Een tijd van zwijgen, een tijd van schrijven

Toen ik op de basisschool zat, kleurde ik me steevast in met roze. Daar dacht ik niet bij na: iedereen deed het zo, dus ik ook. Tot een jongetje uit mijn klas op een dag tegen mij zei dat ik mezelf niet roze moest inkleuren, maar bruin. Ik vroeg hem waarom: omdat roze niet jouw kleur is, was zijn antwoord. Hij was roze. Ik was bruin. Wel lichtbruin, voegde hij toe, maar echt niet roze. Ik snapte niet zo goed wat hij bedoelde, want ik vond mezelf niet anders dan mijn klasgenootjes. Alle andere jongens en meisjes waren roze – waarom zou ik af moeten wijken? Op de tekening die ik toen maakte, sta ik naast mijn adoptieouders: we hebben alle drie een roze huid.

De eerste keer dat ik op straat werd nageroepen, was door twee jochies op een scooter. Of ze bami bij me konden bestellen, riepen ze, en ze scheurden hard weg. Een paar jaar later vroeg ik een meisje mee uit. Ze antwoordde: Ik vind je heel leuk, echt, en als je niet Aziatisch was, dan had ik je gedaan. 

Nog later, op vakantie in Limburg, stond ik met mijn broertje in een snackbar aan de rand van de camping op onze friet te wachten, toen er jongeren binnenkwamen, die grapjes begonnen te maken over onze ogen en onze huidskleur. Ze schaterden om wat er in onze nekken stond: made in China. De snackbarhouder moet het hebben gehoord, maar hij zei niets. Ja, twee friet met, zei hij, toen onze bestelling klaar was, en vijf euro alsjeblieft.

Mijn broertje snapte niet wat er aan de hand was. Op de terugweg vroeg hij me wat ze precies bedoelden. Niets van aantrekken, zei ik, gewoon negeren, want dat had ik mezelf aangeleerd: gewoon negeren, niet over hebben, stug doorlopen. Thuis hadden we het nooit over kleur en racisme: voor ons was de situatie normaal, mijn directe omgeving was heel verdraagzaam en respectvol, dus ik voelde me de eerste keer enorm bezwaard om over deze gebeurtenis te beginnen, het voelde als het droppen van een bom in het paradijs.

Vorig jaar, in de supermarkt, vroeg een vrouw of ik niet te dicht in de buurt wilde komen, want ze wilde geen kroona van dat vleermuizenvolk van mij. Ook toen ben ik stug doorgelopen – ik heb me zelfs verontschuldigd. Ik wachtte wat langer bij de schappen met kaas, zodat ik haar niet tegen zou komen bij de kassa.  

Toen ik laatst met iemand discussieerde over nationaliteit, zei ik dat ik me Nederlander voel. Daar was hij het niet mee eens: ik was hier niet geboren, dus ik was geen Nederlander. Volgens hem was ik Zuid-Koreaans. Ik bracht in dat ik me Nederlands voel, alleen in Zuid-Korea ben geboren en verder geen kennis, geen binding heb met dat land. Dan was ik ook geen Koreaan, beaamde hij, maar ook geen Nederlander. Zijn conclusie: eigenlijk val je overal tussen, eigenlijk ben je niets.

Ik ben me altijd bewust van het gezelschap waar ik in verkeer – mijn familie is wit, op mijn middelbare school was bijna iedereen wit en al mijn vrienden en hun vrienden waren dat ook. In dat gezelschap voel ik me donkerder dan de rest. Constant draait er een overbewustzijn in mijn achterhoofd, van mijn huidskleur in verhouding tot mijn omgeving. Nu ik in meer diverse kringen rondloop, voel ik me soms juist erg wit, zowel in kleur als in taalgebruik, interesses en gewoontes. Alleen bij mijn broertje, dat ook geadopteerd is, valt alles samen, wordt de stroom van mijn overbewustzijnsmotor uitgeschakeld.  

Zo ben ik me ook altijd bezig met eventuele reacties van anderen: zijn er op feestjes, in kroegen, op festivals, mensen (voornamelijk mannen) die door mij te schofferen een zogenaamd humoristische indruk willen achterlaten op hun vrienden? En nog erger: zijn er andere mensen bij, als ze weer over spleetogen, vleermuizen en bami beginnen? Vernederd worden is erg, maar vernederd worden in het bijzijn van andere, zwijgende mensen is achteraf gezien nog erger. Het allerergste vind ik het feit dat ik telkens niets zei, niet opkwam voor mezelf; maar ook niet voor mijn broertje, voor anderen bij wie ik dit zag gebeuren. Ik was zelf een zwijger, omdat ik bang was voor de discussie, het conflict, maar daarmee was ik onderdeel van het probleem.

Toen ik begon met schrijven, schreef ik over geliefdes, over overleden dierbaren, over de klimaatproblematiek, maar niet over mijn huidskleur – ik schaamde me ervoor. Ik heb gewenst dat ik een andere huidskleur had, dat ik nooit meer naar buiten hoefde, dat ik nooit was geboren. De stemmen van de mensen die niet nadachten, die iets riepen en lachten, die na zo’n opmerking of misplaatste grap wel fluitend door konden met hun leven – die stemmen galmen altijd ergens in mijn achterhoofd.

Als ik er niet over schreef, werd ik er niet aan herinnerd en hoefde ik niet na te denken over de onverdraagzaamheid van sommige mensen – ja, ook in ons land. Je ogen sluiten, je oren dichthouden en hard werken aan je dromen, dat dacht ik toen.

Een mens kan van gedachte veranderen. Racisme gaat niet weg als niemand iets zegt. Ik wil geen zwijger meer zijn, en ook geen schreeuwer, maar een prater. De laatste tijd zie ik veel mensen die vechten tegen racisme en Aziatisch racisme in het bijzonder. Ze komen op voor gelijkwaardigheid, stellen deze problematiek aan de kaak. Ik ben zo trots op al die mensen, want dat kost moed, kracht en heel veel durf – de weg naar het uitspreken is een zware, hobbelige en vaak eenzame weg. Bij mij duurde het jaren totdat ik onder woorden kon brengen wat al die opmerkingen met me deden. Nog steeds heb ik het gevoel dat ik het nog niet heb omschreven, niet zoals ik zou willen, maar dat is honderd keer beter dan het helemaal niet omschrijven.

Vanavond ga ik een tekening maken. De oude tekening ligt ergens onderin een kast, maar deze krijgt een prominente plek in huis. Mijn ouders kleur ik roze, mezelf kleur ik lichtbruin – met de grootst mogelijke trots, want ik heb mijn huidskleur geaccepteerd, omarmd zelfs. Dat omarmen kostte me meer dan twintig jaar en nu is het tijd dat anderen dat doen.

Ik kan me niet voorstellen dat de meeste mensen die racistische dingen zeggen bewust bij willen dragen aan worsteling en schaamte – maar ze moeten wel weten dat een voor hen nietszeggende grap voor mij en alle andere Aziaten een allesbepalende gebeurtenis kan zijn. Het is de hoogste tijd dat ik stop met sorry zeggen voor mijn bestaan: nu is de tijd gekomen dat de anderen sorry zeggen voor hun racistische uitspraken. Maar daar stopt het niet. Na het excuus is het tijd voor bezinning, begrip, bewustwording – met alleen sorry is de racistische kous nog niet af.

Twan Vet

Twan Vet (1998) publiceerde eerder gedichten op o.a. Tijdschrift Ei en Ooteoote. Dit jaar was hij Ambassadeur van de Vrijheid van het Bevrijdingsfestival Utrecht.

DTES

Met de reputatie van de Downtown Eastside was ik al bekend voordat ik in het vliegtuig naar Vancouver stapte. Om alvast een idee hebben van de stad waar ik ging wonen, maar bovenal om mijn zenuwen te bedwingen, las ik in de maanden voor vertrek veel over Vancouver en haar problemen. Vooral de informatie over East Hastings Street intrigeerde me, op dezelfde manier als Christiane F dat deed. Dat boek had ik als tiener gelezen met een mengeling van afgrijzen en fascinatie. Ik wilde meer lezen en tegelijkertijd was het een leven dat me verontruste.

De kruising van East Hastings met Main Street is de afgelopen jaren uitgegroeid tot het epicentrum van de Canadese opiod epidemic. Het aantal overdoses was afgelopen jaar zo alarmerend hoog dat er door de hele stad posters van de gemeente in de bushokjes hangen, die adviseren om niet in je eentje drugs te gebruiken en informeren dat naloxone, een opioïde antagonist, gratis te verkrijgen is. Omdat een epidemie geen onderscheid maakt tussen klasse, ras en gender hangen de posters ook in de wijken waar blonde kinderen op het gazon spelen in een zogenaamde muddybuddy, een waterdichte overal voor peuters.

Tweede Kerstdag was geen goed tijdstip om kennis te maken met waar ik, in afwachting van mijn visum, veel over had gelezen. Mijn vriend en ik waren naar Gastown, het oudste deel van de stad, gelopen en de snelste weg terug was door East Hastings. Hoe dichter we bij de kruising met Main Street kwamen, hoe meer het straatbeeld overeenkwam met de foto’s bij krantenberichten over slechte huisvesting, louche huisbazen en vermissingen van sekswerkers. Er stonden koepeltenten op het trottoir en mensen zaten in groepjes op de grond of hingen tegen de muur.

Ik keek naar de grond omdat ik eerder die week in het centrum een vrouw had gezien die zichzelf op straat had geïnjecteerd. Ik was misselijk geworden van het routineuze karakter van de handeling. Kijken naar de grond stelde me niet gerust. Op de stoep en in de goot lagen gebruikte naalden. Ik was opgelucht toen we thuiskwamen, maar voelde me ook schuldig omdat ik de mogelijkheid had terug te keren naar ons nieuwe appartement met uitzicht over de baai.

Een paar weken geleden maakte ik met een vriendin een wandeling in de stad en liepen we richting Gastown. Waar de panden op East Hastings erg slecht zijn onderhouden, worden in Gastown de bakstenen gebouwen uit 1900 door de gemeente grondig gerenoveerd om het toerisme naar Vancouver aan te wakkeren. Tussen deze twee wijken liggen slechts twee straten als bufferzone. Hier zijn de stoepen schoner en voelt het minder bedrukkend, maar zijn er ook mensen in een portiek bezig met een aansteker en aluminiumfolie. Iets verderop in de straat stond een jonge moeder met haar baby in een draagdoek te wachten om een koffiezaak binnen te gaan. De pijpen van haar spijkerbroek waren opgerold en aan haar voeten droeg ze designersandalen. Ze ging naar binnen nadat er twee mannen met spijkerjasjes en Blundstones – de enkellaarzen van hip Vancouver – naar buiten kwamen.

Ik keek omhoog, naar Hotel Europe, het flatiron building van Vancouver. Gebouwd in 1909 en in de jaren ‘90 verbouwd tot sociale huisvesting, waar huurders voor randstedelijke prijzen een kamer met eigen wasbak kunnen krijgen. De keuken, badkamer en bedwantsen worden gedeeld met de rest van de verdieping. In de straat ernaast, dichterbij East Hastings, manoeuvreerde een ober op een terras met volle borden in zijn handen om een zwalkende, verwarde man heen, alsof hij een pion op een hindernisbaan was.

De door de gemeente gesubsidieerde gentrificatie van Gastown staat in scherp contrast met de straten van East Hastings, waar non-profitorganisaties proberen te helpen met overdosis-preventie, safe walks voor sekswerkers en huisvestingcomités. In de twee straten ertussen vroeg ik me af of de vrouw met de baby en de ober hieraan gewend zijn geraakt, of dat ze zich ervan hebben afgesloten. Wat was er nodig om zonder scrupules je Range Rover SUV naast een koepeltent te parkeren?

Mira Aluç

Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.

Deegwaar

Ik heb wel eens gehoord dat je iets 10.000 uur moet doen om er een meester in te worden. Dat lijkt me onzin, omdat ik mijn veters als kleuter binnen een week perfect kon strikken, en ik als veertiger nog steeds niet kan rekenen.

Toch merk ik dat ik deeg begin te snappen, en hoewel het door mijn rekenproblemen niet exact te zeggen is, moet ik wel rond de 10.000 uur kneden zitten.

Door mijn nieuwe rubriek voor Het Parool, waarin ik gerechten uit herkomstlanden van nieuwe Amsterdammers maak, heb ik de afgelopen weken vrij vaak deegjes moeten zetten afgaande op vage beschrijvingen van oma’s uit den vreemde. Hoeveelheden gaan daarin per hand of beetje, nooit per gewicht.

Vandaag leerde de Oekraïense Alla me vareniki maken, een soort ravioli. Het recept was van haar moeder en gebruikte geen gewichten of inhoudsmaten, maar Alla wist wél dat het deeg dikker moest zijn dan dat van ravioli, zachter en broodachtiger ook. Meer sturing kreeg ik niet.

Ik mengde meel en water in een kom totdat de veerkracht van het deeg me leek te kloppen. Ik liet het rusten en rolde het uit, stak er rondjes van.

‘Ziet dit eruit als het deeg van je moeder?’ vroeg ik. ‘Voel eens, lijkt dit te kloppen?’

Alla – klein van stuk, kort donker haar – vond het moeilijk te zeggen. We dronken witte wijn en bakten uitjes.

Toen de zuurkool was afgekoeld, vulden we het deeg ermee. Het ging verrassend goed. We kookten de vareniki en legden ze op een bord met de uitjes en gehakte dille, crème fraîche ook. Als recensent heb ik gemerkt dat je een keuken niet hoeft te kennen om te weten of een gerecht klopt.

Terwijl we proefden keek ik naar Alla, en Alla glimlachte.

Het moment waarop je iets écht denkt te snappen wordt meestal snel gevolgd door het inzicht dat je er eigenlijk – op een dieper niveau – nog geen reet van begrijpt. Je besef van wat er kan loopt voor op wat je kunt.

Je echt ergens op toeleggen betekent een leven lang achterlopen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Mijn Indonesische jaren: Pramoedya Ananta Toer

In juli 1982 werd ik door het Ministerie van Onderwijs & Wetenschappen uitgezonden als docent in de Nederlandse taal, literatuur en geschiedenis aan de Universitas Indonesia in Jakarta. Kort na mijn aankomst in Indonesië belde ik Pramoedya Ananta Toer (1925-2006), de belangrijkste schrijver van Indonesië wiens naam figureerde op kandidatenlijstjes voor de Nobelprijs. Tegelijkertijd was hij in eigen land omstreden. In oktober 1965 was hij gearresteerd wegens zijn betrokkenheid bij de schrijversbond Lekra – het Instituut voor Volkscultuur – die banden had met de PKI, de Indonesische communistische partij.

Pramoedya had Lekra’s opvatting uitgedragen dat schrijvers moeten strijden tegen sociaal onrecht en machtsmisbruik. Tegelijkertijd had hij zich tegen schrijvers van zijn eigen generatie gekeerd die in hun Cultureel Manifest (17 augustus 1963) hadden gepleit voor een universeel humanisme in de nationale opbouw, en voor de eenheid en diversiteit die de basis vormde van de Pantjasila. Deze staatsfilosofie was in 1945 in de grondwet opgenomen. Dit Cultureel Manifest werd op 8 mei 1964 door president Soekarno bij de wet verboden. Hierop volgde een periode van politieke agitatie, en een mislukte coup op 30 september 1965, waarvan generaal Soeharto profiteerde door de macht naar zich toe te trekken.

Kort hierna werd Pramoedya opgepakt en naar een gevangenis in Jakarta gebracht. Na vier jaar werd hij naar een strafkamp op het eiland Buru gestuurd. Daar schreef hij op velletjes papier die het kamp werden uitgesmokkeld de vier delen van Aarde der mensen, ook bekend als de Buru-tetralogie: een reeks historische romans over het verzet van Indonesiërs tegen het koloniale machtsapparaat. In december 1979 werd hij vrijgelaten, maar hij had nog stadsarrest en zijn boeken waren verboden.

Ik had een honorarium bij me van zijn Nederlandse uitgever, dat mij was meegegeven door zijn vertaler Henk Maier. Op 7 augustus 1982 ging ik met een taxi, via een kronkelige weg in de wijk Utan Kayu, naar zijn huis in het wooncomplex van de rechterlijke macht. De informant van justitie woonde pal tegenover hem. Pramoedya’s huis werd door een hoog hekwerk aan het zicht onttrokken. Ik belde aan en hij opende de buitenpoort. Ik volgde hem naar binnen, waar ik hem het envelopje met geld overhandigde. Vervolgens hadden we een gesprek dat ten dele in het Nederlands werd gevoerd en ten dele in mijn nog aarzelende Indonesisch.

Pramoedya zag er goed uit, maar hij vertelde me dat hij sinds januari aan suikerziekte leed. Hij had drie maanden niet kunnen lezen, omdat alle lijnen ineen vloeiden. Aan het schrijven van brieven kwam hij niet toe: dat was zo persoonlijk, het kostte hem grote moeite. Ook had hij geen roman onder handen, maar wel werkte hij aan een geografisch woordenboek van Indonesië. Ik vroeg hem of hij dat met meer rust kon doen dan het schrijven van brieven of romans. Hij antwoordde: ‘Rust heb ik nooit. Ik heb al sinds mijn jonge jaren geen rust.’

Zijn vrouw serveerde sinaasappellimonade. Pramoedya draaide de ene sigaret na de andere, diagonaal in een tuitje, zijn vingers bruingeel van de nicotine. Op een gegeven moment vroeg hij mijn toestemming om het envelopje met geld aan zijn vrouw te geven. ‘Natuurlijk, het is voor u.’ Zij was er heel blij mee en kwam me later bij het afscheid achterna om me nogmaals te bedanken.

Aan de muur hing een ets die de Duitse schrijver en beeldend kunstenaar Günter Grass aan Pramoedya had geschonken: de afbeelding van een haan, rebels en triomfantelijk ten hemel kraaiend. Bij een volgend bezoek liet Pram me een brief van de cineast Joris Ivens zien, die zijn bewondering uitsprak voor Aarde der mensen en zich afvroeg of hij ooit iets had geschreven over Indonesia calling (1946), Ivens’ documentaire over de staking van Australische havenarbeiders uit protest tegen de Nederlandse rekolonisatie van Indonesië. Ivens’ Nederlandse paspoort was toentertijd ingetrokken en hijzelf was tot persona non grata verklaard, een status die pas in 1985 zou worden opgeheven.

Pramoedya heeft niet over Indonesia calling geschreven, maar wel speelt zijn vroege proza uit de jaren veertig en vijftig zich veelal af in de tijd van de Indonesische Revolutie. Hij had daar zelf actief aan deelgenomen, als lid van een paramilitaire organisatie, totdat hij in juli 1947 in Jakarta werd gearresteerd. Hij werd vervolgens door de Nederlandse autoriteiten in de gevangenis Bukit Duri geïnterneerd, waar hij kans zag door te werken aan zijn verhalen en novellen. Pas na de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 werd hij vrijgelaten.    

Aan het einde van mijn eerste bezoek zei Pramoedya me: ‘U bent altijd welkom hoor.’ Hij liep met me mee om me een kortere weg te wijzen, die via allerlei steegjes en achtertuintjes naar een hoofdweg leidde waar ik al snel een taxi kon aanhouden. Ik ben hierna nog vele malen bij Pramoedya langs geweest, en we spraken alleen nog Indonesisch met elkaar. Soms bracht ik schrijvers, journalisten of wetenschappers bij hem en diende dan als tolk.

In maart 1987 ging ik met de latere Multatuli-biograaf Dik van der Meulen naar Pramoedya. Dik stelde een vraag over de bewondering van generaal Van Heutsz voor Multatuli, zoals die naar voren komt in Voetsporen, de derde roman van de Buru-tetralogie. Hij was verbaasd toen Pramoedya verklaarde dat ook híj grote bewondering had voor Van Heutsz. Van Heutsz! De man die in Nederland werd gezien als de koloniale schoft die Atjeh op bloedige wijze heeft onderworpen – de man wiens monument in Amsterdam herhaaldelijk werd beklad (en in 2004 omgedoopt tot het Monument Indië-Nederland).

Pram argumenteerde dat Van Heutsz toch de man was die de Ethische Politiek had ingevoerd, geheel in de lijn van Multatuli; en ook, in 1906, de persvrijheid. Bovendien had hij met zijn Pax Neerlandica Nederlands-Indië tot eenheid gesmeed, waarna het werd bestuurd als een unitaire staat. Dat Pramoedya wars was van in Indonesië vigerende clichéopvattingen bewees hij met zijn statement dat ‘overheersing van autochtonen door autochtonen wordt genegeerd’, en dat genocide was bedreven door zowel Nederlanders als Indonesiërs.

Op de foto, van links naar rechts: Kees Snoek, Pramoedya Ananta Toer en diens vrouw Maemunah Thamrin.

Kees Snoek

Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

 

Voorbij het binaire (Bericht vanuit een toekomst)

Een community zit rond het vulkanische vuur. Het zijn warme tijden. Hoeveel graden meer ten opzichte van wat jij nog steeds ‘jouw tijd’ noemt, weet ik niet. Het doet er ook niet toe. Vandaag is het mijn beurt om een verhaal aan iemand op te dragen. Dit verhaal is voor jou.

Ik reik je metaforen aan, maar misschien begrijp je ze niet. Niet écht. Pas na ‘jouw tijd’ ontdekten we hoe krachtig metaforen zijn. Jij zegt: ‘jouw tijd’, alsof je tijd werkelijk kunt bezitten. Alsof je ooit een prime had en het daarna is afgelopen. Natuurlijk, we zijn nog steeds sterfelijk. We zijn mensen. Maar jij bent zo geobsedeerd door tijd, door dood. Tijd is geen rottingsproces. Tijd iszijn.

Sinds Quantum- en Kosmosbit vormt ons bestaan zich niet langer vanuit 0 of 1. Dood of leven. Uit of aan. Er is een derde keuze: uit én aan. Tegelijkertijd. 0 en 1 gewoon bovenop elkaar geplakt. Een vorm van zijn die in ‘jouw tijd’ slechts aarzelend bestond. Het was afwijkend, vreemd. Maar stel je voor hoe eindeloos veel mogelijkheden er bijgekomen zijn. Dit is een wereld van én én én.  

In ‘jouw tijd’ was dit nog regelrechte ketterij. Zelfs Einstein was geschokt door de verstrekkende consequenties van het quantumwereldbeeld waar hij zelf aan had bijgedragen; een heelal wordt geregeerd door waarschijnlijkheden en omstandigheden. Nu weten we: alle materie wordt beïnvloed door context. En dus dragen wij zorg voor onze omstandigheden en omgeving.

Alles is fluïde geworden, zoals tijd en al het andere. IJs is water geworden en steen spuwt als vuurfontein uit het binnenste van onze aarde omhoog.  De werkelijkheid bleek anders dan eeuwenlang aangenomen. Nu zijn lichtsnelheid noch menselijke maat leidend.

In onze quantumtijd zijn wij voorbij het binaire. We zijn gestopt met denken in ‘wij’ en ‘zij’. Er bestaat alleen ‘dit’ (geen ‘dat’). We spreken over ‘het’ en ‘een’ (niet ‘de’). Ik klapper zacht met mijn droogvriesvleugels van suikerspin en lach. Ondanks snelwegen van grafeen kunnen we niet op twee verschillende plekken tegelijk zijn, maar ‘hier’ is niet dichterbij of verder weg dan ‘daar’. Het is gewoon iets anders. We zijn gestopt met denken in ‘man’ en ‘vrouw’. Natuurlijk zijn er nog wel geslachtsdelen – we geven er alleen minder betekenis aan.

Niets is heilig en daardoor is niets hoger of lager dan iets anders. En met hiërarchie verdween ook schaarste. Geld, eten, spullen worden naar behoefte verdeeld. 

Een lachje verraadt je gedachten, ik zie ongeloof op je gezicht. Jij houdt dit alles niet voor mogelijk. Jij denkt: verhalen zijn slechts metaforen en woorden kunnen niet verwonden. Seksisme bestaat, denk jij, omdat er nu eenmaal mannen en vrouwen zijn. Racisme bestaat, denk jij, omdat mensen zich nu eenmaal onderscheiden van elkaar. Maar wat jij chaos noemt is ook een schitterende reeks mogelijkheden.

Natuurlijk is het eng jouw harde grenzen, jouw zekerheden te zien veranderen in onzekerheden. Ik benijd mensen in ‘jouw tijd’ niet. Want het leven blijkt zo veel makkelijker. Besteed je energie niet langer aan het onderwerpen van anderen. Stel je een wereld voor waar meervoudigheid in gelijkwaardigheid mogelijk is. 

Ja, we worden geteisterd door hitte, door kou en gebergten van tsunami’s. Het water neemt zoals het water geeft. Maar onze wereld wordt ondersteund door een lichte vrolijkheid, zoals aerokracht waarop onze huizen hubben. We hebben zwaartekracht overwonnen, dus waarom niet onszelf? Omniversiteit is niet moeilijk. Het is licht en vrij.

Wil je proberen het je voor te stellen? Dit is het vermogen van metaforen: als voldoende wezens het zich werkelijk voorstellen, wordt het waar. Omarm een inherente vreemdheid van een mogelijke quantumwereld. Eis niet langer antwoorden, maar vragen. Want zo lang er een vraag kan volgen op ieder antwoord, is het einde van ons verhaal nog niet bereikt. Ik leg mijn vleugels af en neem een hapje. Morgen zal ik nieuwe spinnen.

(Met dank aan Floor Houwink ten Cate, Benjamin Moen en Fannah Palmer. Geïnspireerd op ‘The Ones Who Stay and Fight’ van N.K. Jemisin, uit de bundel How Long ‘til Black Future Month, 2018.)

Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

Waarom is Erdogan kwaad op Macron en Wilders? Zijn de Turken dat ook? (III)

Biedt het binnenlandse krachtenveld in Turkije voldoende borg voor concentratie van macht? (2)

In de vorige blog heb ik gesteld dat de democratische driehoek in Turkije niet werkt, omdat de staat hierin teveel macht bezit. De politieke partijen die de staatsmacht weten te verwerven hebben altijd een grote voorsprong gehad om hun macht ten koste van de twee andere spelers van de democratische driehoek te verbreden, te weten: de burgermaatschappij (maatschappelijk middenveld) en de markt (de economie).

De AKP van Erdogan vormt hierop geen uitzondering. De vraag is hoe het komt dat zijn partij al negentien jaar onafgebroken aan de macht kan blijven en dat hijzelf nog altijd ongekend populair is – zelfs al laten de laatste twee jaar een afname van zijn populariteit zien. Sinds de invoering van het meerpartijenstelsel in 1950 zijn, enkele korte perioden nagelaten, rechts-conservatieve partijen aan de macht geweest; links heeft bij hoge uitzondering staatsmacht weten te verwerven. Geen van die partijen heeft echter het succes van Erdogan kunnen evenaren. Het geheim ligt in de wijze waarop de AKP patronage aanwendt, een type relatie waarbij een patron (baas) gunsten aan zijn cliënt verleent in ruil voor diens loyaliteit.

Met nog altijd een flink aandeel in de financiële sector, en in bossen, weilanden en percelen rond steden, is de staat niet alleen de machtigste speler in de democratische driehoek, maar tevens een aantrekkelijke bron voor patronage.

Ook  Erdogans voorgangers maakten gretig gebruik van patronage. Om stemmen te winnen verhoogden ze, vlak voor de verkiezingen, vaak de prijzen van landbouwproducten om de gunst van de boeren te winnen. Soms kondigden ze ook een generaal pardon af voor nieuwe immigranten, de boeren die door de modernisering van de landbouw verarmd raakten en hun heil in de grote steden zochten. Zij bouwden vervolgens illegaal huizen op de staatsgronden rond de steden. De verstedelijking, sinds 1950 een permanent verschijnsel in Turkije, bleek een vruchtbare bron van patronage. Meestal pakte zo’n pardon slechts gedeeltelijk in het voordeel uit van de rechts-conservatieve partijen die hem introduceerden. De  immigranten kwamen in hun nieuwe omgeving in aanraking met linkse ideeën en stemden vervolgens meestal op de linkse partijen.

Erdogan werd in 1994 burgemeester van Istanbul, en zijn partijgenoten wonnen de lokale verkiezingen in de meeste steden. Zijn partij behaalde anno 2002 de absolute meerderheid in het parlement en stelde de staatsgronden rond de steden gratis of tegen zeer geringe kosten beschikbaar voor de arme dorpelingen die van het platteland naar grote steden bleven emigreren.

Met dank aan actieve en gemotiveerde vrijwilligers bouwde Erdogan een zeer functioneel netwerk op en zette het in voor patronagedoeleinden, zoals armenzorg en het aanbieden van banen bij de gemeente. Dankzij dit netwerk voorkwam hij dat zijn achterban zich van de partij vervreemde en op linkse partijen ging stemmen. De vrijwilligers bleven zich ontfermen over de nieuwe inwoners en wisten hen blijvend te binden aan de partij, uiteraard in ruil voor stemmen. Deze binding bleek zeer functioneel en duurzaam en ligt aan de basis van het aanhoudende succes van de partij.

Patronage zorgt er niet alleen voor dat de gunstverlener (de staat) meer macht heeft, maar ook dat de belangen van de drie spelers van de democratische driehoek in elkaar overvloeien. Een goed voorbeeld is de bezitsstructuur in de media. De meeste kranten en de particuliere tv-zenders – die bij uitstek onderdeel van de burgermaatschappij uitmaken en bij voorkeur onafhankelijk werken – zijn in handen van holdings die voor hun groei afhankelijk zijn van de staat, bijvoorbeeld voor aanbestedingen. Zij voeren zelfcensuur in om deze overheidssteun niet mis te lopen.

Zo ontstaat er een belangenverstrengeling tussen de drie spelers. Dit belemmert transparantie en autonomie, twee wezenlijke kenmerken van een goed functionerende democratische driehoek.

In het volgende blog sta ik stil bij de onschendbaarheid van de staat en de leiderschapscultus als twee verdere verklaringen voor het voortdurende succes van Erdogans AKP.

De foto is genomen in Sultanbeyli, een nieuw district in het Aziatische deel van Istanbul. Sultanbeyli is uit het niets ontstaan tijdens de AKP-periode, met dank aan de immigranten uit alle delen van Turkije die er op staatsgronden huizen bouwden. Het inwonertal in 2020 was 343.318.

Kerim Göçmen

Kerim Göçmen werd in 1957 geboren in Izmit, een stad ten oosten van Istanbul. Hij bracht zijn jeugd door in diverse plaatsen in Turkije, waar zijn vader het ambt van rechter uitoefende. In 1974 begon hij met de studie werktuigbouwkunde in Ankara. Drie jaar later kwam hij op uitnodiging van zijn tante naar Nederland. Hij veranderde van studie en koos voor politicologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.  Het geheim van de kromme neuzen was zijn debuut, daarna verschenen Rode kornoeljes en Kroniek van mijn schoolvakanties.

Blijven geven

Hoewel ik mezelf nooit als een volhouder zou typeren, begint het er toch op te lijken dat ik er een ben. Mijn nieuwe boek komt uit in juni, en op dit moment verwerk ik de opmerkingen die tweede lezer Marko in het manuscript heeft gepend.

Vanwege de omstandigheden kreeg ik geen pak papier, maar een scan van zijn redactiewerk. Een geluk, omdat ik even bang was geweest een exemplaar te krijgen dat met review in Word zou zijn gedaan. Marko’s fijne steno-achtige symbooltjes zijn een genot op zich. Ik gebruik die zelf ook als ik werk van mijn studenten nakijk, en geniet er dan al zo van.

Marko is goed en dat wist ik natuurlijk, maar ik vind het leuk om het hier te melden. Al met al ben ik vijf jaar met dit boek bezig geweest, en het veranderde in die tijd van een gotisch epos in een beknopte roman. Dorp is er beter op geworden.

Na het verwerken van de suggesties en verbeteringen wil ik het begin nog eens aanpakken. De wijziging die ik voor ogen heb trekt alle lijnen ronder, maakt het verhaal van meet af aan dwingend. Die ingreep zal weer continuïteitsproblemen geven in de rest van de tekst die moeten worden aangepakt, waarna ik het geheel toch nog één keer zal willen lezen.

Elk boek hebben ze me bij Van Oorschot uit de handen moeten trekken. Nooit voelde het echt klaar. Als de laatste deadline straks nadert zal ik nog steeds voelen dat het beter kan. Na het doen van de correcties met die goeie Jaap, toch een beetje de bassist van de band, zal het luik opeens dichtvallen. De wereld die ik heb gemaakt, daar kan ik dan niet meer in terug. Zoals altijd zal het een bevrijding en een afscheid zijn.

Ik zal me een paar dagen doodmoe, maar aangenaam vrijzwevend voelen. Snel daarop volgt dan de spanning. Zal dit boek gezien worden voor wat ik voel dat het is? En daarna: zullen genoeg mensen dat zien?

Wat het antwoord daarop ook is, het zal tegenvallen. Alle lof over mijn werk voelt onbetrouwbaar. Als ik eerlijk ben voelt het vooral als te weinig lof.

Misschien komt dat door de prijs die we betalen. Ik houd van dit leven, begrijp me niet verkeerd. Ik zou niet anders willen, maar schrijven is zowel het mooiste als het moeilijkste wat ik ken.

Kan. Het mooiste wat ik kan, had ik moeten zeggen.

Zie je nou wel dat het goed is om er nog één keer doorheen te gaan?

Beeld: Lauren Mae Murphy

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

De dijk bleek afgegraven

Vlak bij mijn huis, langs de Waal, ten westen van Millingen en Ooij, ligt natuurgebied Millingerwaard. Millingerwaard is ongeveer 800 hectare groot en omvat bosreservaat, honderden schietwilgen, moerassen, oppervlaktewater en zandverstuivingen.

Het is het eerste natuurgebied in Nederland waarin ik ooit verdwaalde.

Het gebeurde de tweede keer dat ik er ging wandelen. De eerste keer was ik vanaf Kekerdom een korte wandeling gaan maken. Ik was alleen aan het begin van het gebied gebleven: de ijzeren poort door en over het verhoogde pad naar de Flevopost, een grijs vogelhuisje dat uitkijkt over het water. Toen begon het te regenen, dus ik kroop dieper mijn jas in en ging snel terug naar de auto.

De tweede keer stak ik het water over, dieper het gebied in. De grote schietwilgen maakten plaats voor moerassen met kleinere bomen, velden vol brandnetels en riviertjes waar ik sporen vond van Galloways en Konik-paarden. Ik had de tijd en liet me door het natuurgebied opslokken. Ik merkte dat ik steeds verder van de paden week, maar dat maakte me niet uit. De bomen riepen me, ergens in de verte hoorde ik de Waal ruizen, een paard hinniken. Ik rook grond, smeuïge klei, en mijn schoenen bleven hangen in de dikke laag drek. Het was een kille dag, er was geen zon te zien. De lucht was enkel een grijs vlak en ik raakte gedesoriënteerd, verloor mijn gevoel voor tijd en belandde in de kern van het gebied.

Deze kern was een plek zonder menselijke sporen, zonder tekens van het menselijke leven. Het was het natuurgebied en ik, de schietwilgen en ik, het zompige moeras en ik – verder niemand. Ik ging tussen de bomen liggen, voelde grondwater mijn kleren in trekken en greep met mijn vingers in het gras.

Hoe lang het duurde weet ik niet meer, maar op een gegeven moment raakte ik in paniek. Ik stond vlug op en vroeg me af waar ik was, hoe ik ooit nog thuis moest komen. Ik begreep niet goed hoe ik in deze grillige kern was beland en begon te lopen.

Er wonen een stuk of twintig mensen in het gebied en ik dacht te weten dat hun huizen zich aan de kant van de Waal bevonden. Ik wist dat er een pad liep van de rivier naar de uitgang. Dus ik ging op zoek naar die huizen.

Ik zweette en probeerde me steeds sneller voort te bewegen, omdat ik de kern voelde trekken als een magneet. Het was alsof het gebied me aan mijn capuchon terug wilde slepen naar het midden, naar die plaats zonder mensen, om me opnieuw te laten voelen hoe onbelangrijk ik eigenlijk ben.


Uiteindelijk vond ik de weg terug. Op Google Maps zag ik een dijk die me terug naar de bewoonde wereld zou brengen, maar toen ik aankwam op de plek waar de dijk zou zijn, bleek die afgegraven. Ik moest een omweg nemen van een uur om terug te komen waar ik was begonnen. Op mijn terugtocht viel het me pas op dat er een gigantische machine midden in het water stond. Een soort hijskraan met uiers eronder. Opeens zag ik ook hekken, en borden met ‘pas op drijfzand’ erop.

Eenmaal thuis zocht ik informatie op over Millingerwaard: ik probeerde vanachter mijn laptop te begrijpen wat er die middag was gebeurd.

Ik las dat Millingerwaard een natuurontwikkelingsgebied is. Uitgekozen door de mens om te ‘verwilderen’. Ik voelde me in de maling genomen. Mijn authentieke natuurervaring was bewust gecreëerd.

Er zijn mensen die hebben besloten dat ik me in dit gebied één met de natuur mag voelen. Dezelfde mensen hebben in 2013 besloten dat Millingerwaard heringericht wordt, dat er een dijk weggegraven mag worden – dat de natuur iets is om te cultiveren. Daar zijn ze tenslotte al jaren mee bezig.

Willemijn Kranendonk

Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.

Ik kwam hier vroeger nooit

Ik ben een brave jongvolwassene. Ik feest niet, ik shop niet, ik groepssport niet. Nauwelijks ga ik meer bij vrienden langs, en elke keer als ik dan toch thuiskom van zo’n bezoek voel ik een placebo-vernauwing in mijn ribbenkast.

Wat is er dan nog? Wandelen. Dus dat doe ik. Ik woon op de NDSM-werf in Noord – daar is zonder horeca weinig meer van over. Mijn meest frequente rondje loop ik langs de werkzaamheden bij de pont, via het graffititerrein langs het water, voorbij coffeeshop Funny People, de Klaprozen-brug over, en dan langzaam het mooie nieuwe huizenblok door. Dat is stiekem mijn eindbestemming, mijn doel. Zo subtiel mogelijk spiek ik de luxe keukens en eetkamers in. Moeilijk is dat niet: de meeste zijn een en al goedgewassen raam. Ik snap het. Ik zou ook al die minimalistische pracht met elke langsloper willen delen. Het wakkert iets in me aan: een huisje-, boompje-, beestjesinstinct. Een verlangen naar comfort en een gebrek aan financiële zorgen. Het haute-Ikea pretpark duurt echter maar vijf minuten: daarna loop ik terug naar mijn studentenflat, over een kleurrijk maar verlaten industrieterrein.

Een week of twee geleden las ik Jij hebt ons niet ontdekt, wij waren hier altijd al, van oer-Noorderling Massih Hutak. Hij beschrijft er de gentrificatie van Amsterdam Noord, en vergelijkt dit met bijna elke andere grote Westerse stad. Overal gebeurt hetzelfde. Ik woonde voor mijn studie een jaar in Williamsburg, Brooklyn, waar de helft van de bewoners bestond uit jonge hipsters in Balenciaga-sneakers, en de andere helft uit Latijns-Amerikaanse vrouwtjes met rolkarretjes. Om en om liep ik er langs drukbezette wasserettes en $6-espressozaken.

Wat me het meest is bijgebleven uit Hutak’s boek is het volgende feit: die jongens op straat met speakers en sigaretten, die witte mensen zo verdacht vinden, zijn bang voor blonde bakfietsmoeders. In de eerste instantie deed dit me denken aan de semi-geruststellende opmerking, ‘Muizen zijn veel banger voor jou dan jij voor hen.’

Maar Hutak legt het uit: de aanwezigheid van deze bakfietsmoeders betekent dat de wijk verandert, zonder dat de originele bewoners betrokken worden bij de veranderingen. En dat terwijl zij die wijk gebouwd hebben, voorzien hebben van cultuur en winkels en een gemeenschap. Bovendien werd deze wijk tot voor kort nog bestempeld als buitenwijk – gevaarlijk, ontoegankelijk, of, bijna net zo erg: onbelangrijk. Verwaarloosbaar. En verwaarloosd werd alles daar, tot de kunstenaars er kwamen, en toen de pop-up stores, en toen… de bakfietsen.

Iedereen kent dit fenomeen wel. Voor Noord was het de Indische Buurt, daarvoor de Pijp, daarvoor de Jordaan, en in elke andere stad gebeurt het. Maar waar ik niet zeker over ben, is mijn eigen positie hierin. Ik kom uit Amsterdam Zuid, ik ben werkzaam in de cultuursector, en mijn (groot)ouders zijn hun land niet ontvlucht. Ik ben de middenklasse… denk ik. Maar ik ben ook een student zonder stufi en met huurtoeslag, ik heb één immigrantenouder van kleur, en ik denk niet dat ik ooit zo’n huis aan de Klaprozenweg zou kunnen betalen.

Aan de andere kant (pun intended): ik kwam hier vroeger nooit. Ik kan me één keer herinneren dat ik in Noord was, voor ik er als student ging wonen. Onze geschiedenisdocent nam ons mee op een excursie op de fiets, helemaal van Zuid naar Noord. We kwamen uit bij een boerderij en leerden daar over terpen en veengrond, geloof ik. Dat bevestigde wat ik dacht te weten over Noord: boerenland. Hoe kon dat nou Amsterdam zijn?

Ik kwam hier niet omdat het hip was, maar omdat er studentenkamers beschikbaar waren. Eerst vond ik het niks, zo ver weg. Het is pijnlijk om toe te geven dat het steeds leuker werd om in Noord te wonen. Van de zomer ‘ontdekte’ ik het Twiske, waar het natuurlijk al bomvol was. Dat was wanneer ik me realiseerde dat ik toch echt wel deel van het probleem uitmaak.

Misschien ben ik het bangst voor mezelf. Ik wil niemand wegjagen. Ik weet dat de originele bewoners me aanzien voor wit, dus ben ik dat ook. En tegelijkertijd ook weer niet. Maar goed, ik beoordeel ook iedereen die ik tegenkom op hun uiterlijke kenmerken, en ik weet dat die van mij op de schaal van immigrant tot bakfiets dichterbij het laatste staan.

Voor nu is alles wat ik weet te doen: vriendelijk glimlachen naar iedereen. Evenveel afstand houden van elke voorbijganger. Doen alsof ik niet teveel nadenk over mijn eigen positie in een multiculturele, maar toch wel gesegregeerde wijk. Er bakfietst een moeder met een afro langs. Ik ben niet de enige op het midden van de weegschaal. Mijn enkellange zwarte winterjas – van een Salvation Army in Brooklyn: plaats die maar eens ergens – wappert achter me aan in de strenge Noorderwind.

Fannah Palmer

Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

Harmon, Karpov en Kasparov

In de kerstvakantie doken ze opeens op in huize V, de schaakspelen: een groot bord met officiële Staunton-stukken, een magnetisch miniatuurexemplaar van Sovjet-fabricaat, digitale op phones en tablets. De eerste twee hadden al decennia het levenslicht niet gezien, maar waren dankzij de avonturen van Beth Harmon in de Netflix-serie The Queen’s Gambit afgestoft en opeens het middelpunt van de aandacht van de kinderen en mijzelf, die in wisselende combinaties tegen elkaar speelden. Mijn jongste deed prompt haar spreekbeurt over schaken.

Ik was vergeten hoe fascinerend het spel is, hoe het je helemaal kan opslokken en obsessie op de loer ligt. Mijn eigen schaakgeschiedenis begon in 1978 ten tijde van de match om de wereldtitel tussen Karpov en Kortsnoj, een door Koude Oorlog-intriges omgeven, maandenlang uitgerekte nagelbijter, waarvan ik de partijen naspeelde uit de krant zonder er veel van te begrijpen. Ik had bij gebrek aan schakende ouders en vriendjes mezelf het spel geleerd en werd kortstondig lid van een club, waar ik het pionnen- en toren diploma haalde (voor het koningsdiploma ben ik nooit gegaan, al herinner ik me het theoretisch eindspel van ‘paard en loper tegen koning’ wel te hebben bestudeerd). Helaas speelde ik er nooit tegen de blindspeler, van wie werd beweerd dat hij tot de wereldtop behoorde en wiens vingers krioelden over een miniatuurspelletje dat naast het wedstrijdbord stond, terwijl zijn geleidehond aan zijn voeten lag. In dezelfde tijd nam mijn vader na een reis naar de Sovjet-Unie behalve een magnetisch spelletje ook een door wereldkampioen Anatoli Karpov gesigneerd schaakboek mee (prachtige hard linnen omslag, papier van krantenkwaliteit aan de binnenkant). Het was mijn eerste schaakperiode, die naar ik schat een jaar of twee duurde. Hierna volgden incidenteel potjes op de middelbare school, tot ik in mijn studententijd weer veel met een vriend speelde en voor een studentenvereniging een simultaan organiseerde met een sterke Utrechtse speler. Daarna verdween het spel decennialang weer uit mijn leven. Ik kon blijkbaar heel goed zonder schaken.

Tot afgelopen kerst. Voor schaken heb je inmiddels niemand meer nodig aan de andere kant van het bord of boek om partijen na te spelen. Apps laten je op ieder moment van de dag spelen tegen spelers van eigen niveau, van Azerbeidzjan tot Argentinië. Instagram geeft je iedere dag nieuwe schaakproblemen en tientallen YouTube-kanalen verzorgen lessen en analyseren toppartijen. Op chess.com is het mogelijk de partijen van je (op één na) favoriete The Office-acteur na te spelen met analyse en hem uit te dagen voor een partij (hier legt hij het na een blunder in de opening snel af tegen wereldkampioen Magnus Carlsen). Deze mer à boire maakt schaken tot de ultieme lockdown-bezigheid. Ik had na enkele dagen tientallen vluggertjes gespeeld en zit inmiddels op zowat 300, zweef zo’n beetje rond ELO 1200 en vraag me af hoeveel verbetering er nog inzit. Paradox: ik heb het gevoel dat ik tactisch en strategisch sterker speel dan vroeger maar tegelijkertijd met mijn ageing brain meer blunders maak.

Maar wat ik vooral heb gemerkt is dat dit schaken tegen de klok heel iets anders is dan caféschaak. Het brengt een gevoelservaring met zich mee die ik nergens anders heb: je brein gaat in overdrive, je hartslag verhoogt zich en je maakt stresshormonen aan. Sport kan je in die staat van fysieke opwinding brengen, schrijven in die van opperste concentratie, maar de twee gaan nergens anders samen dan in het schaken. Het is een gevoel dat misschien niet zozeer prettig te noemen is maar wel verslavend is. Schaken werd zo weer een obsessie. Net als Luzhin in Nabokovs roman en Beth in de serie begon ik op zeker moment overal schaakpatronen te zien: in badkamer- en stoeptegels, ’s nachts op mijn netvlies. Winstpartijen zorgden voor hoogmoed en incorrecte stukoffers, verliespartijen voor een koppigheid die slechts leidde tot meer verliespartijen. Vooral ging schaken ten koste van schrijven en lezen. Ik verwijderde de app van mijn telefoon, zette hem er enkele dagen later weer op, hopend dat schaken dan godbetert misschien nog een gunstig effect zou hebben op de plotontwikkeling van mijn tweede roman.

Toch vermoed ik dat ook deze schaakobsessie geen stand zal houden. Ik heb me afgevraagd waarom. Het schaakspel is een prachtig, maar ook steriel universum. Het is een wereld die niet zintuiglijk, niet talig is, die mist wat John Updike ‘the fuzzy texture of everyday life’ noemt. Ik liet het schaken steeds weer achter me om dezelfde reden dat ik wiskunde liet vallen zo gauw het kon. Ook was de schaakwereld een mannenbolwerk met een hoger dan gemiddeld nerd-gehalte. Dat wordt gelukkig steeds minder. Ik voorspel dat er binnen vijfentwintig jaar een vrouw tot de wereldtop zal doordringen en zij de naam Beth zal dragen.

Ik was reeds in het bezit van de handtekening van Anatoli Karpov, met zijn grote nemesis Gary Kasparov kwam het tot een soort ontmoeting rond 2000 toen ik tijdens mijn pauzewandeling van mijn werk op de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels aan het Koningsplein midden in een toernooi belandde waar de wereldtop verzameld was. Welk toernooi? Waar precies? Het staat me in ieder geval bij dat het een bankgebouw was. De Britten Nigel Short en John Nunn waren er; Vassily Ivantsjoek, die nu en dan gepijnigd, alsof hij last had van obstipatie, van zijn bord de zaal inkeek; Jan Timman, ooit ‘Best of the West’, die het podium opkwam met een tas van boekhandel het Martyrium, en ik dacht: wat een heerlijk bohémienachtig leven hebben die schakers toch met hun reizen en vrije ochtenden, museumbezoek en wat couleur locale proeven voor je het openingsrepertoire van je tegenstander al dan niet samen met je secondanten bestudeert (Timman heeft eens gezegd dat het ontsnappen aan een burgerlijk bestaan een van de redenen was dat hij voor een schaakcarrière koos). Ook acte de présence gaf Gary Kasparov, de GOAT, het alfamannetje. Ik herinner me een overdaad aan energie en een haast tastbare denkkracht: opstaan van zijn bord om te ijsberen, diep gepeins afgewisseld met zeer snelle zetten. De toegang was gratis, de zaal maar halfvol, en als ik het had gewild had ik op de eerste rij kunnen gaan zitten op enkele meters afstand van de wereldtop. Ik nam het allemaal tot me, proefde van de sfeer en probeerde de partijen op de grote borden te doorgronden, maar moest op zeker moment gaan en bezocht op weg naar buiten nog even het toilet. Ik stond aan het urinoir toen er iemand naast me plaatsnam. Ik hoorde een soort snuiven, proefde een overdaad aan energie, maar omdat opzij kijken in zo’n situatie not done is wachtte ik tot mijn buurman klaar was en stond vervolgens achter hem terwijl hij zijn handen waste. Het was inderdaad de GOAT, Gary Kasparov. Ook dat deed hij snel.

Op de foto rechtsboven: de stand na Beths dameoffer in de laatste partij tegen Borgov.

Gregor Verwijmeren

Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.

De ernst

Een nog nauwelijks beschreven gevolg van de pandemie waar ik de laatste dagen met mijn neus op gedrukt word is toch wel de geleidelijk toegenomen ernst. Alsof er elke dag dat deze ellende voortduurde een klein gewicht in mijn zakken is gestopt, een invers-zakenrollen dat je – zoals bij een echt bedreven zakkenroller – pas bemerkt als je thuiskomt en je feestmuts opeens niet meer past.

Vriend Rob Waumans stuurde me de foto hiernaast, genomen tijdens een van onze buitenborreltjes die me de afgelopen maanden feitelijk op de been gehouden hebben. Ik werd mijn toegenomen ernst pas echt gewaar toen ik mezelf zo zag schateren. Alles van waarde is weerloos, staat er op mijn armen, en wie me ernaar vraagt vertel ik dat die zin vooral een memo voor mezelf is: houd je ogen open, de echt waardevolle dingen verdwijnen het makkelijkst onder de voet.

In het licht van de grote problemen – leven en dood, je weet wel – lijkt het geen noodzakelijk iets, zo’n middag hangen met de mensen die je vanuit je tenen kunnen laten lachen; een paar uurtjes boven de shit uit stijgen. Als zo’n dag een tijdje niet gebeurt ga je het normaal vinden. Je zegt vrienden die ernaar vragen dat je oké bent, terwijl dat al heel lang niet meer zo is.

Dat zijn dus die kleine gewichten, maar het is evengoed het wegvallen van een opwaartse druk.

We vallen al een jaar en hebben het veelal niet door.

Ik mis jullie. Ik mis ons. Waar ís iedereen toch?

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Flophuis

Vancouver kampt net als Nederland met een huizencrisis. Als student is het bijna onmogelijk een betaalbare kamer te vinden, en de huurprijzen voor een appartement met één slaapkamer zijn gelijk aan die voor een appartement in Amsterdam-West of het Haagse Zeeheldenkwartier. De koopprijs voor eenzelfde appartement start vanaf een half miljoen Canadese dollar – ongeveer €350.000.

Iets zuidelijker, in San Francisco, is het tekort aan betaalbare woningen, zelfs voor goedverdienende tech bro’s, al zo schrijnend dat pods hun opmars maken. Dit zijn gedeelde slaapzalen voor ongeveer acht tot tien mensen, waar ieder een bed huurt. Voor $1200 per maand ben je lid van de app PodShare waar je een bed voor één nacht of langer kan reserveren. Het wordt vooral gebruikt door mensen die buiten de stad wonen en werken in de tech-industrie, en door studenten die net zijn geëmigreerd.

Pods zijn niet nieuw, maar gemodelleerd naar flophouses. Deze schaars ingerichte slaapgelegenheden waren vanaf de late 19e eeuw tot de Tweede Wereldoorlog het goedkoopste alternatief voor buiten op straat slapen. In Noord-Amerika waren flophouses te vinden in de grote steden waar pas-aangekomen immigranten en seizoenarbeiders tijdens de wintermaanden verbleven. In Vancouver, dat gesticht is rond een aantal houtzaagmolens en het eindstation van de transcontinentale Canadian Pacific Railway, waren flophouses onderdeel van de stadsdynamiek en nodig om de vele seizoenarbeiders te huisvesten.  

In de loop van de 20e eeuw vervingen de zogenaamde single room occupancy-kamers (SRO’s) de flophouse slaapzalen. In plaats van een bed op zaal huurde je een kleine kamer in een residential hotel met gedeelde sanitaire voorzieningen. Ondanks de woonhervormingen en welvaartstijging vanaf 1950 zijn SRO’s niet uitgestorven: er waren in 2019 nog 146 SRO’s in Vancouver.

Een SRO is vaak de enige mogelijkheid voor mensen die kampen met lage inkomens, verslavingsproblemen, mentale gezondheidsklachten of een combinatie daarvan. Terwijl in andere stadsdelen van Vancouver meer miljoenenappartementen uit de grond worden gestampt, verkeren de meeste SRO’s in erbarmelijke staat met vochtproblemen, instortingsgevaar en een hoog risico op brand. De gemeente probeert de SRO’s te sluiten, maar kan door de aanhoudende huizencrisis geen alternatief bieden aan de huurders. Hierdoor belanden de meesten na verplichte evacuaties op straat.

De pods lijken met hun vers opgemaakte bedden en moderne uitvoeringen van Scandinavische vintagemeubels in eerste instantie niet op flophouses of SRO’s. De stapelbedden van steigerhout en betonnen gietvloeren geven ze eerder de uitstraling van een hip hostel.

Naast het uiterlijke onderscheid komt de belangrijkste tegenstelling naar voren in de doelgroep van PodShare. Het bedrijf richt zich op jonge hoogopgeleiden, zogenaamde global citizens, met reclameteksten als ‘niet vast zitten aan een huurcontract’ en ‘elke dag nieuwe vriendschappen sluiten met wisselende huisgenoten’. Deze marketingstrategie legt de nadruk op het avontuurlijke en sociale van minimaal wonen. Het doet denken aan backpacken, maar dan in je eigen stad. Het is een keuze in levensstijl. Daarentegen is wonen in een SRO geen keuze, maar een laatste redmiddel om te schuilen voor de buitenwereld. Het is één traptrede verwijderd van dakloos zijn, dat cynisch zou kunnen worden omschreven als permanent backpacken.

Mira Aluç

Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.

Waarom is Erdogan kwaad op Macron en Wilders? Zijn de Turken dat ook? (III)

Biedt het binnenlandse krachtenveld in Turkije voldoende borg voor concentratie van macht? (1)

In mijn vorige blog heb ik geopperd dat het zeer assertieve buitenlandbeleid van Turkije niet alleen verklaard kon worden door de expansiedrift van Erdogan. Mijn these luidde dat Erdogan de ruimte benutte die het internationaal systeem bood door de opkomst van China als wereldmacht, en het uiteenvallen van de Sovjet Unie, evenals het Warschaupact.

Ook de binnenlandse politiek biedt hem een behoorlijke manoeuvreerruimte. Hij en zijn getrouwen, net als zijn voorgangers, putten uit een traditie. Een traditie die de staat onschendbaarheid verleentenvan patronage voorziet, leiderscultus in stand houdt en niet bevorderlijk is voor de democratische driehoek.

Om met het laatste te beginnen: deze door Anton Zijderveld geïntroduceerde term duidt op een driehoeksverhouding. Deze driehoek bestaat tussen de staat (de overheid), de markt (de economie) en de burgermaatschappij (het maatschappelijk middenveld). In de ideale situatie heeft elke speler een eigen domein, maar is tevens afhankelijk van de andere twee spelers om goed te kunnen functioneren.

De democratische driehoek functioneert dus optimaal als de spelers elkaar in evenwicht houden. Met andere woorden: geen van de drie mag oppergezag over de andere hebben. Dit is alleen mogelijk zolang de drie spelers een autonome positie hebben en die behouden. Na een lang en moeizaam proces heeft men in West-Europa een duurzaam evenwicht bereikt. De markteconomie heeft, met dank aan autonome steden en de rijker wordende burgerij, een zelfstandige positie weten te verwerven. De burgermaatschappij heeft, onder invloed van de Verlichting en de Franse Revolutie, de absolute staatsmacht van vorstenhuizen aan banden weten te leggen en heeft zich als een onafhankelijke speler in de bewuste driehoek gepositioneerd. Samen hebben ze de staat richting democratie gevormd.

Mijn stelling is dat de democratische driehoek in Turkije niet werkt omdat de staat nog altijd oppergezag heeft over de markt en de burgermaatschappij. In de Turkse geschiedenis slagen groepen die staatsmacht verwerven er van oudsher in om hun ruimte te verbreden, ten koste van de twee andere spelers.

In de traditie van Turkse staatsvorming sinds de 11e eeuw, gedurende de Seltsjoek- en Ottomaanse dynastieën, functioneerde de staat als volgt. De sultan – in overleg met zijn viziers – wees het gebruiksrecht van land voor een bepaalde tijd aan pachters toe (leenrecht) en verleende concessies aan handelaren. Met de inkomsten hieruit bouwde en onderhield de staat de infrastructuur, de armenzorg en het leger.

Het land behoorde tot het domein van de sultan, waarop privébezit niet was toegestaan. Concessies voor handel waren evenmin eeuwig en konden elk moment worden ingetrokken. Bezit noch voorrechten mochten overgeërfd worden.

Dit systeem functioneerde tot de 18e eeuw goed. Want, omwille van het behoud van de welvaart, hield de staat zich strak aan beperkingen. Dit gebeurde door allerlei interne controlemechanismen te ontwikkelen en een grote mate van zorgvuldigheid aan de dag te leggen bij het intrekken van leenrecht en concessies. Zij wilde immers het vertrouwen van de markt niet schaden, zodat de handel langs de Zijderoute en de Specerijenroute kon blijven opbloeien. Willekeur en nepotisme kregen geen kans.

Vanaf de 18e eeuw verloren de Zijde- en Specerijenroute hun glans; de inkomsten uit de handel voor de staat liepen terug. Om de uitgaven te financieren, verhoogde de staat (lees: de sultan) belastingen, maar hij ondermijnde het draagvlak in de samenleving. Voormalige gezanten die namens de sultan belastingen inden, eigenden zich de leengronden zelf toe of verdeelden die onder hun familieleden. Nepotisme won aan kracht, waardoor de economische groei stagneerde en de maatschappelijke vrede nog verder verstoord raakte.

Door de toe-eigening van leengronden nam het particulier bezit toe, maar de staat bleef, ook na de stichting van de Turkse Republiek (1923), met grote afstand de grootste landeigenaar. Staatsmacht bleef nog altijd een aantrekkelijk object van patronage. Patronage duidt een type relatie aan waarbij een patron (baas) gunsten aan zijn cliënt verleent in ruil voor diens loyaliteit, bijvoorbeeld in de vorm van een stem op een bepaalde kandidaat of partij. Wie de staatsmacht in handen kreeg, beschikte over een machtig instrument om de eigen aanhang aan zich te binden.

In het volgende blog zal ik ingaan op hoe de partij van Erdogan patronage aanwendde om de loyaliteit van kiezers – met name die in de grote steden – te winnen.

Kerim Göçmen

Kerim Göçmen werd in 1957 geboren in Izmit, een stad ten oosten van Istanbul. Hij bracht zijn jeugd door in diverse plaatsen in Turkije, waar zijn vader het ambt van rechter uitoefende. In 1974 begon hij met de studie werktuigbouwkunde in Ankara. Drie jaar later kwam hij op uitnodiging van zijn tante naar Nederland. Hij veranderde van studie en koos voor politicologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.  Het geheim van de kromme neuzen was zijn debuut, daarna verschenen Rode kornoeljes en Kroniek van mijn schoolvakanties.