd heropend. In de jaren 90 wees academisch onderzoek uit dat hij niet door nazi’s, maar door vier Hongaarse soldaten was vermoord. Oftewel: de Hongaren hadden zelf hun dichter vermoord. Wat te doen met die realisatie?

Ik moest aan Radnóti denken toen het onderzoek naar de verrader van Anne Frank afgelopen weken in het nieuws was. Een internationaal onderzoeksteam zou de verrader hebben gevonden. Eindelijk zou een oude schuldvraag beantwoord kunnen worden. De hele wereld sprak erover.

Met de schuldvraag veroordeel je niet simpelweg een schuldige – je verandert ook het hele perspectief op de geschiedenis. In het geval van Anne Frank, die volgens het onderzoeksteam door een ambtenaar uit de Joodse Raad zou zijn verraden, is er de implicatie dat joden elkaar verraden zouden hebben. Naast kritiek op de rommelige methode van het onderzoeksteam gaven historici daarom de kritiek dat de veroordeling van deze ambtenaar de aandacht afleidt van waar het herdenken van de Tweede Wereldoorlog eigenlijk om hoort te gaan: de systematische massamoord, veroorzaakt door de nazi’s. Vanwege het systeem van de nazi’s was er een Holocaust, een Joodse Raad en de onmogelijke positie waarin de ambtenaar zich bevond.

Ook bij Radnóti is de schuldvraag zo groot en belangwekkend omdat hij het perspectief op de geschiedenis aanzienlijk verandert. Erkenning van het feit dat Radnóti door vier Hongaarse soldaten is vermoord, is erkenning van de Hongaarse medeplichtigheid aan de Holocaust in Hongarije. Een onverwerkt trauma dat de Hongaarse regering liever voor zich uit schuift, generatie na generatie.

Viktor Orbán waagt zich er ook niet aan. Met zijn zelf-gecultiveerde imago als de man die Hongarije, de ‘grote maar miskende natie’, hun trots terug komt geven, is er geen ruimte voor de zwarte bladzijden van die natie. Hij heeft in zijn grondwetswijziging van 2012 laten opnemen dat Hongarije tijdens de Duitse inval een bezet land was, en geen enkele verantwoordelijkheid draagt voor wat er in die tijd gebeurd is. Deze herinneringspolitiek kreeg in 2014 gestalte door een monument in Boedapest. ‘Ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de Duitse bezetting,’ heet het. In de timpaan van een Grieks zuilenwerk leunt een angstaanjagende bronzen Duitse adelaar op zijn ene klauw, terwijl hij de andere naar een engel uitstrekt. De engel heft zijn armen naar de hemel en slaat zijn ogen neer, zijn gespierde borst half ontbloot. Blakende onschuld. Hij heeft de Hongaarse Stefanskroon in zijn hand en moet zo Hongarije voorstellen.

Misschien stelde de Hongaarse regering zich op als vanouds, maar de inwoners van Boedapest pikten het niet meer. ‘Het is geschiedvervalsing,’ reageerden zij in 2014 verontwaardigd op de plannen voor het monument. Een groep activisten verzamelde spullen en getuigenissen van Hongaarse  Holocaustslachtoffers tegenover het monument. Hoewel de regering hun gedenkplaats aanvankelijk probeerde te saboteren, organiseren de activisten tot op de dag van vandaag om de twee weken gesprekken bij deze gedenkplaats. Zij praten daar over de onverwerkte historische trauma’s van Hongarije. Het is tijd, vinden zij.

Marian van der Pluijm

Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.

Pijn doen

Met elk boek dat ik schrijf hoop ik dichter tot een kern te komen. Het schrijven mag me iets kosten, moet een beetje pijn doen.

Sinds januari werk ik aan een roman over een café in een niet nader omschreven buitenland. Er zijn veel personages op te voeren, maar ik heb een drietal echte hoofdpersonen die worden bezien door de ogen van de barman. Hij wordt door iedereen De Hollander genoemd. Geleidelijk komt de lezer erachter waarom hij zijn vrouw en zoon achterliet in Amsterdam.

Ik had allerlei levens voor de man kunnen bedenken, maar koos een geschiedenis die bijna de mijne is, een gezin dat bijna het mijne is. Met elke bladzijde duik ik dieper in die andere versie van me, dat parallelle leven. De Hollander heeft mijn liefde voor zijn naasten, maar besluit zich toch uit hun levens weg te strepen.

Ik wil geen grote dingen opvoeren, geen enorme schuld of ramp. Mijn Hollander moet hiertoe besluiten omdat hij denkt dat hij niet anders kan, en dat moet op een of andere manier invoelbaar worden.

De dingen die je het meest vreest zijn het onderzoeken waard, en een roman schrijven (of lezen) is een uitstekende manier om dat te doen.

Door zijn vertrek schakelt mijn hoofdpersoon terug naar een oude versie van zichzelf. Ik heb hier eerder gezegd dat de horeca mijn eerste stap zou zijn als ik me ooit in een nieuw land zou vestigen. Mocht ik ooit gedwongen worden te emigreren, dan zal ik – ook op mijn achtenzestigste – een baantje in de bediening zoeken. Binnen drie werkdagen heb je een vriendenkring, binnen een maand een netwerk, binnen een jaar de sleutels tot de stad. 

De Hollander kan in zijn nieuwe land geen schrijver meer zijn en leidt een leven dat hij ooit vaarwel zei. Het café, dat hij een paar jaar geleden overnam, draait niet goed genoeg om personeel te betalen en dus doet hij er alles zelf. Zolang hij rent kan hij niet te veel nadenken, maar de verjaardag van zijn zoontje komt eraan en dit jaar valt dat hem veel zwaarder dan voorheen.

Op een of andere manier lijkt mijn Hollander in zijn nieuwe stad te denken dat hij geen recht heeft op relaties van betekenis. Ik pikte de taal snel op en lachte mee met collega’s, maar zorgde ervoor dat ik met niemand vrienden werd. Vrienden stellen vragen, vragen door; goede vrienden voelen het als je iets verzwijgt. 

Misschien was het een verlangen naar vrijheid dat hem ertoe aanzette alles achter te laten, het besef dat hij zich zolang hij banden had nooit meer echt vrij zou voelen. Misschien was de eerste stap van zijn vertrek een impulsieve, en was hij de weken en maanden daarna volledig in de war. Ik kan me voorstellen dat hij na een jaar al dacht dat hij zijn recht om terug te keren had verspeeld. Het moet allemaal in het werk blijken. Elke nieuwe bladzijde zal me iets meer pijn doen, zal iets meer van mezelf kosten, maar ik zal mijn Hollander steeds beter snappen.

Ook in dit boek kampt de hoofdpersoon met verlies, daar ontkom ik kennelijk niet aan. De afstand die verlies afdwingt is nu eenmaal de ideale om de liefde mee in beeld te brengen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Stapelen

Zo meende ik het te begrijpen: ‘We zijn torens van meerdere verdiepingen, waarbij elke verdieping de vorm heeft van onze begane grond. Zoals we ons grondvesten, zo klimmen we op.’ (In De gelukkigste klas.) En zó meende ik dat, regels later, te moeten betwijfelen: ‘Ik blijf onzeker over de toekomst van ieder kind, per definitie. Mijn onzekerheid is misschien wel mijn principiële weigering doembeelden te zien, het is mijn theorie van hoop. Vooral voor de kinderen die de palen van hun fundament in drijfzand hebben moeten heien […].’ Het verklaart waarom de soort waartoe ik behoor, nadat kinderen van school zijn gegaan, behoefte heeft aan weerzienverhalen.

Onlangs werd een aantal collega’s op scholen naast en vlakbij de mijne verrast door een opmerkelijk weerzien. Ineens bleek een oud-leerling beëdigd als onderwijsminister! Op zijn vijfendertigste! Als oud-mavoleerling! Wie had dát gedacht? Al in zijn eerste week bracht de excellentie een bezoek aan zijn vroegere basisschool en zullen onderwijzersharten aldaar van vreugde zijn opgesprongen.

Regelmatig komen oud-leerlingen bij ons langs. Ik tref ze ook wel op straat of in de winkel, maar plotseling in het landelijke nieuws, met hun kop op tv – dat is me in dertig jaar slechts twee keer gebeurd. De eerste keer ging het om een jongen die bij zijn debuut voor Feijenoord 1 een schitterend doelpunt maakte en na de wedstrijd voor de camera’s van het Sportjournaal werd geïnterviewd. Dat-ie voetbalde, wist ik; dat-ie zo goed geworden was, had ik nooit bevroed.

De tweede keer werd ik op een avond door een collega geappt: ‘nu de tv aan, sbs!’ Ik gehoorzaamde en zag een jongeman het beeld in schuiven; ik herkende hem onmiddellijk. Door zijn groeistoornis torende hij in groep acht al boven mij uit en bleek hij, jaren later, inderdaad de flat die ik verwacht had. Hij had verkering met een lief meisje en woonde bij haar en haar ouders in. Het was duidelijk dat ze het moeilijk hadden – financieel, psychisch, maatschappelijk. Het sbs6-programma – Straatarm, steenrijk – probeerde hun bestaan tijdelijk te verlichten door ze een aantal dagen van huis en budget te laten ruilen met een stel dat in Monaco woonde. Had het programma het armoeiige onderkomen van hun bestaan nu met een verdiepinkje opgehoogd? Goedbedoeld waarschijnlijk, maar tegen de tijd dat ik er kennis van kon nemen was hun penthouse natuurlijk al lang en breed weer afgebroken. De empathie die het vooral bij de rijkaards zou moeten opwekken was gratuit en de tranen van mijn reus, toen hij in een privéhelikopter boven Droomland vloog, konden niet anders zijn dan tranen om het Drijfzand waarvan hij wist dat hij daar onherroepelijk weer in zou landen.

Ik geloof dat geen van de deelnemers aan het programma zich werkelijk heeft kunnen inbeelden hoe het zou zijn dat andere leven te leiden. What Is It Like To Be a Bat?, vroeg de Amerikaanse filosoof Thomas Nagel zich af. Er zitten grenzen aan onze empathische vermogens. In het verlengde van Rudy Kousbroeks uitleg in ‘Einsteins poppenhuis’: we kunnen ons misschien voorstellen hoe het voor ons is om een hele dag in het klamme donker op onze kop te hangen, maar niet hoe het voor een vleermuis is om dat te doen. Steenrijk kunnen we ons niet voorstellen hoe straatarmen straatarm zijn. Het is op dezelfde manier onmogelijk als om een voorstelling te hebben van hoe een ander zich zal stapelen. We kijken toe, moedigen aan en zien, hopelijk bijtijds, wanneer iemand onverhoopt begint te wiebelen.

Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

Zullen hebben gekozen

Ik geef niet zoveel om logische puzzels, maar er is er één die me erg aan het hart gaat. Aristoteles formuleerde hem voor het eerst in zijn De interpretatione, ongeveer op de volgende manier: ‘Als het waar is dat er morgen een zeeslag plaats zal vinden, dan was dit gisteren ook al waar, en vorige week, en vorig jaar. Maar alle dingen die in het verleden waar zijn, zijn noodzakelijk waar. Dus het is noodzakelijk waar dat er morgen een zeeslag plaats zal vinden.’

Deze puzzel, die bekend staat als het probleem van toekomstige contingentie, gaat over de verhouding tussen tijd en waarheidswaarde: wordt een voorspelling pas waar zodra ze ‘uitkomt’, of was ze dat daarvoor ook al? Dit is een kwestie die niet alleen voor logici interessant is, maar voor iedereen die weleens terugkijkt op de manier waarop hij naar de toekomst vooruit heeft gekeken. Ze wijst op het wonderlijke feit dat de toekomst, die ons vloeibaar voorkomt, stolt zodra ze geschiedt en tot het verleden gaat behoren.

Vorige week las ik Clara Egginks Leven met J.C. Bloem – zomaar, eigenlijk, want ik ben van Eggink noch Bloem een bijzonder groot liefhebber, maar ik kwam het boekje de laatste keer dat ik in Amsterdam was tegen in een van de opruimbakken van Brinkman en nam het mee. Tijdens het lezen bedacht ik me dat het probleem van toekomstige contingentie in memoires altijd sterk voelbaar is, en dat dit de aantrekkingskracht die het genre op me heeft misschien verklaart. De schrijver van memoires blikt immers terug op een verleden waarin ambities, fantasieën en levensbeslissende keuzes nog niet (waar)gemaakt zijn, maar doet dit vanuit een moment in de tijd waarin alles wat te gebeuren stond gebeurd is, en dus noodzakelijk lijkt.

Eggink is bij vlagen een nogal vervelende schrijver; soms klinkt ze als een oude buurvrouw die op samenzweerderige toon saaie anekdotes vertelt. Maar uit haar schrijven kan alleen maar geconcludeerd worden dat Bloem een nog veel vervelender mens moet zijn geweest, Egginks pogingen om een overwegend positief beeld van hem neer te zetten ten spijt. Zo komt hij bijvoorbeeld over als het type man dat enerzijds meent dat vrouwen niet in staat zijn om zelfstandige keuzes te maken, en anderzijds zelf te afhankelijk en pueriel is om zonder de zorg van een vrouw te kunnen leven (wat natuurlijk vaak twee kanten van dezelfde munt zijn). Eggink is over het algemeen niet al te kritisch over dit gegeven, hoewel er soms een beetje terechte bitterheid in haar schrijven doorschemert: ‘Hij en zijn vriend Gerard Zalsman hadden bedacht dat zij, ieder met hun zoon, [in Katwijk] wel een tijdje konden doorbrengen en zij hadden daartoe een huis gehuurd. Maar toen het erop aan kwam, ontdekten ze dat ze niemand hadden om voor hen te zorgen en ik kreeg een telefoontje of ik maar komen wilde.’

Eggink besteedt veel tijd aan het beschrijven van de huizen waarin ze samen met Bloem heeft gewoond, op uiteenlopende plekken in Nederland: Rotterdam, Sint Nicolaasga, Breukelen, Katwijk, Kijkduin, Kalenberg. Ik vond dit verreweg de leukste stukken in het boek, wat ongetwijfeld te maken heeft met het feit dat ik zelf volgende maand zal moeten verhuizen en momenteel nog naar een nieuwe woonplek op zoek ben. Als je te maken hebt met onzekerheid over de (nabije) toekomst kun je jezelf geruststellen door jezelf die toekomst in te projecteren, wanneer wat nu nog ongewis is als noodzakelijk zal verschijnen: ‘over een tijdje zal dit voorbij zijn, er zal een moment komen waarop je hier kalm op terug zult kunnen kijken.’ Ik kijk naar mijn bureau: binnen een maand zal het ergens anders staan, op een plek die ik me nu nog niet voor kan stellen, maar die er wel is.

Ook denk ik terug aan mijn vorige verhuizing, die veilig in het verleden ligt. Ik kwam net in Nijmegen wonen en verbleef eerst een paar maanden op zolder bij een welgestelde kunsthistorica, in wier glanzende keuken ik niet goed durfde te koken. Ik bezichtigde denk ik een stuk of tien kamers, studio’s en appartementjes voordat ik de plek vond waar ik de afgelopen tweeënhalf jaar gewoond heb. Na de bezichtigingen heb ik bijna nooit meer aan deze ruimten teruggedacht, maar nu haal ik me ze opeens weer scherp voor de geest. Ik herinner me hoe ik de weinige meubels die ik had steeds in verschillende configuraties als hologrammen in die ruimten projecteerde en me voor probeerde te stellen hoe het zou zijn om daar te wonen. Maar ik ging er niet wonen, en de toekomstigheid die deze plekken bij de bezichtigingen in zich droegen werd irrelevant en stierf af als een tak aan een evolutiestamboom, een mogelijke wereld die geen werkelijkheid werd.

Bloem schrijft in zijn gedicht “Aanvaarding” (niet van een aangeboden woning, van de dood natuurlijk, maar toch) het volgende:

Want ik wist door een keuze verloren
Ieder ander verlokkend bestaan.
Ik heb dan ook niets verkoren,
Maar het leven is voortgegaan.

Natuurlijk werden er in Bloems leven wel degelijk keuzes gemaakt. Eggink schrijft: ‘In het voorjaar van 1928 vatte Jacques het plan op om buiten te gaan wonen en te zien van zijn pen te leven. Hij had een bovenhuis gevonden in Loenen aan de Vecht, waar hij heel enthousiast over deed. Ik heb het nooit gezien. Het scheen aan de dorpsstraat boven een poort aan de rivier te liggen. Ook hebben we nog eens in Driebergen en Soest rondgeneusd.’ Uiteindelijk komen ze echter terecht in het Friese gehucht Sint Nicolaasga. ‘Wij hebben er drie jaar gewoond.’

Kyrke Otto

Kyrke Otto (1995) studeerde filosofie en klassieke talen en is momenteel werkzaam als docente en promovenda aan de Radboud Universiteit, waar ze onderzoek doet naar de rol van aforistische schrijfvormen in de Lebensphilosophie-beweging. In bredere zin interesseert ze zich voor kwesties van genre, stijl en methode en de relatie tussen filosofie en literatuur. Essays en gedichten van haar hand verschenen o.a. in De Gids, De Nederlandse Boekengids en Tirade.

Overkomen

Vroeger kwam ik regelmatig arrogant over. De eerste keer dat ik dit oordeel geserveerd kreeg was in een werkgroep van mijn studie, en ik weet nog dat ik er enorm van schrok. Omdat ik niet wist waarmee ik die indruk had gewekt, hield ik me in de maanden erna ontzettend in bij nieuwe mensen.

Maar die voorzichtigheid sleet, waarna ik vanzelf weer iemand tegenkwam die me – meestal via anderen – liet weten dat hij of zij me een hele arrogante jongen vond. Ik snapte er niets van. Natuurlijk wist ik dat ik stellig kon klinken, maar ik ben een geboren twijfelaar. Ik maak me zorgen over álles, niet in de laatste plaats over mijn rang in het sociale.

De kritiek kwam nooit van extraverte personen – vaak was het degene in een groepje die geen woord tegen me had gezegd. Ik concludeerde dat men zich overschreeuwd had gevoeld, en besloot mijn mond vaker te houden, zodat iedereen aan het woord kon komen.

De zwijgers bleven zwijgen, en zo nu en dan ook klagen over mij. Ik besloot ze maar te mijden om verdere frustratie te voorkomen, en toen ik nog in die knetter-extraverte horeca werkte ging dat best makkelijk. Maar het leven zou het leven niet zijn als ik de horeca niet verliet en verder ging als schrijver en docent.

Omdat ik het leven al zag aankomen, zocht ik naar manieren om beter met de zwijgers om te gaan. Hun boosheid leek voort te komen uit het gevoel dat ik hen niet zag staan, over hen heenkeek – toch de meest fysieke uitdrukking van arrogantie. Wat als ik de introverte in een groep meteen identificeerde en contact met hem of haar maakte?

Deze aanpak lijkt te werken, en er zitten heel interessante figuren tussen die introverten. Iemand die angst om zich uit te spreken moet overwinnen, blijkt me vaak meer te kunnen raken dan iemand voor wie dat geen probleem is.

Beeld: Roos Van RijswijkMeet the parents. De vrouw in deze foto is auteur Sun Li. Zij is geen stil persoon.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Onder de opper

De storm stak vannacht op, de bus waarin we sliepen begon als een stampend schip heen en weer te bewegen, rukwinden gierden onder de zonnepanelen door en we hoorden de bomen op het erf ruisen. Toch even op de dijk kijken, wat is dat toch die drang altijd? Warre goed ingepakt en stevig aan de hand liep ik naar de auto.

Dezelfde tocht als altijd als ik ga varen. Als er slecht weer wordt voorspeld eerst even op de dijk kijken hoe de Schelde er uitziet. Je kan duizenden weerberichten downloaden en met elkaar vergelijken, maar soms moet je ook je kop uit het luik steken, hoorde ik een andere schipper alweer jaren geleden zeggen. Dat is iets waar je op zee altijd automatisch mee bezig bent, zelfs al je in je hut ligt te slapen: hoe ligt het schip in de golven, hoe hoog zijn de golven, wat voor geluiden, welke zeilen staan er op? Is de wind vlagerig of constant? Met kortere tochten in Zeeland is dat anders. Je hebt alle weerberichten altijd bij de hand, maar je moet ook op je gevoel en getij af gaan. Met een noordwester zit je redelijk onder de opper van Schouwen Duiveland als je vanuit Zierikzee zou vertrekken. Wachten op de brug is nooit prettig met veel wind (als hij dan al draait) maar met zuidwestenwind en opkomend tij echt niet aan te raden vanwege de lager wal. Afwegingen en routes die je kunt nemen, uitwijkmogelijkheden en ga zo maar door.

Als ik de wind niet helemaal vertrouw, rij ik altijd de omweg die ik vandaag ook deed. Bij Viane kwam ik de dijk op, zag de meeuwen landinwaarts over de Prunje scheren en op de dijk een prachtig kleurenspel van een nog net niet opkomende zon waarvoor grijze stormwolken over Tholen en Beveland trokken. Pas ver uit de slikken van Viane (het was eb) zag ik witte schuimkoppen. Omdat de wind meer west dan zuidwest was, bouwden de golven minder op. Een binnenvaartschip ploegde vanaf de Krammer door de Zijpe naar de Tonnenvlaai, daar wist ik, was het met eb wat meer beschut voor golven achter de banken. Achter de dijk reden we naar de weg die wel het meest tot de verbeelding sprekende naam van het eiland heeft: ‘Weg van de buitenlandse pers’. Ja op de dag af 69 jaar geleden ging het hier wel fout met zo’n noordwesterstorm. Bij het gemaal zag ik een auto van het waterschap. ‘Beperkte dijkbewaking’ zou mijn vader zeggen. Onder de snel overtrekkende wolken speurde ik de dijken en inlagen af. Waren er geen schapen omgerold? Anders met m’n laarzen het land in om de schapen weer op hun poten te duwen. Maar ze stonden allemaal nog, met de kont in de wind. Bij de Zuidbout konden we weer over de Oosterschelde kijken. Witte golven kwamen aanrollen vanaf de Zeelandbrug, een prachtig schouwspel. Weinig schepen op het water en dat was ook niet gek. Eenmaal Zierikzee ingekomen, dit keer geen schip om op te varen, die ligt op de werf, veilig in een sloot tussen de bebouwing, ging ik brood kopen. Brood om straks bij de soep te eten als Suzan weer uit de boomgaard gewaaid zou komen. Het leven als thuisvader, elke dag even op de dijk kijken. Het mooie van zo’n storm in de winter is: uitvaren hoeft toch niet. Een paar minuten op de dijk en mijn haar zit weer goed.

Wiebe Radstake

Wiebe Radstake groeide op tussen de boeken van zijn ouders in tweedehands boekwinkel Boven het Dal te Zierikzee. Hij is zeekapitein op zeilschepen rond de wereld. Naast de zeezwerftochten die hij maakt, haalt hij zijn inspiratie uit het dwalen door de steden en het struinen over stranden. Hij werkt aan een brieven/reis boek met de titel Thuisvaarder/Thuisvader. De logs van Tirade zijn korte stukken uit Thuisvaarder.  Het gaat over Wiebe als jonge kapitein van een groot zeilschip zonder motor op weg van de Dominicaanse Republiek naar Amsterdam in tijden van Corona. Het tweede deel (Thuisvader) gaat over het krijgen van een kind en het als zeeman op de wal leven.