Eind 1983 zit in Sheerness-on-Sea een grote man aan een bar te veel te drinken. Zijn vrienden noemen hem Ossian, naar de Ierse blinde bard, maar de grote drinker is een Oost-Duitser. Hij heeft in Rome gewoond, en een poos met vrouw en kind in New York. Vertrok uit Oost-Duitsland omdat hij niet tegen leugens kon. New York is waar hij een Europees meesterwerk schreef. Op 22 februari zal hij in zijn huis in dat dorp nabij London dood worden aangetroffen. Hij is dan 49 jaar oud. Uwe Johnson heet hij en zijn meesterwerk is getiteld Jahrestage en verschijnt in Nederland onder de titel Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl.

In februari 2017 mailt de mij onbekende Marc Hoogma me, met de mededeling dat hij deze roman van Johnson vertaald heeft. In Duitsland verschenen in vier delen bij Suhrkamp Verlag, beloopt de roman in die editie zo’n 1.800 bladzijden! Ik ga lezen en word gegrepen door het verhaal: een in New York woonachtige vrouw, Gesine Cresspahl vertelt aan haar dochtertje haar familiegeschiedenis spelend in Mecklenburg: een deel van Duitsland ten noorden van Berlijn dat na de Tweede Wereldoorlog door de communisten bezet wordt en later Oost Duitsland zou worden. Gesine in New York leest dagelijks de New York Times en door wat ze leest krijgt de grote roman een hele nieuwe dimensie: naast Duitse geschiedenis van voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog ook New York, augustus 1967 tot augustus 1968, en daarnaast alles wat er in die tijd in de wereld gebeurde, en dat is veel. De Russen vallen Praag binnen, in Vietnam woedt een onsmakelijke oorlog, in de VS zijn rassenrellen en Robert Kennedy en Martin Luther King worden vermoord. Minstens die grote verhalen worden vervlochten in deze roman. Een hypnotiserend herinneringskunstwerk op vele fronten.

Intussen, in 2017 hoop ik vurig dat ik de rechten voor de vertaling van het boek kan aankopen: niet alleen voor de lezer van vandaag, maar ook voor de gemoedsgesteldheid van een vertaler die werkelijk jaren aan dit boek werkte en zich dit probleem nog niet gerealiseerd had… Dat lukt gelukkig. En vervolgens zijn we nog 2,5 jaar bezig om tot het eindresultaat te komen dat vanaf 25 september in de boekhandel ligt: een pil van 1.600 bladzijden dundruk, gebonden in linnen, met een leeslint en stofomslag, een boek voor het leven.

Het fascinerende van dikke boeken is dat ze eenvoudigweg indruk maken omdat je er lang mee leeft: dit boek zou je bijvoorbeeld heel goed in een jaar kunnen lezen. Voor mij zal dit verhaal altijd intens blijven leven: het gaat over het individu en zijn/haar geschiedenis, maar in samenhang met de grote politieke en sociale ontwikkelingen van je tijd. Zoals je eigen leven zowel in kleiner en groter verband bij jou hoort: je bureau, maar ook de krant met alles wat er om je heen gebeurt. Kortom. Dit boek is het leven.

De komende drie maanden nog voor een intekenprijs. Snel naar de boekhandel!

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Vaarwel zomer

B houdt ervan elke vorm van afscheid te benoemen. Aan het einde van vakanties wordt het logeerhuis gedag gezegd, daarna het dorp waar we verbleven, de bergen en tenslotte ook het land. Als we in het huisje in Zeeuws-Vlaanderen zijn moeten we op de laatste dag nog even naar zee om ‘Dag zee’ te zeggen.

Mijn kinderen groeien op in deze traditie en ik vind dat mooi. Zelf sluit ik de dingen niet af, het moment waarop ik besluit te gaan wil ik eigenlijk al vertrokken zijn; een laatste rit naar zee voelt als een oponthoud.

Mijn echte afscheid gist pas onderweg naar huis in me; een fijn droef gevoel bloeit dan op, dat ik aanwakker door romantische liedjes op de radio te zoeken.

De aanpak van B lijkt de gezondste: door het moment van vertrek te rekken en benoemen begint het loslaten onmiddellijk, terwijl mijn verwerking traag verloopt. Nu ik dit schrijf ben ik nog bezig ons vertrek uit Suriname in 2015 te verwerken.

Gisteren was de laatste mooie zomerdag, en B bracht die aan huis gekluisterd door, videovergaderend in onze raamloze studeerkamer terwijl ze wachtte op de uitslag van haar coronatest.

Steeds als ze nieuwe thee of koffie kwam halen tuurde ze door het keukenraam de lucht in en zuchtte dan op een manier die je ostentatief zou kunnen noemen als je haar niet kende.

‘De laatste mooie dag,’ zei ze dan. ‘Gil, moet je niet lekker naar buiten?’

Ik mocht niet naar buiten omdat ik de naarste baas ben die ik ooit had. B zou een veel betere zelfstandige zijn. Werken in een strandtent, vroeg opstaan en dan met Otis de Hond naar het bos, koffie met vrienden in haar lunchpauze. De dingen die ik zou kunnen doen maar dus nooit doe.

De dag rolde zich af, er waren kinderen te halen. Ik bakte pannenkoeken en B’s test bleek negatief.

Na het eten lieten we met zijn allen Otis uit en bleven hangen bij een speeltuin om de hoek, waar ik een gevallen Kermitgroene bolster pelde. Nadim en Ada kregen ieder een kastanje die glom als een gepolitoerde vloer. Ada raakte de hare onmiddellijk kwijt en vroeg om die van haar broer, die weigerde. Een wat moeilijk invoelbare slaande ruzie ontstond.

De zon stond laag toen we weer bij ons huis waren en B leek op de stoep te dralen, nog even naar de lucht te willen kijken om te zuchten in verband met deze laatste warme dag, maar het kastanjeconflict was nog niet bijgelegd.

Op de trap zwoer Nadim dat hij nooit meer iets voor zijn zus doen omdat hij altijd alles wat hij had aan haar moest afgeven. Ada volhardde vooral in het opeisen van Naads kastanje.

Ik geloof dat iedereen een beetje moeite had met afscheid nemen van de laatste mooie dag.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

ERASED de KOONING DRAWING ROBERT RAUSCHENBERG 1953

De oude visser

Er heeft een coup plaatsgevonden in Afghanistan. Ik hoor het in Meshad, niet ver van de Iraans-Afghaanse grens. Dagenlang blijft de grens dicht. Bij een tapijthandelaar met wie ik onderhandel over een tapijt, ontmoet ik twee Afghanen die op het consulaat werken. Zij helpen me aan een visum in mijn paspoort, zeggen wanneer ik precies op weg moet gaan, en op de dag dat ik erheen reis is de grens open en word ik het land ingelaten. Daarna komt er wekenlang geen mens meer in.

Ik reis met afgedankte Duitse stadsbussen over de oude zijderoute via Herat en Kandahar naar Kabul. Daar vind ik – samen met vijf Duitsers, een stel Fransen en een Amerikaan – een chauffeur met een bijrijder die ons tegen een redelijke prijs aanbieden om ons in hun minibusje naar de provincie Bamyan te rijden. Eindbestemming is Band-e Amir, een diepblauwe gordel van zes natuurlijke stuwmeren op een hoogte van drieduizend meter midden in de woestijn.

Ik ben heel benieuwd naar deze plek; sommigen beweren dat de onsterfelijke Lao Tse naar deze streken is afgereisd toen het Chinese rijk in wanorde verkeerde. Van tijd tot tijd incarneert hij en begeeft zich onder de mensen. Naar het schijnt vist hij graag. Als we Tsjwang Tse mogen geloven is hij een van de vissers zonder haak.

We vertrekken om zes uur ’s ochtends uit Kabul. De bijrijder, die wat Engels spreekt en fungeert als gids, heeft op dit vroege uur aangedrongen, omdat het een zware tocht is. Nog geen tweehonderdvijftig kilometer door de vallei en de woestijn, maar het busje schokt en steigert over een vaak nauwelijks verharde zandweg met kuilen van meer dan een meter diep over de hele breedte van de weg. Een rotsig landschap met af en toe een schamele hut. Nu en dan passeren we wat herders met een kudde schapen of een paar kamelendrijvers. Soms rijden we tot de assen door het water van een doorwaadbare plaats in een rivier. Nadat we lange tijd de rivier hebben gevolgd, zie ik in de verte, hoog op de purperen rotsen, de Rode Stad, althans de ruïnes daarvan: de onneembare vestingstad die door Genghis Khan is veroverd. Omdat hij daarbij volgens de overlevering zijn kleinzoon verloor, heeft hij uit wraak de Rode Stad geheel verwoest. Die is daarna nooit meer herbouwd.

Vroeg in de middag komen we aan in de stad Bamyan. Buiten de stad gaan we de twee kolossale boeddhabeelden bezichtigen, die daar zijn uitgehakt in de rotsen. Ons bezoek aan Bamyan duurt ruim twee uur, we klimmen langs de in kalksteen uitgehouwen trappen omhoog tot we ter hoogte van het hoofd van de Grote Boeddha zijn en gaan verscheidene van de in de rotsen uitgespaarde kluizenaarscellen binnen. Kolossaal zijn ze inderdaad, deze boeddhabeelden. Maar ik kan niet zeggen dat ze van een bijzondere schoonheid zijn. Ik maak één foto van de Grote Boeddha met de geamputeerde benen, niet eens een erg scherpe. Maar als ik die foto zo nu en dan, bij het openen van een la in mijn bureau terugzie tussen de andere foto’s die ik van deze reis heb bewaard, vind ik dat meer dan genoeg: de Grote Boeddha zegt me maar weinig. Tot ik ruim 25 jaar later hoor dat de Taliban de twee Boeddhabeelden vernietigen. En ja hoor, de hele wereld is geschokt en reageert woedend. Wat een merkwaardig wezen is de mens toch! Als Robert Rauschenberg in Amerika met veel moeite een tekening van Willem de Kooning uitwist, komt iedereen naar het museum voor dit bravourestuk, dat hij inlijst en voorziet van een bordje met de titel: ERASED DE KOONING DRAWING, ROBERT RAUSCHENBERG, 1953’.

Ik vraag me af waarom zoiets niet gebeurt met de Grote Boeddha van Bamyan. Ook in sommige takken van het zenboeddhisme is elke voorstelling die men zich van de Boeddha maakt verwerpelijk. Zo luidt een zenboeddhistisch gezegde: ‘Is er veel modder dan wordt het Boeddhabeeld groot,’ Of drastischer nog: als een monnik aan zen-meester Ummon vraagt “Wat is de Boeddha?” luidt het antwoord: “Een spatel om de poep van je gat te vegen’. Want in China en Japan was dit lange tijd hét instrument bij uitstek waarmee je dat deed. De les van Ummon: Boeddha is overal en in alles, maak je er geen voorstelling van, dan zit je er misschien het minst naast.

Het moet een enorm werk zijn geweest de Grote Boeddha volledig uit te wissen. Een groep strijders van de Taliban schijnt het beeld een maandlang met grote hoeveelheden dynamiet te hebben bewerkt. Net zo lang als Rauschenberg erover deed De Koonings tekening uit te gummen. Maar wat een prachtige leemte hebben de Taliban de wereld bezorgd. Niets dan een verlaten nis: de Boeddha opgegaan in de leegte. Dat is pas echt het creëren van aanwezigheid in de afwezigheid!

Intussen ijveren de UNESCO en andere organisaties die kunstschatten conserveren en reconstrueren voor een remake van de kolos. Helaas kan men het maar niet eens worden over de vraag in welke staat het precies moet worden hersteld. Krijgt ie nu wel of niet zijn geamputeerde benen terug? Volgens mij zou de UNESCO er goed aan doen zich te inspireren op de act van Robert Rauschenberg en naast de lege nis een bord te spijkeren met de titel: ‘ERASED BUDDHA SCULPTURE, MULLAH OMAR, 2001’.

Terug naar het minibusje, dat na ons bezoek aan de boeddha’s op ons staat te wachten. We stappen weer in en rijden door naar onze eindbestemming. Net voor de avond valt komen we aan in Band-e Amir, op het plateau hoog in de woestijn, en kamperen in een van de grote tenten die daar bij wijze van hotels zijn opgetrokken. Terwijl het tijdens de rit bijna niet is uit te houden van de hitte, waait er in de nacht een ijskoude wind over de bergvlakte, en vriest het een paar graden.

De volgende morgen is de wind gaan liggen, de hemel is staalblauw. Ik loop over het plateau om te gaan kijken naar de kratermeren. Ineens zie ik voor mij uit, voorbij de rand van de krater, in de diepte een nóg intenser, nóg stralender blauw dan de hemel daarboven. Alsof het uitspansel is verzonken in de afgrond en hoogte en diepte niet meer bestaan, nee, of ik in een lift sta die onverwachts met een enorme vaart naar beneden suist, waardoor mijn maag een schokbeweging opwaarts maakt: ik word overvallen door een golf van misselijkheid. Seconden lang houdt deze duizeling aan, loert het horror vacui. Dan besef ik dat dit een van de meren van Band-e Amir moet zijn dat in zijn diepten de bodemloosheid van de hemel peilt: dat daar, ver beneden mij, het blauw van het meer en het blauw van de lucht niet van elkaar te onderscheiden zijn, dat voor een lang moment hemel en water in elkaar opgaan.

Rondom het meer rijzen rotswanden op, waarin door de extreme temperatuurwisselingen een hele theogonie is geërodeerd: alsof hier in het vroegste scheppingsuur alle goden ter wereld in statu nascendi samenkomen om in de rotsen te experimenteren met hun stoffelijke verschijningsvorm. Band-e Amir ligt aan de rand van het paradijs.

Ik loop voorbij het plateau de berghelling af, daal een stuk de krater in en blijf zo’n veertig meter boven het meer zitten kijken naar een van de rotswanden waarop god de olifant bezig is zichzelf te scheppen. Plots dringt het tot mij door dat iemand naar me toekomt.

Het is een oude man, een visser met zijn hengel. Gebarend vraagt hij of ik een beetje tabak voor hem heb, gaat tegenover mij zitten, stopt de tabak in zijn pijpje en trekt er het vuur in. Als ik hem een trekje aanbied van de joint die ik zit te roken, slaat hij dat af.

Na een minuut of tien klopt hij de as uit zijn pijpje en staat op. Hij raapt zijn hengel van de grond en met een breed armgebaar nodigt hij me uit met hem af te dalen naar het meer. Hier en daar groeien wat bomen langs deze kant van het water, maar een pad zie ik niet, de helling zinkt bijna loodrecht af naar de oever van het meer. Hij lacht geruststellend en wenkt me nogmaals met hem mee te gaan. Maar ik moet er niet aan denken te worden verzwolgen door de afgrond, om te verdwijnen in de leegte. Het zweet breekt me uit; tot driemaal toe sla ik zijn uitnodiging af.

De oude visser glimlacht en groet mij vriendelijk. Ik zie hem soepel en lenig de steilte afdalen, hoe hij snel, bijna dansend de diepte instapt… Even nog een glimp van zijn rug tussen de bomen, dan, ineens, is hij verdwenen.

Hans van Pinxteren

Hans van Pinxteren is dichter en vertaler

De Vertellers

Sinds twee jaar ben ik samen met vriend Jan van Mersbergen gastheer van een literaire avond. Jan en ik leerden elkaar kennen door boekentips uit te wisselen en kwamen erachter dat we nagenoeg dezelfde smaak hebben. Niet veel later kwamen we er op het Boekenbal achter dat we allebei van drankjes houden, en sindsdien is het aan.

De Vertellers van Helmers is een lief initiatief dat eigenlijk voortvloeide uit dit elkaar aanraden van boeken. Vijf keer per jaar lezen boekenvakkers, acteurs, en schrijvers in café Helmers voor uit hun favoriete werk van anderen. De avonden zijn telkens weer een feestje.

Het is makkelijker om werk van iemand die je bewondert goed voor te dragen dan je eigen werk, en je favoriete kortverhaal uit de wereldliteratuur zal op zijn minst een heel goed verhaal zijn. De kwaliteit is dus hoog bij De Vertellers.

Tijdens de horecasluiting maakten we filmpjes in een verlaten café; onze gasten lazen verhalen over de horeca aan een bar met omgekeerde krukken erop. Mooie tragische beelden die terug te vinden zijn op de site van Het Parool.

Toen de cafés weer open mochten keken Jan en ik het een tijdje aan, maar de overtuiging groeide: we moesten door met De Vertellers. We prikten een datum, en meteen begon ik me zorgen te maken.

Zouden de dertig gasten die volgens de coronaregels in onze kroeg pasten niet voelen als een belabberde opkomst? En zouden de mensen überhaupt komen, nu ze moesten reserveren en op vaste plekken moesten zitten?

Hoe zou het voor onze vertellers zijn om voor te dragen voor een minder volle kroeg?

Ik was bang dat een avond zonder het te kleine roodfluwelen bankje waarop Jan en ik altijd met onze Vertellers zaten minder leuk zou zijn.

Mijn zorgen bleken onzin. Adriaan van Dis was er, Wytske Versteeg, Saskia Noort, Ivo Victoria en Sanneke van Hassel. Onze vertellers hadden er zin in, lazen prachtig werk, en Helmers luisterde geboeid. Omdat alle beschikbare stoelen bezet waren voelde het best gevuld, en ik vroeg me af of dat óók kwam omdat ik zo lang niet meer op een levendige avond in de kroeg was geweest.

Na de afsluiting dronken we bier op het terras. Zoals altijd was mijn bedoeling het niet laat te maken, niet veel te drinken, en zoals altijd lukte dat niet. Nagloeiend van de avond, de fluitjes en het jointje dat ik om en nabij de laatste ronde in mijn tas tegenkwam, fietste ik door een van de laatste zwoele nachten naar huis.

Ik dacht aan het stuk dat Saskia voorgelezen had uit Marijke Schermers Liefde, als dat het is. Een mooie precieze passage over wat we inleveren op het moment dat we een relatie aangaan. Ik was het met dat inleveren eens geweest, zo onder het luisteren, maar bedacht nu dat buiten beschouwing leek te blijven hoeveel we krijgen wanneer we ons met anderen verbinden.

Beeld: Rob van Betuw. Ivo Victoria leest uit Mariana Enriquez‘ Dingen die we verloren in het vuur.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

De straatfilosoof

Pierre Faubergé heeft er al meer dan zeventig tropenjaren opzitten. Zijn markante kop vol spierwitte haren vertoont ingevallen ogen met grote kringen eromheen; onderscheidingen voor zijn moed zijn het, want het is een wonder dat hij het zo lang volgehouden heeft.

   ‘Mijn grootste angst is stompzinnigheid,’ zegt hij vaak, ‘dus ik beef iedere dag.’

   Hij schuifelt naar zijn plaats, voetje voor voetje, als een trein die afremt. Hij zit. Sereen vouwt hij zijn gerimpelde en bevlekte handen in zijn schoot. Hij observeert, iedere dag vanuit dezelfde locatie, zijn omgeving en verbaast zich over de simpelheid van zijn terrasgenoten.

De ene keer trekt een jong koppel zijn aandacht. De verliefde kalveren staren zwoel in elkaars ogen; zij streelt zijn haar, hij wrijft zachtjes over de rug van haar hand.

‘Snotapen,’ denkt de oude straatfilosoof. ‘Ik geef het een week, dan zit de eerste barst erin. Wacht maar, tot het échte leven begint.’

Een andere dag beziet hij spottend een telefonerende vrouw, die geïrriteerd vraagt wanneer haar ex-man de kinderen eens komt opzoeken.

De straatfilosoof vindt er het zijne van. ‘U, mevrouw, kunt beter Schuld en boete van Dostojevski lezen. Het zal wonderen doen voor uw taalgebruik, en uw moreel besef op de koop toe.’ Nadenkend wrijft hij over zijn grove gelaat, zijn talrijke stoppels, dat aanvoelt als schuurpapier.

Thuis beschikt hij over een heuse bibliotheek, gevuld met de meest boeiende traktaten en uiteenzettingen. Onder begeleiding van Freud, Schopenhauer, Tsjechov en Sartre sprokkelde hij zijn verzameling mensenkennis bij elkaar. Jammer dat hij het niet delen kan. In al die jaren bittere eenzaamheid kwam hij nooit een gelijkgestemde tegen. Hij is alleen. Uniek in zijn soort.

Natuurlijk probeerde hij tot ze door te dringen. Als bibliothecaris dacht hij mensen goede boeken aan te kunnen raden, maar nee hoor. Liever Harry Potter of Lord of the Rings dan Discipline, Toezicht en Straf van Michel Foucault of The God Delusion van Richard Dawkins.

Idolaat van de Russische abstracte kunst tekende hij in zijn vrije tijd achter de balie vierkanten, cirkels en driehoeken. In Amsterdam en Berlijn exposeerde hij weliswaar zijn eindresultaten, maar niemand begrijpt het. Niemand snapt dat de mens een machine geworden is, onvatbaar voor de ratio, en daar gaat het langzaam aan kapot.

‘De zondvloed komt,’ concludeerde hij jaren geleden al. ‘Ik zal de enige overlevende zijn.’     

Op een zekere middag lijkt een roodharige schone van eind twintig gefascineerd te zijn door hem. Hij voelt haar blik prikken van opzij. Zijn blikrichting verschuift naar haar. Vandaag is zo’n dag dat hij de uitdaging aangaat als iemand de handschoen neerwerpt. Hij staart haar aan, zonder expressie. Ook zij geeft geen herkenbare uitdrukking. Gedistingeerd roert hij in zijn koffie met een lepeltje, maar zijn aandacht is voor haar; de rooie duivelin. Langzaam kringelt een voorzichtig lachje op zijn gezicht. ‘Voor jou is er wellicht hoop,’ profeteert hij.

De jonge ober onderbreekt de staarwedstrijd en zijn gedachtegang. Pierre rekent af.

‘Nou,’ reageert de jongeling, ‘vijftig cent fooi. Daar kan ik wel een heel pakje kauwgom van kopen.’

 ‘Maak je het niet in één keer op?’ adviseert Pierre onaangedaan.  De jongeman bromt tijdens het weglopen nog na: ‘U bent te goed.’

‘Ja,’ verzucht de bejaarde man als hij opstaat. ‘Dat vind ik eigenlijk ook.’

Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

Lang zal ik leven

Er was een feestelijk ontbijt met fruitsalade en croissants. Ada had een tekening gemaakt en ingepakt met erg veel nietjes en plakband, en Nadim gaf mijn andere cadeaus één voor één aan. B was moedig genoeg geweest om keukendingen voor me te kopen die ik de komende dagen met de nodige zelfhaat zal omruilen voor de juiste keukendingen.

Om kwart over acht was het huis leeg op Otis de Hond na, en zag ik uit over een zelf in te vullen ochtend.

Ik probeerde te lezen maar was te onrustig, pakte mijn laptop maar was bang dat ik mijn mail zou openen. Uiteindelijk wandelde ik wat met Otis de Hond, en meldde me om kwart over twaalf bij restaurant Domenica op de Noordermarkt. Er was plek en Otis bleek welkom; Flavio zou een klein menu voor me koken.

Aan een fijne tafel bij het raam las ik een boek uit waar ik de laatste weken maar niet doorheen kwam, en babbelde wat met de vriendelijke expat aan de tafel naast me. Het eten was voortreffelijk – wat een geluk om er niet meer van te hoeven vinden dan dat het voortreffelijk was, geen aantekeningen te hoeven maken, geen foto’s.

Bij elke gang zat wijn en alle wijn was voortreffelijk. Otis kreeg een bakje water en John kwam binnen; John had lang het fijne koffiezaakje Puccini in de Staalstraat, waar ik in de jaren ’90 met mijn vriend Gijs de deur platliep.

‘Zo erg,’ zei John. ‘Dat die jongen dood is.’

We babbelden nog even over vroeger en toen ik weer ging zitten zat ik opeens erg alleen aan tafel.

Na mijn voortreffelijke koffie rekende ik af. Ik bedankte de keuken en wandelde met Otis naar de school van Nadim om mijn jongen op te pikken. Toen we thuiskwamen was B er al met Ada en een fijne taart. Ze vroeg hoe mijn lunch geweest was en ik vertelde over Flavio’s gerechtjes, de fijne combinaties die hij met de wijnen had gemaakt. Kennelijk had ik toch alles opgeslagen.

Over John vertelde ik ook, en dat ik vroeger vaak met Gijs bij zijn Puccini kwam. Dat was voor B’s tijd, zij haakte pas halverwege de jaren nul in.

‘Was je daar een beetje sip van geworden?’ zei B.

‘Misschien wel,’ zei ik, en vroeg me af of hoe lang mijn verjaardagen nog verjaardagen zonder Gijs zouden blijven.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Pralen in het goud

Eindelijk is de zomer voorbij. Nu kunnen de mooiste dagen van het jaar aanbreken. De hardblauwe luchten winnen aan diepte. Ze worden versierd met volle wolkenpartijen, die het zonlicht temperen en de warmte doseren. De planten verruilen hun eentonige groen voor een gul kleurenpalet. De stad kalmeert, de natuur wordt zowel ingetogener als sierlijker. Dagen voor de wandelaar, wiens trage tred en geduldige blik beloond worden.

Vorige week las ik Voorbijgaande schaduwen (1948), de laatste roman van Arthur van Schendel (1874-1946). Afgelopen jaar werkte ik chronologisch zijn romans af. Acht deeltjes dundruk beslaat dit oeuvre, en het slot kwam precies op het juiste moment. De eerste zinnen luidden voor mij het najaar in:

‘Een blauwe hemel boven Amsterdam is een van de zeven dagen, zes zijn er voor de wolken en dat zijn de dagen dat het water en de huizen in hun pracht verschijnen. Waar ter wereld ziet men een hemel zich zo groot over een stad verheffen, zo tintelend door de wazigheid van de zomer dat de grachten tussen de bomen stralen, zo helder in de winter dat de vensters en de daken fonkelen van licht. Waar ter wereld ziet men wolken zo breed en zwaar, gisteren saamgedromd, wit, verguld, heden uiteengestreken in golvenslierten grauw en zilver, waar ziet men hun schaduwen zo langzaam over de torens gaan tot over het water en de weilanden rondom?’

Hermans hekelde de gewoonte om romans te beginnen met ‘het weerbericht’, maar hier is iets anders aan de orde. Van Schendel, die een groot deel van zijn leven in Italië doorbracht, probeert de ziel van de stad te vangen. Het gaat hem om de wisselwerking tussen klimaat en gebouwen, natuur en cultuur, die een geheel eigen schoonheid heeft voortgebracht. Dat samenspel van licht, glas en water was ook bepalend voor de grote Nederlandse schilderkunst. Het meesterschap van Rembrandt en vooral Vermeer is niet los te zien van hun gevoeligheid voor het zachte namiddaglicht, dat alles waar het langs strijkt verandert in goud. 

Maar zoals in alle romans van Arthur van Schendel draait het in Voorbijgaande schaduwen uiteindelijk om mensen. Het boek begint met een groepje Amsterdamse kinderen en volgt hen in volwassenheid, huwelijk, ouderschap en ouderdom. Op de helft nemen hun eigen kinderen het stokje over. Twee generaties volgt de schrijver, van begin tot eind. In een schitterend essay uit De letterpiloot (1994) schrijft Willem Jan Otten terecht dat er in Van Schendels boeken ‘complete levens [worden] afgewikkeld’. Het verstrijken van tijd en vergankelijkheid zijn daarom vaste thema’s in dit oeuvre, maar het besef dat het leven steeds blijft doorgaan is volgens mij van even groot belang. Ik ken weinig andere romans die de duur en het ritme van een heel mensenleven in zo’n compacte vorm hebben weten te vatten. In het overstijgende perspectief en de gecondenseerde taal schuilt het sublieme.

Al die komende en gaande personages worden begeleid door het voortstuwende ritme van de seizoenen, dat simultaan een literair motief en decor oplevert. Van Schendel schreef Voorbijgaande schaduwen in Italië, tijdens de Tweede Wereldoorlog en aan het einde van zijn leven. De grondtoon is daarom melancholisch. Maar in zijn laatste werk wilde hij ook nog eenmaal de overweldigende schoonheid van zijn thuisland oproepen:

‘Oktober gaf die morgen een staatsiefeest voor de bomen. De lucht blonk fris, versierd met krullen blank als melk regelmatig naast elkander uitgerold, de zon scheen op het witte landhuis dat de luiken tussen de wingerd wijd had openstaan, op het weiland ervoor met twee zwart-witte koeien in de dauwigheid. Achter en terzijde van het huis verrezen de beuken plechtig in het bruin, de eiken in een halve kring op de glinsterende grond hadden glanzend roestrood met oranje aangetogen en twee esdoorns, ieder aan een hoek van het weiland, praalden in het goud, goud lag rondom hun stammen over het gras gestrooid. En ter wederzijde, in een bocht tot de straatweg langs het bouwland toe, verschenen alle heesters in het groen, blinkend gewassen, met een streep bruin blad aan hun voet geharkt, sommige boompjes hieven paarse vedertakken op. Ook de iepen aan de weg hadden bleekbruin met geel gespikkeld aangedaan.’ 

Nog maar drie weken, dan is het weer zover. 

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Het ergste moet nog komen

‘Zelfmoord is een heel rationele beslissing,’ zegt ze zo zonder een spoor van ernst dat het eng wordt. Talia houdt haar hoofd schuin en in haar pupillen lees ik vraagtekens, die verlangen dat ik bevestigend antwoord.

   Ik zal haar niet teleurstellen. ‘Sartre schrijft over twee alternatieven: óf de mens accepteert simpelweg dat het leven absurd is, óf hij pleegt zelfmoord.’ Liegen hoeft niet, zo denk ik er zelf ook over.

   Haar gezicht breekt open en ze legt een hand op mijn knie. ‘Ik moet naar de wc, jij ook?’

   Ik knik. Wanneer je een groot deel van de avond praat over morbide onderwerpen in een Amsterdamse kroeg, wil je uiteindelijk een meer plezierige activiteit ondernemen. Ik pak haar kleine hand vast – zeer delicaat; als ik hard knijp, breek ik ongetwijfeld de botjes – en troon haar mee naar het weinig chique herentoilet. In een smerig hokje waar de schimmel over de tegels kruipt en de deur is volgekrabbeld met schuttingtaal, neuk ik haar staand tegen de onfris ruikende toiletpot. Het is de eerste keer dat we zoiets doen, maar ja; met haar is ieder moment een avontuur waar je met overgave in stapt.

   Als we over de gracht lopen schiet ze onbedaarlijk in de lach bij het zien van Amsterdammertjes; dat soort paaltjes doen haar denken aan penissen die uit de grond verrijzen. De schaamte voorbij gaat ze op het puntje zitten en kraait uit dat ze door de stad verkracht wordt. Een andere metgezel voelt zich wellicht opgelaten; ik niet. Ik adoreer het. Als we boodschappen doen, doet ze alsof ze iets in mijn oor fluistert, maar eigenlijk streelt ze met haar tong de binnenkant – meer vrouwen doen dat bij mij, ik moet eens vragen waarom. Ik sidder en loop rood aan, wat zij dan weer fantastisch vindt.

   Het is niet pervers wat we doen in die wonderlijke atmosfeer van dat gore toilethok; conform onze gewoonte maken we lol, want plezier verbergt ons grote verdriet. Als ze klaarkomt, noemt ze me Hamlet; omdat ik haar zo doe denken aan de Deense prins die verzwelgt in zijn melancholie en flirt met de waanzin. 

   Als ze wederom naast me zit op de bank aan ons tafeltje kondigt ze aan: ‘Ik heb een cadeautje voor je, Timmie.’ Ze graait in een binnenzak van haar jack en vist daar een flesje vandaan. ‘Dit,’ legt ze uit terwijl ze het attribuut voor mijn neus houdt, ‘is kaliumcyanide. Levensgevaarlijk.’

   Ik ben niet verbaasd. Al eerder vertelde ze over haar zolderkamer waar ze een klein museum heeft ingericht met allerlei soorten vergif. Haar vader, een scheikundeleraar, is haar bij het aanleveren van producten voor haar verzameling – waaronder arsenicum en gele monnikskap – zeer behulpzaam geweest.

   ‘Als je niet meer wilt leven en je weet het écht héél zeker…’ Ze maakt haar zin niet af.

   Ik neem het flesje aan en stop het weg in mijn rugzak. Terwijl zij gedachteloos met haar vinger denkbeeldige kringetjes tekent op het houten tafeloppervlak, denk ik aan hoe gelukkig zij me maakt wanneer ze me toestaat haar tengere postuur te omstrengelen, en mijn vingers door haar blonde dreadlocks te snoeien. Mijn singer-songwriter, mijn vrouwelijke Orpheus.

   ‘Wat zei Schopenhauer ook alweer?’ vraagt ze opkijkend.

   ‘Het ergste moet nog komen,’ antwoord ik.

   ‘Hij heeft gelijk,’ fluistert ze afwezig. 

   Na een korte stilte barsten we in lachen uit. 

Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

Otis de held

Vorig jaar rond deze tijd overnachtten we in een gîte boven Parijs. We waren op weg naar huis na een week in Normandië, en stopten bij een bejaarde dame die voor ons kookte en ons daarna liet zien waar we konden slapen.

De bedden voor de kinderen waren op een zolderkamer, direct daaronder sliepen B en ik. Zoals in veel oude Franse huizen was elk horizontaal vlak bezet met droogbloemen, prullerig porselein en poppen. We waren moe van de reis en de lichten gingen snel uit.

Midden in de nacht schrokken B en ik wakker van een ijzingwekkende schreeuw. Het soort van alarmkreet waardoor een vader al in zijn blote kont de trap op is voordat hij zich herinnert waar hij zich bevindt.

Naad zat rechtop in zijn bedje met schotels van ogen, zijn bleke smoeltje glimmend van het zweet.

‘Dat ding,’ gilde hij. ‘Papa haal dat ding weg.’

Het ding was een witporseleinen meisjespop met koolzwart haar, bruinglazen ogen en wimpers als spinnenpoten. Misschien kwam het door de angstschreeuw van Nadim, de panische blik zijn ogen, maar ik schrok ook van haar, moest me ergens overheen zetten om haar aan te kunnen raken.

Nog urenlang kon mijn jongen de slaap niet vatten. Ik had medelijden met hem, maar was vooral doodmoe, niet zo geduldig als ik had willen zijn. De volgende ochtend, op weg naar Amsterdam, maakten we er alweer grappen over.

De afgelopen nachten was Naadje regelmatig bang om te gaan slapen. Ik was als kind vaak bang in de nacht, en hoewel me dat hierin begripvol had moeten maken, voelde ik vooral wrevel omdat dat gemier wel tot een uur of tien kon duren.

Er moest een lampje aan, een lampje bij, de lampjes moesten op bepaalde plekken staan en de deur moest een exact aantal graden open.

‘Naadje,’ zei ik. ‘Hou op.’

‘Maar papa, anders kan ik gewoon niet slapen. En als je die dingen doet dan kan ik het wél.’

Ik zuchtte, nam me voor hem zijn rituelen te laten, maar het was sterker dan ikzelf: ‘Daar houdt het niet mee op.’

‘Hoezo niet? Je kan het toch gewoon doen?’

‘Je zult steeds meer eisen hebben voordat je kunt slapen. Steeds meer lampen tegen het donker willen. Het stopt daar niet mee.’

Ik pakte een extra lamp en zette zijn deur een precies aantal graden open. Hoewel zijn hoofd weer op het kussen lag, dwaalde Nadims blik als een vuurtorenlicht door de kamer.

‘Ik was ook bang in het donker,’ zei ik. ‘De enige oplossing is om je ogen dicht te doen en de monsters maar te laten komen. Ze houden nooit op omdat ze bij je horen; er zijn geen echte monsters, je hebt ze gemaakt zodat de angst een gezicht heeft.’

‘Waarom ben ik dán bang?’

‘Omdat je opgroeit. Er gebeurt te veel waarover je te veel te denken hebt en je koppie moet daar erg aan wennen.’

Het leek hem voor geen meter gerust te stellen. Ik dacht na over een andere manier om het allemaal uit te leggen, maar die diende zich niet aan.

‘Goed,’ zei ik uiteindelijk. ‘Weet je hoe Otis de Hond altijd al begint te blaffen als ik nog helemaal aan het begin van de straat ben met de fiets?

Hij knikte. Onder zijn bed lag Otis, de muffe lucht van oude hond verspreidend.

‘Je weet toch hoe hij door het dak gaat als er bezoek de trap op komt?’

‘Hm-hm.’

‘Wat denk je dat hij doet als hier een monster achter de deur staat?’

Nadim schudde zijn hoofd, een beweging die vertraagde en daarna overging in knikken. Hoewel het hem nog lukte zijn ogen open te houden, draaiden zijn pupillen weg. Ik aaide hem over zijn wang en veegde het haar van zijn voorhoofd. Onder het bed, vlakbij mijn blote voeten, kreunde Otis in zijn slaap. Hij kreunde omdat ik hem oud brood met kippenjus gevoerd had. Van kippenjus wordt hij ook winderig.

‘Otis de superheld,’ fluisterde ik, en vroeg me terwijl ik naar de woonkamer sloop af of ik dit nou goed of slecht had aangepakt.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.