Mannendingen

De meneer met de gele auto hielp me de tank van het frame te tillen, en checkte de bobines. De luchtfilters hadden we al gecontroleerd, de benzineleiding ook. Toen alles stroom bleek te krijgen en mijn oude Kawa nog steeds niet wilde starten, krabde hij zich driftig op zijn goeie kop.

De bougies bleken vervuild, het motorblok verzopen. ‘Je moet nieuwe bougies bestellen,’ zei de wegenwachter. ‘Dat is het enige wat het nu nog kan zijn.’

Ik keek hem na toen hij de wagen met de stalen laatjes van het eiland reed; nu was ik weer alleen, en de ontspanning die ik had ervaren sinds zijn aankomst verliet me zoals droge bonen een lekgeschaafde tas uit lopen.

Omdat ik praat als iemand die alles kan, denken de mensen vaak dat ik alles kan. Nu moest ik dus bougies vervangen.

Ik leende gereedschap bij Paul, speelde even op een van zijn gitaren en praatte met hem over Sade en Maxwell. Paul – toch een redelijk serieus muzikant – luisterde aandachtig en zonder oordeel. Ik was buitengewoon open over mijn muzieksmaak.

Met de doppenset in mijn naar olie meurende klauw zette ik weer koers naar huis. Onderweg passeerde ik de Kawa, waarnaar ik hard probeerde niet te kijken. Eenmaal boven dook ik het internet op, om na een klein halfuur aankoopstress uit de komen op de bestelling van acht bougies van NGK (de CR9E voor wie echt even mee in de materie wil). Het wachten was nu op dat platte pakketje uit Duitsland.

Kloten aan een voertuig is eng. Ik heb het nu niet over mogelijke gevolgen voor de verkeersveiligheid, maar over de waarschijnlijkheid van dure rampjes. Soms denk ik dat garagehouders alleen echt geld verdienen aan ongevallen en mannen zoals ik, die wel eens even zelf hun carburateurs zullen afstellen. Kloten aan carburateurs is zo’n beetje de duurste fout die ik ooit met een voertuig gemaakt heb.

Maar bougies, hoor ik je zeggen. Draadje eraf, bougie eruit, nieuwe bougie erin, draadje er weer op.

Toen ik Nadim uit school gehaald had en we onze fietsen tegen de boom voor ons huis zetten, vroeg ik of hij zaterdag al plannen had. Mijn jongen schudde zijn hoofd en keek me vragend aan.

‘Wat zeg je ervan,’ vroeg ik, ‘als we dan samen in de loods de motor uit elkaar halen, schoonmaken en weer laten lopen?’

Hij knikte kort, opeens zoveel wijzer dan zijn negen jaren. ‘Dat lijkt me goed.’

Normaal gesproken is hij ‘s zaterdags het huis niet uit te branden, dus hier was iets bijzonders aan de hand. Terwijl ik Nadim de trap op volgde, dacht ik aan hoe hij me heeft gesmeekt om samen aan een brakke boot te werken, die in de werf op het eiland lag. Klassieke mannendingen wil hij altijd graag doen. Kennelijk voelt hij zich dan meer lid van de club.

Echt opgroeien betekent dat je oud genoeg wordt om te zien dat ook volwassenen niet alles kunnen, en hoe transparant ik daarin ook probeer te zijn: mijn zoon is nu nog niet zo ver. Wat me verrast heeft is dat ik me een stuk geruster voel sinds ik weet dat hij me zaterdag komt helpen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.