Jezelf denken denken

De marathonvoorstelling van de Leedvermaaktrilogie van Judith Herzberg door Het Nationale Theater had vanaf het begin alles mee. Regisseur Erik de Vroedt kwam vertellen wat er allemaal mis was gegaan en dat ook nog een grote rol was uitgevallen: Jaap Spijkers was ziek en een ‘moedige, knappe jonge Indo met tekstboek’ de regie-assistent, zou zijn rol waarnemen.

Ik zag het verfremdungseffect van Bertolt Brecht bewaarheid worden: als je meteen het publiek de wegdroommogelijkheid ontneemt (man met script toont het kunstmatige) komt alles harder binnen. Het was het begin van een transparante avond. Transparant om vele redenen. Omdat het stuk in de uitvoering dat zelf is: anders dan bij de klassieke drama’s waar een bode komt vertellen wat er op het strijdtoneel gebeurd is, geschiedt hier alles in de marge. De geniale vondst van Herzberg in haar Leedvermaak is dat het zich in zijn geheel afspeelt in een bijruimte bij een huwelijksfeest. Waar iedereen even uitpuft die niet aan het feesten is. Zo krijg je alle zijlijnen mee, niet het hoofdverhaal, lijkt het, maar daarmee juist wel wat echt van belang is. Transparant ook omdat de auteur in de zaal zat. In Rijgdraad zit een tekst als ‘wat gek eigenlijk, je kunt je zelf zien zien, maar niet denken denken.’ En dat is wat we ergens waarnamen, we zagen Herzberg denken denken. Onafwendbaar verdubbelt zich een bij vlagen autobiografisch stuk in het hoofd van de kijkende auteur. We zagen niet alleen de geschiedenis van oorlog en verwerking, die van Lea (schitterende rol van Tamar van den Dop), maar ook de waarneming en het tot tekst maken daarvan, van Herzberg. En verder nog. Ter verhoging van de diepte van dit alles zaten er acteurs in de zaal die het stuk vroeger speelden, ook acteurs die de verfilmingen speelden. En de moeder van een van de actrices zat in de zaal ongetwijfeld door haar eigen terug-in-de-tijd-telescoop te kijken.

Een familiegeschiedenis over decennia naoorlogs trauma werd uitgespeeld in een omgeving waarin zich zoveel betrokkenen over decennia hadden opgehoopt, dat het hele theater leek te gaan over hoe families zich met van alles opzadelen, over hoe je het juiste niet kunt zeggen en voelen, over van wie de oorlog eigenlijk is en van wie juist liever niet. We keken door een uitvoering in 2022 naar een uitvoering in 1972, naar het schrijven van de tekst, naar het voelen ervan, naar de naoorlogse tijd tenslotte de oorlog in en tot daarvoor. De geschiedenis was doorzichtig gemaakt.

1945

Wij kregen helden op de thee
ze zaten samen op de canapé
ze hadden helemaal geen
conversatie, ik keek en keek
tot ze verlegen waren
ze wisten zich geen raad
met zo een vrede.

(uit: 100% Hopla’s, Judith Herzberg, Uitgeverij De Harmonie)


Een zaal vol zat zich geen raad te weten met zo een vrede.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De weg naar huis

Naast alleswinkel Rief op de Marnixstraat, waar ik vaak boodschappen doe als ik de kinderen van school gehaald heb, voert een straatje naar de kade, en aan het einde van dat straatje staat een jonge magnolia.

Op de meeste dagen van het jaar komen Nadim, Ada en ik daarlangs zonder de donkere stam en takken echt waar te nemen, maar de afgelopen week stond de magnolia in bloei, en dus stopten we steeds even om te kijken naar de bloemen, die me altijd aan suikerwerk doen denken, aan kwarktaart. Aan kaarsen, als de knoppen nog gesloten zijn.

Omdat ik halverwege een nieuwe roman ben denk ik veel na over welke beelden nou in zo’n boek terechtkomen en welke niet. De stad die ik wil opvoeren bestaat niet echt, is een samentrekking van plekken waar ik ooit was; dus ben ik vrij om beelden op te diepen uit mijn geheugen, een heel decor te bouwen waarin alles op de ideale plek staat.

Beelden die je uit de tweede hand hebt – uit boeken, van film of televisie – werken niet. Ik geloof er heilig in dat de lezer het merkt als de vertaalslag van de werkelijkheid naar fictie een tussenstap heeft ondergaan.

Onze Ada (5) kijkt als B en ik uitslapen graag naar meidentekenfilms, en hoewel ze van zichzelf een expressief meisje is, kan ik het onmiddellijk zien als ze een personage uit Winx of Super Hero Girls nadoet. Een hand op de heup, een opgetrokken schouder, een wegwerpgebaar, de manier waarop ze een pluk haar om haar vinger draait.

We assimileren allemaal voortdurend, zelfs de stugsten onder ons nemen een andere taal op in hun accent als ze ergens lang genoeg wonen. Misschien ziet gedrag er pas on-eigen uit als we het bewúst laten zien.

Met een doos gebutste tomaten in mijn fietskratje stopte ik gisterenmiddag voor de magnolia, en ik moest denken aan dat mooie beeld van Nikos Kazantzakis, over de amandelboom die in de bloesem schiet als haar gevraagd wordt om iets over god te zeggen. Kapotgeciteerd, maar wel een opvatting van god waar ik mee kan leven. Een niet te stuiten kracht, een vreugde en een vruchtbaarheid, iets waarop je zou kunnen leren vertrouwen.

Ik keek naar al die romigroze bloemen en bedacht dat alleen mensen onnatuurlijk over kunnen komen. Dieren en planten, dacht ik, zijn altijd en onwrikbaar zichzelf. Misschien is dat ook wel waarom we met aan jaloezie grenzend genot naar ze kunnen kijken.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Uitgespuugde vlieg

In navolging van Franz Kafka vind ik het interessant om kleine, wroetende knaagdieren en insecten te bestuderen. Ik volg ze op straat of in het park. Ik spreek ze aan en bewonder ze. Alles wat kruipt en knaagt en wegschiet in holen of raten.

Aan de rivier vond ik een gewonde bij en hield die lang op mijn vinger voor mijn neus. Het prachtige diertje krabbelde over mijn wijsvinger en mijn palm, de knokkels en nagels, en ondertussen ruiste de rivier en scheen de middagzon en dwaalde de rook van sigaretten van vissers over het water. Ik maakte een foto met mijn telefoon en zette de bij op Instagram. “Save the bees”, schreef ik erbij. Het regende hartjes. Rivieren, groggy bijen, zonneschijn.

Like.

De volgende morgen vond ik een stervende kakkerlak op de trap in de hal. Een joekeltje, hij bungelde van trede naar trede, rolde om en kwam niet meer overeind, spartelde, in Gregor Samsa-stijl. Ein ungeheueres Ungeziefer. Ik nam de kakkerlak op mijn vinger, en liet hem worstelen, over de knokkels, de palm, etcetera. Het was een prille ochtend, met zacht licht, en een buurvrouw had de overloop verfraaid met bloeiende geraniums. Oké, het is een hal van een appartementencomplex, maar toch, er bestaan minder fraaie plaatsen om te sterven. Ik nam een foto en plaatste de foto van de kakkerlak op Instagram, en schreef erbij “Save the cockroaches”.

In een angstaanjagende televisietoespraak riep Vladimir Poetin op tot het zuiveren van het Russische volk. Verraders en de vijfde colonne in Rusland, de Westerse agenten en infiltranten, de agent provocateurs en wat niet al – hij zou ze als vanzelf herkennen, als een “vlieg die in je mond vliegt en die je dan uitspuugt.”

Ik gedenk de kakkerlak in de hal, en de verzwakte bij, aan de oever van de rivier. Het moet een vreselijke dood zijn, die je je ergste vijanden niet toewenst. Eerst vlieg je in de mond van Vladimir Poetin, misschien vermaalt hij je nog met zijn peperdure tanden, en spuugt je uit.

Afschuwelijk.

Guido van Hengel

Guido van Hengel is historicus en schrijver van non-fictie. Hij schreef De zieners (2018) en De dagen van Gavrilo Princip (2014). In 2021 verscheen bij Van Oorschot Roedel. Een alternatieve geschiedenis van Joegoslavië.

Geduld

De test wees uit dat ik vooral een denker ben. Dat verbaasde me niet, ik had de vragenlijst zelf ingevuld en op deze uitkomst aangestuurd. Het was een aardigheidje van onze orthopedagoog:  de leerstijlentest van de Amerikaanse psycholoog David Kolb. Andere antwoorden hadden een dromer, een doener of een beslisser van me gemaakt. Die ben ik ook allemaal wel ten dele, maar in mijn zelfbeeld rust de ene hand op mijn knie, de andere stut mijn hoofd.

Er is ook een stilte na de storm. Ik zat achter mijn bureau en staarde wezenloos voor me uit. Daarnet had een moeder me aangesproken bij de deuropening. Ze had kinderen naar buiten zien vliegen, ze had flarden van hun verhalen opgevangen, ze had tien minuten op haar zoontje moeten wachten die zijn fietssleutel kwijt was. ‘Goh, zijn ze altijd zo druk? Knap hoor, dat jullie zoveel geduld hebben,’ had ze tegen me gezegd. Als compliment had het aan duidelijkheid alles te wensen over gelaten. 

Er kwam een collega bij me binnen. Ze bracht me een uitdraai van toetsresultaten en vroeg me of ik even tijd had voor de Actie voor Oekraïne. Zij was zo iemand die na schooltijd meteen doorwerkte, wat ik niet kon, maar benijdde. Ik moet altijd bijkomen, dingen verwerken, een kop koffie, ongeacht hoe de dag verlopen is. De kinderen waren vandaag inderdaad druk geweest, ik had me helemaal moeten geven, zoals dat wordt gezegd van schaatsers en wielrenners. Het was me redelijk afgegaan, maar meteen schriften nakijken, de lessen voor morgen voorbereiden en de administratieve rompslomp te lijf gaan was twee etappes na elkaar fietsen.

In geen enkel handboek van de pedagogiek heb ik iets diepzinnigs over geduld gelezen. Goed, onderwijsvernieuwer Jan Ligthart is gekomen (en gegaan) met ‘Opvoeding is een kwestie van liefde, geduld en wijsheid – en de laatste twee groeien waar de eerste heerst,’ (de tekst staat op zijn grafsteen). Psycholoog Walter Mischel heeft ons de inmiddels in twijfel getrokken inzichten uit een marshmallowtest bij kleuters aangereikt (als je de marshmallow laat liggen terwijl ik weg ben, krijg je straks een tweede). Esoterische boekjes en zelfhulpboeken over ‘wachtkracht’ vertellen dan nog dat geduld een pleister is voor alle wonden, een sleutel tot tevredenheid en een kameel waarmee je de woestijn doortrekt, maar tot een lemma in een wetenschappelijk onderzoek heeft geduld het bij mijn weten nooit geschopt. Geduld is een academische verschoppeling.

Wat is geduld precies? Is het altijd een woestijnschip? Waarom hoorde ik in het compliment van die moeder een aanmerking, of een verwijt misschien? ‘Mijn geduld is een eindige grootheid, hoor,’ had ik geriposteerd en de moeder had nog gezegd: ‘O ja?’ Het is wat ik weet over geduld, dat het op zeker moment op is. Dat de mate van mijn professionaliteit samenhangt met de controle die ik erover heb. Als ik in vorm ben weet ik precies wanneer ik geduld moet oefenen en wanneer ik korte metten moet maken. Op het verkeerde moment, dus willekeurig, onbeheerst geduld tonen of verliezen is funest. Welk type van Kolb heeft het meeste geduld? Is een denker van nature royaal bedeeld? En heeft een denker meer geduld met denkers dan met bijvoorbeeld doeners? Ludwig Wittgenstein, groot denker, die nadat hij zijn Alles verklarende Tractatus voltooid had als onderwijzer aan de slag ging, slóeg zijn leerlingen als zij niet aan zijn hoge verwachtingen voldeden. Wat moet een denker denken om geduld te kunnen doseren?

Stapel schriften, kop koffie, collega naast het bureau. Een doener waarschijnlijk, net zoals de meeste van de kinderen uit mijn klas. Denkers worden moe van doeners, dat is het. Had ik me helemaal gegeven? Nee! De denker die ik ben was nauwelijks aan bod gekomen vandaag, al die doe-kinderen hadden doen van me gevraagd. Ik had een álter ego gegeven, iemand die moest handelen, snel en beslist. Geen gedelibereer, maar intuïtie, gut feeling, fingerspitzengefühl. Heel moeilijk voor een denker, want terwijl de tent wordt afgebroken puzzelt hij nog geduldig op een wijze ingreep.

De collega is er bij gaan zitten. ‘Ja,’ zeg ik, ‘Oekraïne.’

Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

Halfvier

Een minuut voordat hij af zou gaan, zette ik de wekker uit en onttrok me aan de zwaartekracht van een diep slapende B. Ik douchte met gesloten ogen, opende ze pas weer toen het tijd werd om me af te drogen.

Ik trok de kleren aan die ik op de badrand had klaargelegd, poetste mijn tanden en ging naar de keuken om thee te zetten voor mijn thermoskan. Zoals elke keer dacht ik daarbij Ik ben een man geworden die thee in een thermoskan meeneemt. Ik bleef dat in een soort van loopje denken tot het tijd werd om Otis de Hond te wekken – echte gedachten heb ik zo vroeg nog niet.

Zelfs Otis leek het te vroeg te vinden, maar hij stopte met brommen toen we buitenkwamen, waar een verwarde vogel vast begonnen was te fluiten. Om vier uur startte ik de auto en reed bij ons huis vandaan.

De ring was verlaten, de A4 ook. We kwamen langs de grote steden van Zuid-Holland waar iedereen nog sliep. Otis klom op de bijrijdersstoel, wat hij normaal nooit doet, en tuurde voor zich uit over de snelweg. We luisterden naar een aflevering van Nooit meer slapen en ik moest lachen toen Gerbrand vertelde dat hij had moeten lachen bij het lezen van zijn eigen Knecht, alleen.

Knecht, alleen is veel, maar niet grappig. Ik vroeg me af of dat lachen van Gerbrand misschien zelfspot was, maar het denken wilde nog niet erg. Mijn ogen voelden geschuurd aan; zelfs damp van hete thee was moeilijk te verdragen.

Ik wil graag opschrijven dat het licht werd toen we in Yerseke aankwamen, maar dat werd het nog een uur niet. Op de kade wachtte ik met Otis en Chantal de fotograaf, die ook uit Amsterdam kwam – ik geloof dat we het fijn hadden gevonden om ieder ons eigen stukje nacht te braken – op het schip. Chantal haalde haar camera’s uit de auto en legde een hintje licht aan de horizon vast toen De Oosterschelde aanmeerde.

Een halfuur later waren we compleet en konden we afvaren. Ik probeerde uit te rekenen hoeveel langer ik nog had kunnen slapen, maar ook tellen bleek nog lastig. Zwaar en oranje hees de zon zich boven het oosten uit en trok een baan over een volmaakt kalme Schelde.

Er is iets aan het zien ondergaan of opkomen van de zon wat je in lijn zet met alles wat is voorgegaan en alles wat er nog moet komen.

‘Best pijnlijk om zo’n korte nacht te maken,’ zei Chantal. Het water leek te vlammen terwijl de kapitein een trage draai inzette richting de open zee. ‘Maar het is het altijd waard.’

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Een handdruk

‘Van veel boeken die je hebt gelezen weet je na enige tijd nauwelijks meer waarover ze gingen. Andere – maar dat zijn er veel minder – hebben sporen getrokken door je bestaan. Als je ze weer eens uit de kast haalt, kun je meteen zeggen waar, wanneer en onder welke omstandigheden je ze voor het eerst las, en wat ze met je deden.’ 

Het onmiddellijke toestromen van herinneringen onderschrijft de waarachtigheid van die uitspraak. Ulysses associeer ik steevast met de keukentafel van mijn ouders. Het laatste deel van Op zoek naar de verloren tijd las ik uit in de trein, The Puttermesser Papers van Cynthia Ozick volgens mij ook. Infinite Jest zie ik mezelf nog lezen in het vliegtuig naar Kroatië, op een grasveldje in Split, in de vlucht terug, en vervolgens natuurlijk nog op een tien- of twintigtal overige locaties die blijkbaar niet hoefden te worden opgeslagen. 

De bepalende boeken nestelen zich niet alleen in je geesteswereld, maar haken zich ook vast aan de plekken die je bezocht en de hoofdstukken die je in je autobiografie onderscheidt. Het zijn in zekere zin de piketpaaltjes die je levenspad afbakenen en je, wanneer je over je schouder kijkt, kunnen vertellen hoe je bent geworden wie je bent. 

Dat is precies wat Jaap Goedegebuure (1947) doet in het zojuist verschenen Door de jaren heen lezen. Over boeken en schrijvers (2022), waaruit het bovenstaande citaat afkomstig is. In het eerste coronajaar schreef hij voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde een reeks blogs waarin hij steeds één van die beklijvende titels uit de kast trok en van toelichting voorzag. Samengebracht vormen deze stukken een (lees)autobiografie: Goedegebuure beschrijft via de literatuur zijn gereformeerde jeugd in Zeeland, vervolgt met zijn studententijd en daaropvolgende promotieonderzoek in Leiden, brengt zijn eerste stappen als literatuurcriticus en biograaf in beeld en eindigt met zijn hoogleraarschap en emeritaat – in kort bestek komt een heel leven voorbij. 

De fragmenten zijn luchtig van toon; ze hebben meer weg van informele verhalen, al dan niet boven een borrelglas of vanuit een fauteuil verteld, dan van traditionele literatuurbesprekingen. Het zijn dan ook de vele kleurrijke persoonlijke anekdotes die dit boek de moeite waard maken. Goedegebuure memoreert bijvoorbeeld hoe zijn promotor H.A. Gomperts hem als jonge dandy naar uitgever Johan Polak stuurde om enkele brieven van E. du Perron los te krijgen – een kleine geschiedenis die twee jaar geleden al enig opzien baarde en nu is voorzien van nieuw fotomateriaal. Mooi is ook een toevallige ontmoeting met Teju Cole in de jazzclub The Village Vanguard, of de saga waarin Goedegebuure als Marsman-biograaf aanklopt bij Albert Vigoleis Thelen, hem een bijzonder smeuïge confidentie ontlokt, en vervolgens de deur in zijn gezicht krijgt als hij de medeplichtige meestertypograaf Helmut Salden vraagt om wederhoor. 

Uitzonderlijk aan dit egodocument is de hoge mate van bescheidenheid die Goedegebuure aan de dag legt. Liever dan pronken met zijn eigen verdiensten besteedt hij aandacht aan de mensen die hem op zijn weg hebben bijgestaan: ‘Velen van ons hebben wel eens in een kruiwagen gezeten, voortgeduwd door een weldoener die bereid was om ons vooruit te helpen. Het lijkt me goed om je dat bewust te blijven en de persoon van wie je een opkontje hebt gekregen te eren met blijvend applaus.’ Dat resulteert in dit geval in een aantal fraaie eerbetoontjes aan leermeesters en vrienden, waartoe de schrijver naast Gomperts ook uitgevers Martin Ros en Geert van Oorschot mocht rekenen. 

Zo’n collegiale terugblik op een lange literaire carrière inspireert tot een bijpassend gebaar. Deze blog, die weer een reactie vormt op een bundeling van blogs, mag daarom beschouwd worden als een handdruk; een saluut van de ene neerlandicus, lezer en criticus aan de ander. 

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Een geestigheid

Joris Zwaverick is dertig jaar stamgast in café Bruyns, gelegen in de Jordaan.

Niet te missen. Er hangt een oude racefiets aan een ketting boven het ingangsbordje. Bij zware windstoten wiebelt het gevaarlijk heen en weer. Toch lijkt deze constructie stevig.

Joris communiceert, naar eigen zeggen, met de geestverschijningen van overleden kroegtijgers. ‘Eens een stamgast, altijd een stamgast,’ glimlacht hij.

Zijn gladgeschoren onderkin beweegt blubberig en schokkerig van links naar rechts, alsof hij voor scheidsrechter speelt tijdens een tennistoernooi. Hij lijkt de conversatie tussen de ene en de andere gesprekspartner moeilijk bij te benen. Vervelend dat ze elkaar nooit eens laten uitpraten. Hijzelf draagt gretig bij aan het geanimeerd ogende gesprek, waarbij overigens moet worden opgemerkt dat hij niet te verstaan is. Misschien spreekt het gezelschap in codetaal.

Wie voorbijloopt kan zich niet onttrekken aan een gevoel van intens medelijden. Oude man, alleen aan een tafeltje met een vol glas, pratend in zichzelf.

‘Wat loopt dat hondje leuk achter die juffrouw aan, of wat?’ mompelt hij tegen een van zijn vrienden. ‘Lief beestje, vind je niet?’

 Geen antwoord. Tenminste, vanuit het perspectief van de caféhouder gezien.

‘Beste vent,’ spreekt hij zijn gast aan. ‘Volgens mij is het nou wel mooi geweest.’

Joris Zwaverick kijkt verward om zich heen, dan begluurt hij de wijzers van de kerkklok.

‘Het wordt onze tijd,’ zegt hij met een pets op zijn knieën. ‘Kom op, ouwe jongens, de vaart erin.’ Ondersteund door de eigenaar staat hij op en drukt een gulle fooi in diens handen. ‘Tot morgen, Oscar.’

‘Beter van niet, kerel.’

‘Oh, ben je morgen dicht?’

 ‘Voor jou wel, helaas. Gefeliciflapstaart met een heus caféverbod.’

‘Mag ik hier niet meer zitten?’

‘Dat houdt een verbod zo’n beetje in, ja.’

Vertwijfeld vraagt Joris naar de duur van het verbod.

‘Voor altijd.’

‘Is dat niet wat lang?’ Joris kijkt twee tafels verder. Daar zit een groepje mensen dat, schuldbewust, ineens ophoudt met praten en wijselijk de hoofden afkeert van deze gênante scène. De eigenaar voorziet het uitzicht van commentaar: ‘Te veel klanten storen zich aan je gesprekken, en de klant is nou eenmaal koning. Begrijp je?’

‘Maar mijn vrienden…’ stamelt de oude Joris terwijl hij zijn grijze lokken naar achteren zwaait. ‘Revolver Sjors en Harry het Scheermes, mogen zij wél blijven?’  

‘Die penozematen van je hingen me bij hun leven al de keel uit,’ bromt de uitbater. ‘Blij toe dat ze twee meter onder de grond liggen op de Ooster.’  

‘Ze zullen me missen als ik er morgen niet ben.’

‘Man, sodemieter op met je gelul.’

‘Dit is ons vaste stekkie,’ roept Joris wanhopig en grijpt zijn tegenstander bij de schouder. ‘Wat nou als ze kwaad worden? Je weet wat een gevaarlijk soort humor ze hebben, om maar te zwijgen van hun extreem korte lontje.’

‘Muil houden en oprotten.’

‘Ik betaal hun biertje altijd. Ze hebben me nodig.’

De eigenaar rukt zich los. ‘Nóg een uitstekende reden om op te krassen: het verspillen van kostbaar vocht door je glas niet netjes achterover te kieperen. Weg met jou en fantoomboefjes!’  

‘Zeg dat niet te hard,’ fluistert Joris. ‘Je brengt ze op ideeën. Onthoud dat je tegen het middaguur een biertje klaarzet op dit plekkie.’ Hij klopt op het tafelblad, steekt de handen in zijn jaszakken, en vervolgt zonder verder protesteren zijn weg naar huis. ‘Denk aan het biertje,’ roept hij achteromkijkend.

‘Idioot,’ mompelt de eigenaar en tikt tegen zijn voorhoofd.

Hoe het heeft kunnen gebeuren, valt niet precies te zeggen. Feit is dat de volgende dag, toen de klok twaalf uur sloeg, boven het verlaten tafeltje bij de ingang, waar geen biertje stond, de racefiets steeds sneller bewoog. De kettingen die het vasthielden begonnen te kraken. Stukjes roest dwarrelden naar beneden. Het ijzer brak, de fiets viel. Met een oorverdovende klap kwam hij neer.

Op de eigenaar, die net de tafel afnam.

‘Doodzonde dit. Dood- en doodzonde,’ verzucht Joris Zwaverick van een afstandje. ‘Ik zei nog zo dat ‘ie aan het biertje moest denken.’

Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

Een blonde boekenjongen

Ergens in de zomer van 2017 stond ik met vrienden op straat in de Jordaan. Ik had net de barbecue aangestoken, en we maakten ons op voor een lange dag van koken en wijndrinken.

Mijn gezelschap bestond uit koks die elkaar kenden van het werken in de horeca; iedereen had ingrediënten meegenomen, een flesje of twee. We hadden onze spulletjes binnen op het aanrecht uitgestald en zouden straks samen een menu gaan improviseren.

Naast de barbecue, op het blauwe bankje dat ik voor mijn vrouw getimmerd had, lagen stapels Engelstalige boeken. Ik had ze daar neergelegd in de hoop dat passanten ze mee zouden nemen, maar niemand toonde echt interesse. Tot er een extreem frisgewassen jongeman in een wit T-shirt langsliep, met een legergroene rugzak over zijn schouders.

De man hield halt voor de bank met boeken, stapte terug, kneep in zijn onderlip en deed weer een stap naar voren.

‘Excuse me,’ zei hij in wat later een Oekraïens accent zou blijken. ‘These books, they are for sale?’

‘Absolutely not,’ zei ik. ‘They are for free.’

Hij lachte, leek me niet meteen te geloven. ‘But these are good books.’

‘I know,’ zei ik. ‘I read them.’

De jongeman ging door zijn knieën en pakte mijn oude boeken één voor één op alsof het glazen muiltjes waren, laatste kansen op het vinden van een verloren prinses. Hij liet de ruggen door zijn brandschone handen gaan en rook aan de bladzijden.

‘You are certain I can take them?’

‘Yes,’ zei ik. ‘Would you also like a glass of wine?’

Hij stelde zich voor als Andrew Kobalia uit Kyiv, en we kwamen te praten over zijn stads- en naamgenoot Andrej Koerkov, schrijver van veelal absurdistische literatuur als Death and the Penguin, Penguin lost (beide niet in het Nederlands vertaald), Picknick op het ijs en De laatste liefde van de president.

‘Zullen we hem uitnodigen?’ zei ik tegen mijn vrienden. ‘Dat is toch leuk: je bent op vakantie in een vreemde stad, wordt van straat getrokken en krijgt weet-ik-hoeveel-gangen te eten met de allerfijnste wijn erbij.’

Ze vonden het een uitstekend plan, en kort daarop zat Andrew kaarsrecht en extreem beleefd bij ons aan tafel. Hij babbelde met iedereen even geïnteresseerd en complimenteerde ons met de wijn en de gerechten, zonder daarbij al te luid of emotioneel te worden. Als ik op dat moment een huwbare dochter had gehad, dan zou Andrew aan het einde van die middag met mijn dochter, mijn zegen en een bruidsschat zijn vertrokken.

Uren gingen voorbij terwijl een bataljon aan lege flessen zich vormde onder mijn aanrecht. Al die tijd zat Andrew Kobalia rechtop, bleef zijn T-shirt vlekkeloos, en sprak hij onderhoudend met mijn vrienden. Na dessert, koffie en digestieven gaf hij iedereen een stevige, warme hand en bedankte ons voor de gezelligheid, het eten en de wijn. Mij bedankte hij nogmaals voor de boeken, die hij voorzichtig in zijn rugzak schikte.

We liepen mee de straat op om hem uit te zwaaien, en merkten dat onze nieuwe vriend totaal niet onder invloed leek.

Een paar weken daarna kreeg ik een Facebookbericht van Andrew. Of ik hem mijn laatste boek kon sturen. Hij kende een uitgever in Kyiv bij wie hij het onder de aandacht wilde brengen. Ik herinnerde me niet mijn werk met hem besproken te hebben, maar er was wel meer wat ik me niet herinnerde van die middag; mijn boek ging naar het adres dat hij me opgaf en enkele dagen later kwam Andrew bij me terug: de bal lag nu bij de uitgeverij.

Toen ik gisterenochtend wakker werd, herinnerde ik me opeens die zachtaardige Oekraïner. Ik zocht hem op via Facebook en schreef: Andrej, my friend. Jesus. How are you?

Binnen een halfuur kreeg ik antwoord: I’m good. Joined territorial defense of Kyiv. Other relatives are mostly safe. I’m planning to fight until the city is lost (which is highly unlikely) or the province is free from Russian soldiers (it can happen in the nearest weeks).

Op Instagram kwam ik een foto tegen die hij had genomen vanuit een geïmproviseerde geschuttoren. Door een smalle horizontale ruit ziet hij uit op een gebarricadeerde toegangsweg. Op de voorgrond, in de toren: de gekruiste benen van Andrew Kobalia, in smetteloze khaki legerbroek gestoken, met een automatisch wapen er dwars overheen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Woorden van de nutteloze toeschouwer (Over Louis Couperus)

Vind maar eens woorden voor deze oorlog, laverend tussen de Scylla van de platte clichés en de Charybdis van de schrille retoriek. Alleen muziek kan misschien iets verwoorden. Daarom bezoek ik een klein benefietconcert (Giro 555) in de Haagse Kunstkring met o.a. cellosuites van Bach (enz.).

Er zijn woorden: een heel erg Haagse mevrouw leest voor uit de beroemde Brieven van den Nutteloozen Toeschouwer van Louis Couperus, over het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914. Ze doet dat heel goed. Het is voordracht in de beste traditie van Couperus zelf. Eenmaal buiten spoed ik me naar de openbare bibliotheek en vind het boekje. Bruin, met een Art Nouveau-kaft. Ik bliep het langs de uitleenmachine en loop de open, vrije stad weer in.

Wat een prachtige dag! De stad ademt lente. Een staalblauwe hemel, lachende gezichten op de Grote Marktstraat, drommen mensen biggen zich de PRIMARK in en komen er, schijnbaar gelukkig, ook weer uit. Trams ratelen voorbij, chihuahuas keffen en een jonge vrouw met donkere krullen en een groene muts op loopt in een zwevende tred over het Spui naar boekhandel Van Stockum, op zoek naar letters en woorden en gedachten en scènes en ondertussen … ‘worden steden gebombardeerd, storten de reusachtige legers op elkaâr in, sneven de duizenden aan beide zijden, is de grond rood van bloed en de lucht rood van gloed … is het een ontzettende Gruwel, vol van gruwelijkheden, zóo ontzettend als nimmer de Historie nog schiep.’

Couperus, de decadente kosmopoliet, bevond zich bij het uitbreken van de oorlog in Florence en München, waar hij het nieuws van de telegrammen volgde, de internationale ‘couranten’ las, en bedwelmd raakte door tegenstrijdige en verwarrende berichtgeving. Toch moest en zou hij op de hoogte blijven, want ‘ik wil niet dat de, om mij heen ruischende, Historie, mij met een plooi van hare zware wade of een tik van haar vleugel weg veegt.’

Zo is mijn zondag niet. Voor het eerst in tijden heb ik mijn telefoon (en dus Twitter) thuis gelaten – een QR-code is niet meer nodig. Ik lees Couperus en verplaats me naar Konditorei Vienna bij Buitenhof, waar in rampjaar 1672 een woedende massa de gebroeders De Witt in stukken heeft gereten. Ik verzin het niet. Twee tafeltjes verderop zit, achter een donkere zonnebril, Paul van Vliet. Dat die nog leeft. Hij heeft Couperus vast nog gekend. En Johan en Cornelis de Witt. En de geschiedenis. Zou hij ook koortsachtig telegrammen lezen? Hij weet misschien wat Couperus wist, in 1914: ‘…zelfs vóór de Pers bestond, zullen oorlogsberichten, berichten van overwinning of nederlaag, relatief zijn geweest, een spiegeleffectje, een weêrglans-draai van de Waarheid, die hare handspiegel snel bewoog heen en weêr.’

Woorden schuren in mijn hoofd. Van Oekraïense studenten. Ze is uit Marioepol. Ze heeft geen contact met haar tante. Al twee dagen niet. Geen gehoor. Kharkiv, een andere student, in tranen, het huis van haar ouders is vernietigd. Evgenii, die ene historicus uit Odessa die ik in 2016 ontmoette op een congres in Lviv. ‘My nation is strong and united now’, schrijft hij me in een e-mail. Hij moet naar het front. Het woord is aan de oorlog.

‘Wij zijn de groote kinderen, die àltijd nog kùnnen gelooven aan de ons zoo eenvoudige, klare idealen en aan dat eéne Ideaal van Wereldvrede, het zonnezuivere, waarvan de verwerkelijking in latere eeuw onloochenbaar schijnt….als wij er over praten, schijnt het ons reeds toe, dat een immense, wimpelende, witte vaan zich ontplooien gaat over de wereld…. Helaas, het zijn alles woorden, ideeën, idealen, onmogelijkheden, fantazieën van kinderlijke droomers.’

Plotseling zie ik in mijn ooghoek Gideon van Meijeren – ja die van het Forum voor Democratie – een tafeltje zoeken. Als een dwingeland stuurt hij zijn vriendin naar een plek ten noordoosten van mijn koffie en uitzicht. Dit is een zondag in deze stad. Johan de Witt, Paul van Vliet (‘Ik ben Paul van Vliet’), en de Poetin-hamster. En ik, met het boekje van Couperus op mijn schoot, op het terras van Konditorei Vienna. Het wordt tijd om af te rekenen.

Langs de Hofvijver en het Plein loop ik naar station Centraal. Couperus, de zelfverklaarde ‘dwaler’ en ‘schoonheidszoeker’, draaide zijn rug toe naar de ‘Wereldbrand’. Dat kan ik niet, al voel ik me in deze zogenaamde ‘Stad van Vrede en Recht’, in de schaduw van het Vredespaleis uit de tijd van Couperus, ook een ‘Nuttelooze Toeschouwer’. Wat kunnen we doen? Demonstreren, inzamelen en doneren. Couperus kwam niet tot schrijven, behalve dan die brieven. ‘Ik voel mij, moreel, gevangen, hoewel dat woord misschien niet geheel mijn gemoedsstemming uitdrukt. Ik kan niet denken. Ik voel mij suf. De Oorlog drukt als een nachtmerrie, een ontzettende zwarte demon over mijn ziel…Ik doe niets dan wezenloos couranten lezen.’ De schrijver heeft geen hoop. Terloops, ja in een fatalistische terzijde, schrijft hij: ‘…er zijn ook nog Individuën, en als die zich eens allemaal vereenigden tegen deze groote Wereldkrankzinnigheid, zoû dat niet geven…? Ik vrees bijna van niets.’ Couperus vervolgt: ‘Oorlog verklaren ligt in de lucht, het is in de mode. Lezer, ik verklaar u den oorlog.’

Couperus’ woorden dansen voor mijn ogen in de tram naar huis. Woorden die resoneren met het vage geweld van een schommelende Haagse tram op de stalen rails bij de halte Wenckebachstraat. Woorden die weggetikt lijken uit het verleden en nu verloren zijn in het heden.

Even mager als zwaarmoedig zijn ze, die woorden van de nutteloze toeschouwer.

Guido van Hengel

Guido van Hengel is historicus en schrijver van non-fictie. Hij schreef De zieners (2018) en De dagen van Gavrilo Princip (2014). In 2021 verscheen bij Van Oorschot Roedel. Een alternatieve geschiedenis van Joegoslavië.

Leve de vrijheid!

Wat zou toch deze eeuw de allerergste maken?
Wellicht dat in de walm van angst, verdriet,
zij wel de zwartste zweer wist aan te raken,
Maar haar genezen kon zij niet.

In ‘t westen schijnt de aardse zon nog op de huizen,
zodat de daken in haar licht te glanzen staan.
Hier zet de witte dood op alle deuren kruizen
en roept de kraaien, en de kraaien vliegen aan.

Dit zou heel goed een gedicht kunnen zijn dat geschreven is in maart 2022 in Charkov door een Oekraïnse. Maar het werd geschreven in 1919 door een Russische. Leven onder een oorlog die je wordt aangedaan door mannen die de macht naar zich toe trokken, geen tegenspraak dulden en ook alle kritiek in eigen gelederen elimineren, het is helaas geen uniek Oekraïense ervaring. Anna Achmatova, Russin, in Odessa (Oekraïne) geboren, schreef er ten hemelschreiend mooie poëzie over, hier in vertaling van Margriet Berg en Marja Wiebes.

Hoe bijziend ben je als je Russen wilt cancelen die precies dat meemaakten wat de Oekraïners nu te verstouwen krijgen? Niet het Russisch is het probleem, noch het Russisch volk en al zeker niet de dichters, schrijvers en componisten en andere kunstenaars. Maar de man Poetin is het probleem. Poetin die – zoals Navalny al zei – de geschiedenis in zal gaan in associatie met ‘de onderbroek van Navalny’, niet in associatie van een ‘herwonnen imperium’. Wat Tsar-struck Poetin nog denkt te kunnen bereiken is maar de vraag. Hij zoekt zijn historische voorbeelden bij de tsaren die gebiedsuitbreiding realiseerden. Maar Vladimir is een beperkte geschiedenisleerling: want wie alle tegenspraak elimineert zal uiteindelijk nooit winnen. Die eindigt in een put. Daar hoef je de geschiedenis maar op na te slaan.

Als we toch in algemeenheden denken dan zouden we de mannen moet aanwijzen als de schuldigen van een zinloze en brute oorlog. Zoals Virginia Woolf schrijft in Three Guineas – haar lucide geformuleerde studie naar oorlogvoering – ‘Scarcely a human being in the course of history has fallen to a woman’s rifle.’ En verder: ‘Obviously there is for you some glory , some necessity, some satisfaction in fighting which we have never felt or enjoyed.’

Of mannen? Poetin lijkt een bange bolle boze boomer meer dan een krijgsheer. Ergens blijft het onbegrijpelijk dat een geest zo op kan raken dat hij gelijk denkt te hebben door iedereen die anders denkt het zwijgen op te leggen. Daarin is hij een moderne Stalin.

Ik heb gezichten langzaam zien vervallen,
gezien hoe angst vanonder wimpers kijkt,
ik heb gezien hoe lijden op de wangen
iets kerft dat op ruw spijkerschrift gelijkt.
[…]
Ik bid niet louter voor mijzelf dit uur
maar ook voor wie zich daar met mij bevonden,
voor hen die bij die rode blinde muur
in barre kou en juli-hitte stonden.

Anna Achmatova

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Levensvatbaar

Na het overlijden van kater Joris, die zestien jaar heeft meegedraaid in ons gezin, vond ik het wel genoeg geweest. Er waren nog twee vissen en een hond over, en de kotsplekken op het kleed en de houten vloer konden me gestolen worden, net als de haren overal, de kaklucht rond de kattenbak en het peperdure voer tegen die blaasgruis-issues.

Joris was een schat van een beest, maar dat is Otis de Hond ook, en daar moeten we tegenwoordig ook al een babysit voor regelen als we van huis gaan, anders zit hij vanaf minuut drie amechtig te keffen achter de deur.

De diepe rouw waarin Nadim (10) zich zeker vijf minuten had ondergedompeld, verdween als een angoratrui onder los kattenhaar toen hij op het internet de ragdoll ontdekte, een raspoes waarvan het skelet schijnbaar verweekt op het moment dat je zo’n beest oppakt. De poes kun je vervolgens als een stolaatje om je nek draperen.

‘Kijk mam,’ zei hij. ‘Vind je deze kittens niet super cute?’

Dat waren ze, zei B. Maar het was nog te vroeg om na te denken over nieuwe katten.

‘Het kan ook zijn,’ voegde ik toe, ‘dat er helemaal geen kat meer komt.’

B trok haar wenkbrauwen naar me op en kantelde haar hoofd. ‘Een huis zonder dieren is geen echt huis,’ zei ze. Wat ook weer waar was. Maar we hadden die ouwe Otis toch nog? En de vissen?

‘Áls er weer een kat komt, dan zeker geen twee,’ zei ik. ‘En helemáál geen raskat. Wat kosten die beesten?’

Nadim liet me een prijslijst van een fokker zien, en de temperatuur in de kamer leek twaalf graden te dalen.

‘Crimineel,’ zei ik. ‘Later blijken ze dan ook nog genetische afwijkingen te hebben, omdat ze helemaal zijn doorgefokt.’

‘We praten er in de zomer over,’ zei B tegen Nadim. En tegen mij: ‘Toch?’

Ik kruiste mijn armen en tuurde voor me uit. Het laatste woord had ik hier wel over gezegd, leek me.

Acht dagen later stond ik in Purmerend twee ragdollkittens aan te betalen. Ik rekende uit hoeveel die beesten per ons zouden kosten, en werd een beetje draaierig. Geen wonder dat niemand in het westen nog kattenvlees at.

Op een zondag twee maanden later haalden we de zusjes in een knetternieuwe draagdoos op, en namen ze mee naar huis. In de woonkamer lieten we de kittens los te midden van een hele hoop impulsaankopen die B bij een online dierenspeciaalzaak had gedaan.

Hoewel de natuurlijke reactie van elk dier in zo’n vreemde omgeving zou zijn om onder de bank te vluchten en daar een paar dagen te blijven tot duidelijk is dat er écht geen groot gevaar dreigt, sprongen deze twee mafklappers onmiddellijk met enthousiasme op alle verenballetjes en rolspiraaltjes, en speelden verstoppertje in een soort rups met gaten. Ergens in de afgelopen jaren leek het de branche te zijn gelukt om elke natuurlijke angstreactie uit dit ras vandaan te fokken.

‘Dit is toch niet normaal?’ zei ik.

‘Zo zijn ragdolls,’ antwoordde Nadim, die zich inmiddels extreem goed had ingelezen. ‘Ze willen altijd bij mensen zijn en spelen en ze zijn dol op knuffelen en chillen. Van knuffelen en chillen krijg je oxytocine.’

Later die dag kwam er eentje kijken terwijl de kinderen in bad zaten, en gleed daarbij het water in. Omdat het bad niet erg vol was, stak haar kopje nog boven het sop uit. Ze bleef niet alleen kalm, maar deed ook geen enkele moeite om uit het water te komen. Ik begreep dat deze kittens onder natuurlijke omstandigheden niet levensvatbaar zouden zijn.

Op maandag, bij het tikken van mijn eerste woorden van de ochtend, werd er simultaan in mijn linker, -en rechterbroekspijp geklommen. Een paar tellen later barstte een hevig spinnen los op mijn schoot, wat de mafklappers een paar uur volhielden, tot ik opstond om naar de wc te gaan. Toen ik terugkwam lagen ze op mijn toetsenbord. Er ging toch wel iets van die beesten uit.

Het leek na die paar uur alleen met de kittens moeilijker me druk te maken over dingen, ook als het dingen waren die de kittens zelf deden, zoals op ons bed piesen, hun nagels scherpen aan de bank, het voer van Otis eten en weer uitkotsen, en klimmen in de dure zonwering.

Ik plukte Mus en Mary uit de Luxaflex en nam ze terug op schoot. Onmiddellijk startte het gespin weer op. Boven het daklicht spande een helderblauwe hemel, en een ondefinieerbare hoeveelheid tijd verstreek terwijl ik dat blauw in staarde, achteroverhangend in mijn stoel. Ik rekte me uit. Gaapte. Besefte dat ik voor hoe lang het ook geduurd had niet aan de oorlog in Oekraïne had gedacht.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Nyctofobie

Kleine Vladimir, waar ben je toch zo bang voor?
Met je kille blik heb je jezelf al zoveel nachten
opnieuw ondervraagd, sinds je kleutertijd
steeds hetzelfde patroon: niemand te vertrouwen,

de nachtelijke haas niet, je kapotgetrapte speelgoed,
de grotere jongens die je tegen de kleine opzette niet,
vader, docenten, superieuren, dat emotieloze gezicht
in de spiegel niet. De mensen in je land,

proostende vrienden die je teveel nodig hebben
om vriend te kunnen zijn – waarom moet jij toch altijd
alles alleen opknappen in je donkere bunker

terwijl anderen de lente op hun gezicht voelen?
Jij kunt er toch ook niets aan doen dat het zo begonnen is,
zo volkomen volgens angstig plan zal eindigen?

Hanz Mirck

Hanz Mirck (1970) schrijft al ruim dertig jaar poëzie. Zijn debuut Het geluk weet niets van mij (2002) werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en zijn tweede bundel werd bekroond met de J.C. Bloemprijs. Mirck was ook redacteur van literair tijdschrift Parmentier en voor diverse uitgeverijen. Hij vertaalde toneel en poëzie, schreef gedichten voor kinderen, een roman (Het godsgeschenk) en was stadsdichter van Zutphen en daarna van Apeldoorn.

Arend Jan Heerma van Voss 1942-2022

‘Is er een apart hoekje voor ex-schrijvers, dat zou wel helpen?’ schreef Arend Jan Heerma van Voss me na een uitnodiging voor een schrijversborrel bij Van Oorschot. Arend Jan meende dat je voor een uitnodiging voor een diner of borrel liefst recent of heel veel boeken had moeten schrijven, voor ons was dat ene meer dan voldoende. Want wat een boek! De ‘retro-reportage’ zoals hij het noemde met de titel Dokie. Een familiebericht is een voorbeeldige familiegeschiedenis, memoires ook zoals we graag meer zouden uitgeven. Ook van Arend Jan, we hebben er dikwijls naar gevraagd. ‘De kale feiten werden wel gekend, maar die konden lang onopgetuigd blijven; als de betekenis ervan eindelijk doordringt, is meestal goed te begrijpen waarom dat zo lang moest duren’ analyseert de gewezen hoofdredacteur van het Maandblad voor geestelijke volksgezondheid, de zaak zelf maar even voor ons.

Dokie vertelt het verhaal van zijn in de oorlog gestorven zusje, ze werd aangereden door een motor. Lang was ze afwezig in zijn leven en dat van de familie, Dokie was iemand over wie nadrukkelijk gezwegen werd. Volgens het procedé van de ‘associatieve logica’ ontsluiert de auteur de schrijnende geschiedenis. Maar in de 100 geserreerde paragrafen die hij daarvoor maar nodig had ontwaren we ook zijn leven, en zijn fascinaties. Het is een boek dat je kunt blijven lezen, in een stijl die is zoals de auteur was: precies, geestig, bescheiden, intelligent en volstrekt origineel.

Het portret hiernaast door Stefan Heijendael is mooi en typerend. De altijd aanwezige tas, de blik waarin een zekere afzijdige melancholie en ironie om voorrang strijden.

Dokie staat ook vol muziek, Elmore James bijvoorbeeld, ‘de ideale man om de aversie tegen alles wat “grof, ruw en lawaaierig’ is in de naoorlogse blues aan te wakkeren’, zoals HvV schreef in Jazzwereld 10, 1967. De overeenkomst tussen dit type musicus en HvV is dat in een gestileerd en gentlemen like voorkomen een zekere paniek schuil kan gaan die een uitweg zoekt. Deze muziek ‘moet zeer hard gedraaid worden, en alle buren vluchten.’ Dan ontstaat ‘een zekere ontspanning: eindelijk werd hij de buitenstaander van zijn eigen bestaan.’

Hieronder James prachtige uitvoering van ‘But when things go wrong, go wrong with you, it hurts me too.’

Wat evengoed een motto van Dokie had kunnen zijn.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijdorp

Het regende op die nieuwe manier waarover ik vorige week al schreef, maar omdat ik in de auto zat hoefde ik er veel minder van te vloeken. Bonus was Nadim (10) voorin naast me, die zich als een malle verheugde op Blijdorp.

Het bleek een stief uurtje rijden, maar we hadden de radio aan en dankzij Nadim zit ik tegenwoordig goed in mijn Nederlandse repertoire. Suzan en Freek kwamen voorbij, Snelle, Maan en Brace met een nummer dat ooit gezongen werd door Marco Borsato.

Ik lees een boek en kijk teevee, zongen we, en ik vroeg me af hoe het met Marco zou zijn. Regende het ook, waar hij nu was? Zou hij met zijn handen in zijn zakken staren naar de druppels die over het glas van zijn schuifpui liepen? Marco leek me een man die zijn handen graag in zijn zakken had. Toen die nog gangbaar waren had hij ongetwijfeld altijd muntjes in zijn broekzak, die hij met rustgevende wrijving tussen zijn vingers door liet lopen. Misschien miste hij die muntjes nu.

Had een bepaald soort BN-man vaak kleine handen met relatief dikke vingers? Ik voelde me geen expert, maar voelde wél dat het klopte, en daar kwam je tegenwoordig een heel eind mee.

Toen we aankwamen bij de diergaarde – blijkbaar Rotterdams voor dierentuin – bleven we nog een tijdje in de auto zitten. Hoewel het parkeerterrein bijna verlaten was en ik dichtbij de ingang kon parkeren, was ik er zeker van dat we tijdens die korte wandeling zouden verdrinken.

‘Even wachten,’ zei ik tegen Nadim. ‘Er zit niet meer lucht tussen die regen dan je normaal gesproken onder water tegenkomt.’

‘Maar we zijn er echt vlakbij.’ Hij deed zijn riem af en plukte aan de hendel van de deur. ‘Straks komen we te laat voor ons tijdslot.’

Ik lachte, zei dat niemand daar nu moeilijk over zou doen. Toen de regen een tikkie afnam, stapten we uit en meldden ons bij de kaartverkoop. Er stond meer personeel dan bezoekers, en een heel snel pratende studente met badge en klembord vroeg om een bijdrage voor Blijdorp in de vorm van het aannemen van een gratis loterijticket waarbij ik dan meteen vouchers kreeg die twintig euro waard waren in het park en waarvoor ik een abonnement waartoe ik niet verplicht was te allen tijde kon opzeggen. Ik herinnerde me hoe lang ik had moeten zeuren om uit een soortgelijke deal met Artis te worden bevrijd en zei dat ik haar niet verstond – wat ten dele waar was. We mochten doorlopen.

Het aquarium was groot en binnen, dus het begon goed. In geen enkel buitenhok was echter een dier te zien, met uitzondering van de ijsbeer, die bruin was door de opgespatte modder, en zich met een ontheemde blik oprichtte toen we langsliepen. Hij volgde ons een tijdje, brieste en waggelde weer naar de andere kant van zijn areaaltje.

Bij het zien van elke horecagelegenheid zeurde Nadim om zoetigheid, maar de rustplekken voor mensen leken vandaag gesloten. Ik hijgde even uit van de ellende tegen een raam onder een afdakje, en kreeg pas na minuten door dat er aan de andere kant van het glas een leeuwin zat, die met de blik van een verguisde volkszanger over het betonnen plaatsje staarde.

Ik probeerde haar aandacht te trekken, maar ze leek iets heel anders te zien dan meters matig onderhouden Rotterdam-Noord. Het zou maar vreemd zijn als leeuwen zakken hadden, dacht ik, laat staan muntjes. Op haar plek bij de ruit en haar droeve blik na liep elke verdere vergelijking met Marco Borsato eigenlijk spaak. Behalve dan – en dit voelde als de absolute waarheid – dat alle leeuwen korte vingers hadden.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).