Normaliseren

Omdat ikzelf vloekend in de kroeg was aangekomen, snapte ik dat van Rob en Ivo ook prima. Er is een nieuw soort kutweer opgestaan, een ijzige zwepende regen die doet denken aan de vrijkomst van lang opgekropte woede.

Binnen een halfuurtje zat onze ronde tafel vol, en terwijl het vocht uit mijn broek en trui verdampte dronk ik met enige tevredenheid mijn bier. Dat niemand anders van ons gezelschap fluitjes bestelt wekt zo nu en dan ergernis, maar ik vind dun glas nu eenmaal prettiger dan de dikke kroezen die tegenwoordig voor vaasjes doorgaan.

De avond verliep zonder opmerkelijkheden, en geleidelijk begon het me te irriteren dat het zo normaal voelde om zonder beperking behalve een nogal doordeweekse eindtijd in de kroeg te zitten. Waar was de juichstemming? Waar waren de ratels en spandoeken met gebroken ketens erop, de afbeeldingen van laarzen die het bolle toetervirus pletten?

Na sluitingstijd crashten we een verjaardag in een zijstraatje van de Nieuwmarkt. Ivo had ons verlaten, en ik was trots op Rob omdat hij het ondanks een zware periode nu en dan nog laat maakt. Daarbij toont hij dan steeds een elegant soort enthousiasme.

Terwijl ik gin-tonics voor ons maakte in de woonkamer van de jarige (wier naam maar niet in mijn hoofd wilde blijven zitten) bedacht ik dat we de regering dankbaar mochten zijn voor de geleidelijke heropening van alles. Onze katers zouden we zo weer geleidelijk leren dragen; telde ik nu nog een clubbezoek op bij mijn inname dan kon je eigenlijk beter corona krijgen.

De tijd lijkt sneller te zijn gegaan tijdens de pandemie. Mensen die ik een tijdje niet zag leken opeens veel ouder. Terwijl ik een tweede gin-tonic voor ons maakte en proostte met de gastvrouw (haar naam lag echt op het púntje van mijn tong), bedacht ik dat ikzelf dus ook veel ouder zou zijn geworden. Misschien was het moment waarop ik natuurlijkerwijs mijn laatste clubbezoek zou hebben beleefd ergens in de pandemische periode gekomen en voorbijgegaan.

Toen de tonic op was fietste ik met mijn capuchon over mijn hoofd naar huis, om pas bij aankomst te beseffen dat het niet langer regende. Ik beklom de trappen, mikte mijn sleutels in de bak achter de deur en strekte me in mijn ondergoed uit op de bank. De dekens die er lagen waren te kort, waardoor ik koude voeten kreeg, maar ik had B beloofd om op de bank te slapen als er kans was op biersnurken.

Ik stond op om thee te zetten, nam mijn plek weer in en tuurde uit het raam, waar het nijdige gezweep al was hervat. Wie zijn ogen sloot kon zich in een wasstraat wanen, maar werd ook snel duizelig. Ik dronk wat van de hete thee en staarde in de wervelingen buiten.

Ik trok een van de katten op schoot en liet me achterover in de kussens zakken. De kat begon te spinnen en trok daarmee de andere kat aan, die een plekje naast mijn hoofd zocht. Toen de thee op was leek er door een breukje in de hemel al wat daglicht heen te dringen.

Still got it, mompelde ik, en stak een vuist de lucht in. Voordat mijn arm de bank weer raakte, was ik diep in slaap.

___________________

illustratie: Gabriël Kousbroek, fineliner op biervilt

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).