De barsten

Gisteren maakte ik in Toscanini een pasta allo scoglio voor muzikant Mike Del Ferro. Er waren geen andere gasten, de tafels rustten opgestapeld langs de wanden en in het midden van de grote zaal – recht voor de keuken – lonkte een zwarte vleugel.

Mike speelde en ik kookte. We hadden het over dingen maken voor anderen, over smaken uit het verleden, over contact aan tafel en in de muziek. Buiten de blik van de camera praatten we zo mogelijk meer dan op de momenten dat cameraman Thomas een batterijtje moest vervangen of een opname wilde terugkijken.

Een vriend van Mike uit Zimbabwe kwam langs en speelde Neria, een even triest als hoopvol lied in het Shona over een jonge weduwe die alles kwijt zal raken aan haar schoonfamilie na het overlijden van haar man. Dat kan, in Zimbabwe. Zelfs je kinderen gaan dan naar de familie van de overledene. Het hoopvolle in Neria is dat de zanger of verteller – in dit geval Jeremy Olivier – de weduwe laat weten dat ze niet alleen is, dat god het allemaal heeft gezien en haar niet zal verlaten. De betekenis van het nummer was al voelbaar voordat het door Olivier werd uitgelegd.

Toen de pasta klaar was, aten we. Mike zei dat hij het heerlijk vond en schepte extra op. Het album dat hij met Jeremy heeft opgenomen gaat Where the light gets in heten. Pas toen ik onze borden naar de afwas bracht, ze op spiergeheugen schoonveegde en in een van de grijze rekken plaatste, besefte ik dat die titel op barsten duidt.

‘The cracks are where the light gets in,’ zei ik even later. ‘Toch?’

Del Ferro glimlachte. ‘Precies. Maar we vonden The cracks geen goede naam voor een album.’

Ik dacht over de barsten in mijn leven. Sommige waren er opeens geweest, heel onverwacht. Andere groeiden traag, even voorspelbaar als dodelijk. Ik vroeg me af of er zonder die barsten even veel licht zou zijn, en kwam er niet uit.

Zou een lied als Neria me zo sterk kunnen raken als ik geen barsten had? Ik dacht aan Nadim, die nog geen echte barst heeft opgelopen, maar wel enorm kan meeleven met de verhalen die ik voorlees.

Mike vertelde dat hij er op zijn reizen achter is gekomen dat een strijd om te overleven en de waardering voor muziek vaak samengaan. Hoe onzekerder het bestaan in een land, hoe groter de rol die de muziek in het leven van de burger speelt. Ik wilde weten of dat misschien met een behoefte om in de muziek te vluchten te maken kon hebben, maar Del Ferro leek dat niet zo te herkennen.

Als een zwaarder bestaan meer barsten oplevert, dacht ik pas gênant veel later, dan kan er dus meer licht naar binnen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Emotie bouwen

In 2018 bezocht ik een planning-congres in de Amerikaanse stad Buffalo. Dit soort congressen kenmerken zich meestal door vrij saaie presentaties, met slides vol cijfers die laten zien hoe demografische trends van de afgelopen 75 jaar in een specifieke regio zich verhouden tot de locaties van winkelcentra. Of over investeringen van 50.000 dollar in een paar struiken, die zichtbaar is in de stijgende prijzen van vastgoed in achterstandsbuurten.

Maar dit keer stond er meer op het spel. De polarisatie had ook in de planning toegeslagen. In een sessie over ‘emoties en planning’ werd ons opeens gevraagd om onze gevoelens te delen. Een van de organisatoren vertelde dat zij haar colleges sinds kort begon met het gedicht van Ross Gay, ‘A Small Needful Fact’, over de dood van Eric Garner. Ze vond het belangrijk dat studenten stilstonden bij het feit dat Garner had gewerkt voor de plantsoenendienst, en daarmee onderdeel uitmaakte van het ‘geplande groen’ in de stad. Als je er zo naar kijkt, staat er inderdaad veel op het spel in het gedicht: niet alleen de wrange ironie dat Garner, die de lucht schoner maakte met zijn werk, stierf omdat hij letterlijk geen lucht meer kreeg.  Het gedicht doet ook denken aan de bestuurlijke stadsprocessen die verschillen tussen bevolkingsgroepen zoals arm en rijk uitvergroten, en die de politie tegenover de mensen zetten die ze zou moeten beschermen.

Tijdens de sessie moesten we onze schoenen uitdoen, in een kring gaan zitten en met aandacht naar elkaar luisteren. Er was geen hiërarchie, geen podium, geen PowerPoint, alleen de tijd opereerde als moderator: anderhalf uur later begonnen de volgende sessies.

In deze ‘safe zone’ vertelde een van de deelnemers hoe de inspraakavonden in zijn stad verliepen. Als er een plan op de agenda stond wat de rechtse, anti-overheid-bewoners niet beviel, dan reden zij met vrachtwagens rondjes om het gemeentehuis. De zware brandstofdampen maakten het bijna onmogelijk voor de mensen in het gebouw om zich nog op de bijeenkomst te concentreren. Soms lieten de protesteerders de vrachtwagens staan en liepen ze de bijeenkomst binnen met revolvers aan hun riem, die ze bij binnenkomst voor zich op tafel te legden. Geef dan nog maar eens je mening over de aanleg van meer groen, of over een verandering van parkeerbeleid.

De bijeenkomst maakte veel indruk op me. Vooral omdat ze iets blootlegde wat hier vaak vergeten wordt, of beter gezegd, irrelevant wordt gevonden: planning is emotie. Ruimtelijke veranderingen raken mensen vaak veel dieper dan je denkt. Boeren huilen om verdwijnende landbouwgrond, volkstuinders huilen als hun complex plaatsmaakt voor een woonwijk, wijkbewoners huilen als de sfeer in hun wijk verandert door nieuwbouw of stijgende prijzen, winkeliers huilen om leegstand in hun straten.

‘Huilie huilie, NIMBY NIMBY’ is hier vaak de reactie op. Planners, politici en ontwikkelaars verschuilen zich achter woorden als ‘noodzaak’ of ‘beleidskeuzes’ en vergeten dat ook voor hen planning vaak emotie betekent. Wethouders willen hun erfenis veiligstellen door woningen te realiseren. Ontwikkelaars dromen van grote gebouwen, architecten van ontwerpen die steden veranderen. Trots en faalangst horen bij stedenbouw.

Toch kom je die woorden niet tegen als je de plannen leest van de grote coalitie van 34 bouworganisaties die beweert dat er binnen tien jaar één miljoen woningen kunnen worden gerealiseerd. Overheid: neem de juridische belemmeringen weg, investeer, werk een beetje mee, en dan kan het. Het antwoord in de plannen van de bouwcoalitie op de emoties van de omgeving: over tien jaar is iedereen blij dat de woningen er staan – mensen moeten een huis hebben.

Die plannen roepen dus al meteen weerstand op, nog voor er ook maar één bouwvergunning is aangevraagd. Een miljoen woningen realiseren binnen tien jaar kan alleen door de wijken in te duiken, naar mensen te luisteren, visies en gevoelens uit te wisselen. Je moet je schoenen uitdoen, in een kring gaan zitten, luisteren naar de emoties die de plannen oproepen en er je eigen emoties tegenover stellen.

Is dat een beetje naïef? Ja, waarschijnlijk wel. Het is moeilijk om je de voorzitter van bouwend Nederland, Maxime Verhagen, voor te stellen op een comfortabel zitkussen in een gezellige kring.

Het zou wel minder tijd kosten dan alle rechtszaken en protesten die ons met deze plannen te wachten staan.

Menno van der Veen

Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten.

Sommige dingen veranderen nooit

Er was een tijd waarin je door de stad slenterde, er vanuit een café gezelligheid klonk en je spontaan besloot binnen te gaan – een tijd waarin dat gewoon kon. Geen anderhalve meter, geen vragenlijsten over verkoudheidsklachten, geen zorgen over met wie je was en bij wie je aanschoof. De laatste tijd denk ik steeds vaker: was dit het dan, een virus dat even onze realiteit overhoop hoestte en wij, die achterbleven met de stukgewassen handen in het haar? Wie het weet mag het niet zeggen – de wens is de vader van de gedachte.  

Laatst slenterde ik, sinds lange tijd, weer eens door mijn stad. De straten verzuchtten leegte en een bruisende ongeduldigheid. Na een omweg kwam ik in de straat van mijn stamcafé, Van Zanten. Waar voorheen altijd muziek en dronkenmanspraat klonk in de straat, was het nu bijna stil. Een grote vrachtwagen loste meubels tegenover het café, waarschijnlijk van een nieuwe bewoonster van het studentenhuis. Achter de vrachtwagen zou normaal een lange file zijn ontstaan, maar dat was vandaag niet het geval, integendeel. Eén behendige en onbevreesde fietser scheurde langszij, maar dat was alles. Twee kleerkasten van verhuizers sjouwden geroutineerd de meubeltjes naar binnen en een meisje met een plantenbak, met daarin wijlen een plant, volgde.  

Ruim een jaar geleden was er in deze straat wel een bescheiden file ontstaan: ik was met mijn dronkenmansbenen overgestoken en bijna gelanceerd door een uitgerangeerde Citroën, die een noodstop moest maken. Achter de wagen had zich snel een kleine opstopping gevormd van drie automobilisten die kennelijk nog ergens moesten zijn tegen middernacht. Iedereen moet ergens zijn, zoals Tjitske Jansen schreef, maar deze automobilisten vonden duidelijk dat zij nog méér ergens moesten zijn dan anderen, want ze claxonneerden alsof hun leven er vanaf hing.

In het snelle, vluchtige verleden had ik vaak het verlangen om even nergens te zijn: altijd waren we maar ergens haastig naar op weg, nooit naar nergens, zoals Klaas Delrue van de Vlaamse band Yevgueni zong. De laatste tijd heb ik steeds vaker het gevoel dat ik nergens ben – mijn huis, waar ik inmiddels iedere vierkante centimeter van het behang ken, is nergens geworden, een vacuüm van niets. Ik heb heimwee naar de haast, de chaos en de stress die ik vroeger zo graag wilde missen.

Na mijn bijna-doodervaring, waar ik overigens weinig van had meegekregen, stak een oude, kalende man zijn hoofd, dat sprekend op een bowlingbal leek, uit het raampje en toonde mij zijn bijzonder korte middelvinger. Ik verontschuldigde me met mijn eigen, nog kleinere middelvinger en zette in een allesbehalve rechte lijn mijn zoektocht naar mijn fiets weer voort. Het liep – los van mijn trouwe hoopje schroot op uitgerold rubber, dat ik nooit meer heb teruggevonden – goed af.

De ramen waardoor je vroeger mensen van de meest uiteenlopende pluimage zag discussiëren, en bovenal drinken, zijn omgetoverd tot prachtige kijkdozen. Voor de ingang van het café is een hokje geplaatst, dat me doet denken aan het hokje dat altijd voor de ingang van een circus stond en waar ik als kind gespannen mijn kaartje liet knippen. In plaats van anderhalf uur acrobaten, clowns en trapezeartiesten, geeft dit hokje toegang tot eten en drinken dat je af kan halen. De altijd charmante barman zingt een lied op gitaar, maakt een praatje en geeft de bestelling door.

De veerkracht, het enthousiasme en de innovatie van het cafépersoneel is bewonderenswaardig, maar toch klopt er voor mij iets niet. Ik mis het gedempte licht, de muren die bruin waren gekleurd van een ver, rokend verleden en de mensen die als levend behang bij het interieur waren gaan horen. Het café was een wereld apart, een veilige haven, een tweede thuis en ik zou niet meer weten hoe ik daar zou moeten geraken, laat staan hoe ik weer thuis zou moeten komen – en ik had niet eens gedronken. Het micro-universum dat Van Zanten heet is even nergens, opgeslokt door hetzelfde vacuüm van niets dat ook mijn huis al te grazen nam.   

Stiekem hoopte ik dat er nog een tweede werkelijkheid naast de huidige was en dat ik, net zoals in Harry Potter, maar hard genoeg tegen een muur hoefde aan te lopen en dat de ‘ergensheid’, die nu eigenlijk nergens is, me dan zou insluiten. Dat ik dan in een vol café zou staan tussen echte mensen, die niet uit pixels en haperende microfoons bestonden. De kans op een bloedneus, een hersenschudding en een krantenkop (‘Verwarde man raakt bewusteloos na kopstoot aan blinde muur’) leek me groter dan een kans van slagen, dus besloot ik alleen maar wat weemoedig te staren naar de gevel van het café. Ik stond midden op de weg en dacht aan alle mooie momenten die zich hadden afgespeeld in en rondom die ruimte – dat waren er veel, en waarschijnlijk heb ik de helft niet eens onthouden.

Na een tijdje schrok ik wakker van een schelle, agressieve claxon. Een oude, kalende man in een uitgerangeerde Citroën – of het dezelfde man was, weet ik niet, maar het kan bijna niet anders – hing uit het zijraampje en toonde mij zijn middelvinger, die nu wat meer op een dik, klein worstje leek. Het bleek dat ik nog steeds midden op de weg stond. Er had zich zelfs een kleine file van Thuisbezorgd-scooters achter hem gevormd.

Ik lachte vriendelijk, bijna dankbaar terug en knikte. Met een souplesse die ik alleen heb als ik nuchter ben sprong ik op het trottoir en stak ik mijn hand op naar de vijftigplusser in zijn uitstootmonster. Mijn pacifistische reactie leek hem niet te deren, want hij reed in een rotgang langs me heen, zijn braadworstvinger fier tentoonstellend uit het raampje. Zo verdween hij uit het straatbeeld.

Sommige dingen veranderen nooit, dacht ik. En daar klamp ik me maar aan vast.

Foto: Kafé Van Zanten.

Twan Vet

Twan Vet (1998) publiceerde eerder gedichten op o.a. Tijdschrift Ei en Ooteoote. Dit jaar is hij Ambassadeur van de Vrijheid van het Bevrijdingsfestival Utrecht.

Driemaal dood op de Dam

Op een winderige dag stond ik op de Dam met een groot achtkantig bord. Daar stond op: ‘Zolang er systemisch racisme is, staat hier iemand’. Er liep winkelend publiek voorbij – het was juni 2020, toen moest de ‘tweede golf’ nog komen.

Ik stond daar om mij uit te spreken, om de strijd tegen racisme te steunen. Daar ging nog heel wat twijfel aan vooraf. Welke openbare ruimte zoek ik voor mijn steunbetuiging? Ik twijfelde vooral ook over het internet. Luisteren we in de online meningenmachine wel echt naar elkaar? Is de discussie daar niet regelmatig veel te verhit? Ik stuitte op het initiatief #zolanghetnodigis. En dus stond ik met dat bord op de Dam.

Een stel liep langs en stak de duim op. Een vader duwde zijn kortgeschoren zoontje tegen zich aan, alsof ik met dat bord een mep zou uitdelen. Nee hoor, ik stond even stil als het levende standbeeld van de Dood een eindje verderop. Uit zijn mond hing een gigantische joint. Aan de overkant was inmiddels een Palestijnse éénpersoons-demonstratie gestart, gadegeslagen door een man met een Israëlische vlag. De politie arriveerde, evenals een tweede Magere Hein. Verdienen levende standbeelden eigenlijk nog wel wat tijdens een wereldwijde pandemie?

Een man koerste dwars over het plein op mij af. Of ik hem kon uitleggen wat ik met ‘systemisch’ bedoelde. Ik wilde zeggen dat het wat mij betreft gaat over systematische discriminatie vanuit instanties, maar ook over gedragspatronen van mensen in het algemeen, maar de man was al begonnen aan een lang betoog. De kern was dat er op mijn bord ‘endemisch’ had moeten staan. Ik vroeg me hardop af of we de kwestie wel moeten terugbrengen tot een semantisch vraagstuk. Hij riep dat ik closed-minded was en beende weg.

De man met vlag kwam op me af en zei dat hij beter wist dan wie dan ook wat racisme is. En dat we vandaag de dag alles maar op een grote hoop gooien. Ik vroeg hem wat hij daarmee bedoelde; hij antwoordde niet en hernam met wapperende vlag zijn ronde. Een stel met kinderzitjes achter op de fiets stopte met piepende remmen voor mijn neus.

Ik was voorbereid op ongemakkelijke gesprekken, maar niet op deze woede. Het stel schreeuwde mij in het gezicht dat ik een cultuurmarxist was die blanke boeren in Zuid-Afrika aan de boom wilde opknopen. Ik zei dat ik in elk geval anderhalve meter afstand wilde houden. Op luide toon werd mij verweten lid te zijn van de racismegestapo die alles dwangmatig met bruine verf wil overgieten en zelfs koffiedrinken slavernij noemt. Deze twee mensen kwamen niet voor een dialoog.

Aan de overkant werd de man met de vlag weggestuurd door de agenten, en een derde Dood betrad het strijdtoneel. Gemoedelijk knoopte hij een praatje aan met zijn confrères. De man met het kinderzitje op zijn fiets schreeuwde dat de tractorboeren mij, als feministenhoer, maar eens moesten trakteren op een bezoekje. Dan zou ik wel anders piepen. Of helemaal niet meer. Nog beter.

Werd mij hier nu serieus de dood aangezegd? Mijn twijfel en verwarring namen in dat uur op de Dam alleen maar toe. Waarom liepen de emoties zo hoog op? Waarom waren deze mensen zo boos terwijl ze tegelijkertijd leken te ontkennen dat racisme bestaat? Niet alleen online, maar ook in het echt hebben we blijkbaar grote moeite te luisteren naar andere meningen. Hoe voeren we een gesprek over racisme? Ondertussen staat er nog steeds iemand met dit bord op de Dam.

(De foto toont de Engelstalige versie van het protestbord: op de andere kant staat de tekst in het Nederlands. Toen de derde Dood zich aandiende was de sfeer helaas niet meer zo geschikt om nog een foto te nemen.)

Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

Revolusi – Een belangrijk boek

In 1999 heb ik een nacht op een boot doorgebracht die de ‘binnenzee’ van Sulawesi in Indonesië overstak. Ik denk dat de boot van Gorontalo naar Poso voer. Ik had een leuk gesprek met een heel oude man, Alex, die er blijkbaar plezier in had om met een jonge onwetende gozer Nederlands te spreken. Een heel mooi Nederlands vol ‘vermitsen’, ‘mitsgaders’, ‘edochs’ etc. De man zal toen eind tachtig, begin negentig zijn geweest.

In Indonesië heb ik me, de paar keer dat ik er rondgereisd heb, intens thuis gevoeld. Ik heb geen familiale geschiedenis daar maar las altijd graag alles wat los en vast zat over dat land en haar geschiedenis. Nu heb ik Revolusi van David van Reybrouck gelezen en voel ik een lichte afkeer jegens mijn opleiding: dat ik nooit heb geweten wat ik had moeten weten om met die meneer een fatsoenlijk gesprek te voeren. Waarom ben ik in godsnaam een halve specialist geworden in de Hollandse Opstand, het Humanisme, de 17e eeuw, de ‘moedige’ Nederlanders in verzet in de Tweede Wereldoorlog, alleen op mijn middelbare school al… maar ken ik pas heel recent de naam Sjahrir, weet ik maar sinds kort wat er precies gebeurde tussen pakweg 1930 en 1949 in Indonesië?

Ik begon Van Reybroucks boek met zekere reserve, die ik kort samenvat als een angst voor mooischrijverij. En inderdaad: in de uiterste marges van het boek — de eerste en de laatste vijf bladzijden — is het naar mijn smaak iets te mooi. Maar laat ik mij haasten te melden dat die reserve volstrekt verdampte in de overige 98% van het boek. Het is een wonder van gedegen onderzoek. Eindeloos veel gesprekken met oude mannen en vrouwen in verpleeghuizen — in Velzen, in Tokio, op de Molukken, op Java.

Als uitgever vraag ik me af hoe je een dergelijk project hebt kunnen financieren! Dus ik buig heel diep voor Van Reybrouck en voor De Bezige Bij. Ik vind dat we verplicht zijn, aan wat er over is van onze eer, het boek een groter succes te maken dan Congo.

Van Reybrouck heeft zijn geweldige onderzoek ook geweldig neergeschreven. Een paar narratieve trucjes zijn interessant. Je verdwaalt nooit in de getuigenissen, omdat Van Reybrouck bij de eerste verschijning van een getuige hem of haar aan iets koppelt wat we kunnen onthouden, zoals ‘de man die met zijn Japanse buurman had gezwommen’. En steeds wanneer we die getuige weer aan het woord horen herhaalt hij die kleine herinneringseigenschap. Zo weten we van die tientallen getuigen, die tientallen malen aangehaald worden, toch steeds wie wie is. Dat is knap gedaan.

In het begin van het boek vergelijkt Van Reybrouck de standenmaatschapij in Nederlands-Indië met een passagiersschip, waar je eerste, tweede of derde deck bent. Hij blijft hier naar verwijzen door het boek heen, en het werkt heel goed.

Het zijn maar twee technische zaken in een verhaal, over onze geschiedenis, dat zijn weerga niet kent, dat ieder van ons decennia eerder had moeten weten. Maar dat we nu tenminste kunnen weten. Wij zijn thuis een driegenerationele leesclub gestart over het boek. Zo’n boek is het.

Een diepe buiging dus, voor Van Reybrouck en De Bezige Bij!

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Zuurzak

In de centrale markthal aan de oever van de Surinamerivier in Paramaribo stond één enkele dame die zuurzakken verkocht. Er is niet veel grootschalige landbouw in Suriname. De meeste verkopers voeren zelfverbouwde groenten en fruit van wat men kostgrondjes noemt. Een soort volkstuinen.

De zuurzak, ook wel bekend onder de naam guanabana, is een fenomenale vrucht. Donkergroen en nogal vijandig ogend, is het een van de dingen die mijn dag een paar tandjes verder de lucht in kunnen tillen, en tijdens mijn dagelijkse ritje naar de markt fantaseerde ik altijd al over wat er voor exemplaren zouden liggen.

Het uitzoeken van een goede zuurzak is een taak voor kenners. In het begin moet je blind varen op het advies van een vertrouwde verkoper – die krengen zijn hartstikke duur – en pas na een heleboel aanschaffen begin je zelf gevoel te krijgen voor wat nou een fantastische vrucht gaat zijn.

Ze zijn altijd groen, en bij de betere kramen mag je ze niet aanraken. Een zuurzak is alleen maar lekker als hij perfect gerijpt is, en dat rijpen begint pas na de pluk. Hoe je de vrucht behandelt terwijl een proces van nobele rotting een zuur en droog vruchtvlees langzaam omzet in iets hemels is van het grootste belang. Idealiter raak je ze niet aan en vervoer je ze niet. De minste buts of beschadiging kan zorgen voor een verschrikkelijk grijszwart soort rotting, die voor de liefhebber die dagenlang geduldig heeft gewacht op het perfecte moment het best te vergelijken is met een klap in het gezicht van een ijskoude, natte en eeltige bouwvakkershand.

Sinds ik lesgeef in de Pijp – waarover later zeker meer – maak ik op de terugweg naar huis altijd een slinger over de Cuyp, die verschrikkelijk veranderd is sinds ik er woonde, maar waar je goddank nog steeds ideale vis kunt vinden, en zo nu en dan een exotische schat. Deze week kocht ik oker bij de overmatig gedienstige man in het souterrain, en liet mijn oog vallen op een bordje dat zuurzakken adverteerde.

‘U heeft zuurzak?’ zei ik, opeens zes jaar oud en jarig.

‘Baas, ik heb zeker zuurzak voor u. Absoluut.’

Het ongemak dat me bekruipt wanneer een nazaat van een door mijn land uitgebuite me zo aanspreekt is als een mes tegen mijn keel: ik kan niet meer normaal bewegen. Mijn kindse geluk en de opgedrongen gêne vertroebelden mijn blik. Lang verhaal kort is dat ik een vrucht van vierentwintig euro kocht. Een schijntje, als je in koloniale restitutie denkt.

Thuis begon de onrust. Zou ik hem nog even laten liggen? Maar wat als Ada erin porde? Als Nadim er met zijn klamme tengels in kneep? Na het eten, na de afwas, na het uitlaten van de hond, besefte ik dat er geen rust zou zijn voordat de vrucht was doorgesneden, leeggehaald met een lepel en geportioneerd voor in de vriezer. Hoewel van invriezen nooit iets komt, dacht ik terwijl ik het juiste mes uitzocht, de zoete snijplank afspoelde.

Ik legde een vochtige doek op de werkbank, drukte de plank erop. Ik bevoelde het scherp van mijn mes en rilde een beetje, zoals dat hoort bij echt scherpe messen. Ik legde het mes terzijde en reikte met twee handen naar de vrucht, die sinds mijn thuiskomst op een bedje van bubbelplastic had gechambreerd.

Heer, sta me bij, ging het in mijn hoofd terwijl ik het lemmet op de groene huid zette. Ik rook de waterkant, hoorde de kooplui roepen in het sranangtongo. Zag de visvrouwen die hele baarzen schoonmaakten met hun bijltjes. Pezig, serieel werk: van een beest van acht kilo naar een hoopje trapoen met een prijsbordje ervoor in minder dan twee minuten.

Maar goed. Rot als een broodje gier, die zuurzak. Deze baas gaat morgen verhaal halen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Stijl en stem

Soms is een enkele bladzijde genoeg om je een glasheldere indruk van een tot dan toe onbekende schrijver te geven. Een dergelijke schokkende kennismaking is een bijzonder, maar zeldzaam genoegen, waar je als lezer op teert of naar kunt verlangen. Op zo’n moment raak je weer doordrongen van het unieke vermogen van literatuur om twee vreemde individuen met elkaar in contact te brengen.

Ik denk daarbij zelf aan de gevleugelde woorden van Lodewijk van Deyssel (1864-1952) uit Over literatuur (1886), die gerust genderneutraal gelezen mogen worden:

‘Ik houd van het proza, dat als een man op mij toekomt, met schitterende oogen, met een luide stem, ademend, en met groote gebaren van handen. Ik wil den schrijver er in zien lachen en schreyen, hooren fluisteren en roepen, voelen zuchten en hijgen. Ik wil, dat zijn taal als een tastbaar en klinkend organisme voor mij opdoeme, ik wil dat, als ik hem lees op mijn kamer, hij mij, uit zijn voor mijn oog bevende letters, een geest doe gewaarworden, die mij nadert en van zijn blad zijden uit in mij op schijnt te varen.’

Een vergelijkbare ervaring had ik toen ik voor het eerst een verhaal van Sofie Lakmaker (1994) las. In 2018 kreeg ik als recensent toevallig de eerste Sampler van Das Mag in handen, waar haar debuut in stond. Ik was meteen getroffen door de aparte toon, de rauwe, persoonlijke inhoud en de wilde bravoure die van de vertelling afspatte. Dat heb ik maar zo direct mogelijk geprobeerd op te schrijven, en via die lofbetuiging raakten we aan de praat. Zo kwam het dat Sofie de afgelopen twaalf maanden tweemaal verhalen instuurde voor Tirade (te vinden in nummer 479 en 483), en dat ik het manuscript las van wat haar debuutroman zou worden: De geschiedenis van mijn seksualiteit (2021).

Het boek verscheen in februari, en dat zal veel lezers niet ontgaan zijn. De roman kreeg een paar lyrische besprekingen, de schrijver schoof aan bij een paar tv-programma’s, de Duitse vertaalrechten zijn al verkocht. Steeds werd – terecht – onderstreept hoe belangrijk en actueel het verhaal is. De geschiedenis van mijn seksualiteit gaat over Sofie Lakmaker, een jonge vrouw die niet goed weet hoevéél vrouw ze wil zijn, en die zich na een twijfelachtige periode van heteroseksualiteit op rommelige, vaak aandoenlijke wijze wereldwijs maakt in de wereld van lesbische seks en liefde.

De psychologische grondlaag van het boek raakt in dergelijke samenvattingen snel buiten beeld. Sofie Lakmaker schrijft namelijk ook om zichzelf te leren kennen en vorm te geven. De worstelingen met seksualiteit, en vooral intimiteit, hangen samen met de kwetsbaarheid van haar persoon. Ze komt naar voren als iemand die simultaan snakt naar erkenning en geteisterd wordt door de veroordelende blikken van anderen, en daarom voortdurend zelfbewust en gespannen is. Daarnaast wordt het verhaal getekend door familietrauma’s en rouw: ze beschrijft bijvoorbeeld hartverscheurend hoe haar moeder, wier Joodse vader blijkbaar in of na de Tweede Wereldoorlog zelfmoord beging, na jarenlange ziekte sterft aan kanker.

Ik wil het in het bijzonder hebben over de persoonlijke stem van de schrijver. Toon, stem, karakter – in literatuur moet het allemaal voortkomen uit de taal, waardoor het altijd het product van stijl is. Voor een recensent is het meestal verrekt lastig om te benoemen hoe dat in zijn werk gaat, waardoor het vaak achterwege blijft, maar als klein eerbetoon aan de stilist die Sofie Lakmaker ook is, wil ik hier toch een poging wagen.

De toon van De geschiedenis van mijn seksualiteit is conversationeel, alsof de schrijver direct tegen je aan zit te praten. Dat komt volgens mij door het veelvuldig gebruik van de directe aanspreekvorm, ook wel de apostrof. Het boek wemelt van zinsneden als ‘Weet je wat het is?’, ‘Geloof mij maar’, ‘hè?’ en ‘snap je?’, waarmee de aandacht op het vertellen zelf wordt gevestigd. De schrijver zakt niet weg in haar verhaal, maar blijft erboven hangen om nadruk te leggen en te sturen.

Dit gebeurt op vergelijkbare wijze in The Catcher in the Rye (1951) van J.D. Salinger (1919-2010), waar Lakmaker mogelijk de mosterd vandaan heeft gehaald. Ze noemt het boek immers meermaals, evenals Blauwe maandagen (1994) van Arnon Grunberg (1971). Grunbergs onderkoelde, aforistische stijl heeft ze echter bepaald niet overgenomen. In De geschiedenis van mijn seksualiteit is er eerder sprake van een talig teveel, van zinnen die almaar over elkaar heen blijven buitelen.

Een belangrijk stijlkenmerk van Sofie Lakmaker is haar ritmische interpunctie. Waar de dubbele punt over het algemeen gebruikt wordt om een toelichting of een citaat in te luiden, wordt het teken hier vaak aangewend om zinnen op te breken en pauzes in te lassen. En hoewel de ronduit anarchistische benadering van leestekens en lettertypes uit het Sampler-verhaal hier enigszins lijkt te zijn ingedamd, worden streepjes, punten, komma’s en cursiveringen ook hier geheel vrijzinnig ingezet om de innerlijke stem van de schrijver zo nauwkeurig mogelijk na te bootsen:

‘En er komt een dag dat ze je inhalen: die spiegels. Ze halen je onvermijdelijk in, en dan zie je wat je eigenlijk bent: net iets te blond, net iets te dun, net iets te fragiel. En ik beloof het je – er is maar één ding dat je op zo’n moment tegen jezelf kunt zeggen en dat is: ‘It’s not your fault, it’s not your fault, it’s not your fault.’ Want het ís jouw schuld niet, maar van al die mensen die het nooit hardop zo hebben gezegd maar wel langzaam maar zeker door je strot hebben geduwd.’

Ritme is de stuwende kracht van dit proza: zoals de humor steunt op uitstekend geplaatste punchlines, zo worden de meest emotionele momenten geïntensiveerd door herhalingen, accenten en onverwachte wendingen:

‘Ik heb bijzonder weinig wijsheden voor jullie in petto, enkel deze: dat dat het ergste is. Niet de dood, die is er niet, er bestaat alleen leven. Het ergste is de eenzaamheid, dat is ook altijd het ergste geweest en er zal nooit iets ergers komen.’

Of dit het resultaat is van noeste oefening of natuurtalent maakt uiteindelijk niet zoveel uit. Het resultaat is een eigenzinnig, oorspronkelijk en energiek relaas, dat middels de taal een levend mens laat zien. Salinger, Grunberg, Wolkers (voeg maar toe: Reve, Meulenbelt, Lanoye, Mizee) – al die vergelijkingen gaan uiteindelijk mank: in dit boek, dat alle lof en aandacht verdient, is het in de eerste en de laatste plaats Sofie Lakmaker die zichzelf toont.

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

De poëzie op straat (Over Florence Tonk)

Poëzie vind je op straat. In slechte wijken sowieso, in goede wijken zit er een kaftje en een kastje omheen.

Dwalend door de stad kijk ik naar gevels, afval, mensenfronzen, dichte gordijnen en krokussen. Niets kan mij tot stilstand brengen, behalve dan de minibieb. Steeds weer moet ik mijn snuit in de bont geverfde kastjes steken.

Hier, aan deze kant van het water, staan ze niet. In deze wijk wordt weinig gelezen. Als je al naar binnen kunt kijken zie je enorme beeldschermen en porseleinen poezen, of gouden tijgers, klaar om te springen. Soms een obscene laaf, verkleurd. Walgelijk bloot in vaalroze op de vensterbank.

Nooit boeken.

Daar, aan de andere kant van het water, vind je ze. De eerste bij de brug is een overgangsminibieb, en bevat verbrokkelde DVD-hoesjes en schimmelige Bijbels in vreemde talen. Dieper in het woud van de Baboe-bakfietsen, bamboescheuten en plantenbakken begint het echte goudzoeken.

Hongerig schuif ik dan de kastdeurtjes open en vindt bloemlezingen, losse nummers van letterkundige tijdschriften, een oude Tirade of een dichtbundel. Vandaag stond daar een afgedankte Anders komen de wolven, van Florence Tonk. ‘Aards. Gegrond. Echt,’ las ik op de achterflap, dus dat leek me wel wat.

Aan de waterkant snuffelde ik aan de gegronde poëzie. In ‘Trooststad’ staat gedicht:

[…] En alle zestien wegen
naar het hart
van dumpzaken, tabak
bedrukte zwarte mensen
afzien in de slagregen
donker van de bomen
overal.

Deze minibieb had iets magisch. Het leek alsof die aanreikte wat op dat moment nodig was, net als de knapzak van Douwe Dabbert. De minibieb geeft precies de woorden en zinnen die resoneren met de omgeving, het moment van de dag, de seizoenen, de melancholie van een zondagmiddag in maart.

In het gras op de grens van twee wijken viel mijn oog op het gedicht ‘Arm en rijk’. Over het hondenpoepveldje bij de waterkant klonk een stem, van Florence Tonk allicht – of nu ja, misschien verbeeldde ik het me maar:

Ik ben een vrouw zonder armen geweest
Met fietstassen en een zeven voor spelling
Jij hebt een moeder die leest, een vader
Die op tijd is met de belastingpapieren

Ik ben een vrouw zonder armen geweest
Een pyromane met een voorkeur voor schepen
Verjaagd door het kleine, gedreven door wraak
Met ooms die vechten en garen
Door hun handen kunnen naaien

Jij leert skiën, beweegt je op feestjes
Woont samen, krijgt kinderen met korte namen
Jullie bellen elkaar, boeken bungalows
Om in samen te zijn op jubilea en verjaardagen

Ik ben een vrouw zonder armen geweest
Die zich koest houdt, anders komen de wolven
Ik ben een vrouw
Die haar boodschappen kan dragen.

Prachtig. In deze gesegregeerde stad bevond ik me in een Drosteplaatje. ‘Jij hebt een moeder die leest, een vader / die op tijd is met de belastingpapieren.’ De woorden van Tonks gedichten in de bundel uit de kleurige minibieb in de goede wijk vertellen zwart-op-wit over wat poëzie betekent in de slechte wijk, aan de andere kant van het water, daar waar de minibieb exotisch is.

Ik adopteerde het verweesde bundeltje, en het las me de weg naar mijn boekenkast.

Roedel: Een alternatieve geschiedenis van Joegoslavië is vandaag verschenen bij Uitgeverij Van Oorschot.

Guido van Hengel

Guido van Hengel is historicus en schrijver van non-fictie. Hij schreef De zieners (2018) en De dagen van Gavrilo Princip (2014).

Installatiekunst

Toen Nadim klein was, schikte hij graag dingen. Hij ordende zijn plastic beesten in rijtjes op de rand van het bad, in de vensterbank, op het kleed. Het kon lang duren voor hij tevreden was over zijn opstelling. Wie zo’n giraf of zebra ongevraagd verplaatste kreeg stront. Mijn broer voorspelde hem een toekomst als archivaris, en ik weet nog dat ik even schrok voordat ik lachte. Niet nóg een in mijn lijn, dacht ik, met een beroep dat gedurende zijn leven uit de tijd raakt.

Als er één moderne kunstvorm is die de Baudet in me bovenhaalt, dan is dat installatiekunst. En ja, misschien heb ik de goede voorbeelden ervan niet allemaal gezien, maar dat geldt vast ook voor Baudet.

Ik herinner me een expositie in Kopenhagen, waar de vloer van een klaslokaalachtige ruimte bestrooid was met groene piepschuimbollen, en geschakelde kleerhangers als guirlandes waren opgehangen. Uit een goudgespoten luidspreker in het irritant niet-exacte midden van het lokaal lekte platenspelerruis. Ik had geen idee waarom ik van die installatie zo ontzettend kwaad werd, de vriendin met wie ik op de expositie was vond het allemaal fantastisch.

Mijn Ada schikt graag dingen in de ruimte. Ze gebruikt hiervoor speelgoed, maar ook haardhout, mijn werkaantekeningen, B’s huissleutels en liefst ongekookte eieren; theedoeken lijken een centraal thema, in het bijzonder die schone geurige die op nette stapels in het kastje onder het aanrecht horen te liggen. Groot verschil met het vroege werk van haar broer is dat Aad zichzelf in haar installaties betrekt. The artist is present.

Wie kinderen of dieren heeft kent het aanspringen van de innerlijke radar, kleine signalen vanachter de bank die steeds meer je aandacht trekken. Of erger: een verdachte vorm van stilte, als het silhouet van een witte haai die opkomt onder lieflijk kabbelende golfjes. Je deadline dwingt je om nog één keer die laatste zinnen na te gaan, er maar op hopend dat je straks op tijd zult zijn om te voorkomen dat oma’s zijden kussentjes belegd worden met pindakaas.

Precies zo’n stilte trok mijn aandacht gisteren, bij het afronden van een stuk voor Het Parool. Het klokje bovenaan mijn scherm zei dat het 08:56 was. Ik verbeterde een zin en wilde alles voor verzending nalezen. Daar was tijd voor, mits ik niet ging kijken naar de witte haai achter de bank.

‘Aad?’ riep ik vanachter mijn bureau. ‘Ada?’

Niets dan helder water, de lichtste bries, de zon die op het snijvlak van de golfjes danste. Ik zuchtte, schoof mijn stoel naar achter en stond op om te gaan kijken.

Gelukzalig lag ze op de blauwe deken, haardblokken en stoelen als warme wallen om haar heen. Naast Ada wachtte een minutieus voorbereide picknick van viltgroenten en houten pizzapunten.

‘Papa,’ zei ze. ‘Ben je nou eindelijk klaar met werken?’

Ik liep terug naar de laptop, verzond mijn bestand en sloot met een rol koekjes aan bij Ada’s picknick. Terwijl ik me een multiplex punt marinara liet voeren, besloot ik dat niet alle installatiekunst zo kut hoefde te zijn.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Modder en gras

Er is denk ik maar één overheidswebsite waar je als burger bij kan wegdromen: die van de Natura 2000-gebieden. Hier vind je een overzicht van alle gebieden die onder de Europese natuurbeschermingswet vallen – ja, dat klinkt saai, maar dat is het niet. Elk terrein heeft een kort, samenvattend stukje beleidstekst van een paar regels waarin ecologen liefdevol hebben samengevat waarom we het moeten koesteren.

In de zomer van 2020, op zoek naar uitstapjes in Nederland, ontdekte ik de Natura 2000-site. De webpagina zelf bleek eigenlijk al goed tijdverdrijf. Scrollen door het register is een leunstoelreis die het toch tamelijk gangbare idee weerlegt dat Nederland geen échte natuur heeft. Na een kwartiertje heb je het idee dat we hier middenin de wildernis wonen – zoveel zure vennen, jeneverbesstruwelen en bronbossen komen er langs.

Nu weet ik weinig van flora en fauna: voor mij roepen de kleurrijke woorden vooral beelden op, een sfeer – hetzelfde effect dat poëzie heeft. Het Oost-Gelderlandse Stelkampsveld, bijvoorbeeld, ‘betreft één van de weinige binnenlandse groeiplaatsen van Grote muggenorchis en Parnassia en één van de weinige landelijke groeiplaatsen van Wolfsklauwmos.’ Of in het Limburgse Leudal: ‘Ten oosten van het klooster liggen veldrusschraallanden. De natte tot vochtige bossen behoren tot het elzenbos, vogelkers-essenbos en haagbeukenbos. Lokaal komen gagelstruwelen en berkenbroekbossen voor.’

Vóór de coronapandemie en de toeslagenaffaire zei Mark Rutte soms dat de stikstofcrisis, waarbij de vergunningsverlening van talloze projecten vastliep omdat deze te veel stikstof uitstootten en de natuur vernielden, de grootste crisis was uit zijn premierstijd. Met de gebiedsbeschrijvingen en natuurbezoekjes van afgelopen jaar in m’n hoofd, en de aanstaande verkiezingen, moet ik er soms weer aan denken. Van deze grote crisis hoor je nog maar weinig. Dat is begrijpelijk, maar ik ben eerder geneigd op basis van dit probleem een stembesluit te maken dan op basis van ideeën over vaccinatiepaspoorten. Hoe moet het land er nu eigenlijk uitzien? De stikstofcrisis dwingt glasheldere keuzes af, zo glashelder zelfs dat het bijna een versimpelde conflictsimulatie in een klaslokaal lijkt. Jij speelt de boer, je klasgenoot is boswachter. Los maar op.

Toen het probleem net was losgebarsten, opperde de VVD het aantal natuurgebieden terug te dringen. Soms probeer ik die gedachtegang te volgen – en als je het hard probeert kun je af en toe een eind komen. Het Aamsveen, een drassig moerasgebied aan de Duitse grens ten zuidoosten van Enschede, wekt bij de argeloze bezoeker nu niet echt het gevoel op een bijzondere plek te zijn. Het hoogveen mag dan extreem waardevol en zeldzaam zijn – je moet het wel weten. De ongeoefende kijker ziet modder en gras. Hier komen gezinnen in het weekend niet per se graag wandelen. Ik ben er de afgelopen maanden twee keer geweest, beide keren met natuurminnende reispartners, die er ook echt niet al te veel aan vonden. Moet zo’n plek dan tot stapels bureaucreatie leiden bij het aanleggen van een nieuwe weg om de hoek?

Ik vind uiteindelijk van wel. Maar waarom dan precies? Tsja, daar kan ik eerlijk gezegd nog altijd niet helemaal de vinger op leggen. Je kunt geijkte argumenten noemen als respect voor andere levensvormen, het idee dat de mens niet de maat der dingen is, het belang van biodiversiteit. Dat zijn legitieme punten en in principe genoeg redenen om de gebieden te beschermen. Maar de emotie zit voor mij, denk ik, in iets heel anders. In iets veel platters, zou je kunnen zeggen, iets minder verhevens: een museumgevoel.

Een natuurterreintje instappen – soms zijn het echt niet meer dan een paar voetbalvelden – geeft mij altijd het idee dat ik terug in de tijd ga. De Dinkeloever laat zien hoe alle beekjes stroomden voordat ze gekanaliseerd werden. De Bruuk toont je hoe het hele dalgebied rondom Groesbeek eruitzag voordat het dorp er verrees. Het Springendal en het Buurserzand zijn Twente voordat de houtwal plaatsmaakte voor het gifgroene turbogras. Op de machtige Veluwe kun je nog voelen hoe het is om op een echt gróót stuk natuur te staan.

Het Aamsveen biedt een inkijkje op hoe het halve oostelijke grensgebied van Nederland er ooit uitzag, voordat de duizenden hectares aan moerassen werden ontgonnen voor turfwinning en landbouwgebruik. Het gebied is nu aangetast door stikstof: beheerders proberen het te restaureren, zoals we dat ook met schilderijen doen. Om te zien wat Nederlanders eeuwenlang zagen; om te zien wat we nu precies naar onze eigen hand hebben gezet.

Het landschap is een levende geschiedenisles, voor wie ervoor openstaat. Van een historicus als Mark Rutte zou je toch hopen dat dat het geval is.

Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Golem

Dit is de volgorde: ik keek naar ‘Klassen’, ik herlas een boek van Bruce Chatwin, ik dacht aan een jongen die jaren geleden bij mij in de klas zat. Aan Mick met zijn spreekbeurten. De eerste die hij hield ging over vrachtwagens. Mick begreep van de schoolse vakken bijna niets, de kinderen liepen over hem heen, ’s nachts plaste hij in zijn bed, maar met de plaatjes van de vrachtwagens had hij succes. Twee weken later hield hij een spreekbeurt over trekkers, daarna over zijn speelgoedautootjes. Hij had er een grote uitstalling van gemaakt en ze een voor een omhoog gehouden. Jongens hadden het een goede spreekbeurt gevonden.

Het zal kort daarna geweest zijn dat we weer in een halve kring zaten. Mick zat aan de open kant achter een tafeltje, waarop hij twee dozen had neergezet. ‘Mijn spreekbeurt gaat over modder,’ zei hij. Nerveus schoof hij zijn bril over zijn neusbrug omhoog. De kinderen keken hem onbewogen aan, een enkeling peilde met een vlugge blik wat ik ervan vond. Ik vond er voorlopig nog niks van en zei: ‘We zijn benieuwd, Mick!’

Mick stak zijn hand in een doos en haalde een kluit te voorschijn. ‘Dit is een stekelbarchje,’ zei hij en hij hield het goed omhoog, zoals ik het hem geleerd had. ‘En dit is een aal.’ Sommigen zeiden dat ze het niet goed konden zien. ‘Ik geef het wel door,’ zei Mick. ‘Dit is ook een stekelbarchje.’ ‘Mooie spreekbeurt!’ riep er een. De aal lag inmiddels in drie brokken op de grond. ‘Hoe kom je hieraan?’ wilde iemand weten. ‘Gewoon,’ zei Mick, ‘uit ons tuin.’ ‘Heb je die dingen gemaakt?’ vroeg een ander. ‘Nee, gewoon zo gevonden,’ zei Mick. Zoals je in wolken schapen en zwanen kunt zien, zo had Mick van alles in de kluiten ontdekt. Hij had het spreekbeurtwaardig gevonden.

Chatwins roman, Utz (1988), draait om een ontmoeting van de schrijver met de verzamelaar van meer dan duizend stuks Meissenporselein. Als hij niet de aandrang voelt om ze te strelen, bewaart baron Kasper Joachim Utz zijn zoete rococobeeldjes thuis, in Praag, in vitrinekasten. Van oudsher bezit porselein grote aantrekkingskracht. De geheimzinnige alchemistische receptuur ervan zou leiden naar de Steen der Wijzen, en daarmee naar het eeuwige leven. Ook het aardewerk zelf werd onvergankelijkheid toegedicht. Dat Utz zich als kwart-jood met zijn verzameling in de jaren veertig uit de klauwen van de Duitse bezetter weet te houden, en daarna uit die van stalinistisch Tsjecho-Slowakije, lijkt die claim te bevestigen.

Niettemin beseft hij dat er uiteindelijk geen redden aan is. Wanneer hij sterft zijn de beeldjes verdwenen: kapotgemaakt of weggegooid – Chatwin komt er niet achter. Utz had hem al voorbereid met een verhaal over rabbi Löw en diens golem, gekneed uit de vette modder van de Vltava-rivier volgens richtlijnen van de kabbala en het Boek der Schepping. Dit robotachtige kleibeeld was een bediende en een figuur die hem beschermen moest tegen gevaarlijke lieden. Toen de rabbi hem, kortgezegd, vergat of verwaarloosde, sloeg de golem de boel zelf kort en klein en restte de rabbi niets anders dan het schepsel te vernietigen. Het geklei met de esoterie van de kabbala en de alchemie blijft, hoe godgelijk ook, mensenhandenwerk en is daardoor, waarschuwt Utz, blasfemisch en tot verbrijzeld-worden gedoemd.

Er zijn sociaal wetenschappers geweest die aan deze golem een psychologisch fenomeen hebben opgehangen, tegenovergesteld aan het Pygmalion-effect. De documentaireserie ‘Klassen’ bracht dit Golem-effect – de relatie tussen lage verwachtingen van leerkrachten en slechte prestaties van leerlingen, onder meer zichtbaar bij onderadvisering – opnieuw voor het voetlicht.

Ik word altijd onzeker als ik over deze effecten lees of hoor. Als meester ben ik ook een mensenkneder. Ik blijf verre van esoterie, maar breekbaar zijn mijn schepsels regelmatig. En als ik ze met mijn mensenbrein dan ook nog vergeet, verwaarloos of niet op waarde schat – of ik nu golems maak of porseleinen Galatea’s, ik ben gewaarschuwd. 

Mick keek in zijn doos of er nog een mooie kluit in zat. Ondertussen vertelde ik dat Mick heel goed had aangetoond op wat voor grondsoort wij hier wonen, want kijk jongens, de kluiten van Mick zijn niet van modder, maar van klei! Ik noemde nog een aantal andere grondsoorten, waar die in Nederland voorkwamen en wat er zoal op groeit, en bedankte Mick voor zijn leerzame spreekbeurt.

Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

Tien

Op een ijzige nacht in februari raakte je te water, en meteen ook kwijt. We vierden je verjaardag zonder je, verzamelden ons, een man of honderd sterk. Ik hield een kleine toespraak en we hieven onze glazen.

Hoewel ik de afgelopen tien jaar vaak aan die toespraak ben herinnerd, weet ik er bijna niets meer van. Het enige wat ik me herinner te hebben gezegd is dat er nu een leegte in ons midden was, en dat de contouren van onze vriend – als we die leegte met zijn allen zo dicht mogelijk omgaven – vanzelf zichtbaar zouden worden.

Jouw omtrek was af te meten aan gedeelde leegte, en mijn contouren vervaagden zonder jou. Ik heb mezelf na je dood heruitgevonden, moest me daartoe afvragen wie ik was zonder jouw blik.

Elkaar is alles wat we hebben, en als er iemand wegvalt – iemand die niet weg mág vallen – dan wordt dat alles kleiner.

Misschien is dat óók ouder worden: dat je alles krimpt tot ook je laatste raakvlak met anderen verdwijnt, en je vormloos achterblijft. Niet langer begrensd en gedefinieerd door het contact met die geliefden, maar ook zonder identiteit.

Deze week mocht ik Het jasje van Luis Martín inspreken als luisterboek. Vijfentwintig jaar na dato las ik over het begin van een vriendschap tussen twee jonge mannen. Over jou en mij.

De eerste bladzijden waren moeilijk – ik maakte fout op fout, moest steeds opnieuw beginnen – maar daarna werd ik toch in ons verhaal gezogen. Ik las over barmannen die nachten sloopten, dagen sliepen, over leven zonder zicht op een eind. Natuurlijk kende ik onze afloop, maar zolang ik las was ik weer Issa en jij Gijs.

We smeten met de tijd alsof we die als fooi gekregen hadden.

Hoe vaak kan ik nog over je schrijven?

Heb je liever dat ik je laat gaan?

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Kleur is een taal (II): De kunde van het verschil

Vertalen is de kunde van het verschil. Taalverschil, tijdsverschil, cultuurverschil, genderverschil, verschillen in kennis en ervaring… Elke vertaler moet zich rekenschap geven van die verschillen en zich ertoe verhouden – om ze glad te strijken of ze aan te zetten, naar believen. Juist de bewuste omgang met verschillen, het lucide besef van de problemen die ermee gepaard kunnen gaan, zijn voorwaarden voor een goede vertaling, en ook, in een bredere context, voor het samenleven in een superdiverse maatschappij. De kunde van het verschil: techniek en ethiek in één.

Een vrouwelijke collega, wier naam ik uit kiesheid verzwijg, trok enigszins smalend mijn vermogen om de Franse schrijfster Annie Ernaux te vertalen in twijfel. Hoe zou een hanig type als ik ooit empathie kunnen opbrengen voor het leven en lijden van die vrouw?

Emancipatie, dat is als je geen genoegen neemt met het jou aangeboren keurslijf, met de voor jou bestemde kooi. Dat is als je je een vrijheid toe-eigent die je voorheen niet had. Precies dat doet Ernaux in De jaren. Ze overschrijdt het intieme en subjectieve, de huis-, tuin- en keukendrama’s waar vrouwelijke auteurs naar verluidt goed in zijn; en waagt zich op superieur ironische toon aan de grote greep van geschiedschrijving en collectief geheugen, wat naar verluidt juist een mannelijk prerogatief is. In één moeite door bewijst ze hoe twijfelachtig zulke categoriseringen zijn.

Ook een mannelijk vertaler kan zijn keurslijf afwerpen, aan zijn kooi ontsnappen en een stem geven aan het intieme en het subjectieve.

Het grootste voordeel van de overlappende identiteit tussen auteur en vertaler is technisch. Een gay vertaler die een gay auteur vertaalt, kent het gay vocabulaire.

Het bolwerk van de literaire vertalerij is van oudsher oorverdovend wit. Emancipatoire gebaren zijn daarbinnen allerminst misplaatst, al komt ook geduld van pas, want de molens van de geschiedenis malen traag. Maar als Hafid Bouazza Baudelaire kan vertalen en Jenny Mijnhijmer Audre Lorde en Richard Wright, dan is er misschien beweging in de goede richting.

Intussen zijn we een unieke kans op een meerstemmige Gormanvertaling misgelopen. Katelijne De Vuyst heeft ‘The Hill We Climb’ al vertaald. Hoe interessant zou het niet zijn geweest als we ook een versie hadden in het steenkolen-Nederlands van Rijneveld, en het spoken word-Nederlands van Babs Gons of Zaïre Krieger?

Rokus Hofstede

Rokus Hofstede (Hengelo, 1959) bracht het grootste deel van zijn leven in België door, woont in Ronse. Vertaalt Franse literatuur, vooral essayistisch proza (Barthes, Bourdieu, Ernaux, Latour, Michon, Perec). Werkt, na De grote angst in de bergen (Van Oorschot, 2019), aan een nieuwe Ramuz-vertaling: Schoonheid op aarde. Ontvangt in 2021 de Nijhoffprijs (zie www.hofhaan.nl).

Met de verkiezingen voor de deur: de online stemwijzer

De naderende verkiezingen maken de online stemwijzer, waarvan er diverse varianten bestaan, opnieuw actueel. Deze is bedoeld voor kiezers die nog niet weten op welke partij ze zouden moeten stemmen.

De wijzer die ik uit nieuwsgierigheid heb geraadpleegd bestaat uit dertig standpunten die zijn overgenomen uit de programma’s van de politieke partijen. Dit keer komen er onder andere vragen in voor over gratis kinderopvang, rekeningrijden, de publieke omroep, vliegbelasting, mondkapjes… Je doorloopt ze alle dertig, waarbij je kiest uit eens, oneens, of geen van beide. Aan het eind word je gevraagd om aan minimaal drie standpunten extra gewicht toe te kennen. Daarna volgt de uitkomst: de partij die het dichtstbij je staat wat betreft de maatschappelijke kwesties van dit moment.

Bijna iedereen kent iemand die na een online stemwijzer te hebben geraadpleegd met verbazing vaststelt: ‘Dat had ik niet verwacht!’, of wordt bekropen door een onbevredigd gevoel, iets van teleurstelling. Het is niet zo verwonderlijk. De politieke arena heeft steeds meer weg van een restaurantwezen met diverse eetgelegenheden die op elkaar lijken, en de partijprogramma’s zien eruit als menukaarten met gerechten die onderling veel overlap vertonen. Wij, de kiezers, zijn onrustige, gejaagde klanten geworden die niet alleen switchen van het ene naar het andere gerecht, maar ook van het ene naar het andere restaurant.

In vroeger tijden selecteerden politieke partijen hun standpunten op basis van een visie op de samenleving. Die visie stoelde vaak op ideologieën. Sociaaldemocratisch, christendemocratisch of liberaal – dat waren de hoofdkeuzes die grofweg door drie partijen werden vertegenwoordigd. Partijprogramma’s hadden een vast menu. Je politieke voorkeur bepaalde niet alleen op welke partij je stemde, het was bovendien stabiel, zo ook je partijkeuze. Tegenwoordig zijn de drie ideologieën versplinterd over minstens tien partijen, om niet te spreken van 27 andere die aan de verkiezingen meedoen. In plaats van de vaste menu’s kwamen er meer partijen, meer programma’s en meer zwevende kiezers die in de ban raakten van een nieuwe, op het individu geschoeide ideologie: het neoliberalisme. Het maakt het er niet overzichtelijker op voor de kiezer die zijn heil bij de stemwijzer zoekt.

Wat we daar nu hopen te vinden is iets wat een vertrouwensband met politici kan helpen opbouwen. Want we maken ons zorgen over het klimaat, de toekomst van onze kinderen, over werkgelegenheid, integratie, migratie. Dit zijn allemaal kwesties waarover we onze mening vormen, hoofdzakelijk op basis van gewaarwordingen en gemoedsgesteldheid, en in mindere mate met ons verstand. Het verstand zegt ons wat de oplossing is, maar niet hoe urgent het probleem is dat we willen oplossen – daar hebben we onze gevoelens voor nodig. De mens zit zo in elkaar dat hij niet handelt zonder een gevoel van urgentie. En we willen zeker weten dat we op inclusieve leiders stemmen wier competentie en integriteit we vertrouwen. Per slot van rekening geven we de partij die we kiezen een mandaat voor vier jaar om namens ons beslissingen te nemen en maatregelen te treffen, om wat er in hun partijprogramma staat waar te maken.

Maar de stemwijzer verschaft ons het vertrouwen niet waarnaar we op zoek zijn, en neemt daarom onze twijfel niet weg. Daar komt de teleurstelling uit voort die sommigen van ons bekruipt. Met de stemwijzer kom je hooguit te weten wat de politieke partijen beloven, maar het vertrouwen dat we zoeken moet op een andere manier tot stand komen. Op een persoonlijkere manier, waarbij direct contact met en empathie voor kiezers een veel belangrijkere rol spelen. Niet alleen worden standpunten uitgewisseld of wensen kenbaar gemaakt, maar er wordt dan ook stilgestaan bij de zorgen en gevoelens van kiezers. In plaats daarvan geven politici voorkeur aan indirect contact: ze verschuilen zich achter hun partijprogramma’s of complottheorieën, en houden de afstand met de burgers groot of voeden hun onbehagen. Wie weet, wellicht kampen zij met hetzelfde probleem – dat van gebrek aan vertrouwen?

Maar ook ons, de burgers, de kiezers, treft blaam. In de eerste plaats moeten wij stoppen de mythe in stand te houden dat wij onze beslissingen nemen op rationele gronden, dat wil zeggen door voor- en nadelen tegen elkaar af te wegen. Wij beslissen op gevoel en zoeken achteraf naar rechtvaardiging of een motivering. Zolang we dit feit niet accepteren of onze gevoelens niet beter kunnen verwoorden blijft de vertrouwensband tussen politici en de burgers problematisch.

In de tweede plaats moeten we van het idee afkomen dat we ons hebben uitgesproken als we onze stem hebben uitgebracht. Wij zijn niet alleen kiezer, maar vervullen ook diverse rollen (werknemer, werkgever, moeder, vader en beoefenaars van talrijke beroepen) en maken deel uit van verschillende netwerken die elkaar overlappen. Wij zouden deze netwerken actiever kunnen benutten om uiting te geven aan onze gevoelens – niet aan onze meningen! Dan zou het eens kunnen blijken dat we dezelfde zorgen delen en dezelfde behoeften hebben die partijstandpunten overstijgen. Zo kunnen we politici laten zien waar het op staat en ze aansporen om ons vertrouwen te winnen.

Wat moet de kiezer doen die toch zijn heil zoekt bij de stemwijzer? Hij kan het best even terugkijken hoe hij bij de laatste verkiezingen zijn keus heeft gemaakt. Was dat vanwege dat ene speerpunt dat hem heeft aangesproken, de lijsttrekker die goed op een tv-debat heeft gescoord, zijn partij voor interne verdeeldheid heeft weten te behoeden…? Of was het een strategische beslissing, omdat zijn favoriete partij toch geen kans zou maken mee te regeren en hij daarom op een andere partij heeft gestemd – en was het misschien ook een proteststem? Wellicht was het een laatste ingeving die hem in het stemhokje overviel. Zo zal het uiteindelijk ook bij deze verkiezingen gaan.

Ikzelf zal afblijven van welke stemwijzer ook en zal me vooral richten op de omgangsstijl van de politici met de medemens. Wie bereid is zich bloot te stellen aan zijn of haar eigen gevoelens en die van de kiezers, heeft mijn zege.

Kerim Göçmen

Kerim Göçmen werd in 1957 geboren in Izmit, een stad ten oosten van Istanbul. Hij bracht zijn jeugd door in diverse plaatsen in Turkije, waar zijn vader het ambt van rechter uitoefende. In 1974 begon hij met de studie werktuigbouwkunde in Ankara. Drie jaar later kwam hij op uitnodiging van zijn tante naar Nederland. Hij veranderde van studie en koos voor politicologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.  Het geheim van de kromme neuzen was zijn debuut, daarna verschenen Rode kornoeljes en Kroniek van mijn schoolvakanties.

Kleur is een taal

Jamal Ouariachi suggereerde op Twitter dat hij zijn roman weg moet gooien: het gaat over een Nederlandse man, en wat weet hij daar als halve Marokkaan nou van af?

Vorig jaar las ik Native Son van Richard Wright. Een felle aanklacht tegen racisme, een pittig boek waarin woorden worden gegeven aan keihard wit racisme uit de jaren ’40 in Amerika. Het boek is zo sterk dat we er een vertaling van gaan uitgeven. Dan ga je dus op zoek naar een vertaler. Bij Van Oorschot vinden we het – zoals bij de meeste uitgeverijen – logisch goed na te denken over wie een boek vertaalt. We kochten onlangs een boek dat begint met de woorden: This is a female text. We hebben niet per se zo’n directe suggestie nodig om ons te realiseren dat het wellicht een idee is een vrouw voor zo’n klus te zoeken.

Ik ken veel hele goede vertalers. Toch heeft niet iedereen overal een gevoeligheid voor: sommige prachtvertalers vind ik niet zo handig met poëzie. Soms zijn mensen zo keurig opgevoed dat hun slang altijd een tikje geaffecteerd klinkt. Ik heb vertalers gehad die zeer kundig waren maar geen Bijbelcitaten herkennen als er geen aanhalingstekentjes omheen staan. Er zijn zelfs vertalers die denken dat ze alles kunnen: een sympathieke afwijking die om extra oplettendheid van de redacteur vraagt. Niemand snapt alles.

Native Son is een boek dat zo sterk over racisme gaat dat het (hoogst)waarschijnlijk helpt als je er enige ervaring mee hebt. Daarnaast is het gewoon niet vanzelfsprekend het verhaal van keihard racisme, zoals verteld door een Afro-Amerikaanse man, door een witte Nederlander te laten vertellen, als je de keuze hebt. Dit boek moet het tenslotte al stellen met een witte redacteur. Volgens sommige witte mensen bestaat racisme niet. Thierry Baudet noemt zichzelf de minst racistische mens in Nederland. Maar Baudet zweet rasdenken uit zijn poriën. Ik geloof dat het zinniger is jezelf als een latent racist te zien die er goed over nadenkt hoe dat komt en wat je eraan kunt doen. Misschien is kleur wel een taal die sommigen beter beheersen dan anderen?

Een vertaler van kleur vinden is nog niet zo makkelijk in Nederland. De directeur van de vertalersvakschool meldde me desgevraagd tot zijn teleurstelling: ‘Weet je dat we geen enkele alumnus/-na van kleur hebben?’

Vrienden wezen me op Neske Beks, die zich beijvert hier verandering in te brengen met het gilde Alphabet Street. Zij bracht ons op het spoor van Jenny Mijnhijmer, die voor Dipsaus en Pluim het prachtige Sister Outsider vertaalde, van Audre Lorde. Ik was heel blij met de bemiddeling van Neske: ze weet waar ze het over heeft, en, opvallend, ze was de eerste die ik over het boek sprak die het ook kende en goed gelezen had.

Jamal Ouariachi weet vermoedelijk voldoende over de Nederlandse man om zijn roman te kunnen schrijven. En anders hoeft hij alleen maar op Twitter rond te kijken als field study. Amerikaans racisme rond 1940 behoeft wat intensere betrokkenheid. Een schrijver mag zijn eigen blinde vlek hebben, een vertaler moet niet de blinde vlek voor een auteur gaan vormen in een nieuwe taal.

De kwestie is denk ik niet dat een boek over een houthakker door een houthakker vertaald moet worden. De kwestie is dat je ook in deze beroepsgroep een redelijk evenwichtige verdeling zou moeten hebben. En als het sociaal of cultureel gezien voor de hand liggend is dat je een boek laat vertalen door een vertaler van kleur, dan moet je dat doen. Dan moeten ze er zijn, en daar helpt Alphabet Street mee. Ik geloof dat de fondsen en uitgevers daar zeker aan kunnen bijdragen.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Mannendingen

De meneer met de gele auto hielp me de tank van het frame te tillen, en checkte de bobines. De luchtfilters hadden we al gecontroleerd, de benzineleiding ook. Toen alles stroom bleek te krijgen en mijn oude Kawa nog steeds niet wilde starten, krabde hij zich driftig op zijn goeie kop.

De bougies bleken vervuild, het motorblok verzopen. ‘Je moet nieuwe bougies bestellen,’ zei de wegenwachter. ‘Dat is het enige wat het nu nog kan zijn.’

Ik keek hem na toen hij de wagen met de stalen laatjes van het eiland reed; nu was ik weer alleen, en de ontspanning die ik had ervaren sinds zijn aankomst verliet me zoals droge bonen een lekgeschaafde tas uit lopen.

Omdat ik praat als iemand die alles kan, denken de mensen vaak dat ik alles kan. Nu moest ik dus bougies vervangen.

Ik leende gereedschap bij Paul, speelde even op een van zijn gitaren en praatte met hem over Sade en Maxwell. Paul – toch een redelijk serieus muzikant – luisterde aandachtig en zonder oordeel. Ik was buitengewoon open over mijn muzieksmaak.

Met de doppenset in mijn naar olie meurende klauw zette ik weer koers naar huis. Onderweg passeerde ik de Kawa, waarnaar ik hard probeerde niet te kijken. Eenmaal boven dook ik het internet op, om na een klein halfuur aankoopstress uit de komen op de bestelling van acht bougies van NGK (de CR9E voor wie echt even mee in de materie wil). Het wachten was nu op dat platte pakketje uit Duitsland.

Kloten aan een voertuig is eng. Ik heb het nu niet over mogelijke gevolgen voor de verkeersveiligheid, maar over de waarschijnlijkheid van dure rampjes. Soms denk ik dat garagehouders alleen echt geld verdienen aan ongevallen en mannen zoals ik, die wel eens even zelf hun carburateurs zullen afstellen. Kloten aan carburateurs is zo’n beetje de duurste fout die ik ooit met een voertuig gemaakt heb.

Maar bougies, hoor ik je zeggen. Draadje eraf, bougie eruit, nieuwe bougie erin, draadje er weer op.

Toen ik Nadim uit school gehaald had en we onze fietsen tegen de boom voor ons huis zetten, vroeg ik of hij zaterdag al plannen had. Mijn jongen schudde zijn hoofd en keek me vragend aan.

‘Wat zeg je ervan,’ vroeg ik, ‘als we dan samen in de loods de motor uit elkaar halen, schoonmaken en weer laten lopen?’

Hij knikte kort, opeens zoveel wijzer dan zijn negen jaren. ‘Dat lijkt me goed.’

Normaal gesproken is hij ‘s zaterdags het huis niet uit te branden, dus hier was iets bijzonders aan de hand. Terwijl ik Nadim de trap op volgde, dacht ik aan hoe hij me heeft gesmeekt om samen aan een brakke boot te werken, die in de werf op het eiland lag. Klassieke mannendingen wil hij altijd graag doen. Kennelijk voelt hij zich dan meer lid van de club.

Echt opgroeien betekent dat je oud genoeg wordt om te zien dat ook volwassenen niet alles kunnen, en hoe transparant ik daarin ook probeer te zijn: mijn zoon is nu nog niet zo ver. Wat me verrast heeft is dat ik me een stuk geruster voel sinds ik weet dat hij me zaterdag komt helpen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Een introductie

Beste lezers,

Mijn naam is Fannah Palmer, ik ben 26 jaar, en ik ga van maart tot en met mei aan de slag als stagiaire bij Van Oorschot. Ik volg momenteel online een schrijf- en redactiemaster aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zelf schrijf ik al zo lang als ik me kan herinneren, en ik ben er een paar jaar geleden achter gekomen dat ik het redigeren van andermans werk ook ontzettend leuk vind. Ik ben blij dat ik tijdens deze stage beide zal kunnen doen. Naast het verschaffen van redactie-hulp zal ik ook meewerken aan de Tirade-blog. Hier mag ik stukken gaan plaatsen die relevant en actueel zijn, en die ook mijn eigen interesses reflecteren.

Voor iedereen die dit leest, zelf schrijft, en zich kan vinden in de onderwerpen die ik hieronder aankaart – of een ander idee heeft dat gehoord moet worden: twijfel niet om een stuk in te sturen naar stage@vanoorschot.nl. Ik lees natuurlijk, vanzelfsprekend, graag.

Ik kom uit een kunstzinnige familie, met twee ouders en een zusje die allemaal aan de kunstacademie hebben gestudeerd. Zelf heb ik, nog voor mijn bachelor Engels – ik hou ook van studeren – een hbo muziek gevolgd in Tilburg. Ik hou van veel verschillende vormen van kunst, cultuur en literatuur. Een handjevol favoriete makers zijn: Matisse, O’Keeffe, en Jacques Lartigue; Baldwin, Salinger, en Ali Smith; Bon Iver, Khruangbin, en Lana Del Rey. Dit is echter slechts waar ik nu op kom. Het idee van ‘iets maken’ staat mij eigenlijk bijna altijd aan, en ik ontdek heel graag nieuwe dingen. Tijdens deze pandemie zijn kunst en cultuur een beetje naar de achtergrond verschoven, terwijl ze juist zoveel rust en verlichting kunnen bieden.

De laatste paar jaren heb ik ook meer aandacht besteed aan de natuur. Of het nou komt door coronawandelingen, een jaar in New York – waar natuurgebieden moeilijk bereikbaar waren en ik ze daarom meer miste – of de gesprekken rondom klimaatverandering: ik voel me meer en meer betrokken met de aarde. Ik wil dus graag ook wat stukken delen over het klimaat, en over natuurbescherming en -behoud.

Verder ben ik met twee talen en culturen opgevoed, waardoor ik kwesties altijd van twee kanten heb kunnen bekijken. Zwart en wit zijn helemaal niet zo wederzijds exclusief als ze lijken. Ik ben daarom groot voorstander van alles wat twee kanten dichterbij elkaar brengt, om te laten zien dat overeenkomsten altijd groter zijn dan verschillen. Ik hoop in gesprek te kunnen gaan met, en mooi werk te kunnen delen van, schrijvers die zich bezighouden met kwesties van gelijkheid, zoals onder andere antiracisme, feminisme, en LHBTI-gelijkheid.

Misschien ben ik gewoon een product van millennial Amsterdam-Zuid, dat kan ook. (Al stem ik waarschijnlijk op Bij1, niet op GroenLinks.) Mocht dit het geval zijn, dan zijn er in ieder geval genoeg mensen, zowel schrijvers als lezers, die zich eveneens interesseren in wat ik hier hoop te publiceren. Ik kijk ernaar uit.

Fannah Palmer

Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.