Ik kwam hier vroeger nooit

Ik ben een brave jongvolwassene. Ik feest niet, ik shop niet, ik groepssport niet. Nauwelijks ga ik meer bij vrienden langs, en elke keer als ik dan toch thuiskom van zo’n bezoek voel ik een placebo-vernauwing in mijn ribbenkast.

Wat is er dan nog? Wandelen. Dus dat doe ik. Ik woon op de NDSM-werf in Noord – daar is zonder horeca weinig meer van over. Mijn meest frequente rondje loop ik langs de werkzaamheden bij de pont, via het graffititerrein langs het water, voorbij coffeeshop Funny People, de Klaprozen-brug over, en dan langzaam het mooie nieuwe huizenblok door. Dat is stiekem mijn eindbestemming, mijn doel. Zo subtiel mogelijk spiek ik de luxe keukens en eetkamers in. Moeilijk is dat niet: de meeste zijn een en al goedgewassen raam. Ik snap het. Ik zou ook al die minimalistische pracht met elke langsloper willen delen. Het wakkert iets in me aan: een huisje-, boompje-, beestjesinstinct. Een verlangen naar comfort en een gebrek aan financiële zorgen. Het haute-Ikea pretpark duurt echter maar vijf minuten: daarna loop ik terug naar mijn studentenflat, over een kleurrijk maar verlaten industrieterrein.

Een week of twee geleden las ik Jij hebt ons niet ontdekt, wij waren hier altijd al, van oer-Noorderling Massih Hutak. Hij beschrijft er de gentrificatie van Amsterdam Noord, en vergelijkt dit met bijna elke andere grote Westerse stad. Overal gebeurt hetzelfde. Ik woonde voor mijn studie een jaar in Williamsburg, Brooklyn, waar de helft van de bewoners bestond uit jonge hipsters in Balenciaga-sneakers, en de andere helft uit Latijns-Amerikaanse vrouwtjes met rolkarretjes. Om en om liep ik er langs drukbezette wasserettes en $6-espressozaken.

Wat me het meest is bijgebleven uit Hutak’s boek is het volgende feit: die jongens op straat met speakers en sigaretten, die witte mensen zo verdacht vinden, zijn bang voor blonde bakfietsmoeders. In de eerste instantie deed dit me denken aan de semi-geruststellende opmerking, ‘Muizen zijn veel banger voor jou dan jij voor hen.’

Maar Hutak legt het uit: de aanwezigheid van deze bakfietsmoeders betekent dat de wijk verandert, zonder dat de originele bewoners betrokken worden bij de veranderingen. En dat terwijl zij die wijk gebouwd hebben, voorzien hebben van cultuur en winkels en een gemeenschap. Bovendien werd deze wijk tot voor kort nog bestempeld als buitenwijk – gevaarlijk, ontoegankelijk, of, bijna net zo erg: onbelangrijk. Verwaarloosbaar. En verwaarloosd werd alles daar, tot de kunstenaars er kwamen, en toen de pop-up stores, en toen… de bakfietsen.

Iedereen kent dit fenomeen wel. Voor Noord was het de Indische Buurt, daarvoor de Pijp, daarvoor de Jordaan, en in elke andere stad gebeurt het. Maar waar ik niet zeker over ben, is mijn eigen positie hierin. Ik kom uit Amsterdam Zuid, ik ben werkzaam in de cultuursector, en mijn (groot)ouders zijn hun land niet ontvlucht. Ik ben de middenklasse… denk ik. Maar ik ben ook een student zonder stufi en met huurtoeslag, ik heb één immigrantenouder van kleur, en ik denk niet dat ik ooit zo’n huis aan de Klaprozenweg zou kunnen betalen.

Aan de andere kant (pun intended): ik kwam hier vroeger nooit. Ik kan me één keer herinneren dat ik in Noord was, voor ik er als student ging wonen. Onze geschiedenisdocent nam ons mee op een excursie op de fiets, helemaal van Zuid naar Noord. We kwamen uit bij een boerderij en leerden daar over terpen en veengrond, geloof ik. Dat bevestigde wat ik dacht te weten over Noord: boerenland. Hoe kon dat nou Amsterdam zijn?

Ik kwam hier niet omdat het hip was, maar omdat er studentenkamers beschikbaar waren. Eerst vond ik het niks, zo ver weg. Het is pijnlijk om toe te geven dat het steeds leuker werd om in Noord te wonen. Van de zomer ‘ontdekte’ ik het Twiske, waar het natuurlijk al bomvol was. Dat was wanneer ik me realiseerde dat ik toch echt wel deel van het probleem uitmaak.

Misschien ben ik het bangst voor mezelf. Ik wil niemand wegjagen. Ik weet dat de originele bewoners me aanzien voor wit, dus ben ik dat ook. En tegelijkertijd ook weer niet. Maar goed, ik beoordeel ook iedereen die ik tegenkom op hun uiterlijke kenmerken, en ik weet dat die van mij op de schaal van immigrant tot bakfiets dichterbij het laatste staan.

Voor nu is alles wat ik weet te doen: vriendelijk glimlachen naar iedereen. Evenveel afstand houden van elke voorbijganger. Doen alsof ik niet teveel nadenk over mijn eigen positie in een multiculturele, maar toch wel gesegregeerde wijk. Er bakfietst een moeder met een afro langs. Ik ben niet de enige op het midden van de weegschaal. Mijn enkellange zwarte winterjas – van een Salvation Army in Brooklyn: plaats die maar eens ergens – wappert achter me aan in de strenge Noorderwind.

Fannah Palmer

Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

Harmon, Karpov en Kasparov

In de kerstvakantie doken ze opeens op in huize V, de schaakspelen: een groot bord met officiële Staunton-stukken, een magnetisch miniatuurexemplaar van Sovjet-fabricaat, digitale op phones en tablets. De eerste twee hadden al decennia het levenslicht niet gezien, maar waren dankzij de avonturen van Beth Harmon in de Netflix-serie The Queen’s Gambit afgestoft en opeens het middelpunt van de aandacht van de kinderen en mijzelf, die in wisselende combinaties tegen elkaar speelden. Mijn jongste deed prompt haar spreekbeurt over schaken.

Ik was vergeten hoe fascinerend het spel is, hoe het je helemaal kan opslokken en obsessie op de loer ligt. Mijn eigen schaakgeschiedenis begon in 1978 ten tijde van de match om de wereldtitel tussen Karpov en Kortsnoj, een door Koude Oorlog-intriges omgeven, maandenlang uitgerekte nagelbijter, waarvan ik de partijen naspeelde uit de krant zonder er veel van te begrijpen. Ik had bij gebrek aan schakende ouders en vriendjes mezelf het spel geleerd en werd kortstondig lid van een club, waar ik het pionnen- en toren diploma haalde (voor het koningsdiploma ben ik nooit gegaan, al herinner ik me het theoretisch eindspel van ‘paard en loper tegen koning’ wel te hebben bestudeerd). Helaas speelde ik er nooit tegen de blindspeler, van wie werd beweerd dat hij tot de wereldtop behoorde en wiens vingers krioelden over een miniatuurspelletje dat naast het wedstrijdbord stond, terwijl zijn geleidehond aan zijn voeten lag. In dezelfde tijd nam mijn vader na een reis naar de Sovjet-Unie behalve een magnetisch spelletje ook een door wereldkampioen Anatoli Karpov gesigneerd schaakboek mee (prachtige hard linnen omslag, papier van krantenkwaliteit aan de binnenkant). Het was mijn eerste schaakperiode, die naar ik schat een jaar of twee duurde. Hierna volgden incidenteel potjes op de middelbare school, tot ik in mijn studententijd weer veel met een vriend speelde en voor een studentenvereniging een simultaan organiseerde met een sterke Utrechtse speler. Daarna verdween het spel decennialang weer uit mijn leven. Ik kon blijkbaar heel goed zonder schaken.

Tot afgelopen kerst. Voor schaken heb je inmiddels niemand meer nodig aan de andere kant van het bord of boek om partijen na te spelen. Apps laten je op ieder moment van de dag spelen tegen spelers van eigen niveau, van Azerbeidzjan tot Argentinië. Instagram geeft je iedere dag nieuwe schaakproblemen en tientallen YouTube-kanalen verzorgen lessen en analyseren toppartijen. Op chess.com is het mogelijk de partijen van je (op één na) favoriete The Office-acteur na te spelen met analyse en hem uit te dagen voor een partij (hier legt hij het na een blunder in de opening snel af tegen wereldkampioen Magnus Carlsen). Deze mer à boire maakt schaken tot de ultieme lockdown-bezigheid. Ik had na enkele dagen tientallen vluggertjes gespeeld en zit inmiddels op zowat 300, zweef zo’n beetje rond ELO 1200 en vraag me af hoeveel verbetering er nog inzit. Paradox: ik heb het gevoel dat ik tactisch en strategisch sterker speel dan vroeger maar tegelijkertijd met mijn ageing brain meer blunders maak.

Maar wat ik vooral heb gemerkt is dat dit schaken tegen de klok heel iets anders is dan caféschaak. Het brengt een gevoelservaring met zich mee die ik nergens anders heb: je brein gaat in overdrive, je hartslag verhoogt zich en je maakt stresshormonen aan. Sport kan je in die staat van fysieke opwinding brengen, schrijven in die van opperste concentratie, maar de twee gaan nergens anders samen dan in het schaken. Het is een gevoel dat misschien niet zozeer prettig te noemen is maar wel verslavend is. Schaken werd zo weer een obsessie. Net als Luzhin in Nabokovs roman en Beth in de serie begon ik op zeker moment overal schaakpatronen te zien: in badkamer- en stoeptegels, ’s nachts op mijn netvlies. Winstpartijen zorgden voor hoogmoed en incorrecte stukoffers, verliespartijen voor een koppigheid die slechts leidde tot meer verliespartijen. Vooral ging schaken ten koste van schrijven en lezen. Ik verwijderde de app van mijn telefoon, zette hem er enkele dagen later weer op, hopend dat schaken dan godbetert misschien nog een gunstig effect zou hebben op de plotontwikkeling van mijn tweede roman.

Toch vermoed ik dat ook deze schaakobsessie geen stand zal houden. Ik heb me afgevraagd waarom. Het schaakspel is een prachtig, maar ook steriel universum. Het is een wereld die niet zintuiglijk, niet talig is, die mist wat John Updike ‘the fuzzy texture of everyday life’ noemt. Ik liet het schaken steeds weer achter me om dezelfde reden dat ik wiskunde liet vallen zo gauw het kon. Ook was de schaakwereld een mannenbolwerk met een hoger dan gemiddeld nerd-gehalte. Dat wordt gelukkig steeds minder. Ik voorspel dat er binnen vijfentwintig jaar een vrouw tot de wereldtop zal doordringen en zij de naam Beth zal dragen.

Ik was reeds in het bezit van de handtekening van Anatoli Karpov, met zijn grote nemesis Gary Kasparov kwam het tot een soort ontmoeting rond 2000 toen ik tijdens mijn pauzewandeling van mijn werk op de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels aan het Koningsplein midden in een toernooi belandde waar de wereldtop verzameld was. Welk toernooi? Waar precies? Het staat me in ieder geval bij dat het een bankgebouw was. De Britten Nigel Short en John Nunn waren er; Vassily Ivantsjoek, die nu en dan gepijnigd, alsof hij last had van obstipatie, van zijn bord de zaal inkeek; Jan Timman, ooit ‘Best of the West’, die het podium opkwam met een tas van boekhandel het Martyrium, en ik dacht: wat een heerlijk bohémienachtig leven hebben die schakers toch met hun reizen en vrije ochtenden, museumbezoek en wat couleur locale proeven voor je het openingsrepertoire van je tegenstander al dan niet samen met je secondanten bestudeert (Timman heeft eens gezegd dat het ontsnappen aan een burgerlijk bestaan een van de redenen was dat hij voor een schaakcarrière koos). Ook acte de présence gaf Gary Kasparov, de GOAT, het alfamannetje. Ik herinner me een overdaad aan energie en een haast tastbare denkkracht: opstaan van zijn bord om te ijsberen, diep gepeins afgewisseld met zeer snelle zetten. De toegang was gratis, de zaal maar halfvol, en als ik het had gewild had ik op de eerste rij kunnen gaan zitten op enkele meters afstand van de wereldtop. Ik nam het allemaal tot me, proefde van de sfeer en probeerde de partijen op de grote borden te doorgronden, maar moest op zeker moment gaan en bezocht op weg naar buiten nog even het toilet. Ik stond aan het urinoir toen er iemand naast me plaatsnam. Ik hoorde een soort snuiven, proefde een overdaad aan energie, maar omdat opzij kijken in zo’n situatie not done is wachtte ik tot mijn buurman klaar was en stond vervolgens achter hem terwijl hij zijn handen waste. Het was inderdaad de GOAT, Gary Kasparov. Ook dat deed hij snel.

Op de foto rechtsboven: de stand na Beths dameoffer in de laatste partij tegen Borgov.

Gregor Verwijmeren

Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.

De ernst

Een nog nauwelijks beschreven gevolg van de pandemie waar ik de laatste dagen met mijn neus op gedrukt word is toch wel de geleidelijk toegenomen ernst. Alsof er elke dag dat deze ellende voortduurde een klein gewicht in mijn zakken is gestopt, een invers-zakenrollen dat je – zoals bij een echt bedreven zakkenroller – pas bemerkt als je thuiskomt en je feestmuts opeens niet meer past.

Vriend Rob Waumans stuurde me de foto hiernaast, genomen tijdens een van onze buitenborreltjes die me de afgelopen maanden feitelijk op de been gehouden hebben. Ik werd mijn toegenomen ernst pas echt gewaar toen ik mezelf zo zag schateren. Alles van waarde is weerloos, staat er op mijn armen, en wie me ernaar vraagt vertel ik dat die zin vooral een memo voor mezelf is: houd je ogen open, de echt waardevolle dingen verdwijnen het makkelijkst onder de voet.

In het licht van de grote problemen – leven en dood, je weet wel – lijkt het geen noodzakelijk iets, zo’n middag hangen met de mensen die je vanuit je tenen kunnen laten lachen; een paar uurtjes boven de shit uit stijgen. Als zo’n dag een tijdje niet gebeurt ga je het normaal vinden. Je zegt vrienden die ernaar vragen dat je oké bent, terwijl dat al heel lang niet meer zo is.

Dat zijn dus die kleine gewichten, maar het is evengoed het wegvallen van een opwaartse druk.

We vallen al een jaar en hebben het veelal niet door.

Ik mis jullie. Ik mis ons. Waar ís iedereen toch?

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Flophuis

Vancouver kampt net als Nederland met een huizencrisis. Als student is het bijna onmogelijk een betaalbare kamer te vinden, en de huurprijzen voor een appartement met één slaapkamer zijn gelijk aan die voor een appartement in Amsterdam-West of het Haagse Zeeheldenkwartier. De koopprijs voor eenzelfde appartement start vanaf een half miljoen Canadese dollar – ongeveer €350.000.

Iets zuidelijker, in San Francisco, is het tekort aan betaalbare woningen, zelfs voor goedverdienende tech bro’s, al zo schrijnend dat pods hun opmars maken. Dit zijn gedeelde slaapzalen voor ongeveer acht tot tien mensen, waar ieder een bed huurt. Voor $1200 per maand ben je lid van de app PodShare waar je een bed voor één nacht of langer kan reserveren. Het wordt vooral gebruikt door mensen die buiten de stad wonen en werken in de tech-industrie, en door studenten die net zijn geëmigreerd.

Pods zijn niet nieuw, maar gemodelleerd naar flophouses. Deze schaars ingerichte slaapgelegenheden waren vanaf de late 19e eeuw tot de Tweede Wereldoorlog het goedkoopste alternatief voor buiten op straat slapen. In Noord-Amerika waren flophouses te vinden in de grote steden waar pas-aangekomen immigranten en seizoenarbeiders tijdens de wintermaanden verbleven. In Vancouver, dat gesticht is rond een aantal houtzaagmolens en het eindstation van de transcontinentale Canadian Pacific Railway, waren flophouses onderdeel van de stadsdynamiek en nodig om de vele seizoenarbeiders te huisvesten.  

In de loop van de 20e eeuw vervingen de zogenaamde single room occupancy-kamers (SRO’s) de flophouse slaapzalen. In plaats van een bed op zaal huurde je een kleine kamer in een residential hotel met gedeelde sanitaire voorzieningen. Ondanks de woonhervormingen en welvaartstijging vanaf 1950 zijn SRO’s niet uitgestorven: er waren in 2019 nog 146 SRO’s in Vancouver.

Een SRO is vaak de enige mogelijkheid voor mensen die kampen met lage inkomens, verslavingsproblemen, mentale gezondheidsklachten of een combinatie daarvan. Terwijl in andere stadsdelen van Vancouver meer miljoenenappartementen uit de grond worden gestampt, verkeren de meeste SRO’s in erbarmelijke staat met vochtproblemen, instortingsgevaar en een hoog risico op brand. De gemeente probeert de SRO’s te sluiten, maar kan door de aanhoudende huizencrisis geen alternatief bieden aan de huurders. Hierdoor belanden de meesten na verplichte evacuaties op straat.

De pods lijken met hun vers opgemaakte bedden en moderne uitvoeringen van Scandinavische vintagemeubels in eerste instantie niet op flophouses of SRO’s. De stapelbedden van steigerhout en betonnen gietvloeren geven ze eerder de uitstraling van een hip hostel.

Naast het uiterlijke onderscheid komt de belangrijkste tegenstelling naar voren in de doelgroep van PodShare. Het bedrijf richt zich op jonge hoogopgeleiden, zogenaamde global citizens, met reclameteksten als ‘niet vast zitten aan een huurcontract’ en ‘elke dag nieuwe vriendschappen sluiten met wisselende huisgenoten’. Deze marketingstrategie legt de nadruk op het avontuurlijke en sociale van minimaal wonen. Het doet denken aan backpacken, maar dan in je eigen stad. Het is een keuze in levensstijl. Daarentegen is wonen in een SRO geen keuze, maar een laatste redmiddel om te schuilen voor de buitenwereld. Het is één traptrede verwijderd van dakloos zijn, dat cynisch zou kunnen worden omschreven als permanent backpacken.

Mira Aluç

Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.

Waarom is Erdogan kwaad op Macron en Wilders? Zijn de Turken dat ook? (III)

Biedt het binnenlandse krachtenveld in Turkije voldoende borg voor concentratie van macht? (1)

In mijn vorige blog heb ik geopperd dat het zeer assertieve buitenlandbeleid van Turkije niet alleen verklaard kon worden door de expansiedrift van Erdogan. Mijn these luidde dat Erdogan de ruimte benutte die het internationaal systeem bood door de opkomst van China als wereldmacht, en het uiteenvallen van de Sovjet Unie, evenals het Warschaupact.

Ook de binnenlandse politiek biedt hem een behoorlijke manoeuvreerruimte. Hij en zijn getrouwen, net als zijn voorgangers, putten uit een traditie. Een traditie die de staat onschendbaarheid verleentenvan patronage voorziet, leiderscultus in stand houdt en niet bevorderlijk is voor de democratische driehoek.

Om met het laatste te beginnen: deze door Anton Zijderveld geïntroduceerde term duidt op een driehoeksverhouding. Deze driehoek bestaat tussen de staat (de overheid), de markt (de economie) en de burgermaatschappij (het maatschappelijk middenveld). In de ideale situatie heeft elke speler een eigen domein, maar is tevens afhankelijk van de andere twee spelers om goed te kunnen functioneren.

De democratische driehoek functioneert dus optimaal als de spelers elkaar in evenwicht houden. Met andere woorden: geen van de drie mag oppergezag over de andere hebben. Dit is alleen mogelijk zolang de drie spelers een autonome positie hebben en die behouden. Na een lang en moeizaam proces heeft men in West-Europa een duurzaam evenwicht bereikt. De markteconomie heeft, met dank aan autonome steden en de rijker wordende burgerij, een zelfstandige positie weten te verwerven. De burgermaatschappij heeft, onder invloed van de Verlichting en de Franse Revolutie, de absolute staatsmacht van vorstenhuizen aan banden weten te leggen en heeft zich als een onafhankelijke speler in de bewuste driehoek gepositioneerd. Samen hebben ze de staat richting democratie gevormd.

Mijn stelling is dat de democratische driehoek in Turkije niet werkt omdat de staat nog altijd oppergezag heeft over de markt en de burgermaatschappij. In de Turkse geschiedenis slagen groepen die staatsmacht verwerven er van oudsher in om hun ruimte te verbreden, ten koste van de twee andere spelers.

In de traditie van Turkse staatsvorming sinds de 11e eeuw, gedurende de Seltsjoek- en Ottomaanse dynastieën, functioneerde de staat als volgt. De sultan – in overleg met zijn viziers – wees het gebruiksrecht van land voor een bepaalde tijd aan pachters toe (leenrecht) en verleende concessies aan handelaren. Met de inkomsten hieruit bouwde en onderhield de staat de infrastructuur, de armenzorg en het leger.

Het land behoorde tot het domein van de sultan, waarop privébezit niet was toegestaan. Concessies voor handel waren evenmin eeuwig en konden elk moment worden ingetrokken. Bezit noch voorrechten mochten overgeërfd worden.

Dit systeem functioneerde tot de 18e eeuw goed. Want, omwille van het behoud van de welvaart, hield de staat zich strak aan beperkingen. Dit gebeurde door allerlei interne controlemechanismen te ontwikkelen en een grote mate van zorgvuldigheid aan de dag te leggen bij het intrekken van leenrecht en concessies. Zij wilde immers het vertrouwen van de markt niet schaden, zodat de handel langs de Zijderoute en de Specerijenroute kon blijven opbloeien. Willekeur en nepotisme kregen geen kans.

Vanaf de 18e eeuw verloren de Zijde- en Specerijenroute hun glans; de inkomsten uit de handel voor de staat liepen terug. Om de uitgaven te financieren, verhoogde de staat (lees: de sultan) belastingen, maar hij ondermijnde het draagvlak in de samenleving. Voormalige gezanten die namens de sultan belastingen inden, eigenden zich de leengronden zelf toe of verdeelden die onder hun familieleden. Nepotisme won aan kracht, waardoor de economische groei stagneerde en de maatschappelijke vrede nog verder verstoord raakte.

Door de toe-eigening van leengronden nam het particulier bezit toe, maar de staat bleef, ook na de stichting van de Turkse Republiek (1923), met grote afstand de grootste landeigenaar. Staatsmacht bleef nog altijd een aantrekkelijk object van patronage. Patronage duidt een type relatie aan waarbij een patron (baas) gunsten aan zijn cliënt verleent in ruil voor diens loyaliteit, bijvoorbeeld in de vorm van een stem op een bepaalde kandidaat of partij. Wie de staatsmacht in handen kreeg, beschikte over een machtig instrument om de eigen aanhang aan zich te binden.

In het volgende blog zal ik ingaan op hoe de partij van Erdogan patronage aanwendde om de loyaliteit van kiezers – met name die in de grote steden – te winnen.

Kerim Göçmen

Kerim Göçmen werd in 1957 geboren in Izmit, een stad ten oosten van Istanbul. Hij bracht zijn jeugd door in diverse plaatsen in Turkije, waar zijn vader het ambt van rechter uitoefende. In 1974 begon hij met de studie werktuigbouwkunde in Ankara. Drie jaar later kwam hij op uitnodiging van zijn tante naar Nederland. Hij veranderde van studie en koos voor politicologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.  Het geheim van de kromme neuzen was zijn debuut, daarna verschenen Rode kornoeljes en Kroniek van mijn schoolvakanties.