Blijdorp

Het regende op die nieuwe manier waarover ik vorige week al schreef, maar omdat ik in de auto zat hoefde ik er veel minder van te vloeken. Bonus was Nadim (10) voorin naast me, die zich als een malle verheugde op Blijdorp.

Het bleek een stief uurtje rijden, maar we hadden de radio aan en dankzij Nadim zit ik tegenwoordig goed in mijn Nederlandse repertoire. Suzan en Freek kwamen voorbij, Snelle, Maan en Brace met een nummer dat ooit gezongen werd door Marco Borsato.

Ik lees een boek en kijk teevee, zongen we, en ik vroeg me af hoe het met Marco zou zijn. Regende het ook, waar hij nu was? Zou hij met zijn handen in zijn zakken staren naar de druppels die over het glas van zijn schuifpui liepen? Marco leek me een man die zijn handen graag in zijn zakken had. Toen die nog gangbaar waren had hij ongetwijfeld altijd muntjes in zijn broekzak, die hij met rustgevende wrijving tussen zijn vingers door liet lopen. Misschien miste hij die muntjes nu.

Had een bepaald soort BN-man vaak kleine handen met relatief dikke vingers? Ik voelde me geen expert, maar voelde wél dat het klopte, en daar kwam je tegenwoordig een heel eind mee.

Toen we aankwamen bij de diergaarde – blijkbaar Rotterdams voor dierentuin – bleven we nog een tijdje in de auto zitten. Hoewel het parkeerterrein bijna verlaten was en ik dichtbij de ingang kon parkeren, was ik er zeker van dat we tijdens die korte wandeling zouden verdrinken.

‘Even wachten,’ zei ik tegen Nadim. ‘Er zit niet meer lucht tussen die regen dan je normaal gesproken onder water tegenkomt.’

‘Maar we zijn er echt vlakbij.’ Hij deed zijn riem af en plukte aan de hendel van de deur. ‘Straks komen we te laat voor ons tijdslot.’

Ik lachte, zei dat niemand daar nu moeilijk over zou doen. Toen de regen een tikkie afnam, stapten we uit en meldden ons bij de kaartverkoop. Er stond meer personeel dan bezoekers, en een heel snel pratende studente met badge en klembord vroeg om een bijdrage voor Blijdorp in de vorm van het aannemen van een gratis loterijticket waarbij ik dan meteen vouchers kreeg die twintig euro waard waren in het park en waarvoor ik een abonnement waartoe ik niet verplicht was te allen tijde kon opzeggen. Ik herinnerde me hoe lang ik had moeten zeuren om uit een soortgelijke deal met Artis te worden bevrijd en zei dat ik haar niet verstond – wat ten dele waar was. We mochten doorlopen.

Het aquarium was groot en binnen, dus het begon goed. In geen enkel buitenhok was echter een dier te zien, met uitzondering van de ijsbeer, die bruin was door de opgespatte modder, en zich met een ontheemde blik oprichtte toen we langsliepen. Hij volgde ons een tijdje, brieste en waggelde weer naar de andere kant van zijn areaaltje.

Bij het zien van elke horecagelegenheid zeurde Nadim om zoetigheid, maar de rustplekken voor mensen leken vandaag gesloten. Ik hijgde even uit van de ellende tegen een raam onder een afdakje, en kreeg pas na minuten door dat er aan de andere kant van het glas een leeuwin zat, die met de blik van een verguisde volkszanger over het betonnen plaatsje staarde.

Ik probeerde haar aandacht te trekken, maar ze leek iets heel anders te zien dan meters matig onderhouden Rotterdam-Noord. Het zou maar vreemd zijn als leeuwen zakken hadden, dacht ik, laat staan muntjes. Op haar plek bij de ruit en haar droeve blik na liep elke verdere vergelijking met Marco Borsato eigenlijk spaak. Behalve dan – en dit voelde als de absolute waarheid – dat alle leeuwen korte vingers hadden.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).