Vaarwel zomer

B houdt ervan elke vorm van afscheid te benoemen. Aan het einde van vakanties wordt het logeerhuis gedag gezegd, daarna het dorp waar we verbleven, de bergen en tenslotte ook het land. Als we in het huisje in Zeeuws-Vlaanderen zijn moeten we op de laatste dag nog even naar zee om ‘Dag zee’ te zeggen.

Mijn kinderen groeien op in deze traditie en ik vind dat mooi. Zelf sluit ik de dingen niet af, het moment waarop ik besluit te gaan wil ik eigenlijk al vertrokken zijn; een laatste rit naar zee voelt als een oponthoud.

Mijn echte afscheid gist pas onderweg naar huis in me; een fijn droef gevoel bloeit dan op, dat ik aanwakker door romantische liedjes op de radio te zoeken.

De aanpak van B lijkt de gezondste: door het moment van vertrek te rekken en benoemen begint het loslaten onmiddellijk, terwijl mijn verwerking traag verloopt. Nu ik dit schrijf ben ik nog bezig ons vertrek uit Suriname in 2015 te verwerken.

Gisteren was de laatste mooie zomerdag, en B bracht die aan huis gekluisterd door, videovergaderend in onze raamloze studeerkamer terwijl ze wachtte op de uitslag van haar coronatest.

Steeds als ze nieuwe thee of koffie kwam halen tuurde ze door het keukenraam de lucht in en zuchtte dan op een manier die je ostentatief zou kunnen noemen als je haar niet kende.

‘De laatste mooie dag,’ zei ze dan. ‘Gil, moet je niet lekker naar buiten?’

Ik mocht niet naar buiten omdat ik de naarste baas ben die ik ooit had. B zou een veel betere zelfstandige zijn. Werken in een strandtent, vroeg opstaan en dan met Otis de Hond naar het bos, koffie met vrienden in haar lunchpauze. De dingen die ik zou kunnen doen maar dus nooit doe.

De dag rolde zich af, er waren kinderen te halen. Ik bakte pannenkoeken en B’s test bleek negatief.

Na het eten lieten we met zijn allen Otis uit en bleven hangen bij een speeltuin om de hoek, waar ik een gevallen Kermitgroene bolster pelde. Nadim en Ada kregen ieder een kastanje die glom als een gepolitoerde vloer. Ada raakte de hare onmiddellijk kwijt en vroeg om die van haar broer, die weigerde. Een wat moeilijk invoelbare slaande ruzie ontstond.

De zon stond laag toen we weer bij ons huis waren en B leek op de stoep te dralen, nog even naar de lucht te willen kijken om te zuchten in verband met deze laatste warme dag, maar het kastanjeconflict was nog niet bijgelegd.

Op de trap zwoer Nadim dat hij nooit meer iets voor zijn zus doen omdat hij altijd alles wat hij had aan haar moest afgeven. Ada volhardde vooral in het opeisen van Naads kastanje.

Ik geloof dat iedereen een beetje moeite had met afscheid nemen van de laatste mooie dag.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.