Alleen maar complimenten

1377289_692566570762992_2027580411_nGisterenavond was ik te gast op de premiere van de NTR-documentaire Disco. In een volle bioscoopzaal gaf regisseur Arjan Vlakveld een korte inleiding op zijn film, die hij afsloot door te zeggen: ‘Na de voorstelling hecht ik geen waarde aan kritiek. Ik wil alleen maar complimenten horen.’

Het licht ging uit, en in de bijna twee uur die volgden leerde ik veel over een muziekstroming die me altijd meer een grap geleken had. Aangezien Disco volgende week* op tv wordt uitgezonden, zal ik er hier weinig over verklappen.

Het belangrijkste wat ik van gisteren heb meegenomen is niet een verbrede perceptie van de sociale impact van een muziekstroming, maar eerder hoe om te gaan met de reacties die je werk oproept. Natuurlijk is het grappig om te zeggen dat je geen kritiek wilt horen, maar het is ook een heel verstandige aanpak. 

De laatste dagen ben ik in bange afwachting van de eerste bespreking van mijn nieuwe boek. Niet zozeer bang door een gebrek aan vertrouwen in mijn werk, maar eerder vanwege het effect dat kritiek op me kan hebben.

Bij een groot compliment over het einde van een verhaal vraag ik me meteen af wat er mis is met het begin. Laatst herlas ik een bespreking van mijn eerste boek, en ontdekte dat alleen de kritiek bij me was blijven hangen. Als geheel bleek het een mooi positief stuk. 

Het ergste wat je na een recensie kan overkomen is dat je in drie slapeloze nachten tot de conclusie komt dat die recensent nooit zou zijn gevallen over een terugkerend thema of herhalende vertelvorm als je dat ene hoofdstuk maar had weggelaten. Het is als wensen dat je nooit met die geleende Mercedes dat te smalle straatje in gereden was: zinloos, en niets dan zelfkwelling. 

Dank je wel vriend Arjan Vlakveld. Een lichtend voorbeeld, ben je.

 

*zaterdag 9 november om 21:25 op Ned 3

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Stubs en goede en slechte ideeën

Ik ben geen schrijver maar een lezer en ik verdien mijn geld met iets vinden van wat ik lees. Dat is leuk werk en soms lastig , want die mening kan je niet goed uitzetten. Ik vind dus nu vrijwel altijd wel iets. Daarnaast denk ik voortdurend na over wat ik maar een stub zal noemen in het Wikipediaans, een aanzet tot een artikel of een verhaal. Iets waar ook veel schrijvers last van moeten hebben.  Ik heb in mijn leven een paar keer een goed idee gehad (een slecht idee was dat ik op 6 jarige leeftijd een verdrinkende wesp trachtte te redden.  In huiselijk kring noemt mij nu bijgeval de wespenkiller, omdat ik de steek die ik opliep nog steeds aan het wreken ben – vorige week in Duitsland 11, tussen twee handen. Een ander slecht idee is dat ik eens 13 meter naar beneden ben gesprongen over een hekje om te gaan plassen in wat ik dacht dat struikjes waren en wat boomtoppen bleken.)  Maar afijn de goede ideeën:  ik wil nog altijd iemand vinden die een at  random knop voor het internet kan maken: een knop waarop je drukt en waarna je naar een echt willekeurige website verdwijnt (Kaukasische geitenfokkers vereniging , Australische notaris, een kerk in het Midden-Westen van de VS.). Dat is écht surfen, en zoek maar eens: het kan niet en een wiskundige heeft me ooit uitgelegd waarom niet, maar dat vergat ik weer, iets met dat de kortste opdracht voor een willekeurige reeks een eindeloze reeks is.

Een ander goed idee is dat ik graag een website zou willen hebben met gratis ideeën voor romans, of mooie films www.stubsforyou.com  of zo. Ik kan daar moeiteloos veel plaatsen want die komen redelijk vaak langs, die ideeën, drie per nacht, vier op de fiets, zes tijdens hardlopen, zoals ongetwijfeld voor iedereen geldt.

Ik las in een heel goed boek over Oekraïne, dat wij in het voorjaar uitgeven (Grensland. Een geschiedenis van Oekraïne van Marc Jansen) bijvoorbeeld over de laatste otoman, Petro Kalnyshevsky.  Een bijfiguurtje, maar: ik zie de roman met de titel De laatste otoman al voor me, en ik zou die roman lezen ook (held van de Russisch-Turkse oorlog van 1768-1774 werd gevangengezet  door Potjomkin,  vanwege zijn verzet tegen Russische hegemonie over wat hij als gebied van de Kozakken beschouwde, verbleef decennia in een klooster, waar hij tot grote religiositeit kwam en verkreeg absolutie op zijn 110e , waarna hij verkoos in het klooster te blijven, stierf op 112 jarige leeftijd, voor mij ontvouwt zich hier een complete roman.)

Op mijn telefoon heb ik een aanzienlijke verzameling foto’s van teletekstberichten waar een verhaal in zit, voorbeeld ‘Een Canadees echtpaar probeert al twee jaar hun huis te verkopen, zoals velen zonder succes, en omdat de waarde van huizen alleen maar daalt, hebben ze een wedstrijd bedacht waarbij je hun huis in Ontario kan winnen. Deelnemen kost 100 Canadese dollar, en een essay over waarom juist jij dit huis moet hebben. Met drieduizend aanmeldingen zouden ze hun vraagprijs binnen hebben.’

Op zo’n idee-site zou ik dit soort aanzetjes willen verzamelen.  Bestaat zoiets? Of is het een slecht idee? Nog eentje om het af te leren: in het werkelijk geweldige boek: The Emperor of all Maladies. A Biography of Cancer van Siddharta Mukherjee (dank, Machiel!) citeert de auteur de geschiedschrijver  Herodotus die van de Perzische koningin Atossa vertelt dat zij kanker had: een Griekse slaaf overreedt haar het gezwel uit te laten snijden. ‘Soon after that operation, Atossa mysteriously vanishes from Herodotus text’ en met deze zin betreedt ze de wereld van de novel stubs, een fascinerende aanzet tot een verhaal…

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

William Gaddis en dr. P.H. Ritter jr.

Een paar weken geleden stond er in De Groene Amsterdammer een essay van Xandra Schutte over de literaire kritiek. Daarin haalt ze een anekdote aan uit het boek The Recognitions (1955) van William Gaddis: een dichter en een criticus ontmoeten elkaar bij een kleermaker en ze beginnen een praatje, terwijl ze in hun onderbroek zitten te wachten terwijl hun broeken op maat worden gemaakt. De criticus heeft een boek bij zich. ‘Bent u dat aan het lezen?’ vraagt de dichter. ‘Nee,’ antwoordt de criticus, ‘ik moet het bespreken.’ Waarna hij vertelt dat hij voor zijn bespreking alleen maar het omslag nodig heeft.
            Deze romanscène deed me denken aan een anekdote over de radiocriticus dr. P.H. Ritter jr. (1882–1962), die volgens uitgever Geert van Oorschot ‘corrupt tot in zijn nieren’ was. In vooral de jaren dertig hadden Ritters radiobesprekingen dusdanig veel invloed op de boekverkoop, dat uitgevers op allerlei manieren probeerden te zorgen dat hij hun boeken besprak. Legendarisch is het verhaal dat Ritter een keer door een uitgever een recensie-exemplaar kreeg toegestuurd met daarin een briefje van vijfentwintig gulden. Vervolgens zou hij zijn radiolezing zijn begonnen met de woorden: ‘Reeds het openslaan van dit boek was mij een waar genoegen!’
            De anekdote over Ritter waaraan ik door de scène in The Recognitions moest denken, staat in het boek De koorddansers en andere herinneringen van Rico Bulthuis. Ritter was samen met Bulthuis en medecritici Anton van Duinkerken en Gabriël Smit op weg naar de boekenbeurs in Antwerpen, waar hij een lezing moest houden. Op weg daarnaartoe, in een boekhandel vlak bij de grens, jatte hij het omslag van het boek waarover hij moest vertellen. Gabriël Smit zag het en zei: ‘Ge zult niet stelen, en als toegevoegd gebod: ook de toehoorders niet voor de gek houden.’ Waarop Ritter volgens Bulthuis antwoordde: ‘“Als criticus ken je de motieven van de auteur, je proeft zijn of haar stijl en het geringe dat je over een recent werk” (en hij tikte op zijn tas) “te weten komt is voldoende om je eurdeel te vestigen.”’ Er staat ‘eurdeel’ omdat Ritter nogal bekakt praatte. Volgens hemzelf kwam dat door een spraakgebrek.
           
Over Ritters lezing in Antwerpen schreef Bulthuis: ‘Ik moet eerlijk bekennen dat hij het knap deed.’

Milagro o maldición?’ – Blancanieves (2013)

Als bevlogen Cultureel Ondernemer – goochelen: een kunst volgens de één, entertainment volgens de ander, keiharde business volgens allen – volg ik de financiële berichtgeving in de Nederlandse dagbladen op de voet en één van de dingen die me –

‘Gast… ik weet dat je niets liever doet dan opsnijden over je bezigheden als entrepreneur – daar kun je vast ook reuze leuk over vertellen – maar sorry: doe dat lekker thuis.’

‘…’

‘Je intellectuele werk blijft met al dat gebabbel namelijk gewoon liggen… Wéken geleden kondigde je al een stukje aan over Blancanieves… Ik ben braaf naar die film gegaan in het vertrouwen dat jij me ging vertellen wat ik ervan moet vinden, van die film, maar jouw kijkverslagje heb ik hier nog altijd niet mogen lezen.’

‘Heeft dat nog zin? Draait ie überhaupt nog ergens?’

‘Dat doet er niet toe, jij komt gewoon je afspraken na. Bovendien verschijnt Blancanieves op 3 december op DVD*, dus je kunt ook zeggen dat je stukje lekker op tijd is.’

‘Milagro o maldición?’ – Blancanieves (2013)

Film: Sneeuwwitje.

Genre: zwijgende film. Zwart-wit. Sprookje.

Regie: Pablo Berger.

‘Over de stomme film kan men enkel zwijgen,’ zei Ludwig Wittgenstein.

Laten we niettemin een poging wagen iets van Pablo Bergers Blancanieves te vinden.

Verhaal: zie de verzamelde sprookjes van The Grimm Brothers, onder de ‘S’ van Sneeuwwitje. De ‘D’ van Doornroosje. En de ‘K’ van Kleinduimpje.

Situering: gegoed milieu in het Spanje van de jaren twintig (van de twintigste eeuw), verbeeld in de filmtaal uit die tijd, voorzien van, alternerend, symfonische en traditioneel Spaanse soundtrack.

Over de filmtaal van Blancanieves schreef NRC/André Waardenburg (al op 24/07/13): ‘Berger combineert Duits expressionisme, Frans impressionisme en surrealisme, en de Sovjetfilm. Er zitten fraaie, met een groothoeklens gefotografeerde beelden in, dramatische belichting, supersnelle montagesequenties en mooie overgangen via beeldrijm.’

Nu ga ik het verhaal rustig navertellen. In de kunst(film) gaat het nooit om het verhaaltje – zie de opening van Nabokov’s Laughter in the Dark – dus de ‘spoilers’ gaan je hieronder om de oren vliegen.

Als de aanstaande vader van de dan nog ongeboren Carmen/Sneeuwwitje, een toreador (stierenvechter), tijdens het uitoefenen van zijn beroep op de horens wordt genomen door zijn boviene opponent doordat hij (de toreador) zich heeft laten afleiden door het flitslicht van een sportfotograaf, wekt dat bij zijn hoogzwangere vrouw, die zich onder het publiek bevindt, barensweeën op. Vader en moeder belanden tegelijk in het ziekenhuis. De moeder van Sneeuwitje, dan nog Carmen, Carmencita, sterft in het kraambed, vader belandt in een rolstoel, hij is het gevoel in zijn benen en handen verloren. Het verloop van de twee rampen (arena + gevolgen enerzijds, kraambedgedoe anderzijds/tegelijkertijds) zijn door elkaar gesneden. Dankbare cross cutting.

Red cross cutting!’

‘Hahaha!’

‘Haha, schitterend!’

‘Ghhha, ghhha.’

Een kwaadaardige zuster ontfermt zich over de invalide stierenvechter en besluit dat ze zijn nieuwe vrouw gaat worden. De actrice die haar vertolkt slaagt er uitstekend in een griezelig soort ongeneeslijke slechtheid te vertolken. De aanvechting om met mobiele telefoons en snoepgoed naar het grote doek te gaan smijten als dat wijf in beeld komt is haast niet te onderdrukken. Een rotte appel is het – een sadistisch, hebberig, jaloers kutwijf, precies zoals we ze graag zien in sprookjes.

Carmen woont een paar jaar bij haar grootmoeder. Tot die tijdens de flamenco sterft aan een hartaanval, beroerte of iets anders acuuts waarvan je je ogen nog even wijd openspert (drama!) voordat je je laatste adem uitblaast.

Carmen moet bij haar stiefmoeder gaan wonen.

De stiefmoeder knipt de mooie lokken van Carmen kort. Als ze haar aangenomen kind haar kamertje laat zien, in een kelder – misschien is het een kolenhok? – dan zegt ze: ‘Bevalt je nieuwe kamer je? Ze is gezellig.’ De dialogen van deze zwijgende film volgen we via tussentitels.

Berger neemt de tijd om ons ervan te doordringen wat een takkewijf die nieuwe moeder van Carmen is. Ze slacht de enige vriend die Carmen in het huishouden heeft, de kip Pepe, en laat die serveren.

De stiefmoeder laat haar portret schilderen door een man met wie ze een sado-masochistische relatie onderhoudt en die ze later opdraagt Carmen te wurgen terwijl die bloemen plukt voor haar overleden (vermoorde) vader. Het verrotte karakter tekent het liefdes- of seksleven van de

‘Ho, ho… je gaat te snel… wie heeft die vader nou opeens vermoord?’

Dat heeft die boze stiefmoeder gedaan… ze heeft ’m met rolstoel en al van de trap af gelazerd… Later geeft ze, als gezegd, ook nog de opdracht Carmen te wurgen (dat mislukt), slaat ze haar vriend dood met een beeld en vergiftigt ze Carmen/Sneeuwwitje.

De bewusteloos-gewurgde Carmen wordt gevonden door een dwerg. Hij reanimeert haar (instructieve scène!) en neemt haar mee naar zijn collega-dwergen/stierenvechters. Ze nemen haar op in hun groep. Omdat Carmen haar geheugen heeft verloren en daarmee ook haar eigen naam vergeten is, noemen ze haar: Blancanieves. Sneeuwwitje. Ze ontdekt haar talenten als stierenvechtster en wordt al snel uitgenodigd voor een optreden in de grote arena van Sevilla.

Daar volgt de apotheose van de film.

De sequentie waarin Sneeuwwitje schittert als toreador is een echo van die waarin haar vader zijn nek brak. Vooral filmisch – stilistisch – is de sequentie van een grote schoonheid.

Zo zit de scène in elkaar: Een kwaadaardige, jaloerse dwerg heeft een paar stierennaambordjes verhangen waardoor er in plaats van een stier met een peso van 150 kilo een beest van 500 kilo op Sneeuwwitje afstormt (in de arena/het colosseum van Sevilla, where we, als gezegd, lay our scene). Sneeuwwitje, die net, toevallig, heeft gehoord dat ze de dochter van de beroemde toreador Antonio Villalta is, krijgt juist op dat moment haar geheugen terug – een prachtig staaltje montage waarin de film van haar leven aan haar voorbijtrekt.

Het gevecht loopt goed af. Blancanieves zegeviert. De stier wordt gespaard, het publiek is uitzinnig.

‘En ze leefden nog lang en gelukkig?’

Bijna. Sneeuwwitje neemt tijdens haar ereronde een appel aan van iemand uit het publiek… dramatische ironie: wij weten dat die iemand Sneeuwwitjes gesluierde, boze Stiefmoeder is en dat die appel is vergiftigd… Sneeuwwitje raakt in coma.

Slotshot: een traan die opwelt uit het gesloten oog van de comateuze Sneeuwwitje.

Is Blancanieves een geslaagde film? In het zomernummer van Preview Arthouse, een boomerang uitgave, stond: ‘Meer inhoud zou de film geen kwaad hebben gedaan.’

Hoezo?

Definieer inhoud.  Style is everything. Vorm ís inhoud. Maar voor wie een film pas geslaagd wil vinden als die bijdraagt aan de totstandkoming van een betere wereld: wat ook je mening is over stierenvechten, Blancanieves draagt in ieder geval bij aan de vrouwenemancipatie… als mannen met stieren mogen vechten, dan mogen vrouwen het ook…

Bestaat er eigenlijk al een Opzij prijs voor de beste vrouwelijke stierenvechtster?

De dwergen in Blancanieves zijn niet grappiger/ernstiger dan de andere personages, Sneeuwitje vat zelfs een love interest op voor één van de mannetjes. In dit opzicht mag je Blancanieves dus óók emancipatoir noemen: de film komt op voor kleine mannen, het toont een wereld waarin een vrouw langer mag zijn dan haar mannelijke partner. En hier is langer trouwens ook: groter. Beter in haar vak dan haar mannelijke collegaatjes. En dat dan weer tot ergernis van één van andere dwergen, het bovengenoemde bittere gastje dat die stierennaambordjes verwisselt.

Eindoordeel: wat een beeldend vermogen, wat een geweldige film, vooral omdat Bergers werkstuk in de eerste plaats fílm is, cinema!, een kunstwerk dat zich alleen werkelijk laat genieten op het grote scherm van een filmhuis of bioscoop. Drie witte, wuivende zakdoekjes (3/5). ‘Spaar de stier, spaar de stier!’. Of dramatischer: vier in de bloedplas onder het kraambed gevallen medaillons (3/5).

Prachtig ook, voeg ik aan dit alles nog toe, hoe gedurende de film de naald van verstelwerk, die van een platenspeler en die aan het uiteinde van een gifspuit met elkaar in verband worden gebracht.

Het enige slapstickmomentje uit Blancanieves laten we hier natuurlijk niet onvermeld… In een zomaar tussendoorsequentie zien we hoe de boze, jaloerse regeldwerg van het gezelschap uit hier niet ter zake doende ergernis zijn pruik aftrekt en daarbij per ongeluk hard op zijn eigen, verbonden arm slaat. Au, au, au!

Hahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahahhaahahahahahahhahahahahahahahahaha, schitterend! Kostelijk! Onvergetelijk! Serieus!

Waarom kun je voor slapstick bijna alleen nog maar in stripboeken of het theater terecht? Slapstick is zo ongeveer het allermooiste dat de beschaving ons heeft gebracht. Honderd miljoen in een slapstickfonds en vlug een beetje!

*Titelverklaring van deze blogpost: ‘wonder of vloek?’ roept de spreekstalmeester in de circustent waar Sneeuwwitje is opgebaard/tentoongesteld – nadat ze in coma is geraakt doordat ze in de Arena heeft gegeten van de appel die haar is aangereikt door haar gesluierde, boze Stiefmoeder (zie hierboven) – en waar bezoekers voor 10 cent per persoon (m/v) een poging mogen wagen om haar wakker te kussen.

Frappant: andere recente zwart-wit films – Frances Ha, Tabu, The Artist – spreken een soberder beeldtaal dan Blancanieves. Die voorgangers zijn calvinistisch of protestants, terwijl Sneeuwitje zich, vooral waar Berger zich heeft laten inspireren door Eisenstein en de expressionisten, veel barokker, pompeuzer, ornamenteler oogt, katholieker.

P.S. In een vraaggesprek met de VPRO Gids merkte regisseur Berger op dat hij graag stierengevechten bijwoont. Lastige waarheid: zonder die liefde was Blancanieves nooit zo’n prachtige film geworden.

Verse noot

* Dat verschijnen van die DVD mag de plaatsing van dit stukje dan rechtvaardigen, het blijft pervers om een kunstfilm op je televisie of het beeldscherm van je computer te bekijken. Vind ikkeltje tenminste. Maar ja.

Een extra duit in het zakje van het Sinterklaasdebat – toegift

Als stieren echt zo dol worden van de kleur rood is het misschien wel geinig twee Spaanse tradities te combineren en Sinterklaas af en toe een rondje door de arena te laten rennen. In z’n mooie rode jurk. Met z’n mooie, stoere, rode boek onder z’n arm. En met die mooie rode mijter op z’n bol. Zachtjes gaan de stierenhoefjes, trippel, trippel, trippel… trap. Stiertje is nog lang niet moe, stiertje rent naar klaasje toe.

Tirade – dol op sprookjes.

Volgende week: Dr. Sleep. En meer.

Afscheid

De blog van vandaag is bedoeld om afscheid te nemen. Na slechts enkele maanden (sinds 1 april, om precies te zijn) bij de redactie van Tirade, vertrek ik weer. Vanaf volgende week maandag schrijf ik drie keer per week een column op pagina 2 in nrc.next.

De blog van vandaag met als titel ‘Afscheid’ en dan deze aankondiging van vertek: het voelt nogal banaal. Niet omdat ik het niet heel jammer vind Tirade te verlaten, maar deze week was al het verdriet voor Thomas Blondeau (I.M.) gereserveerd.

Gister was zijn afscheid. Thomas’ vriendin Liesbet sprak. Het was mooi. Hartverscheurend. Liesbet beloofde dat ze niet zou vergeten om zich overal op te smijten. Dat had Thomas gezegd: je moet je overal op smijten. In de liefde, het leven. Smijtend leven.

Het afscheid van Tirade is gelukkig veel minder definitief. Deze zondagblog stopt, maar Tirade gaat door. De redactie gaat door. Ik ga door, zij het elders. De woorden blijven. In januari staan we nog als één gezamenlijk Tirade te tieren op het Writers Unlimited (sic) festival.

Ik heb veel zin om aan de slag te gaan voor nrc.next, maar ik was graag bij Gilles, Lieke, Marko, Martijn, Menno en Merijn gebleven. Misschien zou ik inderdaad moeten blijven en gewoon harder moeten werken. Thomas combineerde ook allerlei werk en opdrachtgevers, de ‘hemelbestormer’ bleef universiteitsblad Mare trouw. Als zijn vroege dood ons íets leert dan is het ervan te nemen. It’s all happening. En: YOLO.  

De nachten kunnen altijd korter. Slapen lijkt nutteloos met een rijke stapel boeken naast je bed. Het laatste (ik wou dat hier stond: ‘meest recente’) boek van Thomas ligt bovenop. De woorden blijven. 

Ik vertrek omdat ik niet wil dat Tirade een tussendoortje wordt. Ik smijt me op mijn nieuwe taak als columnist.

 

Wie maakt me los?

Toen ik slaagde voor mijn middelbareschoolexamen kreeg ik van een leraar klassieke talen een hele collectie boeken. Met een kleine, oude koffer die hij met een sjaal achter op zijn fiets had gebonden, kwam hij ze brengen. Het bleken er zoveel te zijn dat één ritje niet genoeg was. Hij zei dat hij voor boeken nooit ofte nimmer geld wilde vragen; ik gaf hem als dank een boekenbon.

Hier moest ik aan denken toen ik las over hoe je kan leven met minimaal bezit.* De sleutel tot weinig bezit is dingen weg te geven, en wat je nodig hebt te lenen van anderen. Dat had die docent goed in de gaten.

Ik wil ook van mijn spullen af, het liefst zou ik zo weinig mogelijk overhouden. Ik vind namelijk dat ik eigenlijk te veel rotzooi heb. Mijn huis lijkt een bende, maar dat is het niet: het probleem is dat ik heb gewoon teveel bezit. De kasten puilen uit, overal liggen prullaria, keukengerei, willekeurige dingetjes die ooit (weet ik zeker) van pas zullen komen, krantenknipsels, ongelezen brieven… Ik ben een echte bewaarder, maar geen verzamelaar met een collectie van het een of ander – behalve dan de boeken. Ik doe gewoon niet snel iets, wat dan ook, de deur uit. Dat is een familietrekje.

‘Ik slaap beter wetende dat ik niet meer gebruik dan ik nodig heb. Ik heb minder en geniet meer. Mijn huis is klein, mijn leven groot,’ schreef Kelly Sutton van het blog Cult of Less. Hij minimaliseerde zijn bezit tot zo’n beetje een laptop en een harde schijf. Dat zal mij niet lukken, daarvoor hecht ik teveel aan tastbaarheden als foto’s en boeken, maar ik zie zijn punt. Het punt is namelijk dat minimalistisch bezit alleen mogelijk is met hulp van anderen: we moeten gaan delen en onze levens groter maken. Aangezien het individualisme alweer een tijdje dood is lijkt me dat een heel goed idee.

De vraag is nu natuurlijk: wat heb ik nodig? Uiteindelijk, volgens Tolstoj, alleen een lap grond voor je graf. Maar voor de tussentijd pleit ik voor: een dynamische boekenkast, ter grootte van een Billy; een garderobe die in een koffer past, om licht mee te reizen; één kopje, bord, mes, vork, lepel en dan elke dag de afwas doen; een vulpen en een schrift; een piano. De rest mogen jullie van mij hebben. Kom maar langs en zoek iets uit, dan worden we allemaal blije mensen.

Misschien klinkt het allemaal wat zweverig, als onthechting volgens Sint Franciscus of Boeddha, maar ik geloof dat het uiteindelijk juist heel erg beide-benen-op-de-grond is. Want wat moet ik met een tafelventilator die ik nooit gebruik; een wekkerradio met luchtalarm; espressoapparaat terwijl ik al tijden een bialetti heb? Of half volgeschreven notitieboekjes; twee of drie fototoestellen? Gedroogde herfstblaadjes – er dwarrelen toch elk jaar oneindig veel nieuwe neer? Allemaal franjes. Het enige wat er echt toe doet is een beetje zon op z’n tijd.

 

* NRC Lux, 19 oktober 2013.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Absolutely capital-G-great’ – Cynthia Ozick

Hoi,

Mocht je toevallig niet eerder vertaalde verhalen van Cynthia Ozick aan het vertalen zijn, dan zouden wij, de redactie van Tirade, je vertaling, na voltooiing, graag lezen. Het inzenden van zo’n vertaling is: heel eenvoudig.

David Foster Wallace bracht Ozick in 1997 ter sprake in een interview met David Wiley.

Q:  ‘You’ve mentioned Ozick before in other interviews. She’s amazing isn’t she?’

A: ‘Here’s what’s cool is that this is this hyper-educated, very seriously Jewish person writing about a culture and ethnicity that I know very slightly, and mostly only from books, and whom I — number one, the prose is just completely luminous, but number two, I find myself feeling stuff for these folks that I sure don’t feel for most of the people who look just like me in regular life. There’s this magic that stories can do, and the thing that is transcendent about Ozick is that she’s extremely canny and familiar with language and fiction as artifice and all that stuff, and manages not to offend your sensibilities about that stuff, while at the same time creating these really kind of luminous, luminous, luminous stories. There are maybe two or three living American writers who I think are just absolutely capital-G-great, and she’s one of them.’

As good as it gets

IMG_3238De afgelopen dagen begint het tot me door te dringen dat niemand me zal komen redden. Ik weet ook niet waarom ik het zo lang heb verwacht. 

Misschien moet ik dit uitleggen. 

Als je – zoals ik – ongeveer elk halfjaar iets nieuws aanvangt, kun je heel lang blijven leven met de hoop dat er grootse en geweldige dingen op je staan te wachten. Er is me dan ook behoorlijk wat geweldigs overkomen. 

Schrijver worden was mijn laatste te vervullen droom, en met het behalen van mijn eigen criterium (een tweede boek publiceren), is die gerealiseerd.

Er is niets meer te willen; alles wat nu volgt is extra. Gezien mijn leeftijd lijkt het me wijs er vanuit te gaan dat de dingen die ik nu doe mijn werk zijn, zoals koken, schrijven en een psychodiagnostisch bureau runnen. 

Dat ik die dingen ben

Vergeleken met veel leeftijdsgenoten heb ik mijn gebrek aan definitie erg lang kunnen volhouden, maar ik vrees dat ik er nu aan moet geloven: This, Jack Nicholson indachtig, is as good as it gets

Hoe fijn was het om al die jaren een belofte te zijn, een onuitgekomen wens. Om wakker te worden met het gevoel dat ik geweldig nieuws had, alleen om te ontdekken dat ik nog niet wist wat het was. 

Als ouder worden betekent dat je jezelf leert kennen en steeds scherper definieert, dan wil ik daaraan toevoegen dat je met de jaren ook bosjes alternatieve zelven verliest. Hoe ouder je wordt, hoe minder versies van jezelf je zijn kunt. 

Het beste om als veertiger te doen is schrijven. Niet helemaal hetzelfde als jong zijn, maar het komt heel dicht in de buurt. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Tirade Unlimited

Thans op een geheime buitenlandse missie, maar volgende week woensdag weer terug op deze plek: Menno Hartman.

Vandaag een linkje. Zoals je je misschien herinnert zijn Festival Writers Unlimited en literair tijdschrift Tirade een samenwerking aangegaan voor de Writers Unlimited Festivaleditie 2014. Wij houden je hier op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen rond die samenwerking, maar als je het festivalnieuws van Writers Unlimited op de voet wilt volgen (‘ja dat wil ik!’), dan kun je je abonneren op de WU-nieuwsbrief – en wel hier.

Wie zich nu abonneert (gratis!) lijkt verzekerd van een snelle return on investment: naar verluidt verschijnt een dezer dagen een nieuwe editie van genoemde nieuwsbrief.

Je kunt je ook vast gaan inlezen voor de NRC Leesclub Live.

Thomas Blondeau (1978-2013)

Afgelopen donderdag zou Thomas als ‘mooiboy’ komen. Eerbiediger gezegd: met zijn charmant accent en evenzo fijnzinnige voorkomen zou hij twee teksten voorlezen, een brief van Ted Hughes over het werk (en de dood) van zijn vrouw Sylvia Plath en het gedicht ‘To His Coy Mistress’ van Andrew Marvell. Beide teksten werden ingebracht door talkshow-gasten Eva Rovers en Katie Roiphe, maar het waren teksten die door Thomas zelf gekozen hadden kunnen worden.

Woensdag smste Thomas dat hij zijn optreden als mooiboy misschien moest missen. Hernia, ‘plots opgestoken’. Hij was nog in Antwerpen. ‘Grote voordeel: dokters verdoven je hier. Onverdoofd bevallen is hier barbaars. Nu altereren tussen hete straal en ijsberen. Toitoitoi morgen’. Hij schreef ook dat de verdoving hem wat ‘Eline Veresk’ maakte.

In zijn brief betreurt Hughes hoe de laatste gedichten van Sylvia Plath in de betekenisgevende schaduw van haar dood zijn komen te staan. Kort na het schrijven van de Ariel-gedichten, pleegde ze zelfmoord. De gedichten werden veelal gelezen als voorbode, terwijl haar echtgenoot het moment van haar zelfverkozen dood toevallig acht. Hij leest in de Ariel-gedichten juist hernieuwde levenskracht. Haar dood heeft die interpretatie verstomd. De brief is een waarschuwing, of een pleidooi. Een pleidooi voor het blijven zien van de open ruimte in de woorden. Het overlijden van de schrijver mag niet tot een donkere schaduw uitdijen waardoor het werk zijn kleurschakeringen kwijtraakt.

In het zeventiende eeuwse gedicht van Marvell probeert de spreker zijn minnares tot seks te verleiden. Eerbiediger gezegd: het gedicht waarschuwt voor de tijd, die ons op de hielen zit. Hadden de spreker en de minnares een eeuwigheid gehad, dan zou hij voor het bewonderen en beminnen van alleen al haar ogen en voorhoofd een eeuw uittrekken. Maar die tijd is er niet, de dood ligt altijd om de hoek: ze moeten het er nu van nemen.

The Grave’s a fine and private place,

but none I think do there embrace.

Zaterdag zei Thomas in een prachtig cover-interview met nrc.next: ‘Ik geloof heilig in het adagium: doe elke dag iets waar je bang voor bent.’

En ook: ‘Vaak zie ik ook op tegen ontmoetingen – een angst is het niet, maar ik moet me ertoe zetten.’ Dat straalde niet van hem af. Hij was zo’n fijne aanwezigheid, ging met zoveel aandacht in gesprek. Zo charmant en innemend dat je altijd achterbleef om terug te geven. En zorgzaam op een wijze die hem zo natuurlijk leek. Een jaar geleden zat ik zes weken met mijn been omhoog op bed. Thomas stelde voor om langs te komen, met whisky. Bij gebrek aan Vlaamse dokters en hun paardenmiddelen, achtte hij sterke drank noodzakelijk. Op het laatste moment belde ik hem af, ik schaamde me: op bed en verkrampt van pijn zou ik geen goed gezelschap zijn. ‘Och pop’ en ‘Beterschap’.

Toen ik het interview zaterdag in nrc.next las – ‘Bijna iedere afspraak wil ik eigenlijk afzeggen. Dat doe ik natuurlijk niet.’ – schaamde ik me opnieuw. Ik had ons wél afgezegd. We hadden moeten drinken, natuurlijk. Whisky als waardige medicijn tegen sociale schaamte en fysieke pijn. Al had Thomas inmiddels wat beters gevonden: de liefde.

Maar wie iets prachtigs vindt, is nog niet uitgezocht. Het was hem zo gegund, verdomme, verdomme! Het was hem zo gegund: die liefde, geluk, een volgende (en daarop volgende) roman, elke dag een stap over de angst, het leven. I can’t go on, I’ll go on. En verder.

Vrijdag stuurde hij dat het beter ging, ‘Nog een paar dagen moederland, denk ik.’ En aansluitend wel drie keer: ‘Ik maak het goed, de volgende keer.’

Dat dat niet meer kan, is onverteerbaar. 

De geschrapte ‘bedscènes’ van J.J. Voskuil

Wat is de beste naoorlogse roman uit de Nederlandse literatuur? Ik zou zeggen: Bij nader inzien van J.J. Voskuil. Een briljante of liever gezegd mieterse roman van 1207 bladzijden over een groep studenten in Amsterdam. Hoewel de eerste druk uit 1963 in de ramsj belandde, werd er in 1985 een herdruk gemaakt. Bij die gelegenheid verscheen in De Volkskrant een interview van Lisette Lewin met de schrijver. In De buurman staat hoe dat gesprek verliep: ‘De interviewster kwam om twee uur. Ze had mijn boek niet uit gekregen, maar ze had er wel een indruk van. Wat haar in wat ze gelezen had vooral intrigeerde, was het ontbreken van sex. Een groot deel van het gesprek gebruikte ze om daar meer over te weten te komen. Ik reageerde daar stug op, ging me steeds ongelukkiger voelen en betreurde het eraan te zijn begonnen.’
            Het merkwaardige is dat in het gepubliceerde interview het onderwerp seks in het geheel niet voorkomt. Dat zal zijn omdat Voskuil ‘stug’ deed en er weinig over kwijt wilde.
            Pas zes jaar later, 28 jaar na de verschijning van de eerste druk, kreeg Bij nader inzien grotere bekendheid doordat Frans Weisz de roman bewerkte tot een televisieserie. Het feit dat in die 1207 bladzijden weinig aandacht is voor seksualiteit, bleef mensen ondertussen bezighouden. In 1991 verscheen een lang, in boekvorm verschenen interview van Jan Fontijn met Voskuil. Op pagina 32 vraagt Fontijn naar het ontbreken van de seksualiteit. Voskuil legt uit dat het door de tijd kwam: ‘Men sprak er niet over in het openbaar, het was nauwelijks onderwerp van gesprek.’ Om daar later op typisch Voskuiliaanse wijze aan toe te voegen: ‘Seks was het probleem niet van het boek. Het probleem van het boek is: vrienden, wat doe je ermee. Hoever gaat vriendschap? Nou, vriendschap betekent niets. Dat is de boodschap van het boek.’
            Hiermee liet Voskuil niet het achterste van zijn tong zien. Dat seks wel degelijk een rol speelde in die vriendengroep, blijkt uit de postuum gepubliceerde roman Binnen de huid, die begint waar Bij nader inzien eindigt, en waarin seksualiteit min of meer het hoofdthema is. Hoe kan het dan dat dat thema in Bij nader inzien vrijwel afwezig was?
            Het antwoord ligt in de zojuist verschenen correspondentie tussen Voskuil en Henk Romijn Meijer, Een trans-Atlantische briefwisseling. Romijn Meijer was degene die zorgde dat Bij nader inzien bij Van Oorschot verscheen. Voskuil had het manuscript ingeleverd bij Reinold Kuipers van Querido. Die zag er weinig in, waarna Romijn Meijer het boek ophaalde en naar Geert van Oorschot bracht. Diens reactie op het boek wordt schitterend beschreven in Voskuils portret ‘Geert’, eerst verschenen in Tirade en daarna in Onder andere.
            Maar Romijn Meijer heeft zich ook met de inhoud bemoeid. In een brief van 17 oktober 1962 vroeg Voskuil aan Romijn Meijer: ‘Een artistiek probleem, waarover ik zo gauw mogelijk jullie oordeel wil hebben. Passen de scènes “onder de gordel” eigenlijk in dit boek?’
            Romijn Meijer antwoordde in een brief van vier dagen later: ‘We [Romijn Meijer en zijn vrouw] hebben over die bedscènes gedacht en ik zou je aanraden om ze weg te laten.’
            In de brieven erna gaan Voskuil en Romijn Meijer nog uitvoerig op het thema van de seksualiteit in. Uit een latere brief blijkt dat de ‘seksuele kwestie’ Voskuil ‘drie weken van bijna absolute slapeloosheid’ heeft gekost. Uiteindelijk schrapte hij op aanraden van Romijn Meijer alle expliciet seksuele scènes. En zo werd het inderdaad een roman die uitsluitend over vriendschap ging. En valt er in Bij nader inzien alleen tussen de regels te lezen wat in Binnen de huid expliciet aan de orde kwam.

Tirade op Maandag – Drie kleine gerechten

‘Wat ik van die Pietendiscussie vind? Tegen Pieten heb ik geen bezwaar, mits er behalve zwarte ook maar witte en gele Pietermannen zijn. Waar ik wél een groot probleem mee heb: Sinterklaas. Wat een autoritaire klootzak! Mijter en staf inleveren, zelf de zak in kruipen en dan hups over de reling van die anachronistische stoomboot de Noordzee in. Ben je nou helemaal besodemietert met je dikke boek en je rare baard. Lazer op man, bemoeial, ga de vissen maar commanderen.’ Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de zeekoe. Case closed.

Okidoki… laten we maar meteen uit petto gaan.

Oftewel: aan tafel! Welkom bij Tirade, welkom bij de Maandagochtendshow van 21 oktober 2013. Drie kleine gerechten. Het eerste heb je al achter de kiezen. Dus we beginnen met – hoe kan het ook anders! – het tweede gerecht:

2/3: Het Korps Mariniers

Als twintigers waren Gilles en ik allebei hartstikke homoseksueel. Tja, welke jongeman niet? Je groeit op in een homoseksuele wereld. Je weet niet beter. Je wordt opgevoed tot homoseksueel – als het ware. En hoe gaat dat met al dan niet vermeend homoseksuele mannen? Dat kan iedere kromgeaarde Gijpiaan je vertellen: zodra je in de puberteit geraakt, zorg je dat je als de sodemieter in een voetbalteam belandt… heerlijk achter andere knullen aandraven in de buitenlucht… blote benen… gehijg, gezweet… de omhelzingen na het ‘scoren’… En dan moet het beste nog komen: met z’n allen joelen en glibberen onder de groepsdouche… zo, even de shampoo pakken, o sorry is dat je piemel, nou ja: als er maar spul uit komt!

Iedere voetbalclub is een homoclub.

Echter, zodra je als homoseksueel onder de wapenen mag, wil je meedoen met het echte werk… dan zorg je natuurlijk dat je d’r bijkomt… dat je vooraanstaat… dat je deel wordt van de organisatie met de hoogste dichtheid homoseksuelen: Het Korps Mariniers.

Gilles en ik hebben er een heerlijke tijd gehad.

Het is precies zoals homoseksuele politici als Hans Wiegel en Henk Kamp al bij herhaling hebben opgemerkt: als er één plek is waar je als heteroseksueel niks te zoeken hebt, dan is het wel het Korps Mariniers. Lekker met je grote gun achter elkaars kont door de modder kruipen. ‘Bob… geef me rugdekking, snel!’… Nee, je hoeft geen Master in de psychologie te hebben om te zien dat dergelijke ‘oefeningen’ niks voor hetero’s zijn.

Aanvankelijk dacht ik zelf oprecht dat ik, zoals de andere mannen bij mij op de voetbalclub, en later bij het Korps Mariniers, gewoon homoseksueel was…  je doet je best, je moet er altijd zelf wat van maken in het leven… Als je je eens onprettig voelt, kom je niet op de gedachte dat het iets met je geaardheid te maken zou kunnen hebben… Maar vaak, als we tijdens internationale oefeningen met z’n allen in de grote tent lagen – iedereen druk aan het pijpen en aftrekken en kontneuken, ik hoef je denk ik niet te vertellen hoe het er ’s avonds aan toegaat bij het Korps Mariniers – dan keken Gilles en ik elkaar vaak aan met zo’n gezicht van: ‘Ik vind hier eigenlijk helemaal niks aan.’

Op een gegeven moment, ik weet het nog heel goed, het was gewoon in de kazerne in Nederland, zaten we samen in de mess onze aardappelsoep met rauwe prei en zand te eten, bekende ik dat ik het nog niet helemaal zeker wist, maar dat ik soms vermoedde dat het soms in de verte misschien leek of ik me misschien eigenlijk soms eventueel weleens een heel klein beetje aangetrokken zou kunnen voelen tot… nou ja… vrouwen.

Gilles had precies hetzelfde!

Vanaf die dag hebben we elkaar geholpen uit de kast te komen als hetero. Dat we allebei van lezen en schrijven houden staat er los van al denk ik wel dat het een gevoel van vertrouwen verstrekte/versterkte.

De echte doorbraak kwam toen we tijdens een tropentraining in Palladina samen aan wal waren gegaan om in Do Brasil een bord kip met aardappelen te eten en onze blikken hier en daar aan een stukje vrouw bleven hangen. Gilles fluisterde: ‘Ben jij een borstenman of een billenman?’

‘Ik ben een brillenman,’ zei ik ‘ik val op intelligentie. Op sensibiliteit, op taalgevoel.’

‘…’

‘Al is, om Willem Brakman te citeren, ‘een goed koppel billen’ natuurlijk nooit weg.’

‘Hahaha!’

‘Hahaha, schitterend! En borsten: idem.’

De lach der opluchting – we legden vijf cruzeiros op tafel en verdwenen de nacht in. Kort daarna zwaaiden we af.

Bij dit personalistische stukje past ook wel een foto uit die tijd. Hier zijn we op training in Noorwegen. Die muts op de voorgrond is Gilles, die met die grote neus, in het midden, dat ben ik. En helemaal links zie je Henk, een beetje een ongrijpbare figuur was dat… die is er later met een getrouwde vrouw vandoor gegaan, waarmee hij tegenwoordig als het acrobatenduo Henk & Eveline door Rusland en China toert, toen ik onlangs zat te zappen zag ik op C.N.N. een –

Ik is de naam van een personage?’

Ik is een acteur op zoek naar een rol.’

‘Nou maar hopen dat ze bij het Korps Mariniers een beetje gevoel voor humor hebben.’

‘Kut, daar heb ik effetjes niet aan gedacht… straks meteen naar de boekhandel voor een handboek Kung Fu. Hoofdstuk 16: wat te doen tegenover zestig schuimbekkende homoseksuele beroepsmilitairen? Hieeehong Kwakaa!’

‘Iets anders: je zou het vandaag over Jan Wolkers hebben. Over Het Tillenbeest.’

‘Jawel, maar dankzij de ruimtevaarttechnologie die ik op mijn computer heb geïnstalleerd, kan ik vanaf hier aan al jullie smoelen zien dat niemand – bijna niemand – de moeite heeft genomen om dat verhaal ter voorbereiding op dit stukje even te lezen. Waar of niet?’

‘Dat is wel een beetje waar.’

‘Dus laat ik dit zeggen. Het verhaal verscheen in februari 1959 in Tirade. En hoewel de invloed van Reve op Wolkers nog onmiskenbaar is in Het Tillenbeest (jammer dat Wolkers dat definitieve essay over De avonden dat hij in 1991 aankondigde in de VPRO Gids nooit meer heeft geschreven) – is het kortverhaal al een echte Wolkers. Iedere aankomend auteur die iets naar Tirade wil opsturen mag Het Tillenbeest eerst vijf keer overschrijven.’

‘Dus Jan Wolkers debuteerde ooit in Tirade?’

‘Dat wilde ik even gememoreerd zien.’

3/3: Poessie Meknet – gesprek van de dag

In de tuin van bejaardentehuis De Gouden Krulspeld zitten, onder een verkleurende plataan, twee dametjes op een bankje.

‘En met je andere kleindochter?’

‘Met Eva? Ook goed. Die is tegenwoordig alleen nog maar aan het lezen. Vroeger zat ze de hele dag naar haar App-phone te koekeloeren, maar tegenwoordig is het lezen, lezen, lezen.’

‘Boeken?’

‘Literaire tijdschriften. Vooral Tirade.’

‘Ja, wat leuk dat dat nog bestaat hè? Mijn kleinzoons lopen er ook de hele tijd mee rond.’

‘Met de Tirade?’

‘Ja, precies, met de Tirade.’

‘…’

‘Houden ze ook van lezen? Of is het om indruk te maken op de meisjes?’

‘Wat?’

‘HOUDEN ZE OOK VAN LEZEN? OF IS HET OM INDRUK TE MAKEN OP DE MEISJES?’

‘De meisjes. Denk ik.’

‘…’

‘Weet je hoe ze Tirade noemen?’

‘?’

‘Een pussy magnet.’

‘Wat is dat?’

‘Iets om indruk mee te maken op de meisjes.’

‘Een poessie meknet. Nooit van gehoord.’

‘Je weet toch hoe dol meisjes op jonge poesjes zijn? Waren wij toch ook vroeger? Die zijn dol op poesjes… op huiselijkheid en aanhankelijkheid in het algemeen.’

‘Zijn ook schattige dieren, poesjes. Mijn moeder zei altijd – ’

‘Dus die knullen denken: als ik rondloop met zo’n gezellig tijdschrift, dan maak ik een huiselijke, knuffelige druk en dan komen de lieve jonge meisjes vanzelf als poesjes aangetrippeld.’

‘Slim bedacht.’

‘Hoe heet dat boekje van Rudy Kousbroek ook alweer waar jij vroeger zo dol op was? Dat boekje met die fluwelen kaft?’

De aaibaarheidsfactor.’

‘Ja! De aaibaarheidsfactor. Tirade heeft een hoge aaibaarheidsfactor.’

‘Poessie Meknet.’

 

Regen is een zegen – toegift

De week is weer geopend hoor… en trek je niks aan van het grauwe weer, hè?… dans, lach, lees en leef – en máák er wat van deze week, want voor deze week geldt hetzelfde als voor de vorige: ze komt nooit meer terug. En zoals Martina Navratilova al zei: ‘Het moment van overwinning is veel te kort om daarvoor alleen en voor niets anders te leven.’

Bovendien: voor mij zijn jullie zijn allemáál kanjers!

Soundtrack bij dit stukje, speciaal voor alle lieve jongens van het Korps Mariniers: De Tweede Vioolromance van Beethoven, door Emmy Verhey (althans, de vioolpartijen, de rest wordt gespeeld door het orkest).

Volgende week: Omdat ik Stanley Kubricks verfilming (1980) van Stephen Kings The Shining (1977) zo goed vond, Marko refereert hieronder, grappig genoeg, ook aan die film, lees ik nu het vervolg op die roman: ‘Dr. Sleep’, je lacht je slap.

Tirade – jouw eigen pussie meknet.

Lange dagreis naar de nacht

Ik zat in de schouwburg en de tranen stroomden over mijn wangen. Sinds lang was ik weer naar het toneel gegaan, om Lange dagreis naar de nacht van Eugene O’Neill te zien. Ik kende het stuk niet, behalve dan van naam.

Toen mij duidelijk was hoe de tragische vork in de steel zat, kon ik niet anders dan obsessief kijken. In Lange dagreis staat het gezin Tyrone centraal. Ouders en beide zoons zijn zwaar beschadigd. Moeder is juist teruggekeerd uit een klinkiek en ontkent dat ze nog steeds een probleem heeft. De mannen zouden haar en haar medicijnkast wel willen controleren, maar door haar manipulaties komt het daar niet van. Ze lijdt aan een morfineverslaving* en probeert haar man en zoons zo ver mogelijk van zich af te houden – door toenadering te zoeken. Ze is een vat vol irrationaliteit. Het spel van Marieke Heebink deed me bij wijlen denken aan Jack Nicholson in The Shining: van poeslief naar agressief en van meegaand naar ijskoud binnen een split second.

Er is nog veel meer aan de hand. Zoon Edmund blijkt TBC te hebben, en wanneer dat naar voren komt is hij voor de anderen al overleden. Vader heeft het beste voor met iedereen ‘maar binnen aanvaardbare grenzen’: hij blijkt een harteloze vrek. En zoon Jamie is een losgeslagen pierewaaier, laf, gemeen en manipulatief. Hij heeft daarmee de beste eigenschappen van zijn ouders geërfd. De vechtscène tussen de broers, tegen het eind van het stuk, was ronduit beangstigend. Er gaan nog doden vallen ook, dacht ik, maar zover kwam het niet. O’Neills tragedie blijft er een van woordelijke gevechten. De verwijten, beloftes, beschuldigingen, excuses, chantagepogingen, spijtbetuigingen en ontkenningen zijn niet van de lucht, maar alles in omfloerste bewoordingen.** Zinnen die iedereen zo zou kunnen uitspreken.

Ergens halverwege de vierde akte begon ik te huilen. Ik wist niet waar het vandaan kwam, volgens mij had ik niet eerder om een toneelstuk gehuild. Niet bij Aeschylus, niet bij Sophocles,*** ook niet om het werk van Tom Lanoye. Had het drankje in de pauze er iets mee te maken? Kon Aristoteles’ Poetica dit verklaren? Of mocht ik volstaan met de gevoelsmatige uitleg dat goede kunst je nu eenmaal midden in het strijdgewoel moet werpen?

Er zat niets anders op dan met rode ogen terug naar huis te lopen. De lange omreis terug naar huis.

 

* Over morfinisme gesproken: lees Hans Fallada’s verlavings- en afkickverslag Drei Jahre kein Mensch.

** O’Neill combineert de theorieën van Martin Buber en Emmanuel Levinas over menselijke interactie.

*** ‘Het is ‘n goddamn Griekse tragedie…’

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

We should all be feminists (/female sexists)

Gisteravond bezocht ik de eerste editie van Weijers & Van Saarloos: de nieuwe seksistische talk-show, een reeks interviews in Spui 25 met enkel vrouwelijke gasten. In de hoogmoed van een glas teveel wijn achter de kiezen beloofde ik mede-Tirade redacteur Simone vervolgens achteraf dat ik hier vandaag een kort verslagje zou schrijven – wat op zich heel slim van mij was, want ik had nog helemaal geen idee voor mijn vrijdagstukje, maar ook een beetje dom, want belofte maakt schuld:

In de zaal zat een stuk of 150 bloedmooie intelligente vrouwen (is dit seksistisch van mij? nou ja), afgewisseld door een enkele man. Niña Weijers en Simone van Saarloos beklommen het podium alsof ze nooit anders gedaan hebben (dit is mogelijk waar) en verwelkomden de eerste gast, Eva Rovers, die sprak over de biografieën van Helene Krüller-Möller en Boudwijn Büch die zij schreef/waaraan zij schrijvende is. Het leverde een interessant gesprek op, waarin aan de hand van een brief van Ted Hughes over het werk van zijn dan al overleden echtgenote Sylvia Plath duidelijk werd hoe iemands overlijden een schaduw over iemands werk kan werpen (zouden we net zoveel tekenen van onheil in de poëzie van Plath lezen als zij als 88-jarige vrolijke demente vrouw gestikt was in haar bejaardenhuishavermout? Waarschijnlijk niet.) Uiteindelijk vond Rovers het toch fijner om een biografie te schrijven over iemand die al overleden is, want in dat geval kun je een leven als geheel beschrijven en heb je al wat meer inzicht in wat dit leven als geheel betekend heeft.

De avond werd vervolgd door Hanna Bervoets, die een mooie en verontrustend herkenbare column voorlas die een brug naar het tweede deel van de avond vormde, en waaruit al bleek dat het niet zozeer onze chaotische levens zijn die ons ongelukkig maken, maar onze hysterische orde-in-chaos-scheppende neigingen. In die zin ontstaat er misschien wel helemaal nooit chaos, alles onder controle hoor, maar wel een hoop frustratie en stress doordat we de chaos die zich keer op keer aan probeert te dienen onderdrukken. (We ruimen alle rotzooi al op nog voordat we hem maken, maar ergens is er een vuilniszak vreselijk aan het lekken – zo’n soort beeld kreeg ik er bij).

Dit was ook min of meer wat de tweede geïnterviewde van de avond, de Amerikaanse schrijfster Katie Roiphe, beargumenteerde. Haar boek, in vertaling ‘Lof van het rommelige leven’ is, zoals zij het zelf omschreef, een pleidooi voor ‘leven alsof er over vijf minuten een piano op je kop klettert.’ Carpe Diem dus. Zo’n soort leven is helemaal niet voor mij weggelegd en bij de woorden ‘Carpe Diem’ denk ik altijd alleen maar aan de gelijknamige camping in Zwitserland waar mijn ouders en ik in 1997 drie weken lang gigantische modderstromen uit de tent probeerden te weren, dus ik was hier normaal gesproken uit principe afgehaakt, ware het niet dat Roiphe een goede en grappige spreekster is, die eveneens een pleidooi hield voor het omarmen van de ‘rommelige familie’, waarin alles misschien niet picture perfect is – maar waarin dat ook helemaal niet hoeft. Dat vond ik een mooie gedachte. Ze illustreerde dit aan de hand van voorbeelden uit haar eigen familie (zelf is ze een alleenstaande moeder van twee) en liet en passant een paar interessante feiten vallen. Voorbeeld: vandaag de dag leeft in Amerika 53% van de kinderen van moeders onder de 30 in een gezin met een ‘single mom’.

Dit gegeven vond ik opvallend, want eerder deze week las ik in het essay Gender Inequality and Cultural Differences van Susan Moller Okin dat in de jaren ’80 nog ‘slechts’ om en nabij de 25% van de kinderen opgroeide in een ‘single-female household’. Dit zou op zich een positieve ontwikkeling kunnen zijn: misschien vinden vrouwen tegenwoordig sneller een weg uit een ongelukkig huwelijk, maar het is wel verontrustend dat gescheiden vrouwen er na hun scheiding financieel nog altijd op achteruit gaan, terwijl mannen juist meer gaan verdienen. In hetzelfde essay ageert Moller Okin tegen het feit dat veel vrouwen in het postmodernistische tijdperk zich niet meer tot het feminisme willen rekenen omdat feminisme een vorm van essentialisme is: het gaat er vanuit dat er een essentie is aan ‘vrouw-zijn’ en, dientengevolge, dat vrouwen op de hele wereld kampen met dezelfde soort problematiek. Termen als ‘gender’ en ‘vrouw’ zouden net zo verwerpelijk zijn als iedere ander vorm van generalisatie.

Tot op zekere hoogte, zegt Moller Okin, is dit misschien terecht. Een vrouw in Afrika die wordt onderdrukt, heeft immers niet alleen te maken met seksisme, maar hoogstwaarschijnlijk ook met racisme. Toch gaat zij in tegen dit anti-essentialistische standpunt en beargumenteert dat de problematiek van westerse en niet-westerse vrouwen wel degelijk aan elkaar verwant is: seksisme zorgt er in Amerika bijvoorbeeld ook vaak voor dat vrouwen tot een lagere klasse gaan horen omdat hun vrouw-zijn hen financieel benadeelt (zie hierboven). Hiermee probeert ze aan te tonen dat discriminatie op basis van gender, ras en klasse vaak door elkaar heenlopen. Uiteindelijk concludeert ze dat de problematiek van vrouwen uit niet-westerse landen ‘similar but more so’ is: ze verschilt op z’n hoogst van onze problemen doordat ze prangender is; ze gaat vaker gepaard met andere vormen van onderdrukking en is daardoor ook nog eens moeilijker te bestrijden. En daarom is het wel degelijk zinvol en ook nodig om een globaal feminisme na te streven.

Tot slot, een boek dat de combinatie van gender- en rassenproblematiek op mooie en indrukwekkende wijze aan het licht brengt is de roman Americanah, van de Nigeriaans-Amerikaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie (die trouwens ook ooit Spui25 aandeed, zie hier). Ik besprak het afgelopen weekend met mijn feministische leesclubje (ha ja, het is een lifestyle, hoor) en we waren allemaal van mening dat het ons op een hele nieuwe wijze (en misschien zelfs wel voor het eerst) met de problemen van Afrikaanse mannen en vrouwen in een moderne samenleving in aanraking bracht. Mocht je nog geen standpunt ingenomen hebben in dat godvergeten zwarte pieten debat, lees dan dit boek en je zult je afvragen waarom dat nou zo moeilijk was, de enige logische mening vormen. En mocht je zin hebben om ergens in de loop van de dag je rommelige leven waarin chaos en frustratie altijd op de loer liggen even een halfuurtje stil te zetten, dan raad ik je aan om Adichie’s TEDxtalk te bekijken. De titel: We should all be feminists. 

http://www.youtube.com/watch?v=hg3umXU_qWc

 

 

Nooit meer slapen

DSC_0209Toen Louis C.K. zei dat voor het opvoeden van kinderen niet veel meer nodig is dan het vermogen om te bukken en een DVD in de speler te schuiven, moest ik heel hard lachen. 

Vanochtend, na de zoveelste nagenoeg slapeloze nacht voor mijn gezin, staarden Birre en ik elkaar aan over onze bak yoghurt-met-fruit.

‘Heb jij ook het gevoel dat je gezicht elk moment van je schedel kan glijden?’ zei ik.

Birre maakte het begin van een knik, maar was kennelijk bang dat haar gezicht eraf zou glijden, en koos ervoor nauwelijks hoorbaar te mompelen.   

Als alles een evolutionair nut heeft, dacht ik, dan moet het ergens zinnig zijn dat de eerste twee jaar van zo’n kind – voor alle betrokken partijen – slopend zijn. Ik schrijf hier slopend, ja. Ik heb het niet over tropenjaren, zo’n beetje het stopwoord als je het erover hebt met mensen die deze fase achter zich gelaten hebben. 

Zo’n bijna weemoedige grimas trekken en dan ‘Ja, dat zijn wel tropenjaren’ zeggen. Eikels. 

Mijn ervaring met de tropen is dat de zon er schijnt en dat je er rijpe mango’s kunt krijgen. Bovenal: dat iedereen er goed slaapt, soms wel drie keer per dag. 

Bij het corps mariniers* braken ze ons af om ons daarna weer op te bouwen. Misschien is iets dergelijks voor de ontwikkeling van de ouder-kindband wel nodig; misschien is de vernietiging** van het individu van de ouder wel nodig om ruimte te maken voor het kind.

Misschien zou Nadim me niet zo vaak tot tranen kunnen roeren als ik me niet al de hele tijd op de rand van tranen bevond. 

Een hoop misschienen, vandaag. Misschien dat ik het daar maar bij laat. 

 

* Ik heb nooit bij het corps mariniers gezeten

** Ja, ik heb het over vernietiging

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Journalisten: hackers, musketiers en graalridders

Alan Rusbridger – held of niet?

Wat is een geheim waard? De Engels krant the Guardian doet het een stuk beter na de publicatie van delen van de informatie die klokkenluider Edward Swowden aan zijn vorige werkgever de NSA onttrok. Dat was een actie waar weinig bij hoeft om er een geweldig James Bond film van te maken: documentairemaker Laura Poitras en blog-journalist/jurist Glenn Greenwald reisden af naar Hong Kong om te zien wat Snowden allemaal te bieden had.

In een etage boven de hoofdredactionele afdeling van het dagblad the Guardian in London wordt een verzameling laptops met man en macht bewaakt. De hoofdredacteur van the Guardian Alan Rusbridger bepaalt daar samen met de in Rio de Janeiro woonachtige Greenwald welke porties gevoelige  informatie er op welk moment vrij komen. Zij zijn God in de wereld van informatie, ze onthullen naar believen. Dat doen ze met een goed doel: want onze privacy staat op het spel. NSA graast immer ongeoorloofd informatie af die wij privé veronderstelden.

Het weekblad The New Yorker volgt al maanden met regelmaat deze gang van zaken, en eerlijk is eerlijk: ik volg het met rode oren, want dit zijn de vier musketiers van het vrije woord. (deze week: Freedom of information, A Britisch  newspaper wants to take its aggressive investigations global, but money is running out, door Ken Auletta)

‘Dit is gaaf, ik vind alles wat met hacken te maken heeft zo onwijs gaaf’ deze zin is opgetekend deze week op een feestje van twaalfjarigen die naar een film keken. Instemming alom. Hacken is onwijs gaaf. Dat is ook zo: de opperhacker van the Guardian ontsluit de Broncode van de Waarheid, graalridders zijn het, deze hackers.

En… het is echt allemaal heel spannend: neem nou de truc om precies gelijktijdig te publiceren in the Guardian, en in The New York Times en ProPublica , met als juridische grondslag dat persvrijheid in the First Amendement is opgenomen. Maar deze musketiers hebben in Greenwald een medestander die volledig buiten het bereik van zowel de Engelse als Britse regering is, hoe pesterig deze laatste Greenwalds vriend David Miranda ook een aantal uren vasthield op vliegveld Heathrow.

Wat me bezighoudt is of een regering een geheim mag hebben, en of een eenling mag en kan beslissen wanneer dat geheim vrijkomt. Ik kan mij niet aan het beeld onttrekken van journalisten die met een hoog testosteronniveau, ook denken aan hoe goed dit allemaal voor hun eigen carrière is, want zo kunnen journalisten ook zijn. Opvallend is hierbij dat de enige vrouw in het gezelschap haar heldenrol helemaal niet opeist.

Wil ik wel dat alles wat een regering geheim wenst te houden door testosteronjournalisten – hoe moedig ook – aan de openbaarheid vrijgegeven wordt. Heeft een overheid recht op privacy? Baltasar Gracian: ‘Hij die een ander zijn geheim vertelt,  maakt zich tot zijn  slaaf’.

Benjamin Franklin: Three can keep a secret, if two of them are dead.’

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Paleisje voor Volksvlijt

In de roman Het grote zwijgen van Erik Menkveld staat het er nog: het Paleis voor Volksvlijt aan het Frederiksplein in Amsterdam. Op pagina 21 van de roman gaat componist Matthijs Vermeulen op een bankje in het plantsoen zitten en dan kijkt hij naar het gebouw: ‘De lampen achter de honderden ramen branden nog, zelfs de koepel met zijn torentjes eromheen is feeëriek verlicht.’ Menkvelds roman speelt zich op dat moment af in 1910 en in 1929 zou het gebouw afbranden. Tot die tijd werden in het glazen paleis kunst, wetenschap, technologie, ambacht en vermaak met elkaar verenigd en getoond aan het publiek. Het Paleis stond open voor alles wat de menselijke geest kon voortbrengen.
            Wie nu op een bankje in het plantsoen van het Frederiksplein gaat zitten, ziet geen ‘feeëriek’ paleis maar het gedrochtelijke bouwwerk van De Nederlandsche Bank. Het Paleis voor Volksvlijt bestaat niet meer maar het gedachtegoed dat bij het gebouw hoorde (die vermenging van verschillende kunsten, vermaak en wetenschap) wordt voortgezet door Floris Tilanus en Elena Beelaerts. Zij richtten in 2011 ‘Paleisje voor Volksvlijt’ op en organiseren om de zoveel tijd avonden die zich vroeger hadden kunnen afspelen aan het Frederiksplein.
            Voor de vierde editie van Paleisje voor Volksvlijt weken ze vorige week uit naar de lelijkste straat van Amsterdam: de Wibautstraat. In de kelder van Trouw werd door een hele reeks kunstenaars en wetenschappers de voorstelling ‘Me, my flesh and I’ opgevoerd. Het publiek (zo’n tweehonderd mensen) zat niet maar stond, en werd om de zoveel tijd naar verschillende podia in de ruimte geleid. Omdat je als een school sardines nu eens de ene en dan weer de andere kant op golfde, stond je automatisch soms meer voor- en soms meer achteraan – waardoor iedereen wel tenminste één keer op de eerste rij terechtkwam.
            Een van de mooiste momenten was toen een sopraanWhen I am laid in earth’ van Purcell zong, uit Dido and Aeneas, terwijl vier filmpjes werden vertoond van mensen die onder het oog van de camera stierven: een prevelende hindoepriester die ogenschijnlijk vredig inzakt terwijl hij predikt; een man in een forum die zijwaarts omvalt in de armen van zijn buurman; een Spaanse voetballer die op het veld sneuvelt en ten slotte een worstelaar die na de overwinning te hebben behaald een hartaanval krijgt.
            Er werd nog veel meer en mooi gezongen, onder andere door Nandine van Karnebeek, er werd gedanst, toneelgespeeld en lesgegeven in de anatomie en genetica. Hoogtepunt was het moment waarop de hele zaal steeds maar weer een Latijnse psalm herhaalde, terwijl Tilanus en Beelaerts als twee heiligen met een stuk slagersvlees door de ruimte schreden. Wat ze daar precies mee wilden zeggen, weet ik overigens niet, maar het had zeker iets om met tweehonderd man in een kelder een psalm te zingen, terwijl daarboven op straat het verkeer langsdenderde en de regen tegen de ramen sloeg. Er ontstond een licht sektarische sfeer van gelijkgestemden die zich liever lieten vermaken door kunst dan door hun televisie.
            De datum van de volgende voorstelling van Paleisje voor Volksvlijt is nog niet bekend. Zie voor informatie hun website.

Pam, Tyn… en het raadsel van de verdwenen tumor

tErgens in agrarisch NL. Omdat Pam’s goochelshows steeds groter en uitbundiger worden is ze op zoek naar een tweedehands truck met oplegger waarin ze haar spullen (hoepels, kasten, fakkels, leeuwen) kan laten transporteren. Ze heeft gevraagd of ik meega naar een dealer in vrachtwagens, ergens in het noordoosten van NL. We kijken wat rond, kletsen met de dealer, keuren wat cabines en laadruimten, vinden niet wat we zoeken. Maar dat we in het dichtstbijzijnde dorp een warme chocolademelk hebben verdiend: staat vast.

Pam rijdt soepel naar de minikern van het dorpje W. Naast het piepkleine gemeentehuis ligt een grote vijver, ervoor een parkeerplaats waarvan alle drie de plekken zijn bezet. Pam kruipt achter de middelste van de drie geparkeerde auto’s, een Toyota, tot haar bumper die van de Toyota raakt. Dan geeft ze een dot gas (‘gaat ie’) waarmee ze de Toyota dwars door z’n handrem de lucht in duwt. De boodschappenToyota landt in de vijver. Plons, zink. Na drie seconden steekt alleen het dak nog boven het water uit. Net een surfplank.

‘Tja,’ zegt Pam, ‘hoe druk ’t ook is… als je goed zoekt, blijkt er altijd nog wel ergens een plekje vrij te zijn.’

De auto doen we niet op slot. Dat hoeft niet in dit soort dorpen. Terwijl we het plein naar de kroeg oversteken vraagt Pam: ‘Zit jij eigenlijk nog in de redactie van De Strijdkreet?’

‘Ik wist niet dat ik daar ooit in heb gezeten?’

‘Dat literaire tijdschrift.’

Tirade.’

Strijdkreet, Tirade, Whatever.’

Ze had namelijk een verhaal gehoord van een man en die had kanker, een hersentumor, terminaal, en die kanker was genezen doordat die man als een dolle korte verhalen was gaan lezen. De verhalen die hij las waren blijkbaar zo goed dat zijn hersenen uitzonderlijk veel endorfinen hadden aangemaakt en die hebben de tumor van die man afgebroken. Literaire teksten als een soort niersteenvergruizer.

‘De betere verdwijntrucs. Weet je ook wat ie had gelezen?’

‘Korte verhalen van Jan Wolkers.’

‘Mmm… daar zitten wel heel erg goeie tussen ja. Mmm.’

‘Ik denk dat die Strijdkreet van jullie wat meer aandacht aan korte verhalen moet gaan besteden. Al is het maar in het kader van de volksgezondheid.’

‘Nou verhalen zijn bij ons al één van de belangrijkste – ’

‘Hé, spreek me nou niet tegen! Ik zeg dat ik denk dat die Strijdkreet van jullie meer aandacht aan korte verhalen moet gaan besteden.’

‘Komt in orde, Pam.’

‘Zo mag ik ’t horen.’

We lopen de kroeg in. Grappig genoeg zijn we hier een jaar of tien geleden ook al eens geweest na afloop van een goochelmatinee die we hadden verzorgd in een bejaardentehuis hier vlakbij (ik weet nog goed dat sommige van mijn konijnen na afloop helemaal vochtig waren van de oude mensenkwijl).

‘Godverdomme,’ zegt Pam die voorop loopt, ‘die hufter zit op jouw plek.’

Ze wijst op de enige kruk die bezet is. Door een mollige dertiger met blonde stekeltjes. Ik houd eerlijk gezegd niet zo van woorden als ‘godverdomme’ en ‘hufter’ – bovendien vind ik stemverheffing in dit geval niet helemaal fair: ook ik meen me te herinneren dat ik tien jaar geleden op die specifieke, nu bezette kruk zat, maar ik heb het idee dat ik daaraan niet ontzettend veel rechten kan ontlenen. Daar komt nog bij dat ik er, hoewel ik de man nog niet rustig heb kunnen opnemen, rekening mee houd dat de krukzitter verstandelijk gehandicapt is.

Voor ik mijn overwegingen met Pam kan delen, is ze al op de knul afgestevend om hem, nog voor hij naar haar kan opkijken, met een vlug vuistje van de kruk te tikken.

Pam ís niet alleen een stoot – ze deelt ze ook graag uit.

Ze gebaart naar de lege kruk: ga zitten.

‘Vakwerk, Pam. Ik heb de kruk niet eens zien trillen.’

Pam is, fysiek gesproken, niet de allergrootste goochelaar van NL – de jongen die k.o. op de grond ligt, komt dan ook goed van pas als opstapje naar Pams eigen barkruk. Ik begin haar er zelfs een beetje van te verdenken dat de behoefte aan een verhoginkje de eigenlijke aanleiding voor haar vuistslag is geweest.

De badstof zweetband waarmee Pam tijdens autoritten haar haar uit haar gezicht houdt, spant nog om haar hoofd. Ik wijs op de zweetband en deel mijn observatie met Pam: ‘Je hebt je zweetband nog om.’

‘Weet ik. Misschien moet ik vandaag nog wel een kopstoot uitdelen.’

‘Toepasselijk in een kroeg.’

      We lachen.

‘Die moet je opschrijven, zegt Pam, ‘leuk voor een stukje in De Strijdkreet.’

Nadat hij onze bekers chocolademelk heeft neergezet, verdwijnt de waard naar achteren. Ik haal mijn sigaretten tevoorschijn.

‘Zou je hier mogen roken,’ vraag ik terwijl ik een sigaret uit het volle pakje trek.

‘Jij wel,’ zegt Pam. ‘De vraag is alleen of het verstandig is.’

‘…’

‘Je weet dat je van roken kanker krijgt?’

Ze zegt het ironisch. Maar haar vraag ontroert me. Noem me sentimenteel, maar wat ze eigenlijk zegt is: ik wil niet dat je doodgaat.

‘Maak je geen zorgen, Pammetje. Dit is de allerlaatste Laatste Sigaret ooit, echt. En als we nou straks nog even langs een boekhandel rijden voor die korte verhalen van Jan Wolkers, dan komt ’t vast in orde allemaal.’

‘…’

‘Ik neem tenminste aan dat er van het lezen van korte verhalen ook een preventieve werking uitgaat.’

‘Lijkt mij ook. Bovendien is het goed mogelijk dat je al helemaal onder de kanker zit zonder dat je het weet – en hoe vroeger je met de behandeling begint hoe beter. Dat is algemeen bekend.’

‘Bemoedigende woorden.’

Als we teruglopen naar de auto zien we op het dak van die driekwart gezonken Toyota twee eenden zitten – vredig, alsof het nooit anders is geweest.

Volgende weekHet tillenbeest. Van Jan Wolkers. Tenzij ik een goeie film zie, dan schrijf ik daar misschien wel over.  Altijd weer een verrassend moment/met de spannendste website die je kent.

Tirade – gezellig.

Nu te koop: Tirade 450

Rode bladeren, oranje bladeren, gele bladeren. De geur van paddenstoelen en gistend fruit. Omgewaaide bomen, doorweekte hardlopers. Eindeloos uitwaaien op de hei of aan zee om je daarna, binnen, te laven aan pompoensoep, thee, appeltaart en je vervolgens –  eindelijk! –  in een stil en comfortabel hoekje terug te trekken met het literaire oogstfeest van deze herfst: Tirade 450. Meer dan honderd pagina’s vol speciaal voor dit ‘feestelijke’ Tirade tiradenummer geschreven tirades van jonge, oude, middelbare, milde, boze, vrolijke, bekende en minder bekende sterren uit de hedendaagse NED-LIT.

Tirade 450 beroemt zich op de volgende contribuanten:  Joop Goudsblom, P.F. Thomése, Franca Treur, A.H.J. Dautzenberg, Gilles van der Loo, Tomas Lieske, Marita Mathijsen, Frits Abrahams, Detlev van Heest, Henk Broekhuis, Merijn de Boer, Binnert de Beaufort, Roos van Rijswijk, Walter van den Berg, Maria Barnas, Marko van der Wal, Kees ’t Hart, Adriaan van Raab van Canstein, Noor Kuijpers, Joris Brussel, Minke Douwesz, Harm Hendrik ten Napel, Rosan Hollak, Paul Beers, Lieke Marsman, Thomas Heerma van Voss, Sasja Janssen, Vincent Merckx, Jannah Loontjes, Bindervoet & Henkes, Sanneke van Hassel, Albert Meijer, Ester Naomi Perquin, Arjen van Lith, Jamal Ouariachi, Simone van Saarloos, Sjoerd van der Linden, Carel Peeters, Marte Kaan, Maarten van der Graaff, Menno Hartman, Bernke Klein Zandvoort, Jan Postma,  Daniël Rovers, Geerten Meijsing, Martijn Knol.

Koop de nieuwe Tirade in de boekwinkel of bestel hem hier.

Tirade 450 – voor een herfst zonder eikels.

Tirade 450 – jouw herfstblad.

Tirade wordt uitgegeven door het zelfstandige Uitgeverij van Oorschot.

Het gaat goed met de literatuur..

Omdat:

– Gilles vandaag zijn boek Het laatste kind presenteerde. 

– Er in café de Klepel allemaal koters als obers rondliepen met stinkende, maar heerlijke kazen en oesters (smaak, je moet er vroeg mee beginnen). 

– Er ondanks de regen zoveel mensen bij de presentatie waren dat de damp op de ruiten lag, terwijl Marko en Merijn de boekverkoop nauwelijks konden bijhouden. 

– De wijn ‘gratis’ werd geschonken en er dus ergens een potje over was.

– De meneer die de wijn schonk, tevens een schilder bleek en toe gaf nog nooit iets van zijn collega Gilles te hebben gelezen, maar dat gaat hij nu doen, te beginnen in de nieuwe jubileum Tirade waarvan hij een exemplaar mee naar huis kreeg.

– Bij het weggaan mijn paraplu er nog lag en al was ‘ie kapot, verstrikt geraakt in de kluwen ingeklapte nylonstof, met deze regen weet je dan: goed volk. 

– Deze foto boekdelen spreekt..

Tegen (slot)

Het 450ste nummer van Tirade is verschenen. Om deze bescheiden mijlpaal kracht bij te zetten nodigde de redactie 45 schrijvers uit om ieder een tirade van 450 woorden tegen iets of iemand af te steken. Omdat ik zelf bijna elke dag loop te tiraderen, volgt op deze plek een wekelijkse tirade (slot).

Mijn laatste tirade zou ik natuurlijk kunnen volpompen met een paar hete hangijzers en harde noten om zo met een klapper dit reeksje af te sluiten: de verwerpelijke clichébeelden in de folder van Bart Smit; dat Zwarte Piet nu eindelijk verleden tijd moet zijn, aangezien de slavernij al 150 jaar geleden is afgeschaft; flink zeiken over de Nobelprijs voor de literatuur, het comité en de laureaat omdat elke keuze een verkeerde is; een paar woorden tegen een smerige interwebspedofiel die zich ophoudt in chatboxen, want met zoiets kun je lekker scoren als stukkiesschrijver. Dat is allemaal leuk en aardig, maar ik ben van huis uit geen droeftoeterige querulant.

Althans, dat schrijf ik nu wel… het moest maar eens afgelopen wezen met mijn schoolmeesterachtige geneuzel over de misstanden in de wereld. Altijd maar met dat geheven vingertje rondzwaaien als een rabiate fatsoenrakker, terwijl je zelf net zo fout, fanatiek en hypocriet bent als de rest. Je kunt wel oproepen tot meer normen- en waardenbesef, de Balkenende uithangen in tijden van moreel verval, maar begin in vredesnaam bij jezelf, Van der Wal. Je bent eigenlijk gewoon een miezerig mannetje.

Die bloemetjesbroek van je trek je ook alleen maar aan om te compenseren voor dat chagrijnige smoelwerk, dan is er tenminste nog iets vrolijks om naar te kijken. Twee vliegen in één hypocriete klap, want je kunt meteen meedoen met de ‘zuurdesembroodknedende fixiefietsende’* hipsters die Amsterdam overstromen, suffe meeloper. Beetje lullen over Madame Bovary zonder het boek te lezen. Door de regen slenteren met een enorme bos roze lelies om ’m weg te geven aan een lekker ding, en dat vervolgens niet doen… Ach man, pleur toch op met je hekwerken en je prikkeldraad, en het zogenaamd niet vieren van je verjaardag! Ja ja.

Het komt me de neus uit, het schrijven van tirades. En dan zitten we de komende maanden ook nog opgescheept met een Tirade-nummer vol van dit gezwam. Leuk idee hoor, daar niet van, maar we hebben een nauwelijks te hachelen azijnbom gebrouwen. 45 stukjes (plus bonus) lang alleen roekeloze aanvallen op alles en niets. Zit ook veel moois tussen, maar toch, je zou het maar moeten lezen: alsof er ’s ochtends vroeg bij de koffie ineens iemand over dampende werkseks begint praten. Hoe heeft de redactie het zich ooit op de hals gehaald? Kunnen ze niet gewoon iets nuttigs doen en een mooie app maken? (Dag Android-gebruikers!) Aan één Prem ‘Tegen Alles’ Radhakishun hebben we meer meer meer dan –

‘En zo is het wel genoeg!  Je dacht zeker mooi weg te komen met een zogenaamd grappig stukje, met zogenaamde zelfkritiek? Is dat postmodern of zo? Je bent gewoon een bloedarrogante kwezel!’

Ik ben alleen arrogant uit hoofde van mijn functie…

‘Als koffieschenkstagiair bij dat tijdschrift zeker? Hopsakee, meteen een lekker fotootje van jezelf erbij.’

(…)

‘Is dit ongemakkelijk voor je? Is het nou schluss met dat gebitch tegen Tirade of wat?’

Dit was mijn laatste tirade ja.

‘En nu ga je je nu weer druk maken om literairige boekjes en hoge kunst?’

Ik ga me in ieder geval niet wijden aan het schrijven van dialogen.

‘Nee, je bakt er niets van.’

Bedankt, wat aardig. Wie ben jij eigenlijk?

‘De buikspreekpop van Martijn Knol.’

 

* Met dank aan Nynke de Jong.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Over de essays van Michel de Montaigne

Sinds een paar dagen ben ik in het trotste bezit van De essays van Michel de Montaigne (Athenaeum, Polak & van Gennep, 1474 pag.) en hoewel ik pas een essay of drie uitlas kan ik al wel zeggen: DIT IS LEUK.

Om dit te bewijzen zal ik nu een aantal titels van essays onder elkaar zetten, waarna degenen van jullie die dit boek nog niet in hun kast hadden staan als vanzelf naar de boekwinkel op de hoek zullen lopen en het aan zullen schaffen: 

 

Over vlot of traag spreken

Over de gewoonte kleren te dragen

Wie tegen alle redelijkheid in een vesting blijft verdedigen, wordt daarvoor gestraft

Of we iets als een zegen of een onheil ervaren, hangt grotendeels af van hoe wij tegen de dingen aankijken

Ons gemoed reageert zijn emoties af op de verkeerde dingen als de echte ontbreken

Wisselende uitkomsten bij eenzelfde doelstelling

Over schoolfrikken

Wij lachen en huilen om hetzelfde

Loze spitsvondigheden

Ter verdediging van Seneca en Plutarchus

Over de ijdelheid van woorden

Lafheid, de moeder van de wreedheid

Onze verlangens nemen toe als ze worden tegengewerkt

Over postpaarden

De genegenheid van ouders voor hun kinderen

Opmerkingen over Caesars krijgstactiek

Hoe onze geest in zichzelf verstrikt raakt

 

Enfin, stuk voor stuk onderwerpen waar ik alles over wil weten. Het eerste essay dat ik las, na het vuistdikke boekwerk op een willekeurige bladzijde open te hebben geslagen was “11.1 Over de wisselvalligheden van onze daden.” Het essay handelt over de redenen waarom mensen steeds anders handelen dan je van ze verwacht. Zo was er eens een meisje dat, naar eigen zeggen, bang was verkracht te worden en zodoende uit het raam sprong – terwijl ze tegelijkertijd toegaf dat de soldaat die haar probeerde te versieren dit alleen nog maar op nette wijze had gedaan. En dit meisje was op andere momenten juist zo gemakkelijk te verleiden! (“De moraal van dit verhaal: je kunt nog zo’n knappe, keurige vent zijn, maar leid, als je een blauwtje hebt gelopen, daar niet meteen uit af dat je geliefde een burcht van kuisheid is: wie weet heeft de ezeldrijver wél succes bij haar.”) Zo zijn er nog talloze voorbeelden van situaties en mensen waar geen pijl op te trekken valt, en ondertussen komt er een hele schare auteurs uit de oudheid een duit in het zakje doen: “Cicero zegt dat heel wat Grieken de vijand niet recht in de ogen kunnen zien, terwijl zij geen krimp geven als zij ziek zijn; bij de Kimbren en de Keltiberiërs is het precies andersom: Want niets blijft aan zichzelf gelijk dat niet voortkomt uit een vast beginsel. (Cicero)”

De Montaigne concludeert uiteindelijk dat wij nu eenmaal wisselvallige mensen zijn, die tegelijkertijd alles als eenduidig willen duiden (ja, die hokjesgeest achtervolgt ons al eeuwen). Maar iemand die een keer moedig is geweest, is nog niet een moedig persoon. Dit is, denk ik, waarom mensen vaak zo teleurstellend (als  ook verrassend geweldig!) zijn: ze doen eenmaal iets, en vervolgens verwachten we dat ze dat de volgende keer  in eenzelfde situatie precies zo zullen doen. Maar eenzelfde situatie bestaat niet:

“Wij zijn niets dan stukjes en beetjes, verweven tot zo’n vormeloos en onsamenhangend geheel dat elk onderdeel, elk moment, een eigen rol speelt. En er bestaat evenveel onderscheid tussen ons en onszelf als tussen ons en de ander.”

Zo. En dat was er nog maar één. Volgende hoofdstuk: 11.2 Over dronkenschap.

 

Tirade-app gelanceerd

Tirade is het eerste Nederlandse literaire tijdschrift met een eigen app. Deze is gratis te downloaden via de iTunes-store. Met de app kan men gratis nummers lezen, een abonnement of nummers aanschaffen en onze blog volgen.

Het laatste, 450ste nummer, met maar liefst 45 bijdrages, is eveneens verkrijgbaar via de app. Het voorlaatste nummer is aldaar gratis te lezen.

Voor iPhone en iPad.

Kin Tin

IMG_3502De beste vriend van ons zoontje heet Quintin. De mannekes zaten samen in de babygroep van de crèche, en stroomden gelijktijdig door naar de dreumesen.

Laatst was er een dagje Artis gepland en papa Gilles was – omdat mama Birre werken moest – de lul. Alsof het schrijven van boeken geen werk mag heten. 

Aangezien Nadim en ik vaak naar de dierentuin gaan (we hebben allebei een Artiskaart, hij met een kikker, ik met een krokodil erop) weet mijn jongen niet alleen de weg, hij weet ook hoe alle dieren heten.

De andere meegekomen ouders hadden het kennelijk doorgaans te druk om Artis aan te doen. Als de leidster vroeg hoe zo’n loop- klim- of vliegbeest heette was het steeds het mannetje naast me dat antwoord gaf. 

‘Jiraf,’ zei Nadim. ‘Ringstaartmaki. Oehoe.’ 

De andere kinderen staarden maar wat, zogen op het rietje van hun Goudappeltje. Het schoot me te binnen dat de genen die Nadim van zijn moeder had meegekregen ervoor zouden zorgen dat hij vooraan in de klas zou zitten; cum laude zou slagen voor zijn gymnasium en in 3 jaar (in 2032, godbetert) cum laude af zou studeren. Toen Nadim in het kleinezoogdierenhuis op het punt stond dwergoestiti! te roepen legde ik snel een hand over zijn mond. 

Uiterlijk was hij al een kopie van zijn moeder, en nu dit nog. Zat er dan niets van mij bij?

Aan zijn zijde, zwijgzaam en met permanent ironisch opgetrokken wenkbrauw, waggelde Quintin. Als het tijd was om naar het volgende beest te lopen, ging dat hand in hand, en als Nadim het hoogste woord had, was er steeds die blik van Quintin: We are not impressed.  

Goddank, dacht ik. Hij zal vrienden hebben die hem met zijn voeten op de grond houden en die er zullen zijn als hij toch vallen mocht. Die nergens tegen opkijken en altijd zeiken tegen de hoogste boom. Dat heeft hij dan weer van zijn oude vader.   

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

De economie van goed en kwaad

Pema en zijn vader.

De documentaire The Only Son van Simonka de Jong die recentelijk op televisie uitgezonden werd is een klassieke tragedie.  Een tragedie is een verhaal waarbij de kijker twee tegengestelde belangen ziet uitgespeeld, die beide begrijpelijk zijn.  Het gevecht tussen goed en kwaad is een moraliteit, het gevecht tussen goed en goed is een tragedie.

De in Nederland woonachtige Tibetaan Pema bezoekt samen met zijn drie zussen hun ouders. Pema woont thans bij zijn zus in Nederland, hij komt uit een weeshuis in Nepal, waar zijn beide andere zussen nu nog  verblijven. Zijn ouders wonen zo ver weg op de grens van Nepal en Tibet, dat je vanuit Kathmandu twee vliegtuigjes moet pakken, en dan 10 dagen te voet gaan… Dit is nog eens wat men kan verstaan onder: afgelegen.

Pema is een intelligente en ongeduldige adolescent die Tibetaans met zijn ouders spreekt, Nepalees met zijn zussen en Engels met zijn Nederlandse zusje. De ouders van de kinderen willen dat Pema – de enige zoon –  trouwt en in het dorp komt wonen om hen te helpen. Pema wil trouwen noch in een dorp wonen en biedt zijn ouders aan in Kathmandu te komen wonen dan kan hij voor hen zorgen. Vader en moeder wensen het land niet te verlaten dat zij van hun ouders erfden en begrijpen niet waarom hun zoon zo ongehoorzaam is. In een aanpalend dorp woont de enige dochter die het echtpaar zelf hield, maar zij mag van haar schoonouders niet voor haar eigen ouders zorgen, clanconcurrentie – de harde regels van het platteland. Het oude conflict tussen stad en platteland is op een intense en erg aangrijpende wijze vormgegeven in deze documentaire.

De Tsjech Tomáš Sedláček , econoom en macro-economisch strateeg (adviseur van onder anderen Vaclav Havel), schreef een bijzonder boek over economie: De economie van goed en kwaad (uitgeverij Scriptum – in godsnaam zoek een paar betere vertalers). Ongebruikelijk in zijn vakgebied, tracht Sedláček een normatieve laag in de economie te ontdekken, dus economie niet slechts als een verzameling wiskundige modellen die beschrijven wat er gebeurt, maar als de vraag waarom we eigenlijk doen wat we doen, wat daar de achtergrond van is. En daarin gaat Sedláček diep: hij spit het Gilgamesj-epos uit op vroege economische tendensen en vindt een heel belangrijke: de dichotomie van stad en land: ‘In het Gilgamesj-epos klinkt voortdurend een impliciete boodschap door: beschaving en vooruitgang doen zich voor in de stad, die de ‘ware’ natuurlijke verblijfplaats is voor de mens.’ ‘In het Gilgamesj-epos houdt de verandering in  de externe omgeving (een overgang van de natuur naar de stad) nauw verband met een innerlijke verandering: de wilde wordt een beschaafd persoon. De ommuurde stad verandert de wereld: ‘er ontstaat perspectief op een levensonderhoud voor diegenen die geen land hebben, voor jongere zonen, verschoppelingen, speculanten en avonturiers.’

De kracht van Simonka de Jong is dat ze in haar documentaire  beide waarheden intact laat, de kijker begrijpt de ouders en begrijpt de zoon; begrijpt dus de stad en ook het platteland. Een oud, zeer oud drama: het oudste literaire drama, en het eerste: een kleine 5.000 jaar oud, en Pema zit er middenin.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Céline

Afgelopen zomer schreef Arjen Fortuin in NRC Handelsblad dat Dood op krediet van Louis-Ferdinand Céline ‘stiekem nog mooier [is] dan de Reis naar het einde van de nacht’. Ik las dat tweede boek nu zes jaar geleden en was erdoor verpletterd. Normaal gesproken is het zo dat lezers na een succesvolle kennismaking meteen ook de andere boeken van een schrijver willen lezen. Maar bij Céline ligt dat wat anders. De opinion chic is nu eenmaal dat Céline zijn meesterlijke debuutroman nooit heeft overtroffen. En dat het lezen van zijn andere werk daardoor automatisch op een teleurstelling zal uitlopen.
            Om deze reden aarzelde ik dan ook lange tijd om Célines ‘tweede’ meesterwerk te gaan lezen. Aangespoord door een vriend en door Fortuin ben ik er een maand geleden toch in begonnen. En inderdaad, Dood op krediet is minstens zo goed als De Reis. Het is wat mij betreft in ieder geval geestiger en gevoeliger – maar ik zal me niet wagen aan de volgens mij vrijwel onuitvoerbare klus om uit te leggen waarom het ene boek mooier is dan het andere.
            Arjen Fortuin schrijft verder in zijn stukje over Dood op krediet dat het haast onmogelijk is om het boek weg te leggen als je er eenmaal in begonnen bent. In dat opzicht ben ik het niet met hem eens, want Dood op krediet begint naar mijn smaak met vijftig hoogst moeizame introductiepagina’s. De verteller, een arts op leeftijd, vertelt daarin over zijn omgeving en zijn dagelijkse beslommeringen. Het boek krijgt pas die niet te stoppen en weergaloze vaart als hij teruggaat naar zijn jeugd in de ‘Passage des Bérésinas’ in Parijs (in werkelijkheid de Passage Choiseul) en zijn onmogelijke relatie met zijn ouders begint te beschrijven. Ouders die hem keer op keer, in zowel hilarische als schrijnende scènes, uitleggen dat hij de bron van al hun ellende is. (De zojuist genoemde vriend noemde het boek, onder veel meer, ‘de ultieme roman over disfunctionele ouders’.)
            Ben je die eerste vijftig pagina’s gepasseerd, dan is het inderdaad verdraaid moeilijk om Dood op krediet niet in één ruk uit te lezen – tot aan de prachtige slotontmoeting van de hoofdpersoon met zijn ouders en later het ontroerende gesprek met zijn oom, waarna hij zich ten slotte aanmeldt voor het leger.
            Je zou kunnen zeggen dat Reis naar het einde van de nacht begint waar Dood op krediet eindigt. Want De reis opent met een gesprek tussen twee vrienden, dat ertoe leidt dat één van hen bij het leger gaat: ‘We zaten als ratten in de val,’ staat er dan. Dat openingshoofdstuk van De reis – en daarom begrijp ik Fortuins lof voor de opening van juist Dood op krediet niet zo goed – is onbetwistbaar het allerbeste openingshoofdstuk uit de wereldliteratuur. Ik ken althans geen beter begin van een roman.

In aantocht: Tirade 450

Herfst. Tijd voor een nieuw nummer van het legendarische Tirade.

Preciezer: aanstaande vrijdag, 11 oktober 2013, verschijnt Tirade 450. Ter gelegenheid van dit 450ste nummer – het 450ste nummer dat sinds de oprichting van Tirade van de drukker komt – zijn vijfenveertig auteurs uitgenodigd een tirade te componeren van exact 450 woorden. Het resultaat is een tijdschrift van meer dan honderd pagina’s vol tirades in de meest uiteenlopende genres en registers: Tirade 450 bevat woedende  teksten, wanhopige teksten, ironische teksten, cerebrale teksten, harde teksten, poëtische teksten, ongrijpbare teksten. En wat al die teksten, als gezegd, gemeen hebben: ze tellen exact 450 woorden.

Het Tirade-tiradenummer  bevat bijdragen van: Joop Goudsblom, P.F. Thomése, Franca Treur, A.H.J. Dautzenberg, Gilles van der Loo, Tomas Lieske, Marita Mathijsen, Frits Abrahams, Detlev van Heest, Henk Broekhuis, Merijn de Boer, Binnert de Beaufort, Roos van Rijswijk, Walter van den Berg, Maria Barnas, Marko van der Wal, Kees ’t Hart, Adriaan van Raab van Canstein, Noor Kuijpers, Joris Brussel, Minke Douwesz, Harm Hendrik ten Napel, Rosan Hollak, Paul Beers, Lieke Marsman, Thomas Heerma van Voss, Sasja Janssen, Vincent Merckx, Jannah Loontjes, Bindervoet & Henkes, Sanneke van Hassel, Albert Meijer, Ester Naomi Perquin, Arjen van Lith, Jamal Ouariachi, Simone van Saarloos, Sjoerd van der Linden, Carel Peeters, Marte Kaan, Maarten van der Graaff, Menno Hartman, Bernke Klein Zandvoort, Jan Postma,  Daniël Rovers, Geerten Meijsing, Martijn Knol.

Heb je een abonnement op Tirade? Dan krijg je het nummer na verschijning vanzelf thuisgestuurd – dat is au fond ook een beetje het idee van een abonnement. Losse nummers van Tirade 450 zijn vanaf aanstaande vrijdag te koop in de boekwinkel en kunnen vanaf (aanstaande) woensdag al worden besteld via deze site.

Tirade  –  447, 48, 49… 450 – and counting.

Tirade wordt uitgegeven door het zelfstandige Uitgeverij van Oorschot.

The Grand Budapest Hotel (2014)

We zijn nog zes, zevenhonderd kilometer verwijderd van de grens. En we zijn de hele dag al onderweg. Pam* zit achter het stuur. Af en toe, als ze in de verte een andere personenauto ziet, trapt ze het gas dieper in, blijft dan een tijdje naast die andere auto rijden tot ze ‘gaat ie!’ zegt, haar stuur een ruk naar rechts geeft en we zo’n andere bak via de vluchtstrook de berm in rijden.

‘Slecht voor de lak, maar de beste manier om je kop erbij te houden,’ zegt ze. ‘Ik denk dat het iets met je adrenalinepeil doet, denk je ook niet?’

‘Ongetwijfeld. Maar was dit niet de automobiel die je van je zus hebt geleend?’

‘Zeker. Je dacht toch niet dat ik dit met mijn eigen auto deed?’

We lachen.

Ik kan niet ontkennen dat ik soms geneigd ben wat morele vraagtekens te plaatsen bij dit specifieke onderdeel van Pamela’s rijgedrag. Maar sommige mensen vergeef je alles – of bijna alles. Bovendien houdt het stuntwerk Pam inderdaad scherp en draagt zo dus bij aan mijn persoonlijke verkeersveiligheid. Eerlijk gezegd vind ik het ook best grappig om te zien op wat voor manieren auto’s allemaal van de weg kunnen raken. De één slaat een paar keer over de kop, een ander komt meteen tot stilstand in het hoge gras en een derde wordt eerst gelanceerd op een heuvel of talud en landt dan na een fotogeniek suizen vol in de glazen pui van een wegrestaurant of tankstation of crasht dwars door het dak van een verlichte tuinbouwkas tussen werkbanken vol jonge tomatenplanten.

Op de achterbank liggen cadeautjes voor Pamela’s kinderen. Ernaast een kartonnen doos met Snickers. Pam is gek op die dingen. Af en toe reik ik tussen onze stoelen door naar achteren om een Snickers te pakken die ik dan uit z’n wikkel haal en in Pam’s mond stop.

Het is herfst, maar alleen in theorie. Het landschap is uren geleden al opgelost in het donker. Omdat we geen Schnittke, Berg, Mozart en Haydn meer kunnen horen, omdat al mijn typetjes en impersonaties liggen te slapen in hun stapelbedjes en omdat ik geen zin heb om voor de zoveelste keer op te scheppen over de nieuwe goocheltruc die ik aan het opzetten ben, spelen we het spel: ‘eet een Snickers, doe een wens’. Na mijn zesde Snickers, ik heb tot nog toe vooral wensen moeten uitspreken op het gebied van de goochelarij, zegt Pam: ’Oké… Snickers weggewerkt?’

As you speak.’

‘Doorgeslikt? Of heb je nog een chocoladeklont in je mond?’

‘Doorgeslikt. Kijk maar.’

      Ik draai mijn gezicht naar haar toe en doe mijn mond open.

‘Gadverdamme!’ ze lacht. ‘Je bent soms net een klein kind.’

‘…’

‘Je mag een wens doen in de categorie cinema.’

‘Eindelijk! Kom maar op…’

‘Welke nog-niet-bestaande film zou je op korte termijn in de bios willen zien?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Gewoon… hoe ziet je ideale film eruit? Waar gaat ie over? Wie mag ’m regisseren?’

‘Oké, fijne vragen… Regie: Wes Anderson. Daar beginnen we mee.’

Hortend associeer ik mijn droomfilm bij elkaar. De film moet om te beginnen zijn gesitueerd in een Grand Hotel – zie Aphinar (2007) – en moet zorgvuldig en slim zijn gestileerd… bij voorkeur met gebruikmaking van analoge decors en rekwisieten. Ik zou het leuk vinden als er schrijvers of kunstenaars in voorkwamen, als personages bedoel ik… de verteltoon moet licht blijven, het camerawerk zwierig en doordacht… Ik zou het verder interessant vinden als ie aan het begin van de twintigste eeuw speelt… gedurende het interbellum… in de hoogtijdagen van het Modernisme… Artistieke vernieuwing!, politieke hoogspanning!… Dreigende conflicten, intelligent kosmopolitisme… En als ik dan toch mijn verlanglijstje aan het afwerken ben: ik zou het ook wel erg waarderen als de schilderkunst een rol in de film zou spelen… Het liefst schilderkunst uit de Renaissance.

‘Oké,’ zegt Pam zonder haar blik van de snelweg te halen, ‘ik geloof dat ik wel zo’n beetje weet wat je bedoelt.’

Ze sluit haar ogen, houdt dat een zwalkende kilometer vol en net als we met een vaart van 180 kilometer per uur op de pijlers van een viaduct afstevenen, slaat ze volkomen uitgeput haar ogen op en zegt: ‘volgens mij is ’t gelukt.’

En verdomd… een paar dagen later leert het internet me dat Wes Anderson een film opneemt die The Grand Budapest Hotel of Grand Hotel Budapest gaat heten en die in 2014 al in roulatie zal gaan. Dit is wat de IMDB over TGBH meldt:

The Grand Budapest Hotel tells of a legendary concierge at a famous European hotel between the wars and his friendship with a young employee who becomes his trusted protégé. The story involves the theft and recovery of a priceless Renaissance painting, the battle for an enormous family fortune and the slow and then sudden upheavals that transformed Europe during the first half of the 20th century.

Het wachten is op de trailer.

Er valt al veel aardigs over het oeuvre van Wes Anderson te zeggen. Wat mij zo aanspreekt in zijn films is de combinatie van esthetiek en compassie die je ook vindt in de teksten van, bijvoorbeeld, Salinger, Nabokov, F. Scott Fitzgerald en David Foster Wallace.

Andersons beste films zijn Hotel Chevalier/Darjeeling Limited (2007), The Royal Tenenbaums (2001), Moonrise Kingdom (2012).

Kenmerkend voor zijn werk is niet alleen het samengaan van schoonheid, warmte en humor, maar ook de vanzelfsprekende aanwezigheid van hoge cultuur (klassieke muziek, schilderkunst, theater, literatuur, mode, toptennis). Opvallend is trouwens Andersons gebruik van de kleur geel/goud – het maakt hem tot de kopersectie van de internationale cinema. Hij heeft verstand van geluk en verlangen.

Andersons dialogen – meestal tussen de leden van een al dan niet samengesteld disfunctioneel gezin of dito familie – zijn letterlijk onvergetelijk. Één voorbeeld uit The Darjeeling Limited. Drie broers reizen door India naar hun moeder toe. Onderweg proberen ze ‘spirituele ervaringen’ op te doen. Tijdens een poging tot meditatie/gebed wijst de oudste broer naar de broekband van de middelste en vraagt: ‘Is that my belt?’ Waarop zijn broer opkijkt en antwoordt: ‘Can I borrow it?’

Dat is zo goed! Eerst lenen, dan pas toestemming vragen – onder vrienden, familieleden en huisgenoten is het eerder een bewijs van verbondenheid dan een blijk van disrespect. De combinatie van verheven en alledaags maakt de scène bovendien zo grappig. Het fragment zit ook in deze trailer (op 0.26 al).

Zoals vaker het geval is bij supertalenten, doet Anderson niet moeilijk over zijn vak. Bij wijze van toegift zijn college film maken in twee minuten:

My life is about telling stories.’ – toegift

‘Making movies, how do you do it? First: think up a good story. Two: how do you tell it?’

Then you mix it all together and that is more or less it.’

 

Volgende week: ‘En korte verhalen lezen? Mag dat wel? Of krijg je daar ook kanker van?’

 

‘Hé! Ho! Wacht! Is het echt allemaal zo gegaan met die autorit en die film en zo?’

‘Heb jij mij hier ooit op een waarheidje betrapt?’

‘…’

‘En doet het ertoe? Wat is überhaupt de status van ‘ik’ op de site van een literair tijdschrift? ‘Ik’ is de naam van een personage. Ik ben net zo fictief als jij.’

‘Ten eerste vind ik dat een ontzettend flauw, corny antwoord en ten tweede word ik opeens een beetje draaierig.’

‘Misschien moet je wat eten? Hier, d’r zijn nog een paar Snickers.’

‘…’

Ja, mensen: literatuur is als de nevel die verdwijnt bij zonsopgang.

‘Mooi gesproken, Lao Tse. En bullshit is de stof waaruit wijsheid wordt gewonnen. Vergeet de pay-off niet.’

Tirade – content managers pur sang.

Vrolijke noot

* Pam, Pamela, is een van mijn meest eigenzinnige collega’s. Om het haar uit haar gezicht te houden draagt ze – zowel tijdens goochelshows als achter het stuur – altijd zo’n ouderwetse badstof zweetband. Steek er een veer bij en ze is een Mohikaan, één van de laatsten. We rijden wat af samen, Pam en ik, heel Europa door, van het ene goochelgebeuren naar het andere. En dat terwijl Pam eigenlijk helemaal geen echte goochelaar is, wat zij doet is eerder: toveren. Ik vind haar leuk.

Fragiele romantiek van het falen

Ze zeggen dat het podium erotiserend werkt. Dat geldt waarschijnlijk alleen voor rocksterren, want als er iets is wat de mens gelijkvormig maakt (en dus de-erotiseert, want voor het erotieke is de suggestie van exotisch nodig, zelfs als het exotische in herkenning zit – in combinatie met het verbodene, wordt het familiaire exotisch), zijn het wel een macbook als spiekbrief en een powerpointsheet in de rug.

Zo stond de grote Nicholas Nassim Taleb (auteur van onder meer De zwarte zwaan) erbij, in het Tuschinski theater afgelopen vrijdag in Amsterdam. De lezing die hij op uitnodiging van Nexus hield, was ongeacht fantastisch. Daar deden mac noch powerpoint aan af.

Naderhand liet hij zich door Nieuwsuur rondvaren, zodat hij ‘s avonds zes minuten op televisie was. Terwijl hij vertelde, zocht de regie de gracht af voor een zwarte zwaan. Dat zou een mooi, toevallig beeld opleveren.

Het toeval speelt een belangrijke rol in de theorie van Taleb, die hij in Antifragiel. Dingen die baat hebben bij wandorde uiteenzet. Zo simpel mogelijk opgesomd: al het organische bestaat uit willekeurige gebeurtenis. Dat maakt het leven fragiel. Maar die kwetsbaarheid is niet altijd negatief (vandaar: antifragiel, niet als tegengestelde van fragiel, maar ter viering van het vruchtbaar fragiele), want het organische ontwikkelt zich volgens een s-curve en willekeurige gebeurtenissen zijn soms destructief, dan weer productief en stimulerend. Het onvoorspelbare is dus niet per se gevaarlijk. We zijn echter geneigd te denken van wel, omdat de economie geen natuurlijk s-curve kent en vooruitgang in een duidelijk rechte lijn zodoende vanzelfsprekend lijkt. Economische groei kent geen natuurlijk plafond en mist de noodzakelijke spontaniteit van ‘trial-and-error’ waarmee organismen doorgaans overleven, falen en verbeteren. Of zoals Taleb het verwoordde: ‘Ik kan mijn lichaamsgewicht niet verdubbelen in één dag, maar mijn vermogen wel.’

Hier hoort nog een interessante uitweiding bij over het belang van uitgesmeerde impact en trauma in kleine tikjes in plaats van verzameld gewicht in één keer, maar daarover een andere keer. Taleb maakte in elk geval aannemelijk hoe een kleine muis robuuster is dan een grote olifant.

Ik zat bovenin, op het balkon en dacht aan een recent interview van Wim Brands met de Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver. Voor haar nieuwste roman, Big Brother, liet ze zich inspireren door de dodelijke obesitas van haar eigen broer. Kwetsbaar groot en extreem ongezond, al spreekt Shriver even fel over het andere uiterste: het lichaam als tempel. Mensen hebben een obsessie met uiterlijk, doen alles voor perfect slank of opgepompte spieren, maar vergeten de geest.

Volgens mij maakt het niet zo gek veel uit of mensen nou hun lichaam of hun geest als tempel beschouwen, het is de hedendaagse maakbaarheid die een illusie van controle biedt en ons blind maakt voor de fragiliteit, de organische spontaniteit van het bestaan.

Deze week mocht ik op de foto met drie godenzonen: geblokt, kaal en glanzend. Ze hadden het over welke voeding goed was voor een droge (doorzichtige) huid1381927_10152016651195934_2086879993_n, streken hun haren glad of juist wild, bliezen hun spieren op voor de spiegel.

Later die dag zat ik aan een sterfbed. Blauwe plekken, slappe huid over weggevroten spieren. Fragiel, hangend aan het allerlaagste puntje van de s-curve, zonder hoop op ooit nog omhoog.

Ik dacht aan de godenzonen, die waarschijnlijk in de sportschool waren na een portie magere kwark en kip. Hoezeer Taleb het bereiken van een mechanische, zogenaamd onkwetsbare extreme ook bestrijdt: ik begreep die pompende jongens beter dan het hoopje dood op gestreken lakens. En daarbij: heeft niet ieder mens recht op een tempel?

Aan het bed gezeten zag ik weinig schoonheid in de organische tekening van het leven: gerimpeld vel dat zich op geen enkele manier meer laat kneden. Die aanblik van rommelig en reliëfrijk, appelleert volgens Taleb aan de menselijke natuur: avontuurlijk en onvoorspelbaar. Daarom kan moderne kunst hem niet bekoren. Hij vindt het gladde strakke van moderne kunst zelfs een beetje gevaarlijk.

Toch zou je kunnen betogen dat Rothko’s ‘Black on Grey’ of Newmans ‘Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue’ juist een uitdaging in eenvoud en verstilling bieden. De gladstrakke oppervlakken waarmee we ons dagelijks omringen, zijn immers vol geluid en beweging. Stilstaand zwart vereist een andere blik.

Met eenzelfde fascinatie keek ik naar de strakgespannen huiden van de modellen op de shoot: als een welkome anomalie. Onbekend (exotisch) maakt bemind.

Lionel Shriver waarschuwt natuurlijk terecht dat deze gladde perfectie de norm wordt. Wie anders is, faalt niet alleen als model, maar als mens überhaupt. Toch is mislukking volgens Taleb juist een groot goed. Zonder de durf om te falen is er ook geen kans op slagen. Trial-and-error houdt de s-curve golvende. ‘We should be extremely favorable to those who fail. It’s not an individual experience, it’s for collective benefit.’

Ook hier gaf hij een simpel voorbeeld (alweer over eten). Als we altijd en alleen volgens vaststaand recept zouden koken, ontstaan er nooit nieuwe gerechten en smaken. We zouden bovendien aan ingrediënten gebonden zijn en hulpeloos blijken bij verandering van bijvoorbeeld klimaat of locatie.

‘Ik kom uit Lebanon, dus ik maak graag humous. Met trial-and-error probeer ik mijn humous te verbeteren, een beetje meer van dit, een snufje minder dat,’ zei Taleb.
‘En ach, wanneer het dan toch mislukt, geef ik het gewoon aan mijn nietsvermoedende buren.’
Gelach in de zaal.

Theoretisch is falen natuurlijk hartstikke noodzakelijk, maar uiteindelijk geef je mislukking toch liever aan anderen weg.

 

 

Tegen de balpen

Het 450ste nummer van Tirade is in aantocht. Om deze bescheiden mijlpaal kracht bij te zetten nodigde de redactie 45 schrijvers uit om ieder een tirade van 450 woorden tegen iets of iemand af te steken. Omdat ik zelf bijna elke dag loop te tiraderen, volgt op deze plek een wekelijkse tirade.

Waarde balpen, laat ik het kort houden,

Je bent afgekauwd en beduimeld, je voelt je thuis achter het oor van een morsige boekhouder. Of erger nog, misschien ben je wel een exemplaar in het borstzakje van het overhemd aan het lijf van een leraar natuurkunde – dan ben je waarschijnlijk rood. Wie je ook vasthoudt, het is je om het even. Nu eens bij de een dan weer bij de ander, als een prostitué die geen vergoeding vraagt, zolang je maar aan je trekken komt. In het ongunstigste geval slinger je ergens rond, ben je vergeten, achtergelaten of tussen de kussens van de bank beland. Of je ooit wordt opgedoold – daar vind je jezelf te onbelangrijk voor. Je rolt van minderwaardigheidscomplex naar vernedering, keer op keer. Je vindt jezelf zomaar terug in een van verveling afgestorven studentenoor.

Daar zou ik het wel bij willen laten, ware het niet dat ik nog een van je eigenschappen moet aansnijden: je minst sympathieke eigenschap. Je moet altijd ergens lekken. Hoe gehavend je ook uit de schrijfstrijd bent gekomen, je ziet hoe dan ook een kans je laatste krachten te verspillen aan het spillen van je bloed. En als het bij zelfbevlekking bleef, nou goed dan, maar het lukt je steeds om mij deelgenoot te maken van jouw inktincontinentie. Je bent een onverbeterlijk stuk vreten, een eersteklas goorlap. In mijn jas en in mijn tas, bungelend aan mijn hemd desnoods, in één moeite door. Het gaat bijna nooit meer helemaal uit, dat weet je dondersgoed.

Ik wil je niet meer ter hand nemen. Ga jij maar in een hutje op de hei, met je labiele karakter en het uitgevlekte briefpapier erbij. Je hebt mijn handschrift naar de knoppen geholpen door nooit te luisteren naar mijn vingers. En of je nou een exemplaar van Bic of Parker, of een opgetuigde reclamepen was, mijn besluit staat vast. Je bent te licht bevonden. Ga maar ergens anders lopen lekken. Ik neem een vulpen, zo’n paradepaardje waar jij niet aan kunt tippen, een met een eigen foedraal. Een mooi zwart, zwaar uitgevoerd schrijfinstrument met iridium punt, die mijn letters wél begrijpt. Wie weet laat ik mijn naam erin graveren, zodat ik weet dat een ander hem niet zomaar meeneemt. Ik heb nog nooit een vulpen met lekkage meegemaakt, dus je zult begrijpen, waarde balpen, hierbij zeg ik de vriendschap op.

Hatelijke groet,
Marko

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

“De buffels”, palimpsest

Recycling – 25/45/70: het was een leuke en lange avond gisteravond, de boekpresentatie van 25/45/70, de trilogie van Jamal Ouariachi, David Pefko en Daan Heerma van Voss. Vandaar dat het me niet gaat lukken om vandaag een geheel nieuw stuk te schrijven en ik hieronder de tekst zal plaatsen die ik gisteravond uitsprak naar aanleiding van mijn medewerking aan het project.

Maar niet voordat ik nog even het volgende muziekstuk van Simeon ten Holt (jeweetwel, die van het canto) dat ik gisterochtend ontdekte met jullie heb gedeeld: 
http://www.youtube.com/watch?v=mjJUArTi2BY 
– Ik vind het zo mooi en kan niet goed uitleggen waarom, maar eens in de zoveel tijd kom je een stuk tegen waardoor je naar buiten wil, de herfst in in dit geval (deed ik), en de lucht is fris in plaats van koud, en je hebt overal zin in.

 

========

Toen David mij zo’n driekwart jaar geleden vertelde dat hij mee zou werken aan een erotische trilogie, een trilogie die bovendien in de markt gezet zou worden als literaire erotische trilogie, was ik nogal pissig toen ik vervolgens vernam dat de boeken door drie mannelijke schrijvers geschreven zou worden. Ja hoor, op het moment dat seks met literatuur verenigd wordt, worden de mannen van stal gehaald. Ik citeer uit het bijbehorende persbericht: “De mannen laten zien dat een literaire stijl, subtiele humor en een eigenzinnige compositie een erotisch verhaal niet in de weg staan.” Vervolgens werd duidelijk dat de trilogie een vrouwelijk hoofdpersonage zou hebben. Op zich een interessant uitgangspunt: zouden Jamal, David en Daan fantasierijk genoeg zijn om zich in de vrouwelijke psyche in te leven? Al gauw bekroop mij de angst dat het hier zou gaan om drie heteroseksuele mannen die drie boeken lang een vrouwelijk hoofdpersonage op zouden voeren dat ze seks zouden laten hebben met andere (weliswaar fictieve) heteroseksuele, mannen. Dit leek mij zo vreselijk saai dat ik David er toe heb verplicht mij een lesbische scene te laten schrijven.

Wat literatuur tot literatuur maakt is volgens mij in eerste instantie niet literaire stijl, subtiele humor of een eigenzinnige compositie – dat zijn secundaire kenmerken die het literaire gehalte van een werk enkel kunnen versterken – maar het feit dat ze je kijk op de wereld verandert. Met ‘wereld’ bedoel ik dan zowel de wereld om ons heen als onze eigen binnenwereld (literatuur is niet per se maatschappijkritisch wat mij betreft). In het geval van het schrijven van een literaire erotische trilogie, verdient deze dan ook alleen het stempel ‘literair’ wanneer de trilogie zich weet te onttrekken aan de seksuele stereotypen waarmee we dag in dag uit toch al doodgegooid worden. Ofwel doordat ze ons op kanten van seks wijst die niet binnen onze eigen ervaringswereld liggen, ofwel doordat ze onze eigen ervaring van seks weet te verdiepen door deze dusdanig te omschrijven dat we op een nieuwe manier gaan kijken naar wat we al die tijd al deden.

Of dat met deze trilogie gelukt is – ik weet het niet. Van mij had het op dat eerste gebied wel wat gedurfder gemogen. Het probleem met seks is alleen dat er over schrijven per definitie ‘gedurfd’ aanvoelt, waardoor je op dat vlak vervolgens al gauw achterover gaat leunen. Toen ik mijn scene schreef dacht ik in ieder geval meermaals: oh mijn god, ik schrijf over seks, dit is zo taboedoorbrekend van mij. Maar is met seks strooien om aan te geven dat je zo lekker tegendraads/stoer/zelfbewust/‘stout’ bent, niet juist een bevestiging van het feit dat je krampachtig met seks omgaat? Dit was althans de worsteling die naar aanleiding van mijn medewerking aan de trilogie in mij plaatsvond, en die nog steeds voortduurt. De enige manier om niet krampachtig met seks om te gaan is dan misschien door toe te geven dat je dat wel doet. Ik vind seks in ieder geval een vreselijk moeilijk onderwerp: het maakt je zo kwetsbaar, (letterlijk) naakt en wanneer het goede seks betreft word je er al helemaal sprakeloos van: juist in de armen van je geliefde kun je je de grootste sukkel voelen. De sterke kant van 25/45/70 vind ik dan ook niet dat de boeken geil of opwindend zijn, maar juist dat ze dat soms niet durven zijn. Seks is niet altijd spannend – en dat maak het juist spannend.

In dat licht vind ik het dan ook gek dat ik van de week een foto op facebook voorbij zag komen waarop de jongens een publiek interview gaven met zonnebrillen op het hoofd. Misschien dat het een manier is om te compenseren dat het ze gelukt is om een geloofwaardig boek te schrijven vanuit een vrouwelijk personage, en dat ze nu het idee hebben dat het tijd is voor eerherstel en mannelijk machtsvertoon, maar ik vind dat ze zichzelf en hun boeken daarmee tekort doen. Net zoals de benaming ‘buffels’ hen tekort doet. Het leuke aan Jamal, David en Daan is juist dat ze ook schaapjes zijn, die bereid zijn om toe te geven dat mannen niet altijd geile sexmachines zijn, die dat trouwens ook helemaal niet altijd willen zijn, en die een interessant en divers boek hebben geschreven waarin mannelijke en vrouwelijke seksualiteit op verschillende manieren in elkaar overvloeien. Het leukste, tot slot, aan mijn medewerking aan dit project vond ik dan ook het op vakantie met David samen aan onze stukken werken, waarna we ’s avonds op het dakterras onze laatste bevindingen doorspraken, terwijl we als twee giechelende pubermeisjes met rode oortjes aan onze glazen appelcider nipten.

Vaar wel

Mijn nieuwe boek moest een bundel worden, waarvan de verhalen zich in dezelfde stad afspeelden. 

Palladina ligt ergens rond de vijfde breedtegraad aan de westkust van Zuid-Amerika. Een voormalig havenstadje, rustend in de armen van een kleine baai waaruit de handel en dus ook een groot deel van het leven zijn vertrokken. 

Ik maakte me zorgen of ik het geduld zou kunnen opbrengen om een jaar lang elke ochtend terug te keren in dezelfde omgeving. Of ik 200 bladzijden bij elkaar zou kunnen pennen, uitgaande van een aantal vaste punten. Het tegendeel bleek waar: nu Het laatste kind af is, mis ik Palladina elke dag. Het bleek zo’n krachtige plek dat de bundel een roman werd, mijn stad de hoofdpersoon.

Op nare koude dagen kon ik heimwee hebben naar het blauwe water van de baai, de rode pannendaken en het winkeltje van Maureen aan de kade. Ze zou me een zakje pinda’s geven en zeggen dat alles goed komt. Ze zou me plagen tot  ik huilde van het lachen.

Nu is mijn boek naar de drukker, de sleutel van de stad is ingeleverd. En ik, ik moet op zoek gaan naar een nieuw verhaal. 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Twee vrouwen: D.Hooijer, Ata Kandó

Brachiopoden, kwallen en meer…

Vanmiddag wordt Kitty Ruys – D. Hooijer  begraven.  Enige jaren terug liepen we van het Centraal Station in Brussel naar  het ontvangstpaleis van Koning Albert, we hadden een uitnodiging gekregen voor de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren. Kitty schreef: ‘Ik begrijp niet waarom ik die uitnodiging kreeg, maar kom we gaan erheen.’Albert zou de prijs aan Cees Nooteboom uitreiken, Albert zei voortdurend Kees, en gaf ook op alle andere manieren duidelijk aan nooit een letter van de man gelezen te hebben.  Kitty vond dat nogal grappig.

We hadden nog geen drie stappen buiten het station gezet of Kitty zei: ‘Kijk, brachiopoden, en wat een kwallen!’ Ik keek om me heen en vond de meeste Brusselaars te aardig om dit nu meteen al verdiend te hebben. Kitty stond stil en keek naar de straatstenen. De ongeveer halve kilometer die we aflegden van station naar paleis keken we naar beneden en wees Kitty fossielen aan in het gesteente waarmee de weg geplaveid was. Ze wist veel namen die ik niet heb kunnen onthouden, we liepen door aeonen van leven in de bestrating van de grootstad Brussel.

In Museum Kranenburgh te Bergen is een overzichtstentoonstelling van de fotografe Ata Kandó. De Hongaarse vluchteling Kandó werkte voor Magnum in Parijs en maakte ongelofelijk mooie reportages van haar kinderen (met wie ze ging liften uit armoede, maar ook uit overtuiging dat kinderen wat moeten zien van de wereld) , dieren (‘tegen dierverknoeiing’), indianen in het Amazonegebied en wat al niet. Dit jaar werd ze 100. Kandó en Hooijer delen een volstrekt onconventionele blik en een intens mededogen in anderen zonder ooit sentimenteel te worden.

In haar recente romans De wanden van Oeverhorst en Catwalk  toont Hooijer een opmerkelijk inzicht en mededogen in mensen van vlees en bloed.  Haar springerige waarneming gaat volledig voorbij aan conventionele vertelwijzen. Daarom houd je van Hooijer, of niet. Als je op de eerste pagina al in de lach schiet, lees je door.  ‘Hilarisch’ is een woord waaraan ze een hekel had. Maar hoe noem je een brief als deze:

‘1. Hoe is het jongen. Je zit toch niet stiekem ouder te worden buiten mij om?

2. Hier alles in het kader van op en af. Gisteren mijn verjaardag gevierd en ik vond het een succes. Je ziet mensen zitten kijken van wat doe ik hier maar na een paar uur is dat over. We zaten op de hei en het weer was prachtig, niet te warm.  Ik hoop dat dit lettertype zich netjes gedraagt bij doorsturen.’

Geestig, toch minstens. Ze las elke Tirade van begin tot einde en was gul in haar bewondering: ‘Wat een prachtig nummer van Tirade. Echt heel goed. Marcel Möring en Manon Uphoff zijn echte schrijvers, die verhalen las ik ook voor het mooi.’

Om te voorkomen dat een blog als dit alsnog sentimenteel zou eindigen is de afronding in beter beheer bij Hooijer zelf. De laatste bladzij van Catwalk:

‘Zij is niet mee.’

‘Is ze niet mee? Ziek of zo?’

‘Erger nog.’

Dood? Hoe kan dat? Sinds wanneer!’

‘Ik had dat nog willen vertellen. Gewoon overleden. Nou, bel zo vaak als je wilt. Nu moet ik echt verder, hoi.’ (Klik.)

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Een scheetanekdote

Ik lees de stukken van Rutger Lemm altijd met veel plezier. Hij schrijft grappig en eerlijk over herkenbare dingen. Over ouders, over falen en een tijdje geleden, in het kader van de Vieze Week op hard//hoofd, over het laten van scheten in het bijzijn van je geliefde.
          
Aanvankelijk wilde ik in deze blog naar aanleiding van dat laatste onderwerp zelf ook een boekje opendoen. Voor mijn gevoel zou ik een heel Privédomeindeel kunnen schrijven over het laten van scheten in het bijzijn van mijn vriendin. Maar het leek haar voor een Tiradeblog wat minder geschikt materiaal. Daarom nu een andere, minder intieme maar zeker niet minder enerverende scheetanekdote:

Een paar weken geleden beklommen we samen de hoogste berg van de oostelijke Pyreneën: de Pic (je schrijft het met een c) du Canigou. De beklimming was onderdeel van een meerdaagse huttentocht, een manier van vakantievieren die ik iedereen kan aanraden die de nacht graag doorbrengt op een slaapzaal met snurkende en zich in kunstgebitten verslikkende bejaarden. Vreemd genoeg is een overnachting in een dergelijke hut, waarbij er zo min mogelijk comfort wordt geboden (ik geloof dat dat onderdeel is van de alpinistencultuur), duurder dan een standaardhotel in Parijs. Maar het is een manier om enkele dagen achter elkaar in de bergen te blijven.
            Op die slaapzaal lagen tegen de muren twee rijen uiterst dunne matjes. De matjes waren tegen elkaar aan geschoven, zodat het eigenlijk onmogelijk was om een nacht lang geen lichaamscontact te krijgen met je buurman of buurvrouw op leeftijd. Dit alles slechts ter inleiding van de scheetanekdote. Er werd op die slaapzaal wat afgeprutteld – alsof we gevangen werden gehouden in een kamer vol wellustige petomanen – maar dat is niet waar ik het nu in detail over wil hebben.
            Ik wil het nu namelijk eerst even over Ton Joosten hebben. Iedere Nederlander of Vlaming die ooit door de Pyreneeën heeft gewandeld, kent hem. Hij is de goeroe en alleenheerser als het gaat om het schrijven van wandelgidsen over dit gebied. Door de gemoedelijke en soms persoonlijke toon krijg je het idee dat je hem leert kennen tijdens het wandelen. Zo biecht hij ergens op dat hijzelf de hutten bij voorkeur vermijdt en liever ergens in de natuur bivakkeert. Een natuurmens dus, die weliswaar zijn brood verdient met het schrijven van wandelgidsen voor toeristen maar zich liever omringt met marmotten en gemzen.
          
Ton was tijdens het wandelen eigenlijk altijd bij ons. ‘Wat zegt Ton hierover?’ ‘Volgens Ton moeten we hier naar links.’ ‘Ton raadt ons aan om hier te lunchen.’ Aan het eind van de beschrijving van de huttentocht die wij gemaakt hebben, schrijft Ton: ‘Ik hou het erop dat je zult terugkijken op een geslaagde kennismaking met de “gigant van het oosten”.’ Deze zin hebben we tijdens het wandelen regelmatig herhaald. Prachtige formulering, ‘ik hou het erop’. Zo leer je Ton kennen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERADe Pic du Canigou wordt jaarlijks door veel toeristen beklommen. Daarbij maakt het niet uit of je kortademig of slecht ter been bent. Het pad dat via de noordkant naar de Pic leidt, gaat zo geleidelijk omhoog dat het zelfs in een rolstoel goed te doen moet zijn. Helaas voor ons koos Ton voor, zoals hij zelf schrijft, ‘de minder courante route’.
         
Over de finale van de klim schrijft hij: ‘Hier en daar zul je de handen moeten gebruiken, maar echt moeilijk wordt het niet.’ Op het moment dat ik dacht te zullen sterven op een rotswand, voelde ik een intense woede opkomen vanwege de woorden ‘hier en daar’.
            De beschrijving van de ‘minder courante route’ van de Pic du Canigou is een zorgvuldig geplande, in genuanceerde bewoordingen verpakte moordaanslag van Ton Joosten. Het is vooral deze zin die een verticale muur op bijna drieduizend meter hoogte doet overkomen als de beklimming van de heuvel bij Kraantje Lek: ‘Voorzichtig baan je je trapsgewijs een weg naar de top, waarbij af en toe enig eenvoudig handen- en voetenwerk nodig is.’ Hoeveel nuanceringen heeft een mens nodig, vraag ik me af als ik dit, veilig en wel op een stoel onder zeeniveau, teruglees. Af en toe, enig en eenvoudig schrijft hij. Juister en minder misleidend was geweest: de gehele tijd, vrijwel onmogelijk en levensbedreigend. Nog nooit in mijn leven heb ik zoiets engs meegemaakt. Vlak voordat we bij de steile schacht uitkwamen die recht omhoog naar de top leidde, passeerden we een groepje professionele klimmers. Verbijsterd keken ze ons na terwijl we, toen nog goedgemutst, onze mogelijke dood tegemoet gingen. ‘Sans corde! Sans corde!’ riepen ze uit. Mijn vriendin hoorde het gelukkig niet. Die was net als ik vol vertrouwen in Ton.
            We trokken ons op aan de richels en zeiden telkens tegen elkaar dat we vooral niet om moesten kijken, want dat het dan helemáál eng werd. Natuurlijk was dat het eerste wat we daarna deden. Een schijnbaar eindeloze afgrond lag achter ons. ‘Wil je alsjeblieft niet doodgaan?’ vroeg mijn vriendin steeds. Ook legde ze uit wat er zou gebeuren als ik misgreep of me zou optrekken aan een loszittende steen. Al die tijd was ik aan het praten om haar gerust te stellen en tegelijk voelde ik hoe een intense en nooit zo ervaren angst bezit van me probeerde te nemen. Ik moest er alles aan doen om de paniek niet toe te laten.
            Meer dan een uur verbleven we op die verticale muur. ‘Kijk daar, wandelstokken!’ riep ik op een gegeven moment. Ik dacht dat de nabijheid van mensen haar gerust zou stellen. ‘Dat is een kruis,’ riep ze met een trillende stem terug, ‘van iemand die hier is doodgegaan.’
            Zij was als eerste boven. Op een gegeven moment kwam er een draai in de schacht, waarna er nog maar enkele tientallen meters naar de top restten. Daar aangekomen troffen we een groepje Fransen aan, dat volkomen ontspannen zat te lunchen met camembert en rode wijn. Zij hadden blijkbaar de courante route genomen. Toen ze ons plotseling uit het niets zagen opdoemen, begonnen ze te klappen. Ik zakte neer op een rots. Omdat er nauwelijks ruimte was, kwam ik min of meer tussen de lunchende Fransen in te zitten. Toen pas liet ik de paniek toe. Een harde, luidruchtige scheet ontsnapte me. De Fransen en mijn vriendin keken me verschrikt aan. ‘Pardon,’ zei ik ernstig. En tegen mijn vriendin: ‘Dat was uit angst. Pure angst.’