We kunnen overal naar toe, we kunnen naar Spijkenisse

graffitiDe jongen was net ‘buiten’ en hij praatte over wie hem had verraden, maar dat hij zelf niets had gezegd. Hij rolde een joint die hij niet aanstak en piste in het gangetje van de trein. Hij zei dat zijn vader vijftig kinderen had, zoals Osama Bin Laden – ‘geloof je dat?’ Zelf had hij een dochter van zes. Hij droeg een joggingbroek en luisterde naar harde gangsterrap, zong in zijn eentje mee. De meeste teksten ging over moorden, maar ik herinner me een regel met de strekking: ‘we kunnen overal naar toe, we kunnen naar Hoogvliet, we kunnen naar Spijkenisse.’

Hij zei dat hij nu moest genieten, want hij moest toch weer terug. Hij wilde een nacht uitgaan, op zoek naar de ‘nigger Crips van de Schilderswijk’, hij wilde naar zijn grote familie in en rond Rotterdam. Hij wees beleefd aan waar de WC was toen een oudere heer daarom vroeg. Hij was met twee andere jongens en zelf zat ik bij het raam en luisterde, keek naar de andere reizigers die onze bankjes even overwogen, dan snel besloten een andere zitplaats te zoeken. Om te bewijzen dat hij was wie hij claimde te zijn, liet hij een tv-programma zien over georganiseerde criminaliteit en justitiegegevens die op straat lagen. Het was onduidelijk of hij er werkelijk in voorkwam, want het programma duurde anderhalf uur en zijn reisgenoot protesteerde dat het internet veel te snel opging.

Omdat ze elkaar broer noemden, omdat ze handgebaren deelden, duurde het lang voor ik begreep dat de twee anderen hem helemaal niet kenden.

 

Wytske Versteeg is redacteur van Tirade en schreef Quarantaine (2015), Boy (2013), De Wezenlozen (2012) en Dit is geen dakloze (2008).

De dingen die ik geloofde

Ik geloofde dat grote mensen meer vingers hadden dan kinderen, dat je vingers kreeg als jaarringen, steeds meer, dat dit één van de redenen was dat volwassenen meer dingen goed konden – zoals mijn oma zeer snel slagroom kon kloppen, mijn vader zelf een stoel kon maken, oudoom L. bier in zijn oor kon gieten en dat het er dan via zijn mond weer uitkwam, in een glaasje dat op de bruine bar stond waarachter de barman met zijn ogen rolde. L. was de reden dat ik de vingertheorie aanhing, hij had het zelf laten zien. Eén twee drie vier vijf zes zeven – hij kon zijn handen sneller bewegen bij het tellen dan ik.

Aan mijn moeder vroeg ik wat die zakjes toch waren die in kroegen en winkels aan de wc-muren hingen. Ze zei die zijn voor vrouwen, voor hun eitjes, die raken ze elke maand kwijt. Of ze dat precies zo zei weet ik niet meer, en of het wel echt mijn moeder was  of dat het misschien een tante of een oma was ook niet, alleen dat me ook verteld werd dat het met een beetje bloed gebeurde en dat je ook niet precies wist wanneer je dat ei ging leggen, dat kleine eitje dat je bijna niet kon zien, maar waar dus wel bloed bij zat, echt bloed zoals dat ook uit je knie kwam als je op de stoep gevallen was of uit je vinger als je had geprobeerd of die papiermesjes echt zo levensgevaarlijk waren als al die overdreven ouders en oma’s altijd zeiden. Bloed. Met een eitje. Dat ik er even over op moest houden.

Ik geloofde dat er een moment zou komen dat ik ineens eens per maand een eitje zou leggen, en dat dat moment op een of andere manier altijd precies samenviel met het bezoek aan een openbaar toilet. Ik durfde de zakjes niet meer aan te raken en dacht een poos bij iedere vrouw die ik zag: die legt dus óók een ei.

Ik geloofde dat vrouwen die oud werden, dertig of zo, op een ochtend wakker werden met grijze krullen. Dat hoorde er gewoon bij, net als die vingers en die eitjes. Maar je hoefde niet per se een oude vrouw te worden, je kon rond je zestiende ook besluiten een piemel te krijgen, dan was je gelijk van het probleem af dat jongens het niet cool vonden als je meevoetbalde en óók verliefd was op Denise.

Ik geloofde dat de maan ’s nachts in zijn handen klapte, maar kon dat gezicht waar iedereen het altijd over had niet zien. Ik geloofde dat sneeuw geluid maakte, laag en brommend en ik geloofde dat ik een keer onder water had geademd, in bad, toen ik het heel hard had geprobeerd in het water dat niet bromde maar fluisterde.

Er zat een Vlaamse gaai op mijn balkon van een vetbol te snoepen, ik had er nog nooit één van zo dichtbij gezien, ik kende ze alleen uit de tuin van de oma die snel slagroom kon kloppen en daarbij hard vloekte. De volgende dag vond ik zo’n blauw gestreept veertje, en dacht ik: die arme vogel is dood, want dat gebeurt als ze zo’n veertje verliezen, zoals mensen sterven op het moment dat hun laatste haar uitvalt. Direct hierop wist ik ineens hoe lang geleden het was dat ik aan Vlaamse gaaien gedacht had.

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ze is columnist bij Advalvas. Recentelijk verscheen haar debuutroman, Onheilig (Querido).

Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Naar aanleiding van een ets van Hovy

Vraag mij niet waarom ik hier zit. Het is te warm voor kleren. Niemand kan mij hier vinden. Ik heb deze hengel vanochtend in de schuur gevonden, achter het huis. Ik vind het fijn om iets vast te houden, nu heb ik iets om naar te kijken. Het water beweegt nauwelijks, af en toe speelt de wind door de bomen. Papa zegt dat-i van zee komt, vanachter de bergen. Je kunt de zee in de wind horen, zegt hij. Ik zou graag naar zee willen, de zee willen zien.

Ik heb een eigen kamer aan de achterkant. Door het raampje kan ik de olijfbomen zien in de tuin. De grond is dor en opengebarsten, al het water is eruit. In de herfst mag ik helpen plukken. In de herfst moet ik ook naar school. Ik weet niet naar welke school. In het dorp praten ze op een gekke manier, anders. Papa zegt dat we wel zullen zien. Liever zou ik teruggaan, maar dat kan niet. Mateo zegt dat het ook niet kan. Mateo is de tuinman. Ik begrijp niet wat hij er nou van kan weten.

Op de plek waar niemand mij kan vinden, staan geen olijfbomen. Het land rondom het huis is groot, ik weet niet eens hoe groot, maar heel groot. Er is een paadje dat achter de schuur begint, als je het weet te vinden. Eerst kom je langs bosjes, een oude tractor met van die hendels en banden zo groot als ik, en daarna moet je onder prikkeldraad kruipen. Onderaan de heuvel is het riviertje met het bankje. Het stond er al voordat wij hier kwamen. Ik leg mijn kleren op een hoop, elke dag zit ik op dit bankje aan de rivier. Ik denk soms: wie heeft dit neergezet? En dan word ik heel verdrietig, ik weet niet waarom. Ja, ik weet het wel, maar ook weer niet. Niet zo dat ik erover kan praten.

Papa werkt in het dorp. Hij heeft mij de steigers laten zien en uitgelegd dat de steigers niet kunnen omvallen omdat ze tegen de kerk aanleunen. Hij moet doorwerken tot het af is. Hij staat heel vroeg op. Soms ontbijt ik met Mateo, die dan bij mij komt zitten zonder iets te zeggen. Eén keer heeft hij een soort olijvenprutje voor mij meegenomen. Ik zou ervan groeien, zei hij. Ik heb het opgegeten en weer uitgespuugd. Ik probeer niet aan mama te denken.

Als papa met de kerk klaar is, krijgen we geld. Ik weet niet hoeveel, dat heeft papa niet verteld. Ik weet niet wat er daarna gebeurt. Of we hier blijven of niet. Dit huis is maar tijdelijk. ’s Winters krijg je het hier niet warm, zegt papa. Ik wil niet weer verhuizen. Ik hoef ook niet te blijven. Ik wil niet weggaan, ik wil niet blijven. Ik wil hier zitten, op de plek die zelfs Mateo niet kent. En ik wil naar zee. Dat we daarnaartoe gaan en kijken hoe het bij zee is, hoe de zee eruitziet en misschien kunnen we daar dan over een tijdje wonen. Als je aan zee woont, kun je overal naartoe. Net als dit watertje uitkomt bij een groter watertje. Het watertje stroomt ergens naartoe.

afbeelding: Hovy, E.M.H. (1873-1957). (Nude boy angling). Etching, 25×16 cm., signed “E. Adriani-Hovy” and “27” in pencil.

fotoportret lichterGustan Asselbergs (1986) schrijft proza. Hij studeerde filosofie in Amsterdam. Momenteel werkt hij in een veilinghuis. Dit is zijn laatste zondagblog.

Liever geen bloemen

Als iemand me vroeger vroeg hoe oud ik dacht te worden, antwoordde altijd ik dat ik de veertig waarschijnlijk niet zou halen. Nu ik 44 ben, heb ik die schatting weliswaar naar boven bijgesteld, maar toch kon ik een gevoel van ironie niet onderdrukken toen uitgerekend ik werd gevraagd voor een presentatieklus op een congres over pensioenen. Zelfs al haal ik de gerechtigde leeftijd; ik kijk doorgaans niet verder dan een dagdeel vooruit, dus van sparen voor later is tot nu toe weinig gekomen.

Ik was gekozen voor de rol van een radiodeejay à la Giel Beelen. Giel Beelen voert al jaren mijn persoonlijke haatlijst aan, maar vaste lasten zijn vaste lasten, dus trok ik met petje, capuchontrui en mijn meest pretentieuze montuur naar het congrescentrum, gevestigd op een tochtig industrieterrein in Zeist.

De deelnemers hadden zich alvast gekleed op hun aanstaande uitvaart. Zonder uitzondering droegen ze donkere pakken en stemmige dassen met een grote, boertige knoop. Iedereen kreeg een koptelefoon met trancemuziek aangereikt, en ik draaide het volume helemaal open om de congresgangers maximaal te ontregelen. Dat lukte aardig: verschillende pensioenadviseurs wankelden als doorgebrande robots door de zaal, hun handen klauwend naar de doppen over hun oren. Tijdens de workshop mindfulness had ik geen kind aan ze.

Als dank voor mijn bijdrage kreeg ik na afloop een bos chrysanten. Ze roken vaag naar diesel. Even overwoog ik ze te dumpen in de vuilnisbak bij de bushalte, maar dat zou proppen worden door die kleine, hufterbestendige openingen. Dat blijf je zien. Bovendien stond de halte te dicht bij het congrescentrum om daar ‘zomaar’ een geknakt boeket aan te treffen. Om niet de hele terugreis als een goedkope schnabbelaar voor paal te staan, nam ik me voor om de bloemen weg te geven aan de eerste vrouw die ik tegenkwam.

‘Ja nee kijk nou, wat een mooie bos!’ gromde de buschauffeuse met een diepe, doorgerookte shagstem. ‘Is die voor mij?’ Ik hield mijn ov-chipkaart voor de lezer en legde het boeket met een royaal gebaar op haar dashboard.

‘Tuurlijk joh!’ Ik was allang blij. ‘Ze zijn voor jou, meid.’ Een brede lach, valse tanden en veel te veel blauwe ogenschaduw straalden me tegemoet. Ik lachte terug en ging op een invalideplaats zitten.

Misschien had ik even geslapen, of misschien voelt de weg terug altijd korter dan de heenreis, maar we waren sneller op station Utrecht dan ik dacht. Een beetje verdoofd van de rit stapte ik uit en wilde naar de roltrap lopen, toen iemand aan mijn arm trok. De buschauffeuse. Hijgend stond ze naast me.

Ze moet die bloemen niet, dacht ik meteen. En terecht. Wat een belediging om een afgedankte tankshopbos in je handen geduwd te krijgen door een wildvreemde Giel Beelen die er vanaf wil.

‘Hé, wat ik nog zeggen wou’, de buschauffeuse hield bezwerend een trillende vinger omhoog. ‘Wat ik nog zeggen wou is dat ik ben transseksueel en ik krijg eind dit jaar mijn grote operatie en jij bent…’ Ze slikte. ‘Jij bent de eerste man die me een bos bloemen geeft. De allereerste!’ Aarzelend begon ze een omhelzing.

Ik wist niet precies hoe ik moest reageren. Ik wilde haar feliciteren en tegelijkertijd sterkte wensen. Ik wilde vragen naar welke wc ze tegenwoordig ging. Ik wilde zeggen hoe moedig ik haar vond om halverwege haar transformatie, als werk in uitvoering, tóch gewoon op de bus te blijven rijden. En vooral wilde ik zeggen dat ik als schrijver onze ontmoeting, dit voorval met die chrysanten, en al helemaal haar personage als transseksuele buschauffeur nooit, nooit zelf had kunnen bedenken. Al die dingen wilde ik zeggen, maar ik zei ze niet. In plaats daarvan negeerde ik haar stoppels en zoende haar driemaal op de wangen.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

“Waarom heeft u mijn jurk zo lang gemaakt, moeder?”

Lulu, ik kende haar vooral uit de gelijknamige opera van Alban Berg, maar daarbij stond de muziek het nogal in de weg haar beter te leren kennen. Het oorspronkelijke toneelstuk van Frank Wedekind, dat ik zag in een uitvoering van Toneelgroep Oostpool, maakt dat een stuk makkelijker. Lulu is een vrouw die elke man moeiteloos om haar vinger windt, en ze vervolgens te gronde richt. Of dat doen ze zelf. Ze is een mens met beestachtige kenmerken, maar desondanks toch een mens, zo zegt ze zelf.  ‘Das wahre Tier, das wilde, schöne Tier/Das – meine Damen – sehn Sie nur bei mir,’ of het publiek daar wel een beetje doorheen wil kijken.

Ze is hardvochtig als ze haar nieuwe echtgenoot – haar vorige is net bezweken – Schwarz over het randje  van de dood helpt. Deze schilder is intens burgerlijk maar erkent dat zelf niet. Integendeel, hij overschat zichzelf grandioos in dat opzicht. Lulu legt de vinger op de zere plek en bespeelt hem door zijn idee van huwelijkse trouw en liefde aan de leiband overhoop te rotzooien. Hij krijgt te horen dat zij als meisje ‘elke avond tussen twaalf en twee’ aan de bar te vinden was. ‘Zonder ondergoed,’ zoals Wedekind in de eerste versie schreef (en opgediept door Hannah van Wieringen, die de tekst bewerkte). Een hoertje dus, en dat trekt Schwarz niet. In het besef dit niet zijn soort huwelijksgeluk is maar er niets meer aan kan veranderen, ‘guillotineert’  hij zichzelf met een scheermes.

Toevallig ging ik laatst ook naar Spring Awakening, de musical van Wedekinds Frühlings Erwachen. De pubers in deze Kindertragödie willen sommige opzichten hetzelfde als Lulu: de heersende kleinburgerlijke moraal van een weerwoord voorzien. En daarom staan vol lef de acteurs van de Studenten Toneelvereniging Amsterdam (STA) veelal in alleen ondergoed op het toneel. Door de ouders in het stuk, en de kerk, en de school, is wat de jongeren willen verboden: de ontdekking van seksualiteit vegen de opvoeders gemakzuchtig onder het tapijt. De geldende verhoudingen beginnen te schuiven (of moeten veranderen), als een paar spetterend ontwaakte scholieren zich op deze ontdekkingsreis begeven.

Net als de musicalversie is het originele stuk uit 1891 een aanklacht tegen volwassenen, hun onderdrukking van het kroost, kleinburgerlijkheid en schijnheilige houding. Het begint allemaal met de onschuldig klinkende vraag van protagoniste Wendla, die vraagt: ‘Warum hast du mir das Kleid so lang gemacht, Mutter?’ Daarmee vervat Wedekind in één zin grotendeels de strekking van het toneelstuk. Nieuwe tijden breken aan, al ver voor de minirok van de jaren zestig. Maar er moet meer op de schop, want op een vanzelfsprekende manier krijgen ook alle aan ontluikende seksualiteit verwante onderwerpen hun plaats. Wedekind pakt de taboes en vooroordelen van zijn tijd allemaal mee, inclusief man-vrouwverhoudingen, natte dromen, seksuele fantasieën, masturbatie en homoseksualiteit. Een van de jongens, Moritz, is zo geïndoctrineerd met de opvattingen van zijn tijd, dat deze nieuwigheden hem fataal worden. Hij jaagt zichzelf een kogel door zijn kop en wordt zo een martelaar.

Nu zou ik verwachten dat er tegenwoordig geen behoefte meer is aan vooruitstrevende voortrekkers in moreel opzicht. Iedereen die de jaren zeventig heeft meegemaakt zal over Spring Awakening zeggen: schon gesehen, niets nieuws onder de zon. Alleen ligt dat voor jongere generaties ingewikkelder, want inmiddels zijn die conservatiever dan ik zou denken. Ongetwijfeld is het niet zo erg als in de late negentiende eeuw, maar de algehele vertrutting die is er – probeer maar eens een willekeurig hierboven genoemd onderwerp met ze aan te snijden. Om die tendens te keren was er bijna vijftig jaar geleden Hair; vandaag de dag kunnen we een musical als Spring Awakening heel goed gebruiken, want het is wel weer mooi geweest met die nieuwe burgerlijke preutsheid.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij wekelijks voor tirade.nu. Hij ziet er overigens anders uit dan hij eruitziet

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Het leven ten volle leven

Over Eric Arnold lezen we in de krant dat hij in 1999 met bergbeklimmen begon. Vorige week overleed hij op de Mount Everest aan de gevolgen van hoogteziekte en totale uitputting. In de verschillende In memoriams die ik van hem las, bevreemdt mij de lichte toon van heroïek. Wat is nu zo heroïsch aan op je 35ste boven op een berg overlijden?

Misschien moeten we na deze koude hoogte meteen de diepte in. Wat worden we geacht van ons leven te maken? In veel landen, tijden en culturen: gewoon dat wat je ouders voor je uitstippelde. In de westerse cultuur word je zeker de laatste eeuw geacht het ‘maximale’ uit jezelf te halen. Op welk gebied dan ook. We vinden dat we moeten excelleren. Schrijvers moeten iets nalaten, hun naam, hun werk. Zakenlieden moeten een fortuin vergaren. De tuinman moet mooie tuinen afleveren. De televisiepersoonlijk moet minuten op de buis maken. In de sport gaat het ook om je naam vestigen, records op je naam krijgen.

Maar de Mount Everest, de respectabele hoogste berg ligt bezaaid met lijken van mensen die het niet redden, en vele bergbeklimmers hebben het al decennia eerder wel gered. Eric Arnold was dus noch de eerste, noch de beste, niet eens de eerste Nederlander, niet de jongste, en overleefde het niet. Nu laat ik de bespottelijke gedachte dat sherpa’s zonder naam gewoon steeds die berg oplopen om rijke westerlingen aan hun kick te helpen maar even achterwege.

Wanneer hij zelf sprekend opgevoerd werd in de necrologieën, zoals in het NRC stuk ‘Het doel waar alles voor wijken moest’, citeert hij bijvoorbeeld Walt Unsworth ‘Er zijn mannen op wie het onbereikbare een speciale aantrekkingskracht heeft. Meestal zijn ze geen experts: hun ambities en fantasieën zijn sterk genoeg de twijfels weg te nemen die voorzichtiger mannen zouden kunnen hebben. Vastberadenheid en geloof zijn hun sterkste wapens. In het beste geval worden ze als excentriek beschouwd; in het slechtste geval als gek.’

Ik vind Eric Arnold excentriek noch gek, ik vind hem cultureel misleid.

Unsworth is de auteur van het boek met de omineuze titel Everest the ultimate book of the ultimate mountain. Het lijkt alsof Eric Arnold op zoek was naar de ultieme ervaring.

Wat betekent nu zijn dood?  Misschien dat er net voor hij stierf tevredenheid is geweest omdat hij het doel bereikt had, de vorige keer had hij moeten afhaken 250 meter voor de top. Heeft hij uit het leven gehaald wat er in zit? Ik ben geneigd te vinden van niet. Ik ben zelfs geneigd te vinden dat dit een vorm van suïcide is die te maken heeft met een beperkte mogelijkheid zin aan het leven te geven. Ik denk ook dat wanneer Arnold had geweten deze klim niet te overleven, hij had besloten de klim niet te wagen. Dat betekent dus ook dat zijn zoektocht naar het ultieme groter is geweest dan zijn realiteitszin.Dat betekent dus ook dat het leven van thrill seekers, of mensen die gevaarlijke dingen doen voor geld als autocoureurs bijvoorbeeld, meeslepend is zolang of kort als het duurt. Hun sterven levert hen wat mij betreft geen heldenstatus op, maar een zacht en vertwijfeld misprijzen.

Dat bewijst zijn Unsworth citaat ook al: het is bijna een verontschuldiging: het gaat mislukken, want ik ben geen expert maar ik volg mijn fantasie.

Mag iedereen zijn eigen leven maken en breken? Ja, ik denk het wel. Maar ik voel het vreemde bijna paternalistische ongemak bij deze dood, dat deze jongen te weinig heeft nagedacht en wellicht te weinig overtuigend inhoudelijk is tegengesproken. Je leven wagen voor uitsluitend een hang naar het ultieme is alleen zinvol zolang je het hebt. Daarna verdwijnt met je leven de zin ervan.

‘Toch ging hij steeds opnieuw, en opnieuw om het leven ten volle te leven, zei hij – niet uit doodsverlangen, maar uit levensdrift. ‘

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Eten

Elke dag vraag ik aan B wat ze wil eten. Meestal doe ik dat na het ontbijt, soms sms ik haar halverwege de middag, als ik al bij mijn visboer op de Albert Cuijp sta. Het vreemde hieraan is dat het niet uitmaakt wat ze antwoordt. Ik weet namelijk al waar ze zin in heeft, ook al weet ze het zelf nog niet of denkt ze aan iets heel anders.

Waar je écht zin in hebt is namelijk niet waar je zin in dénkt te hebben. Wat een mens na een lange dag als psycholoog, stratenmaker, liftbediende of schrijver nodig heeft is zonder uitzondering wat er die dag het lekkerst is, en dat mag onder geen beding worden overgelaten aan degene die niet kookt of niet weet hoe verse vis eruitziet.

Veel mensen werken een tijdje in de horeca en veel mensen werken er een heel leven in, maar slechts een kleine groep krijgt door dat hoewel een restaurant met een menukaart de indruk wekt keuze te bieden en de gast denkt dat hij keuze wil, het daar juist niet om gaat. Horecabezoek gaat om ontspannen en ontspanning heeft alles met vertrouwen te maken.

Een echt goede gastvrouw loopt met menukaarten naar een tafel van 8 personen en weet al voordat haar gasten de kaart hebben opengeslagen wat ze gaan eten; het opsommen van extra’s en dagspecialiteiten dient alleen maar om contact te leggen, vertrouwen te winnen. Zo’n gastvrouw is te herkennen aan de bon waarmee ze na een paar minuten naar de keuken loopt: een kreukloos wit papiertje waarop alleen maar 8 menu staat. IMG_1781

Gisteren Appte iemand me de oneliner: “Relationships are just two people constantly asking each other what they want to eat, until one of them dies.”

Hoewel de bedenker (Rob Fee) het waarschijnlijk heel anders bedoelt, vind ik het een romantisch idee om de rest van mijn leven aan B te zullen vragen wat ze wil om daarna precies datgene te doen waarvan ik voel dat ze het écht nodig heeft.

 

_________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Dit najaar komt zijn roman Het jasje van Luis Martín uit.

 

 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Portret van een vrouw

Ze heeft een kunstheup en haar botten doen pijn, maar in de week dat het veiling is, is ze veilig. Ze komt altijd alleen. Zelden koop ze iets. Ze is hier niet voor de prenten of de boeken, althans dat is niet het belangrijkste. Ze komt voor de stem van de veilingmeester. Als ze de lage repetitieve stem hoort, uren achter elkaar, is het alsof alles in haar tot rust komt. Hij noemt de lotnummers, de geldbedragen. De vrouw luistert zonder in te dutten. Ze denkt niet meer aan de dingen waaraan ze niet wil denken. ’s Nachts slaapt ze zonder wakker te worden. De veilingcatalogus is even de wereld en die wereld is opgedeeld in lotnummers met precieze beschrijvingen.

Soms niest de vrouw. Haar hele lijf schudt, het geluid is overweldigend. Klanten die via de webcam aan de veiling deelnemen, klagen erover. Als ze niest, is er niets te verstaan van wat de veilingmeester zegt. Hij probeert er rekening mee te houden: als de vrouw niest, wacht hij even. Er mag niet geboden worden.

Toen ze nog voorin de zaal zat, kon je haar op de webcam zien. Een grote vrouw met brede schouders en brede heupen, haar haren kort, altijd meerdere tassen bij zich. Ze volgt de lotnummers die op het scherm verschijnen, laat haar vinger gaan over de beschrijving in de catalogus. Geregeld kijkt ze voor zich uit, naar een punt in de verte, alsof ze zich ergens diep op concentreert. Mensen uit de hele wereld hebben haar inmiddels gezien. Misschien heeft zij zich dat op enig moment beseft, want tegenwoordig zit ze achterin, buiten het bereik van de webcam. De enige keer dat men haar iets heeft horen zeggen, was na afloop van een winterveiling. Ze vroeg zich af of de veilingmeester in een koor zingt.

Wanneer hij toekomt aan de afdeling ‘Maritieme geschiedenis, topografie en reizen’ sluit de vrouw haar ogen. Dit is halverwege de week, op woensdag. Haar handen liggen opengevouwen in haar schoot. Ze heeft een extra vest om haar schouders geslagen. Dit is het moment dat de stem haar gaat meenemen.

Baedeker, K. The Dominion of Canada with New Foundland and and Excursion to Alaska.
Satow, E.M. A Handbook for Travellers in Central and Northern Japan.
Kruse, E. Seeluft und Seebad. Eine Anleitung zum Verständnis und Gebrauch der Kurmittel der Nordseeinseln.
Amshoff, M.A. Norderney. Brieven bij een badbezoek.

De veilingmeester heeft zeker twee uur nodig voor deze afdeling. De vrouw laat zich meevoeren door de zinnenprikkelende boektitels. In het zeldzame geval dat ze iets koopt, is het een boek uit deze afdeling. Meestal over voormalige kuuroorden. Misschien omdat ze slecht ter been is. Misschien omdat ze uit een familie komt waarin kuren gebruikelijk was. Misschien dat ze zich schuldig voelt dagenlang naar de stem te luisteren, in een mooie stadsvilla aan een groen park, zonder iets terug te geven: ze wil de stem bedanken door haar hand op te steken en te bieden.

—-

fotoportret lichterGustan Asselbergs (1986) schrijft proza. Hij studeerde filosofie in Amsterdam. Momenteel werkt hij in een veilinghuis

Signalen

Met D. in Nieuwkoop (1984).

‘Arie’, vragen steeds meer vrienden me de laatste tijd, ‘hoe kan ik herkennen of mijn zoontje homo is?’ De vraag stellen is hem beantwoorden, denk ik dan, maar hardop zeg ik altijd dat daarvoor geen universele checklist bestaat. Ik kan hooguit vertellen hoe het bij mij is gegaan.

In mijn allereerste rapport op de kleuterschool merkte juf Fia al op dat ik ‘een beetje bang was voor vieze handjes’, waardoor vingerverven en activiteiten in de zandbak uitliepen op een drama. Diezelfde angst uitte zich later in mijn weigering om in de tuin te werken of aan brommers te sleutelen.

Het moet mijn familie zijn opgevallen dat ik op verjaardagen vaak stikjaloers was op mijn tweelingzus die godverdomme wel een opmaakpop had gekregen. In 1977 eindigde Sinterklaasavond in bloed en tranen toen ik – heel even maar – met haar nieuwe, rolbevestigende speelgoedstrijkbout wilde spelen.

‘Afblijven!’ siste mijn zus, die toen een kop groter was dan ik. Met verrassend veel kracht trok ze het ding uit mijn handen en plantte de ijzeren punt frontaal tussen mijn ogen. De term hate crime bestond toen nog niet, maar ik heb er wel een ontsierend litteken aan overgehouden.

Mijn moeder moet iets gemerkt hebben toen ik rond mijn tiende bijna dagelijks door haar kledingkast rommelde, stiekem haar pumps paste, parfums opspoot en haar oorbellen droeg. Voor de spiegel in haar slaapkamer zag ik voor het eerst hoe sterk ik op haar leek als ik mijn lippen stiftte.

In mijn jaren als brugklasser was samen douchen zonder onderbroek nog heel normaal, maar ik deed er niet aan mee. Liever de rest van de dag stinkend in de schoolbanken dan de gymles besluiten met een publieke erectie. Mijn moeder had gelijk: het was inderdaad schaamte, maar van een heel andere orde dan zij vermoedde.

De kiosk op het Rosariumplein in Krommenie verkocht geen homoseksboekjes, dus behielp ik me met het zwembroekenhoofdstuk van Charles Hix’ Man Alive: Dressing the Free Way*, dat ik na gebruik halfslachtig verborg in de scheepslade onder mijn bed.

Zelfs mijn vader – vrijwel afwezig als opvoeder – kon het niet zijn ontgaan hoe mijn zus en ik in de zomer van 1984 tot het bittere einde streden om de hand van D., het aaibare, karamelkleurige en achteraf onhaalbaar heteroseksuele vakantievriendje waar we allebei verliefd op waren. In diezelfde periode schakelde hij (mijn vader) unilateraal over van een begroetingsknuffel naar een hand, want ik was nota bene al dertien.**

Twee jaar later betrapte mijn moeder me zoenend achter het tuinhek met M., de eerste jongen die ook verliefd was op mij. Ze giechelde een beetje, maar heeft me er nooit over aangesproken. Nu pas, nu ik zelf opgroeiende kinderen gehad zou kunnen hebben, begrijp ik waarom. Ze moeten er uiteindelijk zelf mee komen.

___________________

* (Simon & Schuster, 1984)
** Ik heb meerdere aanwijzingen dat mijn vader destijds – tevergeefs – heeft geprobeerd om mijn seksuele oriëntatie bij te sturen. Ik beloof niets, maar wie weet kom ik daar in een latere column nog op terug.

Arjen van Lith (1971) is freelance journalist en schrijver. Hij debuteerde bij De Harmonie met de verhalenbundel Mijn Snor. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin (Texas), waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Notities (2)

* Heart of a Dog, het prachtige filmessay van Laurie Anderson, gezien. Ik kan alleen niet tegen haar stem, zoals ik ook niet tegen het roombotergeweld kan van een heel zwikkie operazangeressen dat nog steeds denkt dat Maria Callas de norm is. Anderson vertelt met veel kwijl en nadruk over de dood van haar hond, de dood van haar moeder, de dood in het algemeen en de liefde. Het is een heel zweverig geneuzel, rechtstreeks uit het Tibetaans Dodenboek geplukt, of aangereikt door ‘onze’ yogaleraar of psychotherapeut (en dan bedoelt ze die van haar en haar hond). Mijn boerenverstand zegt dan: zielenheilzwendel, wat een quatsch, volksverlakkerij! Denk eerst eens zelf na. Maar misschien had ze dat allang gedaan, en was dit waar ze desondanks bij uitkwam?

* Na een geweldig onweer spraken Willem Jan Otten en Joost Baars over stilte, bij een voorleesbeurt in boekhandel Kirchner. Dat zij die niet als hetzelfde ervaren ligt misschien voor de hand. De een hecht meer belang aan bijvoorbeeld de stilte voordat er gesproken wordt, dan de ander die zulke stilte niet eens bewust ervaart. Sowieso is het ervaren van stilte nogal betrekkelijk: Otten voelt zich niet stil wanneer hij een lange pauze laat vallen tussen de gedichten die hij voorleest, hij is dan alweer met het volgende gedicht bezig, terwijl de luisteraars toch echt een stilte laten vallen. Dat is een stilzwijgende afspraak van het publiek, een verbinding.

* Ik vind het leuk mensen een hele dierenboerderij te sturen via Whatsapp. Maakt mij dat nu een beter mens?

* Luisterend naar een stuk van Stravinsky in Paradiso  bedacht ik: als ik al stilte heb gekend dan was dat niet zonder geluid. Het is in de stad – of misschien in de wereld überhaupt – onmogelijk écht stil te zijn. Zelfs op 4 mei lukt het niet. Een concertzaal biedt uitkomst. Daar is het stil, en de muziek neemt de plaats in van de gedachten, een soort surrogaatstilte. Naast mij keek een meisje voortdurend op haar telefoon. Later stond ze midden in een muziekstuk op, om op haar klossende hakken over het plankier te lopen, en even later terug te keren met twee drankjes in haar handen. Het had mijn avond kunnen vergallen, maar ik was te moe om dat te laten gebeuren. Later vroeg ik me af: hoelang zou het duren voordat de hipsterfreelancers hun werkplekken van de koffietentjes naar de concertzalen verhuizen?

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij wekelijks voor tirade.nu. Hij ziet er overigens anders uit dan hij eruitziet.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Is dit de P van Piraat?

Het jongetje tovert net buiten het zicht van de meester een klein legomannetje met een donkere vlek op het rechteroog uit zijn zak.

‘Ik heb ook een Ninja, de N van Ninja bij me, wil je hem zien?’

M.is een van de vijf kinderen die ik dit jaar help met lezen omdat ze dat lastiger vinden dan hun klasgenootjes. M. heeft een enorme fantasie, hij vertelt schitterende verhalen over tropische eilanden waar hij geweest is en waarvan zijn vriendjes’ vader koning is. Dat beïnvloedt lezen: als je veel en makkelijk fantaseert, waarom zou dan het volgende woord dat er staat van meer belang zijn dan het volgende woord dat je kunt bedenken?

De vijf kinderen van 6 à 7 met wie ik dit jaar al las vormen een intense motivatie voor mijn idee van het belang van leesonderwijs. Nooit eerder zag ik hoe moeilijk het kan zijn, en hoezeer lezen een eerste en absolute hindernis voor verdere kennisverwerving vormt.

K. is een goed voorbeeld, een heel slim jongetje met grote leesproblemen die ik in eerste instantie uitsluitend achteruit leek te zien gaan. Omdat motivatie van belang is en niets demotiverender is dan in een Formule I wagen 5 km per uur moeten rijden: daar zijn ze niet op gebouwd. Het Formule I-hoofd van deze jongen kan slecht omgaan met zijn leesprobleem. Dan begint verzet: niets is minder aantrekkelijk dan een lapje tekst dat op zich al betrekkelijk onder zijn niveau is in cognitieve zin, maar waar je dan ook nog h-e-el -l-a-n-g-z-a-a-m door heen moet.

Toen kregen we dus echte opstand: de kont tegen de krib. Waar we maar moeilijk uitkwamen met boekjes over brandweermannen en politieagenten.

L. is een ander speciaal geval: zij leest zo slecht niet, maar blijkt een heel ander vocabulaire te hebben. Met een tent is zij nooit op vakantie geweest, een hut of schuur is ook haar dagelijkse realiteit niet. Laat staan schop, hark en tuin. Veel leesmethodes lijken te zijn gemaakt door mensen die in 1971 in een Nederlands dorp zijn geboren. Met haar ging ik dus eerst de klassiekers als ‘1000 woorden’  maar eens af: thematische zoekplaatjes met in de marge alle ‘dingen’ met hun bijbehorende ‘woorden’.  Hoe ziet een tent er uit, en wat is ‘kamperen’? Een kookstel, een haring. etc. Vocalulaire-problemen lijken het makkelijkst op te lossen. Ze is helaas buiten mijn bereik geraakt met haar lezen: ze is te goed geworden en heeft me niet meer nodig…

Met het slimme baasje K. ben ik opeens dankzij de vindingrijke leerkracht ook verder: wat uitkomst bleek te bieden is zijn gevoel voor humor. Het is het type jochie dat zich graag slaplacht. Nu heeft een moppenboekje zijn weerzin overwonnen. In het gezicht zie je de intense wens om tot de clou te geraken. Alle aangezichtspieren bewegen zich al naar de ontladende lach toe. Een betere motivatie dan een klaterende schaterlach als beloning voor je geploeter, is er niet.

Ik heb nooit vermoed dat het feit dat een scheetje van een konijn naar worteltjes ruikt me naar deze belangrijke conclusie zou helpen.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Ontdekkingsreizen

IMG_1363Ik zit in de tweede redactieronde van mijn roman Het jasje van Luis Martín, die dit najaar uit moet komen. Voor het eerst zal een boek van me de titel dragen die ik zelf bedacht. Ik was klaar om mijn poot hierover stijf te houden op de uitgeverij, maar het bleek niet nodig. Redacteur en uitgever Menno vond het een prima naam.

Tot dusver zijn mijn verhalen ontdekkingsreizen geweest. Nooit wist ik tevoren waar ze over zouden gaan of zelfs maar wie de hoofdpersonen waren. Ik startte met een zin, met iemand die als uit het niets begon te praten, en voelde me meer een kijker, een vastlegger van wat zich aandiende dan de bedenker van de wereld die ik schiep.

In mijn debuut stond één halfautobiografisch verhaal, over een vader en zoon die naar Palermo gaan nadat de vader is hersteld van een kanker die hem het leven had kunnen kosten. De vader lijkt best op de mijne. De hoofdpersoon lijkt op mij. Ik voelde niet de verantwoordelijkheid trouw te blijven aan de feiten omdat ik niet pretendeerde feiten op te voeren. Toen het verhaal af was zwoer ik nooit meer zoiets te zullen schrijven.

Palermo is het verhaal waardoor ik door Tirade werd ‘ontdekt’.

Het jasje van Luis Martín is heel sterk autobiografisch. Het gaat over een overleden vriend; over de jaren dat we samen in de Amsterdamse horeca werkten. Er waren dagen dat ik wilde dat ik nooit aan deze onderneming was begonnen, en tegelijkertijd weet ik dat ik in het afgelopen jaar niets anders had kunnen maken. Wat ik het moeilijkste vind is niet hoe persoonlijk het allemaal geworden is, maar hoe lastig het blijkt om schoonheid te zien in dingen die ik zelf heb meegemaakt.

Het valt me zwaar op dit boek te vertrouwen, te blijven geloven dat het straks heel mooi zal zijn. Gelukkig heb ik een eerlijke uitgever, die het me zonder omhaal zou zeggen als hij er niets in zag.

_________________________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Dit najaar komt zijn roman Het jasje van Luis Martín uit.

 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Iepenregen

Mijn ouders hadden een kat die wild werd als er gemalen koffie gemorst werd. Ze staakte op zo’n moment alles wat ze deed (slapen, wassen, de bank draadje voor draadje uit elkaar trekken of luidkeels gillen met de natte brokjes nog in haar keel, een vreemde gewoonte die er in combinatie met haar dragende stemgeluid voor zorgde dat zelfs de buren een beetje onpasselijk werden van onze gorgelende poes) om glijdend over het zeil naar de bron van haar ultieme genot te spoeden en zich in de koffie te wentelen als Dagobert in z’n centen. We lieten haar altijd maar even, hoewel het een tamelijk obsceen tafereel was om te aanschouwen. Breeeeh knorde ze, huuuugh, ze miauwde in tongen.

Ieder jaar, als de iepenregen in Amsterdam losbarst, moet ik aan die kat denken. Bij het eerste geluid van die warm ritselende stad ontwaakt er iets wildvrolijks in me waardoor ik alles moet laten vallen (werk, ambities, vriendschappen) om vanuit Amsterdam Noord langs en dwars door de stad te fietsen. Zelfs de drukke grachten fiets ik over, zonder dat ik er in de buurt moet zijn, omdat alles knispert en in het gedwarrel minder erg lijkt. Dronken toeristen omgeven door zwierend iepenzaad, als bevonden ze zich in een sprookjesbos bij vuurvliegenschemer, hou me tegen!

katkoffieMijn iepenhysterie is vergelijkbaar met de sensatie die hevige sneeuwval in me losmaakt, of wind die zo hard is dat het je wordt afgeraden naar buiten te gaan. Overmacht van de natuur, een aangename herinnering aan mijn eigen nietigheid, maar dan in combinatie met lente, strijklicht langs de stad die nog niet naar zomer stinkt – fuck jullie, murmelen die iepen, hier, een heleboel zaadjes. Zaadjes op je auto, zaadjes op je huis, zaadjes in je haar en zaadjes die in het tapijt van je fancy maatpakkenzaak blijven kleven.
En dat Amsterdam er dan uitziet alsof je in een sneeuwbol woont. Om op iedereen verliefd te worden zo mooi.

Ted van Lieshout plaatst (haast) ieder jaar hetzelfde gedicht over de iepenregen op zijn weblog. Hij noemt de zaadjes sperma. Ejaculaat. Zonde, dacht ik bij de eerste lezing, hij gaat voorbij aan die feeërieke schoonheid. Maar misschien meende ik dat omdat ik van de lente en de iepen zo lyrisch word dat er uit mijn handen alleen maar prulpoëzie zou komen, zoals wildverliefde mensen met weinig aanleg tot dichtkunst op papier smijten met rozen en zwaar bonzende harten.

Ja, misschien zit van Lieshout dichter op de waarheid dan ik, met m’n sneeuwbol en die vuurvliegjes: ik vrees voor het moment dat mijn gêne door mijn jaren is versleten. Breeeeh, zal ik kreunen, huuurgh en op AT5 zullen beelden verschijnen van een oudere dame gehuld in ondergoed of minder, gelukzalig rondwentelend in de be-iepte goot van de Beethovenstraat.

—-

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ze is columnist bij Advalvas. Recentelijk verscheen haar debuutroman, Onheilig (Querido).

Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Eerste rit

Ik moest boeken halen in Lisse. Het zou mijn eerste rit worden. Er was niks ingewikkelds aan, zei de veilingmeester. Hij legde uit hoe je het inzenders-formulier invult. Ik pakte de TomTom van de schouw.

‘Nou succes,’ zei mijn collega die boven een boek gebogen zat waarvan hij het aantal illustraties telde.

Zodra ik de snelweg bereikte en Haarlem achter mij liet, verschenen links en rechts uitgestrekte weilanden. Ik nam de afslag richting Lisse. De blauwe bestelbus achter mij, die zo te zien verse vis vervoerde, reed door naar Amsterdam.

Het adres waar ik moest zijn, klopte niet. Een bejaarde vrouw riep dat ze niet meneer van Lanen was. Ik belde meneer van Lanen en kreeg te horen dat ik het hoekje om moest.

De man die opendeed droeg een wit-blauw hemd dat strak om zijn uitstekende buik zat. Hij stelde zich voor als Piet. Hij ging mij voor naar de gang. Meerdere lundiakasten die uitpuilden van de pockets en tijdschriften, schoenendozen en smoezelige multomappen. Op de grond lagen kranten, glasscherven en hoopjes zand. Ik was nog maar net binnen.

‘Kijk maar even rond,’ zei hij met een hoog stemmetje. Hij knikte erbij alsof zijn huis een paleis was. ‘Ik moet nu naar boven, want de stoffeerders zijn er.’

‘De stoffeerders?’ Ik zei dat ik niet veel tijd had, ik kwam alleen de spullen halen. ‘U moet de selectie maken.’

Hij krabde aan zijn oor, zijn vette haren lagen als een mat in zijn nek.

‘Nou, kom dan maar mee.’

Boven was een smal pad waar je net kon lopen. Bij elke stap rinkelde er iets, of viel er iets naar beneden. Ik manoeuvreerde tussen kratjes, oude apparaten, tafels die op hun kant stonden, dozen met lp’s en snuisterijen, kasten met glaswerk, vaasjes, pannen en plastic zakken vol kleren. Ergens stond een tv aan. Dit was dus de huiskamer. Aan de muren hingen schilderijtjes in vieze lijsten. Hij had waarschijnlijk nog meer in de andere kamers, maar daar kon je niet komen. Daar kon niemand komen. Piet van Lanen had zich ingegraven.

Op het moment dat ik mij dat realiseerde, had ik twee dingen kunnen doen: naar de zaak bellen met het bericht dat ik er niet uitkwam, óf afwachten in de hoop dat Piet van Lanen mij zou gaan helpen. Het was mijn eerste rit. Ik wilde dit goed doen.

Nadat de stoffeerders weg waren (ze droegen leren jassen, de stoelen die opnieuw bekleed moesten worden, bleken zoek), kwam er een man aanzetten die Piet zou gaan helpen met het leggen van een stuk zeil. Het zeil was niet meer dan 6 vierkante meter. Piet had het de vorige week uit een kliko gevist. Hij wilde van zijn tapijt af, zei hij. De man die hem zou gaan helpen miste een voortand en was zeker tien jaar ouder dan hij.

Ik zei: ‘Meneer van Lanen ik moet gaan, ik geloof dat ik niets voor u kan betekenen.’

‘Maar we zijn bijna klaar,’ sputterde hij tegen. ‘Wil je wat thee?’

Ik kon niet antwoorden. Ik kon alleen maar denken: waar zou je in godsnaam thee moeten zetten? Ik keek naar de man met de ontbrekende tand. Hij grijnsde, knielde neer en zette het mes in het tapijt.

—-

fotoportret lichterGustan Asselbergs (1986) schrijft proza. Hij studeerde filosofie in Amsterdam. Momenteel werkt hij in een veilinghuis.

Kijktip: Lift

Reality tv is een bewerkelijk genre. Op het oog lijkt het eenvoudig om een stel aso’s in een villa op te sluiten en vervolgens te kijken hoe Terror Jaap in een taart kotst, maar er is een klein garnizoen aan scriptschrijvers en dramaturgen voor nodig om van die reality iets uitzendwaardigs te maken. Reality op tv is bijna altijd creality, een sociaal experiment, liefst geïsoleerd, op een exotische locatie en met een explosieve dynamiek onder de deelnemers. Met de dagelijkse werkelijkheid heeft het niets te maken.

Regisseur Marc Isaacs heeft in zijn film Lift (2002) het tegenovergestelde geprobeerd. He keeps it real. Zoveel hij kan. Dagelijks sluit hij zich tien uur op in de lift van een verloederd flatgebouw in Londen en laat zijn camera draaien. Hij probeert bijna letterlijk een vlieg aan de roestvrijstalen wand te zijn. Een pratende vlieg, want af en toe waagt hij zich aan een vraag. De bewoners doen de rest en bewijzen opnieuw dat alle Britten stuk voor stuk geboren performers zijn. In hun korte tripjes naar boven of naar beneden schitteren ze als zichzelf. Ze storten hun hart bij Isaacs uit, zingen een liedje, intimideren hem of staan openlijk met hem te flirten, zoals de jiddische oma met haar beige gegranolde gezicht. Niet omdat er roem of een geldprijs te winnen valt, maar omdat die filmende liftboy er nu eenmaal bij hoort.

Please mind the door.

__________________

Arjen van Lith is freelance journalist en schrijver. Hij debuteerde bij De Harmonie met de verhalenbundel Mijn Snor. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin (Texas), waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Volmaakte beslissingen met onvolmaakte informatie

In De levenden herstellen van Maylis de Kerangal verhuist een hart van een jonge, jammerlijk omgekomen surfer naar een literair vertaalster met een ernstige hartafwijking. Het is een heel mooi idee voor een roman: de transplantatiearts, de chirurgen, de verpleegkundigen, de ouders van de jongen, de voorbereiding in psychologische zin om de ouders ervan te overtuigen dat een donorschap in de rede ligt, leveren een geweldig geschreven drama op in zeer korte tijd, afgedwongen door de realiteit van de transplantatiemogelijkheden. Prachtig afgepast is het onderwerp en we hebben van de vele IC series op tv kunnen leren hoe het drama en de romantiek vreemd en succesvol verweven kunnen zijn met de IC.

Niet alleen fictie over gezondheid en ziekte boeit, ook sommige non-fictie is prachtig. Siddharta Mukherjee’s The Emporor of all Maledies passeerde hier al een de revue. Nu heeft Davidsfonds in samenwerking met TED een nieuw boekje uitgegeven van deze aansprekende auteur. De wetten van de geneeskunde. Veldaantekeningen uit een onzekere wetenschap. Op zich is dat idee al verrassend, omdat de Ted talk nu juist een vondst is die sterk verbonden is met de visuele media, dat deze Vlaamse uitgever er nu een klassiek boekje van maakt.

De eerste wet van Mukherjee is al opvallend. ‘Een sterke intuïtie legt meer gewicht in de schaal dan een zwakke test.’ In de inleiding beschrijft Mukherjee een situatie die sterk lijkt op een in het boek van De Kerangal, een chirurg met een enorme faam, bewonderd en gevreesd door de aio’s die al schrikken wanneer hij tijdens een operatie een wenkbrauw heft, laat tijdens een ingreep aan een buikbook_9789462981980_178tumor waarbij onverwachte bloeding optreedt gericht een assistent zelf zijn conclusies trekken. Steeds beheerst niet-ingrijpend maar nauwkeurig de vinger aan de pols houdend. Na de operatie zegt de chirurg: ‘ Je moest nu haar status maar eens bekijken’, zei Castle, met tederheid in zijn typische lijzige neusgeluid. ‘ Met volmaakte informatie is het gemakkelijk om de juiste beslissingen te nemen. In de geneeskunde moet je volmaakte beslissingen nemen met onvolmaakte informatie.’

Naarmate ik ouder word vind ik het moeilijker in voorkomende gevallen mij over te geven aan de medische wetenschap. Waar ik vroeger bij wijze van spreke zonder enig probleem een operatie indook, zou me dat nu meer moeite kosten. Vertrouwen in medische wetenschap is vervangen door vertrouwen in sommige mensen. De intuïtie van de patiënt dus: een vertrouwen in de intuïtie van de specialist.

Een boek als dat van De Kerangal en ook dit van Mukherjee toont de specialist als mens. Je zou alleen in de huidige gezondheidszorg  wat beter moeten kunnen kiezen. Welk van de specialisten heeft volgens jouw intuïtie een intuïtie waarop je vertrouwt.

Een bijzonder aspect van deze boeken, en bij uitbreiding het schitterende Stadium IV van Sander Kollaard, is dat het in zekere zin mengvormen van fictie en non-fictie zijn, je kunt niet over de medische wereld schrijven zonder met echte informatie te komen. Je kunt evenmin een wetenschapper zijn zonder intuïtie, zoals Mukherjee aantoont. Een goed arts verbindt deze zaken zoals een goed schrijver fictie en non-fictie verbinden kan.

(Over een andere benadering dan genezing door medicijnen, luister ook naar Mukherjee over een paradigmawisseling in het denken over medicatie, op TED)

 

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Een vrij groot hoofd

‘Excuses,’ zei ik tegen de man die bij het schap met de fietshelmen stond, ‘weet u hoe het werkt?’

Ik wist uiteraard dat een helm op je hoofd moet, maar als het om fietsrandzaken gaat – alles wat niet met het daadwerkelijke zitten en trappen te maken heeft – valt er een hoop te wantrouwen. Het ene broekje is voor op de mountainbike, de andere voor op de racefiets, er bestaan binnenbanden van hetzelfde formaat als de ringen van Saturnus en het verkeerde middenstukje (dat vast niet zo heet) op je stuur kan er volgens online fietsnazi’s voor zorgen dat je de rest van je leven kreupel en beschimpt door moet brengen. Breek me de bek niet open over trappers met diverse klik -en martelsystemen.

‘Eh,’ antwoordde de man, die er op één of andere manier ontzettend uitzag als een fietser, ‘nee, ik snap het niet.’

We stonden naast elkaar op onze onbehelmde hoofden te krabben, bleken lotgenoten. Allebei al vijftien jaar aan de racefiets, honderden kilometers het land door, niet in een groepje (pardon, peleton), maar alleen. En beiden hadden we ineens met lichte tegenzin het licht gezien.

‘Ik heb ook niet zo’n pakje, zie je,’ zei de man. Er was duidelijk sprake van verwantschap. Wij tegen de fietskledij.
Wel hield ik een kleerhanger met daaraan het goedkoopste fietsshirt dat ik gevonden had omhoog. ‘Ik heb deze.’
Ook had ik zadelpijn omdat ik wel een fietsbroekje bezit, maar dat weiger te dragen omdat ik tijdens m’n fietstochten ook vaak even een terras op ga, of een ommetje in een dorp maak, en niet het gevoel wil hebben onderwijl een luier te dragen.

We zetten om de beurt helmen op. Hij mopperde dat de maten niet klopte, ik had steeds het gevoel dat er in de helm uitsteeksels zaten die er op den duur voor zouden zorgen dat mijn schedel langzaam doorboord zou worden– misschien is dat wel normaal, dacht ik, misschien hoort een Echte Fietser wel te bloeden, met te kleine klikschoentjes aan en een spijkermuts op, in de brandende zon. Toch hield ik een verkoper staande.

‘Je hebt een vrij groot hoofd,’ zei die. Hij liet me zien dat je de maat van zo’n helm met een wieltje kan aanpassen.

Met een helm (maat L, ‘goh,’ had de verkoopmedewerker met een vorsende blik benadrukt en ik had bijna al mijn grapjes over mijn enorme brein ingeslikt, maar net niet allemaal) op mijn hoofd fietste ik naar huis. Het leek net of mensen, nu ik dat ding toch op m’n harses had, er feitelijk uitzag als een vrij snel paasei, expres extra hard gingen whatsappen op de fiets zodat ik haast tegen ze aanreed. Scooterrijders namen nét effe dat bochtje om me bijna te raken.

Halverwege passeerde mijn lotgenoot me, hij ging erg hard, stond op zijn trappers en droeg net als ik gympen en geen fietsschoenen. Hij had niks op z’n hoofd. Ik zwaaide, maar hij herkende me niet. Ik was één van de anderen geworden.

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ze is columnist bij Advalvas. Recentelijk verscheen haar debuutroman, Onheilig (Querido).

 

 

 

 

Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Prufrock

Ik vulde drie dozen met boeken die niet geschikt waren voor veiling. In totaal had ik een partij van 250 boeken moeten uitzoeken. Boeken over handorgels, hovenierskunst, meelfabrikanten, zeventiende-eeuwse klokgieters. De opdracht was om zoveel mogelijk kavels te maken. Ik hield een stapel poëzie over. Verschillende gebonden edities van de verzamelde werken van onder andere A. Roland Holst, Nijhoff, Bloem en Ida Gerhardt. Te weinig waard. Er viel niet te concurreren tegen de handelaren op internet. Ik betreurde het, maar dit was blijkbaar normaal. Geen van mijn collega’s reageerde op mijn geklaag. Ik besloot de beste exemplaren in een aparte doos te doen. Alsof dat iets zou uitmaken. Ik zag het busje van Dolf de opkoper al voor mij, gebutst en verroest. We zouden de dozen het busje in tillen en daar ging de poëzie. Alles voor de opkoper.

Nog eenmaal pakte ik een Oorschot-bandje uit de doos en bladerde erdoorheen. Ik wist niet dat Nijhoff zoveel vertaald had. Prufrock – Nijhoff heeft Prufrock vertaald.

Laat ons gaan, jij en ik, laat ons gaan,
nu de avond zich strekt langs de hemelbaan
als een patiënt onder narcose op een operatietafel;
laat ons gaan door zekere halfverlaten straten
die mompelend bepraten
wat zich ’s nachts in goedkope hotelletjes voltrekt
en in oesterbar’s waar zaagsel de vloeren dekt;
straten, die met boos opzet hun smerigheden herhalen
om onze aandacht te bepalen
bij een levensvraagstuk dat ons verplettert…
Hoe dat vraagstuk luidt doet niet ter zake.
Laat ons gaan en onze visite maken.*

Ik sloop naar boven, naar het kamertje waar onze scanner staat en scande Nijhoffs vertaling van het beroemde vier pagina’s tellende gedicht van T.S. Eliot (The Love Song of J. Alfred Prufrock). Ik wist eigenlijk niet waarom ik het deed, maar het voelde goed om te doen. Ik stuurde de scans naar mijn eigen e-mailadres. Ik ervoer een soort verrukking toen ik met het waardeloze bandje de trappen afdaalde richting de veilingzaal en weer achter mijn tafel ging zitten. Ik legde de bundel in de doos, schikte de boeken zodat ze goed lagen en elkaar niet vertrapten. Het leken nu net kleine grafstenen. Ik vouwde de dozen dicht. Een voor een tilde ik ze naar de kelder. Onderweg twijfelde ik of ik een bundel in mijn rugtas zou steken. Maar ik werkte hier pas een paar maanden, ik moest mij gedeisd houden. De opkoper betaalde doorgaans een euro per harde kaft. Honderden gedrukte gedichten en vertalingen van de grootste dichters die ons land heeft gekend. Een treinreis naar Amsterdam was duurder.

*  Nijhoff, M. Verzameld werk III. Den Haag/A’dam, Daamen/Van Oorschot, 1954, p. 543.

—-

Gustan Asselbergs (1986) schrijft proza. Hij studeerde filosofie in Amsterdam. Momenteel werkt hij in een veilinghuis.

fotoportret lichter

Infinite Jest

Als Donald Trump in november toch wordt verkozen tot president, geef ik nu alvast de media de schuld.

De media hebben Trump uit puur commercieel eigenbelang op het schild gehesen. Het verband tussen het aantal nieuwsitems over Trump en zijn succes in de polls is direct en causaal: na een piek in media-aandacht stijgt hij in de peilingen. Niet andersom.

The money’s rolling in and this is fun…I’ve never seen anything like this, and this is going to be a very good year for us. Sorry. It’s a terrible thing to say. But, bring it on, Donald. Keep going,’ zei Les Moonves, de baas van CBS. Tussen juni vorig jaar en afgelopen maart kreeg Trump twee miljard dollar aan gratis publiciteit. Daar kan Hillary nooit tegenop krijsen.

Om kijkers vast te houden, moet elk nieuwsverhaal grootser en meeslepender zijn dan het vorige. De politieke thriller van 2000, waarin Al Gore in het Hooggerechtshof verloor van George W. Bush, greep de hele wereld bij de strot. 2008 was nóg spectaculairder: de verkiezing van een historische president. Dit jaar schakelen we door naar de overtreffende trap met een race to the bottom tussen twee intens gehate kandidaten waarin alles – alles – op het spel staat.

Je hoort wel eens dat Trump de Amerikaanse verkiezingen omlaag heeft getrokken naar het niveau van een reality show, maar het is nog veel erger. Het is Infinite Jest.* We kunnen niet meer wegkijken, de Amerikanen en ik. We willen zien hoe ver dit gaat en dus gaan we tot het uiterste.

Het wordt banaal, smerig en bloedspannend.

____________________

* Naar het veelbesproken boek van David Foster Wallace. De titel verwijst naar een mysterieuze film, gemaakt door de vader van de hoofdpersoon, die de kijkers zó in zijn greep houdt, dat ze gebiologeerd naar het scherm blijven staren en uiteindelijk verhongeren. De inhoud van de film is onbekend.

Arjen van Lith is freelance journalist, parttime activist en schrijver. Hij debuteerde bij De Harmonie met de verhalenbundel Mijn Snor. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin (Texas), waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

 

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Notities

* In het Russisch kun je schrijven zonder werkwoorden. ‘Vandaag huis in hoek’, of  ‘Gesprek bloemen’ (Paustovski, Goudzand), dat schijnt genoeg te zijn om je duidelijk te maken. Naamvallen lossen een boel op. Behalve bij juridische teksten, dan blijkt ineens dat het wel degelijk uitmaakt of iemand ‘vandaag het huis op hoek van de straat’ of juist ‘vandaag op de hoek een huis’ heeft gekocht. Vergelijk zulke onbepaaldheid maar eens met een zeer exacte taal als het Duits. Als er iets van een volksaard wordt gereflecteerd in taal, wat zegt het Russisch dan over Russen? En onze taal over ons?

* Homomonument, 4 mei, 20.00 uur. Echt huilen doe ik zelden, en ik zou me er wel voor willen verontschuldigen dat ik het nu wel doe, in plaats van op die andere momenten dat het ertoe doet. Nou goed, het is maar een enkele traan. Naast me staat iemand die zichtbaar niets heeft met een openbare dodenherdenking met thema. ‘Ik dacht nog,’ zegt hij later, ‘dat het misschien de hooikoorts was.’

* Het toneelstuk Leedvermaak van Judith Herzberg werd gelezen in Frascati. Halverwege onderbrak een van de spelers het stuk met een nieuwe, voor de gelegenheid geschreven monoloog van haar hand. Het publiek moest daarin mee doen aan een experiment: of de linkshandigen hun hand willen opsteken. Er volgde veel en te lang gestamel over het hoe en waarom, maar uiteindelijk kwam er het erop neer dat er voor hen, waaronder mjn vriend, na het eind van de voorstelling ‘vervoersmiddelen’ stonden te wachten. Hun werd vriendelijk verzocht de zaal via de linkeruitgang te verlaten.

* Mijn telefoon was ik kwijt, zo kon ik woensdagochtend vaststellen. Die middag vervoegde ik mij bij het loket Gevonden Voorwerpen, een magische ruimte waar op grote platen per week de gevonden sleutelbossen hangen. Ik vraag me daar steevast af hoe makkelijk het moet zijn om daar zomaar iemands sleutels mee te kunnen nemen. Maar als ik daar ben kom ik natuurlijk niet voor een sociaal experiment.Men zegt dat ik volgende week – niet eerder – terug moet komen met een of andere code van het toestel – die ik niet heb. Thuis, in het halve huis, verwijder ik op afstand alle belangrijke app’jes. Wanneer ik de laatste heb gehad zie ik onder de stoel aan het bureau het schermpje knipperen. Dank u Murphy, wet van.

* Shrrrrrriiiiiiiiiiieeeeuuuwk! zegt de standaard van mijn fiets als ik hem wegzet.
‘Zo klink ik nou ook as ik ‘s ochtends uit m’n bed kom,’ begint een man die uit de winkel komt.
‘Oh, u moet ook doorgesmeerd?’
‘En de buren, ze klagen allemaal, dat ik ze ‘s nachts uit hun slaap houd met mijn geronk, en dan dit.’
‘Het zit ook niet mee.’
‘Nee, maar dat is standaard.’

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij wekelijks voor tirade.nu. Hij ziet er overigens anders uit dan hij eruitziet.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Herinneren – de oorlog in Shanghai

Een van de wonderlijkste hotels waarin ik ooit sliep, bevindt zich in Shanghai nabij  The Bund, net achter de brug als je naar het noorden reed. Het was een oud gebouw, met de grandeur van handelsstad Shanghai in de jaren 30, althans hoe ik me die voorstel. Elke ochtend heb ik een herinnering aan Shanghai, omdat het Loydgebouw op de hoek van de Martelaarsgracht en de Prins Hendrikkade waar ik langsfiets op weg naar de uitgeverij – en waarnaar ik  standaard even 40 seconden kan staren als de timer op het verkeerslicht terugtikt – zo lijkt op een gebouw op The Bund.

Hiernaast ziet u het. Dat wil zeggen, dat op The Bund. Het Nederlandse gebouw is van 1917, toen de havenstad Amsterdam net niet meer,  zoals Shanghai een open waterfront had.   Het hotel met de interbellum feel had van grote kantoorruimten dormitories gemaakt. Ik liep dus met een handdoekje om de heupen over honderden meters lege, gladgeboende notenhoutenvloeren die overliepen in dito lambriseringen naar een groot douchevertrek voor heren waar de stoom uitkwam blazen. Geboend en gestoomd liep je dan op blote voeten weer honderden meters terug te genieten van de lambrisering en de lucht van boenwas. Tempo Doeloe.  Interbellumpje spelen in laat-communistisch China, 1996. images

Nu lees ik voor het eerst J.G. Ballards Empire of the Sun, wat een wonderschoon boek! De hoofdpersoon, het jongetje  Jim woont in Shanghai in 1942 en hij gaat heel veel meemaken, maar nu rijdt hij nog met chauffeur naar feestjes van andere expats, met zijn speelgoedvliegtuig in de hand. Hij ‘leest’ aan volwassenen wat je aan ze hebt, en of ze je plezier zullen vergallen. De omschrijving van de verschillende bevolkingsgroepen en de wereld, koelies, chinese hoeren, Japanse soldaten, vanuit het jongensperspectief zijn geweldig goed gedaan.

200px-EmpireOfTheSun(1stEd)Op een kwade dag als Jim met zijn ouders aan de Bund in een hotel verblijft na zo’n feestje, kijkt Jim uit het raam en ziet bevreemdende bewegingen op verschillende schepen in het water. De oorlog begint.

Jim kijkt vanaf de Bund naar het water en naar de ander kant van de Huangpu rivier die uitmondt in de Yangtze. Het is de blik die in Ruben Terlou’s eerste aflevering van het fraaie  ‘Langs de oevers van de Yangtze’ al zo verbijsterend anders is dan mijn zelfde blik in 1996, toen aan de overzijde aan hoogbouw nog weinig meer dan de radiotoren was. In 1996 was Shanghai drukker dan de rest van China herinner ik me, anders, rijker ook, hipper. Ik herinner me de verbazingwekkende arrogantie van hippe jonge Chinezen, die dwars door je heen keken. Ik paste niet in hun wereldbeeld.  Ik nam de eerste vormen van Chinese obesitas waar, in een MacDonalds waarin ‘Children’s Day’ gevierd werd, al die jengelende enigkinderen, een gevolg van die bevolkingspolitiek die nu een angstaanjagende hoeveelheid verveelde en verwende nieuwe miljonairs moet hebben opgeleverd die ik misschien ‘s ochtends op dat stukje Prins Hendrikkade bijna aanrijd.

We tuimelen terug in de tijd met deze herinnering, aangewakkerd door het kampboek van Ballard. We tuimelen nog miraculeuzer de tijd in als ik de naam op het schutblad goed interpreteer.

Rob NieuwenhuijsMijn exemplaar is in bezit geweest van Rob Nieuwenhuis die in het boek vast gezocht heeft naar vergelijking met zijn eigen kampervaring onder de Japanse bezetter.

Elke dag is er een van herinnering, literatuur gaat over weinig anders.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Een boek schrijven

Nadim is vier. Vanochtend riep hij me bij zich met de stem die hij reserveert voor gewichtige mededelingen. Ik trof hem op de keukenvloer, met aan zijn knieën het letterbord dat hij van zijn oma gekregen heeft.

‘Papa,’ zei hij. ‘Ik schrijf een boek.’

Ik keek over zijn schouder en las mee: Nabim en mama en papa Gls e Ootis ij Joroos. Joris is de poes, Otis onze hond.

‘Dat is knap, man,’ zei ik. ‘Dat heb je mooi geschreven.’

Hij keek omhoog. Nu was zijn gezichtje ondersteboven. De mond bovenaan glimlachte, maar zijn blauwe ogen liepen over van ernst. ‘Ja. En ik ben héél hard aan het werk.’

De laatste tijd gebeurt het te vaak dat hij me een spiegel voorhoudt. Wanneer hij boos is zegt hij: ‘Ik wil er niets meer over horen’ of ‘Hierop zit ik echt niet te wachten. Ik moet nog duizend dingen doen.’

Gisterenavond, toen ik hem naar bed bracht, somde hij op wat hij die dag allemaal had gedaan. Daarna zei hij: ‘Ik heb het ook zó druk gehad.’

Misschien komt er nog een dag waarop ik inzie dat er dingen mis kunnen gaan in de opvoeding van een kind die buiten je macht als ouder liggen, maar vooralsnog ben ik er van overtuigd dat wat zijn moeder en ik aanbieden alles is. Dat zijn hele wereld bestaat uit wat wij hem bewust of onbewust laten zien.

Iemand opvoeden is voortdurend falen. Het is spijt hebben terwijl je geniet en boos worden op degene waarvan je het meest houdt; het is één grote onontwarbare emotionele teringbende, en net als je denkt dat alles goed gaat, merk je hoeveel hij stiekem van je over aan het nemen is.

Trekjes die ik hoopte te verbergen. Die geaffecteerde opgetrokken wenkbrauw. De manier waarop ik bezwaren wegwuif, niet luister. De arrogantie die ik altijd heb ontkend. De stukken zelf waar ik het minst van houd.

En ik wil zeggen: laat die dingen. Neem alleen het goede van me over, dat er vast ook ergens is. Neem de dingen die je verder helpen, waarmee je vrienden, warmte, liefde maakt voor later, als ik er niet meer ben.

Vergeef me alsjeblieft mijn ongeduld. Mijn vreselijke stomme haast.

En wat je ook doet, liefste jongen: schrijf dat boek. Schrijf het precies zoals je het wilt hebben, zoals het zich aandient. Werk eraan tot elk woord waar is en alleen van jou had kunnen komen.

_________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Dit najaar komt zijn roman Het jasje van Luis Martín uit.

 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Bijbels

Een oude man kwam twee achttiende-eeuwse bijbels brengen. Ze zaten in een plastic tasje.

‘Bijbels doen het erg slecht,’ zei de veilingmeester. ‘Zitten er platen in?’

De man schrok. Hij had zijn jas nog aan, stond ietwat gebogen. Zijn vrouw zat thuis op hem te wachten.

De veilingmeester schoof een stapel papier aan de kant zodat er wat ruimte ontstond op tafel. Eerst bekeek hij de leren band, zwart en met goud versierd. Hij bladerde door het dikke boek, rook aan het papier en voelde er met zijn vingers aan. Hetzelfde deed hij met het andere boek, dat iets kleiner was.

‘Heeft u een moment? Dan kijk ik even op de computer.’

De man liet zijn blik door de ruimte gaan. Overal lagen boeken. Op de grond, op stoelen, op tafels, in kasten, in verhuisdozen. Een zee van boeken. Ze hadden hem gezegd dat hij hiernaartoe moest. Als je oude boeken hebt, moet je naar dat veilinghuis in Haarlem. Ik heb er maar twee, had hij geantwoord. Hij had ze zijn hele leven bewaard. Ooit geërfd van zijn grootvader die predikant was in Zeeland.

‘Ik ben bang dat de bijbels te weinig waard zijn. In de handel wordt er zestig euro voor geboden. Dat is eigenlijk te weinig voor een inbreng. U kunt ze misschien online zetten?’

De man keek op.

’Online?’

‘Ja.’

De veilingmeester deed de boeken terug in het plastic tasje.

‘Ik ben met de trein,’ zei de man.

De veilingmeester knikte begripvol.

Gustan Asselbergs (1986) schrijft proza. Hij studeerde filosofie in Amsterdam. Momenteel werkt hij in een veilinghuis.

fotoportret lichter