G-l-o-r-i-a

Foto bij blogje 4‘Jesus died for somebody’s sins, but not mine.’ Het is de eerste regel van het eerste nummer van het eerste album van Patti Smith. Dat weet ik alleen omdat ik haar muziek eigenlijk pas sinds kort luister; dat eerste album, Horses, staat nu al een week op repeat.

Voordat ik Horses voor het eerst luisterde, las ik Just Kids, de memoires die Patti Smith schreef over haar jeugd, haar beginjaren in New York en haar ontmoeting en verbondenheid met Robert Mapplethorpe. Beiden stevenen ze af op wereldfaam, maar weten dat zelf natuurlijk nog niet – al is de ambitie van Mapplethorpe enorm. Wat me vooral trof aan het boek was de sympathieke vertelstem van Smith, die constant vol compassie en empathie is, nergens oordeelt, en met de juiste details en anekdotes een prachtig tijdsbeeld oproept. Het legendarische Chelsea Hotel, de clubs en restaurants waar muzikanten en kunstenaars samenkomen, waar Janis Joplin met haar band aan de ene tafel zit, Jimi Hendrix aan een andere tafel zit te eten, Jefferson Airplane en Country Joe and the Fish samen in een andere hoek zitten – en daar loopt de jonge Smith, op dat moment nog zonder enig idee dat ze zelf zou gaan zingen.

Mooi is ook om te zien hoe dat idee ontstaat en groeit: eerst Jim Morrison zien optreden en denken ‘dat zou ik ook kunnen’, dan door Bobby Neuwirth aan het werk gezet worden (‘next time I see you I want a song out of you’), en tot slot voor het eerst poëzie voordragen met muzikale begeleiding. De combinatie werkt en opent nieuwe deuren: zo was die zin ‘Jesus died for somebody’s sins, but not mine’ eerst onderdeel van het gedicht ‘Oath’, voordat Smith de tekst op muziek zette – wat resulteerde in een briljante bewerking van Van Morrisons ‘Gloria’. (Lees hier over die bewerking, en luister naar het gedicht, met én zonder gitarist – en hier naar het uiteindelijke ‘Gloria’.)

Wanneer haar band in 1975 compleet is, en Smith voor het eerst in volledige bezetting het podium betreedt, valt alles op zijn plaats:

The night, as the saying goes, was a jewel in our crown. We played as one, and the pulse and pitch of the band spiraled us into another dimension. Yet with all that swirling around me, I could feel another presence as surely as the rabbit senses the hound. He was there. I suddenly understood the nature of the electric air. Bob Dylan had entered the club. This knowledge had a strange effect on me. Instead of humbled, I felt a power, perhaps his; but I also felt my own worth and the worth of my band. It seemed for me a night of initiation, where I had to become fully myself in the presence of the one I had modeled myself after.

Ik schreef eerder over Dylan, wiens ‘A Hard Rain’s a-Gonna Fall’ Smith (ook weer zo gloedvol) vertolkte voor het Nobelprijscomité, waarmee er wat kleine cirkels rond zijn. Bovendien: die albumtitel Horses doet ook erg denken aan de herhaalde paarden in de teksten van Josh Ritter (en dan heb ik het nog niet eens gehad over Willy Vlautin, frontman van de band Richmond Fontaine en geweldig schrijver, die met Lean on Pete net als Ritter een roman over een man en een paard schreef).
Na Just Kids ben ik direct begonnen in Smiths meest recente boek, M Train; maar Horses blijft nog even op repeat staan.

Irwan Droog © Floor SchrijversIrwan Droog (Den Haag, 1984) studeerde Nederlandse letterkunde en literatuurwetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij zat in de redactie van Recensieweb en Tijdschrift Ei. Voor Tirade schreef hij eerder een artikel over het werk van John Steinbeck. Van 2012 tot 2017 was hij redacteur bij Uitgeverij Cossee. Hij is medeoprichter van de J.M.A. Biesheuvelprijs, de eerste literaire prijs voor korteverhalenbundels. Sinds begin 2017 werkt hij als zelfstandig redacteur en vormgever. © foto Floor Schrijvers

BJURSTA

Geachte IKEA,

Ieder mens, waar ook ter wereld, wordt op enig moment geconfronteerd met omstandigheden die het uiterste van hem vergen, die zijn leven opdelen in een vóór en een na: oorlogen, ernstige ziekte, hongersnood, het verlies van dierbaren, of, zoals in mijn geval, het in elkaar zetten van uw BJURSTA uitschuifbare eettafel voor vier tot zes personen.

Om herhaling van trauma’s uit het verleden te voorkomen, had ik alvast de hulp ingeroepen van een bevriende ingenieur met een PhD in hardware design aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in Cambridge. U vindt zijn cv in de bijlage van deze brief. Hoewel zijn rol slechts facilitair van aard was, bleek hij van onschatbare waarde. Zijn meegebrachte gereedschap bestond onder meer uit een slijptol, MIG/MAG lasapparatuur, een lamellendeuvelfrees en niet één, maar twee betonscharen. Kortom, een veel uitgebreider assortiment dan enkel de hamer en kruiskopschroevendraaier die u in de – verder tekstloze – instructiefolder aanbeveelt. Niemand kan dus beweren dat ik me onvoorbereid in dit avontuur heb gestort.

Nadat ik beide dozen van de BJURSTA eettafel voor vier tot zes personen had opengemaakt, vroegen de bevriende ingenieur en ik ons af waarom dit bouwpakket uit maar liefst 127 verschillende onderdelen bestaat. Waarom zo absurd veel voor een blad met slechts vier poten? En wat is dat eigenlijk voor een raar oneven getal? De bevriende ingenieur, die heeft doorgeleerd voor rekenen, wist me zelfs te vertellen dat dit een priemgetal is.* Dat beangstigde me een beetje. Is het niet veel logischer dat de totale hoeveelheid componenten – zeker gezien het aantal aanschuifbare personen – deelbaar is door zes, vier, of in ieder geval twee, in plaats van alleen door zichzelf? Ontbreekt er misschien iets in het pakket? Heeft de dienstdoende assemblant aan de lopende band zitten slapen? Is dit project dus al bij voorbaat gedoemd te mislukken? Met andere woorden: wilt u mij soms kapotmaken?

Hoewel we nog niet eens waren begonnen, leek dit ons een goed moment om een korte pauze in te lassen.

Ik ben niet religieus opgevoed, maar volgens de bevriende ingenieur leert de bijbel ons dat alle lijden voortkomt uit de vraag ‘waarom ik?’ In casu: waarom zit uitgerekend ik opgescheept met een uitschuifbare priemtafel voor vier tot zes personen? Juist in dit soort gevallen van geestelijke nood kunnen oude geschriften troost en inzicht bieden. Jezus was niet voor niets de zoon van een timmerman.

U mag best weten dat ik vandaag even een traan heb moeten laten, daar schaam ik me niet voor. In het begin uit zelfmedelijden om mijn lot en twee linkerhanden, maar later, toen het werk langzaam toch leek te vorderen, huilde ik vooral van geluk en uiteindelijk zelfs van trots dat de BJURSTA ondanks alles toch nog gestalte heeft gekregen. Ik heb zelfs nog wat onderdelen over!

Daarom wil ik u langs deze weg hartelijk bedanken. Met uw uitschuifbare mysterie heeft u de klusser in mij doen ontwaken – wie had dat ooit gedacht? Volgend jaar vraag ik een accuschroefboormachine voor mijn verjaardag, met bitjes! Ik heb me in jaren niet zo mannelijk gevoeld.

Met vriendelijke groeten,

A

_________________

* 127 is niet zomaar een priemgetal, maar een Mersennepriemgetal, vernoemd naar de Franse wiskundige uit de zeventiende eeuw. Dit is een positief geheel getal dat precies één kleiner is dan een macht van twee, waarvan het exponent zelf ook weer een priemgetal is, in dit geval zeven: 127 = 27 – 1.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

 

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Notities (6)

* ‘Een echt HP printer! Zomaar op straat, jongens. In Aleppo kunnen ze wel een printer gebruiken! Aleppo! Aleppoooooooooo! Een echte, nieuw uit de doos, met bluetooth. Een echte HP D4560 met bluetooth!’ Beneden op straat stond een van de dorpsgekken van Amsterdam te kraaien dat het een aard had. ‘Ik hoor jullie niet! Een nieuwe printer, met dank aan de VVD. Zeg maar: dank je wel VVD, dat jullie deze printer gloednieuw aan de straat zetten. Is dat nou democratie? Ik zei: is dat nou democratie?! Democratie!!! Geef antwoord.’ Het was nog voor achten. Er stonden alleen wat werklui hun gereedschap uit te laden. ‘Zien jullie niet hoe oneerlijk het verdeeld is in dit land? Vrouwen werken niet, en weet je waarom? Omdat ze dat niet kunnen! Zijn er hier nog vrouwen aan het werk? Nou, je hoort het: geen antwoord.’ Een van de mannen had een kleine stormram in zijn hand, een ander een stronk van een gisteren omgewaaide boom. Buiten kon je een kanon afschieten. Ik dacht aan Richard Klinkhamer en Woensdag gehaktdag. ‘Een printer. Een printer! Mijn koninkrijk voor een printer in Aleppo!’ De man lalde nog wat verderop in de straat. Hij was nauwelijks uit het zicht verdwenen of er stopte een busje met Bulgaars kenteken. Een dame met weelderig donker haar stapte uit, opende de achterdeur en mikte de printer geroutineerd tussen haar andere gejutte spul. Ze stak haar duim op naar de bouwvakkers en reed verder.

* Pauze in het Concertgebouw. ‘Ben je al naar Moonlight geweest? Nee, dan moet je snel gaan hoor. Die film gaat onmiddellijk onder je huid zitten. Ik had dat ook een paar jaar geleden met, hoe heet die film ook alweer, Black Swan. Die ging me ook zo onder mijn huid zitten. Heel intens.’ Ik stel me voor dat de twee dames naast me hier in de buurt wonen, misschien wel getrouwd zijn met een medisch specialist of advocaat, en straks weer naar huis gaan om voor het slapen nog even de nieuwste roman van Paul Auster op te pakken. Niet om verwonderd te raken maar om erover te kunnen meepraten. Publiek van het type meteen-een-staande-ovatie-want-prachtig en kunst-niet-omdat-het-kan-maar-omdat-het-moet. Ik waak ervoor mee te lopen met zulk klapvee; geen enkele uiting van kunst/cultuur is gebaat bij een kritiekloos publiek.

* De verkiezingen zijn op 15 maart. Ik kan die datum niet loszien van een van de beroemdste gebeurtenissen uit de geschiedenis. Het is dan, op de Idus van maart, op de kop af 2061 jaar geleden dat Julius Caesar werd vermoord in de Romeinse senaat. Hij viel ten prooi aan een omvangrijke samenzwering. Wie er bij deze verkiezingen wordt geofferd, valt nog te bezien. Wie weet heeft een van de partijen nog een venuftig plan om Geert de pas af te snijden. Anders is het tijdperk-Rutte ten einde, en het principaat aanstaande. Ik kan deze datum kortom niet vergeten, voor iedereen die mogelijk wel vergeet te stemmen zijn er Facebookevents zoals dit.

* Bonustrack.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij voor tirade.nu.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Groenland door de ogen en de lens van Niko Tinbergen

Van Oorschots uitgave van Eskimoland

Het was een wat groezelig boek dat uit 1934 stamt en dus  83 jaar geleden van de drukker kwam. Je leert door de verschijningsvorm heen te kijken. Tijs Goldschmidt had stukken uit Eskimoland van Niko Tinbergen gelezen zoals ze geciteerd werden in vakliteratuur. Ik las het op zijn aanraden en was gemakkelijk verkocht, het is een geweldige combinatie van een aantal fraaie tekstsoorten: het is reisliteratuur. Niko en Lies Tinbergen verblijven in het Internationaal Pooljaar 1932-1933 aan de oostkust van Groenland. Men reist per slede, met huskeys, per kajak en per vouwboot.

Het is een antropologisch boek, want Niko vertelt wat er bijzonder is aan de Groenlanders waaronder zij verblijven. Wat ze maken van ivoor, van narwaltand, wat ze maken van spoelhout – op Groenland groeien geen bomen, (‘IJsland is Groen, Groenland is ijs’) alles van hout komt via de Barentsszee uit Siberië aangedreven. Hoe ze koken, jagen, kajakduikelen en vissen, feestvieren en voor elkaar zorgen,of niet. Tinbergen vertelt een verhaal over een vader en moeder met drie kinderen die naar een andere plek moeten en de kinderen achterlaten bij familie, met voedsel voor drie dagen. Als de ouders door omstandigheden dagen later thuiskomen, zijn de kinderen half verhongerd omdat de gastouders blijkbaar besloten dat nadat het meegegeven voedsel op was, er geen goede reden was de kinderen te laten delen in het eigen voedsel. Een fascinerend andere manier van denken.

Ook is het natuurlijk een boek over dieren en de overweldigende Groenlandse natuur. Niko en Lies doen waarnemingen aan sneeuw- en ijsgorzen, franjepoten, maar ook de huskeypopulatie, die uit een gelijksoortig pragmatisme tijdens de zomermaanden volstrekt op zichzelf aangewezen is, ‘s winters eten ze mee, zomers zoeken ze het zelf maar uit, waardoor je bij late lente te maken hebt met hordes uitgehongerde huskeys.

t_eskimoland
Eskimoland uit 1934

Ten slotte is het een bijna romantisch boek – tussen de regels door – van een verblijf in de wilde natuur waarin heel kies gemeld wordt dat er overdag in de tent even een slaapje gedaan wordt. Tinbergen schrijft niet alleen goed, maar fotografeert ook heel goed. In de uitgave die Van Oorschot over een paar weken doet verschijnen zijn de foto’s fraai afgedrukt, recht doend aan het ontwikkeld fotografisch oog van Tinbergen.

Dit boek, dat om zoveel redenen aantrekkelijk is, zal hopelijk de bekendheid van Nobelprijswinnaar Tinbergen – die in de tweede helft van zijn leven een haast Brits wetenschapper werd – ook in Nederland in ieder geval ook als schrijver doen groeien.

Hier meer over Eskimoland.

———————————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Hier schreef hij al eerder iets over Tinbergen.

 

 

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Engelen en paarden

Foto bij blogje 3Den Haag, vrijdag 8 juni 2012. Josh Ritter betreedt onder warm applaus het podium van de kleine zaal in het Theater aan het Spui. ‘Huiskamer van Den Haag’, staat op mijn entreekaartje onder het logo van het theater, en zo voelt het ook. Wim Brands introduceert en interviewt de Amerikaanse folk singer and writer. Writer, want Ritter (Idaho, 1976) is net gedebuteerd met zijn roman Bright’s Passage (2011, vertaald als De wonderjaren van Henry Bright, 2012).

Vorige week schreef ik hier over Steve Earle en zijn mentor Townes van Zandt. Afgelopen woensdag zag ik Josh Ritter opnieuw, nu in het Amsterdam-Noordse Zonnehuis, en kwam zomaar deze songtekst voorbij:

Sitting on the porch, singing Townes van Zandt

Play guitar to burn off the hours

Till we climb the fences at the edge of town

And paint our names on the water towers.

(uit ‘Me & Jiggs’)

Een maand na het interview in Den Haag zag ik Ritter nog een keer optreden, toen in Paradiso, en het scheelde niet veel of ik was afgelopen donderdag gewoon nóg een keer naar hem gaan luisteren in Rotterdam; er is iets verslavends aan die man op een podium, stralend en charismatisch, altijd met de hint van een sympathieke, oprechte lach op zijn gezicht. Natuurlijk ben ik niet de eerste die dat vind. ‘I have nothing bad to say about that boy,’ liet Joan Baez (zie opnieuw vorige week) zich ontvallen. Zij noemt ‘some of his songs just superb’, maar zegt ook: ‘What I’m most impressed by is watching him perform. He’s very charismatic.’

Iets van die charme kreeg ik van dichtbij mee toen ik – weer even terug naar 2012 – netjes in de rij stond te wachten tot Ritter mijn boek zou signeren. De rij was niet lang maar bewoog amper, en ik zag al snel waarom: bij de boekentafel nam de onlangs gedebuteerde, wereldberoemde pop-folk-rock-ster uitgebreid de tijd om iedereen te omhelzen. Hier stond een auteur zó te stralen van geluk, zó blij dat mensen voor hém waren gekomen, dat hij ons allemaal wilde bedanken en woorden niet toereikend waren. Gewoon: Ja, het leven is mooi, laten we dat vieren – kom in m’n armen, vreemdeling! Precies diezelfde gelukzaligheid straalt hij uit op het podium.

Los van dat alles heeft hij ook gewoon heel goede muziek gemaakt, en dat doet overigens nog steeds. Luister The Animal Years, luister The Golden Age of Radio, en je komt genoeg moois tegen. Live at the Iveagh Gardens mag niet in dat rijtje ontbreken – ook daar spat het plezier vanaf. (Sla dan vooral niet ‘Harrisburg’ over, met in het midden een mooi intermezzo van de rasverteller die Ritter is.)

Wat me afgelopen woensdag opviel, en niet voor het eerst: Ritter heeft een voorliefde voor het herhalen van bepaalde beelden in zijn teksten. Heaven, hell, fire, horses, maar vooral: angels. Dat komt allemaal terug in zijn roman, zie ik bij herlezing van Bright’s Passage. In het kort draait het boek om de twintigjarige Henry Bright, een Amerikaan die in 1918 terugkeert van de Eerste Wereldoorlog. Aan het front in Frankrijk, in de verwoestende loopgravenstrijd, ontsnapte hij verschillende keren aan de dood. Gedachtespinsel of niet, in de roman wordt als realiteit aangedragen dat er een engel tot hem spreekt: een stem vanuit de schaduw, die hem influistert stil te zijn als de vijand in de buurt is, of die hem waarschuwt niet van vergiftigd water te drinken. Eenmaal terug in Amerika begint de engel opnieuw tegen Bright te praten, en wel via de mond van een paard. De engel heeft besloten dat de huidige God het heeft verprutst, met die hele oorlog, en dat er een Future King of Heaven nodig is. En Henry Bright moet die verwekken, bij zijn buurmeisje Rachel.

Zodoende schaakt Bright de vrouw die (toevalligerwijs?) toch al zijn grote liefde was en bevalt Rachel van een zoon, maar ze komt daarbij zelf te overlijden. Een wraakzuchtige schoonvader is onderweg om zijn kleinzoon op te eisen, dus Bright – paard aan de hand, baby in een draagdoek op zijn borst – zet zijn kleine huisje in brand en vlucht, voor zowel de schoonvader als de bosbrand die hij heeft veroorzaakt.

Een roman navertellen alleen aan de hand van de plot – verschrikkelijk, nooit doen. Het boek, licht en humoristisch van toon en voortrazend als Bright op de vlucht voor de wildfire, gaat over geloof en vertrouwen, liefde en afgunst, lotsbestemming en vrije keus, en over de constante dreiging van de buitenwereld. Die engel is een fijne kunstgreep, met veelal komische situaties tot gevolg – een pratend paard! –, maar biedt tegelijkertijd ook ruimte voor interpretatie, en voor interessante vragen. Uiteindelijk is het nooit de engel die handelt, maar is het altijd Bright zelf: maakt het iets uit of dat komt door een hogere macht die hem iets influistert, of door een stem in zijn hoofd die daar terecht is gekomen tijdens zijn traumatische ervaringen in de oorlog? Oftewel: als de uitkomst in beide gevallen hetzelfde is, maakt het dan enig verschil waar je de verantwoordelijkheid voor die uitkomst legt – bij jezelf of bij een hogere macht?

(Dat brengt me zijdelings bij de serie The OA, waarvan ik de laatste aflevering (van het eerste seizoen) zag voordat ik naar het concert van Ritter ging. Zonder weg te geven waar de afkorting ‘OA’ voor staat – daar kom je pas halverwege het seizoen achter –, kan ik wel spoilervrij stellen dat deze serie ook deels om die vraag draait: als het resultaat wenselijk is, doen je beweegredenen er dan nog toe? Veel meer parallellen met het verhaal hierboven verklappen zou de serie wel redelijk verpesten, voor wie die nog niet zag.)

Met Bright’s Passage weer fris in het geheugen, wordt luisteren naar Josh Ritter een feest der herkenning. Zo staat zijn meest recente album Sermon on the Rocks (2015) opnieuw vol met engelen en paarden; never change a winning team.

Irwan Droog © Floor SchrijversIrwan Droog (Den Haag, 1984) studeerde Nederlandse letterkunde en literatuurwetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij zat in de redactie van Recensieweb en Tijdschrift Ei. Voor Tirade schreef hij eerder een artikel over het werk van John Steinbeck. Van 2012 tot 2017 was hij redacteur bij Uitgeverij Cossee. Hij is medeoprichter van de J.M.A. Biesheuvelprijs, de eerste literaire prijs voor korteverhalenbundels. Sinds begin 2017 werkt hij als zelfstandig redacteur en vormgever. © foto Floor Schrijvers

 

Kijkoperatie

‘En hier,’ wijst de oma als lijn 3 het Oosterpark opdraait, ‘hier heeft oma toen die kijkoperatie gehad.’ Tegenover haar vliegt de kleinzoon zwijgend met zijn speelgoedsupermannetje over de druppels op het tramraam, maar dan aan de binnenkant, onkwetsbaar voor de regen.

‘Aan me knie!’

Bij ‘knie’ stokt het Supermannetje even in zijn vlucht, maar de kleinzoon herstelt vlot en geeft hem nu zelfs wat extra vaart mee; van een dromerige slow-motion, bijna zoals de Sentinels op stand-by in The Matrix Revolutions, schakelt het Supermannetje over naar normale supersnelheid. Hij is ontwaakt uit een repetitief patroon van liggende achtjes* en beweegt nu grilliger over het glas, alsof hij actief op specifieke druppels jaagt.

Bij de halte, als de tram stilstaat, brengt de oma haar gezicht wat dichter naar het raam en stelt scherp op de ingang van het OLVG. Steeds als ze uitademt, laat ze een langer spoor condens op het raam achter. ‘Ja nee kijkoperatie, zo begon het… Ze hebben oma hier heel veel pijn gedaan, Lionel. Heel erg veel pijn.’

‘Ik denk ze gaan alleen kijken maar ze moesten metéén ingrijpen. Ik had dus totale collapsie. Totále collapsie had ik.’ De oma laat haar handen in haar schoot vallen. ‘Toen zijn ze oma dus met hamers en beitels te lijf gegaan nee met zágen. Overal bloed natuurlijk ja nee ik sliep gelukkig ik had een spuitje.’ Zodra de tram weer in beweging komt, draait ze haar blik naar de kleinzoon en zet een onderkin op. Met haar hoofd maakt ze nijdige Marijke Helwegen-achtige beweginkjes totdat de tram hard linksaf slaat en haar uit balans brengt.

Het Supermannetje hangt stil tegen het raam – horizontaal in de nieuwe rijrichting, vuistje vooruit – maar optisch lijkt hij tóch te bewegen: door de veranderde hoek blaast de wind de regendruppels op de ruit nu pal tegen hem in, alsof hij dwars door een orkaan heen vliegt. Als zijn cape niet van plastic was geweest, zou hij hebben gewapperd.**

‘Dan snijen ze dus eerst je hele knie open en schrapen ze dus met een schrapertje over de binnenkant van je botten ik dacht dat ik dood ging. Oma dacht dat ze dood ging Lionel jij had toen nog zo’n mooie tekening gemaakt weet je dat nog toen oma met haar knie zat en jij zo’n mooie tekening had gemaakt?’

De kleinzoon bolt zijn wangen en maakt een aanzwellend stormgeluid. Het Supermannetje heeft het zwaar. Uit alle macht probeert hij vooruit te komen. Om koers te houden en zijn evenwicht te bewaren, zet hij een tweede vuistje bij. De meeste druppels die op hem af razen, kan hij nog wegslaan, maar af en toe wordt hij ook geraakt, waardoor hij kostbare snelheid verliest.

Kijkoperatie… Oma heeft helemaal opnieuw moeten leren lópen.’ Om haar woorden kracht bij te zetten, schuift ze naar voren in haar stoel, precies op het moment dat het Supermannetje het niet meer houdt en door de orkaan wordt meegesleurd. Met een doffe dreun stort hij neer, bovenop de knie van de oma. Voor het eerst kijkt de kleinzoon haar direct aan.

De oma is even stil, maar doet wel weer diezelfde hoofdbeweginkjes, ditmaal met haar ogen gesloten. Pas als de omroep voor de Dapperstraat klinkt, gaan ze weer open. De oma drukt op het stopknopje, pakt haar tas en fluistert voordat ze moeiteloos opstaat: ‘Andere kant schat.’

____________________

*

** Dit is een denkfout. Het supermannetje bevindt zich – ook met een cape van textiel – nog altijd in de bus, niet erbuiten.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

No show no more

De film Moonlight, of ik die nog niet had gezien? Daar moest ik dan snel naartoe, zozeer zelfs dat ik die film op voorhand al overschat begon te vinden. Te veel lof gaat me op den duur tegenstaan: te gehypet, terwijl ik toch oprecht in die film ben geïnteresseerd. Een vette garnaal in cocktailsaus, al is het natuurlijk maar de vraag of al die filmnominaties worden ingelost. (Ik denk dat de misspiggyachtige middenmoot er straks met de poet vandoor gaat, in plaats van Beyoncé.) Deze film was net zo gedoodverfd als het projectiedoek zelf.

Desondanks besloot ik toch naar het filmhuis te gaan. Daar werd het me nog verder tegengemaakt door schofterigheid aan de kassa, schofterigheid aan de bar en wat dies meer zij. Het publiek deed er in al zijn correctheid nog een schepje bovenop. Het leek verdomme de opera wel – maar dan verplaatst naar de hipstergeweld van FC Hyena – al vind ik de ongeïnteresseerde medemens dáár ternauwernood overkomelijk. Kortom, alles schreeuwde onaardigheid, overschat, oppervlakte. De deuren naar de zaal gingen open en dezelfde dame als van de kassa begon kaartjes te scheuren.

Een mooi moment om op te stappen. Verder niets dramatisch aan, behalve dat ik me gestrand voelde op een zandbank. Terwijl ik naar huis liep bedacht ik hoeveel ik dankzij mijn eigen bokkigheid heb gemist. Dat zijn best veel voorstellingen, waarvan ik het grootste deel me niet meer herinner. Ze staan ergens weggestopt op mijn lijstje (voor intern gebruik) met niet-geziene zaken, die ik ook nooit meer zal zien. Een hele zwik films, wat optredens en een opera heb ik al verzameld. De vraag was nu of Moonlight daar ook bij moest.

Afgelopen herfst ging ik wadlopen met mijn zus. We wilden dat beiden al een hele tijd doen, dus besloten we een wandeling te boeken bij Wadloopcentrum Friesland. Van Holwerd naar Ameland. Bekend gebied, want de helft van alle schoolreisjes van de basisschool daar in de buurt gingen naar Ameland. Eenmaal tot over de enkels in het slik liepen we al gauw in de voorhoede. Er liepen nog drie mannen voorop, waarvan een eruitzag als een voetbaltrainer met sigaar in z’n hoofd, de ander duidelijk een meeloper was, en de laatste de gids. De gids droeg een lange staf. Hij had ons aan het begin van de tocht verteld dat het bedoeling was achter die staf te blijven, zodat hij ons veilig naar het eiland kon loodsen. De twee overijverige mannen traden deze aanwijzing met voeten, letterlijk dus, want meermaals snelden zij onze gids vooruit. Toen dat voor de zoveelste keer gebeurde barstte de bom: ‘En nooo is ‘t godverdegodver afgelopen! Hoe vaak heb ik niet al zegd dat jullie achter die stok moeten blijven?!’

Ik herken me in de wadloopgids als ik besluit ergens tussenuit te piepen. Plotseling kan ik net als hij ergens schoon genoeg van hebben, en dan moet de emmer overstromen. Het lijkt een eigenschap waarmee meer Friezen behept zijn, als ze zich te lang ergeren ontvlamt er op een gegeven moment iets. Mijn pake kan er ook wat van.

Maar goed. Stonden we daar, midden in de fucking drek, dat die gids ineens uit zijn vel sprong. Gelukkig heeft het Wad wat dit aangaat een mooie, dempende eigenschap: binnen dertig seconden stond iedereen weer achter hem, in het besef dat we aan elkaar gebonden waren. Hoe wilden we anders wegkomen voordat het vloed werd?

Moonlight krijgt, met dit in het achterhoofd, toch geen plaats op de lijst met films die ik nooit zou bezoeken. In het licht van een kwaad gesternte mag het mij eerder te heet onder de voeten zijn geworden, uiteindelijk wil ik toch naar de overkant. Dat er halverwege iemand met een stok staat te schreeuwen is blijkbaar een sine qua non, en dat ik mij soms in de luren laat leggen door mijn emoties neem ik maar op de koop toe. De volgende keer niet pathetisch met de deur slaan, want straks zak ik buiten weg in een slenk bij laagwater. Ik ga naar Ameland.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij voor tirade.nu.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Paul Auster – verslag vanuit het innerlijk

In Report from the Interior neemt Paul Auster zich voor een geschiedenis te schijven van zijn eerste 12 levensjaren. Het is een memoire, een vervolg op zijn Winter journal, dat dezelfde memoirebehoefte voedt, maar dan via wat Auster te vertellen weet over zijn lichaam. Je zou kunnen zeggen dat met het enorme 4321, dat zojuist in Amerika en in Nederland verscheen  een memoires drieluik vervolledigd is: het lichaam, de diepste jeugd en vier levens van een man  die geboren is in het jaar van Paul Auster. De ‘alternatieve levens’ een afspiegeling van jezelf in wat je dus niet geworden bent. Al met al een zeer intensieve wijze om zich af te vragen wie hij is.

Ik begon Auster te lezen op aanraden van Joris van Groningen, in 1996. Vermoedelijk heb ik toen in een half jaar al zijn tot dan toe verschenen boeken gelezen, en op een enkele titel na heb ik mijn interesse in zijn schrijven kunnen volhouden (al twijfel ik nu over de dikke pil van een 4321) Van Groningen was een heel goed lezer, en ik heb een aantal tips van hem gehad die alle tot langere schrijversliefdes leidden.

Auster heeft zich wat mij betreft een aantal keer opnieuw uitgevonden. De beste romans zitten aan het begin van zijn carrière; alle vroege romans zijn beter dan alle late. Hij heeft ook slechte boeken geschreven (Timbuktu, Travels in the Scriptorium). Maar de grote romans zijn geweldig: The New York Trilogy bovenaan, Moonpalace, The Music of Chance).

De ‘screenplays’ (speciaal Smoke en Blue in the face) vormden de eerste manier waarop Auster zich heruitvond, de memoires boeken zijn de tweede manier en het zijn ook weer boeken waarin hij zich een onbevreesd schrijver toont. Hoewel zijn onbevreesdheid soms wat ver gaat. Ik weet bijvoorbeeld nog niet of het pagina’s lang navertellen van twee belangrijke films in zijn jonge jaren nou heel geweldig is, of eigenlijk een beetje vreemd en gemakzuchtig. Maar mijn interesse in I am a fugitive from a Chain Gang en The Incredible Shrinking Man is wel gewekt.

Een plezierig bijkomend verschijnsel van dit boek over zijn jongere zelf is dat de lezer zich bij vrijwel alles kan afvragen: hoe zat dat bij mij, wat waren mijn eerste films, hoe zag mijn huis op mijn 6e er uit, van welke sport hield ik? Nog een grote aantrekkingskracht dat dit boek op mij uitoefent is dat het uitloopt in een ‘album’ van foto’s.

Een mooie genre shift, zoals John Coltrane in A Love Supreme opeens begint te zingen. Wat mij betreft een teken van kunstenaarschap: net op tijd besluiten dat de vorm die je koos toch niet voldoet om alles te kunnen zeggen. En je wilt alles zeggen.

 

———————————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

 

 

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Alvise

Vannacht droomde ik over Alvise, een kleine kale man die B en ik ontmoetten toen we afgelopen zomer op een Agriturismo in Piemonte logeerden.

Op de avond van onze aankomst aten we in de warme eetzaal onder het huis van de eigenaar en raakten met hem aan de praat. Alvise vertelde dat hij uit Emilia kwam en met zijn vrouw op vakantie was. Toen ik om me heen keek voegde hij daar snel aan toe dat ze nu rustte. Zijn vriendelijke oogjes richtte hij daarbij naar het plafond, bijna alsof hij bedoelde dat ze in de hemel was.

‘Ze geniet ongelooflijk van dit soort uitstapjes, maar is daarna erg moe,’ zei hij. De zoetheid waarmee hij over haar sprak was op het randje van zorgwekkend, maar na een halfuurtje in zijn kolkende woordenstroom gezeten te hebben moest ik optekenen dat hier vooral een gelukkig man sprak. Even later slofte hij met zijn handen in zijn zakken het zaaltje uit.

Toen de tafels waren afgeruimd en B Nadim naar bed gebracht had, dronken we koffie op het erf. De grappa was warm en plakkerig als de avondlucht, er hingen veegjes roze aan de hemel en een joekel van een maan kwam op. Ik dacht net aan het mankement aan onze auto dat ik de volgende dag in Asti moest zien op te lossen, toen achter me de stem van Alvise klonk.

‘Lieve mensen,’ kwetterde hij, en duwde een vrouw in een rolstoel tot vlak voor onze tuintafel. Ze zag grijs, en er liep speeksel uit haar mond. ‘Dit is mijn prachtige Magda. Ze is uitgerust en nu gaan we een stukje lopen.’

Ik stond op en bood de vrouw mijn hand aan. Ze maakte een zijwaartse beweging met haar hoofd, maar meer gebeurde er niet.

Een hersenbloeding, dacht ik, en pakte zelf haar koude hand, die ik voorzichtig schudde. Magda keek op naar haar glimlachende man.

‘Dit zijn nu die aardige Hollanders over wie ik je vertelde, mijn hartje. Die zo goed Italiaans spreken.’

Ik liet Magda’s hand los zodat B hem schudden kon, en na een redelijk korte uitleg van Alvise over de romantische wandeling die ze hier elke avond maakten, wenste hij ons een prettige avond.

We kregen nog wat grappa van de aardige meid met het kinderschortje voor en keken Alvise na, die Magda de heuvel op duwde en haar karretje aan de rand van de wijngaard op de rem zette. Het stalen frame ving het maanlicht en leek daardoor versierd met tientallen lampjes.

‘Zijn ze niet superlief?’ zei de tiener. Ze omhelsde haar dienblad en bleef een tijdje naast ons staan. Ik herinnerde me dat: naar oude mensen kijken zonder angst te voelen.

Die nacht werd ik gewekt door hartverscheurend huilen in de kamer boven ons. Een diepe en verschrikkelijke wanhoop sijpelde door het plafond en verkleefde met de muren. Ik stond op om de terrasdeuren en ramen te sluiten, maar het hielp niet. Na een paar minuten werd het stil. Ik opende de ramen weer, zette mijn ellebogen op de vensterbank en luisterde een tijdje naar de krekels terwijl mijn gezonde gezin vredig sliep in de ruimte achter me.

‘Nog niet,’ bad ik, en schaamde me voor mijn egoïsme. ‘Alsjeblieft nog heel lang niet.’

______________________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Zijpaden

Vorige week schreef ik hier over Bob Dylans Tarantula en over Conor Oberst, naar aanleiding van diens concert in Utrecht eind januari. Ik zag hem een paar keer eerder optreden, waaronder in 2009 in Den Haag, als onderdeel van de ‘supergroep’ Monsters of Folk – met Obersts vaste bandlid/producer Mike Mogis, met My Morning Jacket-frontman Jim James, en met M. Ward, ook bekend van She & Him (met Zooey Deschanel).

En ja hoor, alle wegen leiden naar Dylan: op datzelfde festival, Crossing Border, stond ook Suze Rotolo geprogrammeerd. Voor wie de naam niet direct herkent: de (Italiaans-)Amerikaanse Rotolo (1943-2011) was politiek activiste, actrice, kunstenares en schrijfster. Tussen 1961 en 1964 had ze een relatie met Dylan; ze staat samen met hem op het album The Freewheelin’ Bob Dylan afgebeeld. (De tragiek is natuurlijk dat ze bekend kwam te staan als het ‘hoezenmeisje’.)

In Den Haag sprak ze in een kamertje ergens boven in de schouwburg over haar onlangs gepubliceerde autobiografie, A Freewheelin’ Time: A Memoir of Greenwich Village in the Sixties, en over haar carrière als kunstenares.

De Amerikaanse culturele sector is net de literaire grachtengordel: als je twee mensen die je voorheen niet met elkaar associeerde in dezelfde ruimte ziet, zou je zomaar tot de conclusie kunnen komen dat iedereen elkaar kent.

Zo kwam de folk-country-rockzanger Steve Earle opeens de kleine ruimte inlopen, ging op de eerste rij zitten en legde een mandoline op zijn schoot. (Nu laat mijn geheugen me in de steek: misschien zat hij er al die tijd al, of was het een ukelele die hij tegen zijn stoelpoot zette – hij was in elk geval heel aanwezig, inclusief instrument.) Ik was verrast, ik had hem eerder dat jaar voor het eerst leren kennen door Townes, een album met covers van zijn voormalige mentor Townes van Zandt (1944-1997).

(Zijpaadje #1: Van Zandt was meestal al snel tevreden na het schrijven en slordig opnemen van zijn muziek, schijnt; Earle heeft dat altijd zonde gevonden, en besloot een selectie nummers enigszins opnieuw te arrangeren, of in elk geval ‘professioneler’ op te nemen. Tip: vergelijk Van Zandts ‘Lungs’ met de versie van Earle. De eerste aangrijpend in zijn eenvoud, de tweede scherp en hard, muzikaal geweld als een trein die door een Amerikaanse prairie dendert en een litteken in het landschap scheurt.)

(Zijpaadje #2: Ik was ooit in de gelegenheid P.F. Thomèse te vragen naar zijn J. Kessels-verhaal ‘Eerder thuis dan Townes’, over een bezoek van ‘de lange, droevige Texaan’ Van Zandt aan Emmen: allemaal waar gebeurd.)

(Zijpaadje #3: Een jaar eerder, in 2008, was ik bij een concert van Joan Baez in Utrecht. Voor wie de naam niet direct herkent: de Amerikaanse zangeres was (en is nog steeds wel) een van de voornaamste gezichten van de Amerikaanse counter culture die vanaf het begin van de jaren zestig furore maakte. En, ja, ook zij had een relatie met Dylan. In 2008 was ze op Europese tournee naar aanleiding van haar nieuwe album The Day After Tomorrow. Een album geproduceerd door… Steve Earle!)

Terug naar de Haagse schouwburg, waar Rotolo haar verhaal afrondde en Earle – een verrassing, ook voor haar – met instrument en al plaatsnam op een stoeltje op het podium, en in de gemoedelijke huiskamersetting een twee- of drietal ingetogen liedjes zong. Ik vertrok met Rotolo’s handtekening in mijn exemplaar van haar boek, volledig in mijn nopjes, en daalde de trappen af naar het concert van Monsters of Folk. (Fijn festival, sowieso.)

Steve Earle verdween de jaren daarna weer een beetje uit mijn geheugen, tot ik zijn naam op een verhalenbundel zag prijken in de Literaire Reisboekhandel Evenaar. Doghouse Roses (2001). Autobiografische verhalen over down and out mannen met enkel een drugsverslaving en een gitaar, zou je na het openingsverhaal denken. Maar Earle begrijpt de mogelijkheden van fictie en gaat verder dan dat, met (vooruit, licht geromantiseerde) karakterstudies van illegal immigrants, zwijgende Vietnamveteranen, drugssmokkelaars op de vlucht voor de border patrol, moderne outlaws, en barflies in Nashville. Een mooi beeld van diversiteit van de Amerikaanse samenleving, veelal door de ogen van kerouaciaanse ramblers. Jay McInerney maakt eenzelfde vergelijking in een lovende blurb: ‘It reads like a collaboration between Steinbeck and Kerouac and Bukowski.’

Dat zal Earle op prijs stellen; ik heb hem al kunnen betrappen op twee keer zingen over Kerouac. In ‘Down The Road Part II’ (2013) zitten overigens tegelijkertijd (subtiele en overduidelijke) knipogen naar Dylan en Van Zandt:

Standin’ on the highway with the road burnin’ through my shoes

Roll over Kerouac and tell Woody Guthrie the news

Heard it said there ain’t nothin’ ahead but I don’t know

Down the road I go

 

Blowin’ in the wind and flyin’ like a cannonball

Never seen a city where I couldn’t find a place to fall

But it’s only a matter of time before I’m feelin’ low

Down the road I go

(Laatste zijpaadje: Earle schijnt ooit de computer met daarop het manuscript van zijn eerste roman verkocht te hebben, om aan geld voor zijn drugsverslaving te komen. Zonde, maar wel een goed verhaal. Die debuutroman kwam er alsnog in 2011. Tegelijk met het boek verscheen een album dat dezelfde titel draagt: I’ll Never Get Out of This World Alive. Niet geheel toevallig staat daar het nummer ‘God is God’ op, dat Earle zelf schreef maar dat Joan Baez eerder opnam. Iedereen kent elkaar.)

Irwan Droog © Floor SchrijversIrwan Droog (Den Haag, 1984) studeerde Nederlandse letterkunde en literatuurwetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij zat in de redactie van Recensieweb en Tijdschrift Ei. Voor Tirade schreef hij eerder een artikel over het werk van John Steinbeck. Van 2012 tot 2017 was hij redacteur bij Uitgeverij Cossee. Hij is medeoprichter van de J.M.A. Biesheuvelprijs, de eerste literaire prijs voor korteverhalenbundels. Sinds begin 2017 werkt hij als zelfstandig redacteur en vormgever. © foto Floor Schrijvers

 

Het Project

17 inch laptop bag leather

In zijn huis in Nieuwkoop, bij de kapstok in de gang, lag de tas van mijn vader op z’n kant, alsof hij hem direct na binnenkomst had laten vallen, en waarschijnlijk was dat ook zo. In de hoeken hadden de naden losgelaten. Zijn tas zat zó vol, dat de grote leren flap niet verder dan half over de bovenzijde heen sloeg, waardoor een deel van de inhoud – opgepropte mappen en rapporten met aanvullingen in de kantlijn – zichtbaar en onbeschermd bleef.

Onder de neergestorte tas liep een barst over de plavuizenvloer, ongetwijfeld veroorzaakt door de harde landing. De metalen gesp van het hengsel was verbogen en kon het ieder moment begeven. Op de plekken waar de tas en mijn vader elkaar het vaakst hadden geraakt, vertoonden ze allebei schuurplekken: mijn vader op zijn linkerschouder bij zijn nek; de tas aan de binnenzijde van het hengsel, die dezelfde kleur groen als zijn winterjas had aangenomen.

Om een idee te krijgen van het gewicht van de tas, schopte ik er een paar keer voorzichtig tegenaan. Eerst een punter en daarna, om mijn grote teen te sparen, met de binnenkant van mijn voet. Geen beweging in te krijgen.

Omdat de meeste kracht in je benen zit, wurmde ik mezelf onder de leren schouderband en probeerde me vervolgens met tas en al op te richten, maar ik kwam niet verder dan een wiebelige hurkzit, dus de tas moest haast wel zwaarder zijn dan ikzelf. In een uiterste krachtsinspanning kreeg ik hem heel even van de grond en ik wankelde als een overmoedig gewichtheffertje door de hal, totdat I., mijn stiefmoeder van mijn derde tot mijn elfde jaar, me streng tot de orde riep: ‘Afblijven jij! Dat is je vaders Project!’*

Binnen, in de woonkamer met uitzicht over de Nieuwkoopse Plassen, lag mijn vader te snurken op de bank met een klam washandje over zijn ogen en een smeulende sigarenpeuk tussen zijn vingers, terwijl Harmen Siezen op de nieuwe kleurentelevisie het achtuurjournaal voorlas. Als ik later groot ben, sprak ik met mezelf af, neem ik nooit een Project.

____________________

* Pas jaren later kwam ik erachter dat op de vensterbank in Nieuwkoop, naast de verrekijker en een verdroogde varen, een kleine maquette van het Project stond: een spiegeltoren die naast de drie reeds bestaande gebouwen van het Fashion Center in Amsterdam moest verrijzen. Het Project heet tegenwoordig Fashion Garden, maar als mijn vader de uiteindelijke realisatie zou hebben meegemaakt, had het in hoofdetters zijn eigen naam gedragen, al was het maar om zijn vader, mijn opa dus, eindelijk te laten voelen dat z’n zoon geen mislukking was – een opgeheven middelvinger uit glas en beton.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Het marionetje van Jordan Wolfson

Op de allerlaatste dag ging ik naar Jordan Wolfsons solotentoonstelling in het Stedelijk. Deel 1, want zijn solo krijgt vanaf 18 februari een vervolg. Ik moest dit echt gaan zien, zo werd me van verschillende kanten aangeraden, en alle kranten waren er lovend over. De NRC had het zelfs over een regelrecht meesterwerk. Het centrale werk klonk van horen zeggen veelbelovend: een plastic pop van een roodharig jongetje met een maniakale kop, dat door middel van kettingen aan zijn lichaam als een marionet door de ruimte wordt gesmeten, geslingerd, bewogen. Hij heeft een soort laserogen in zijn hoofd waarmee hij de omstanders écht aan kan kijken. Een en ander speelt zich af achter een stalen hekje in een verder witte ruimte.

Terwijl ik stond te kijken zag ik het publiek zich vol verwondering en afgrijzen vergapen aan de kletterende kettingen. Er klonk keihard ‘When a Man Loves a Woman’ van Percy Sledge. Geen wonder dat deel 1 van de solo MANIC/LOVE heet, dat dekt de lading wel. Mijn beschrijving van het kunstwerk dekt de lading overigens ook, want verder is er niets te zien. (Wie het zelf heeft gezien en onder de indruk was… ik ga nu over tot het afkraken. In principe ben ik daar te genuanceerd voor maar soit!) We stonden te kijken naar wat de techniek allemaal vermag en dat is, als op we Wolfson moeten afgaan, heel karig.

Ik zag geen kunst. Techniek, in al zijn beperkingen, dat zag ik, in plaats van een getormenteerd jongetje. De kettingen zijn zichtbaar, de machines die ze aandrijven inzichtelijk, de bewegingen voorspelbaar. De programmatuur erachter was wat onduidelijk – is het nou interactief of niet? – maar wie de moeite nam ongeveer tien minuten te blijven staan kon zien dat het hele verhaaltje weer van voor af aan begon. Exact hetzelfde. De hele Efteling staat er vol mee, overigens met soms nog wel gruwelijker bewegende taferelen dan het marionetje van Wolfson.

Het lachwekkende is dat erachter dit kunstwerk allemaal grote hedendaagse thema’s schuil schijnen te gaan. Het Stedelijk heeft daarom een filmpje gemaakt om een en ander toe te lichten, maar wie ze ook aan het woord laten – conservatoren, Wolfson zelf – niemand brandt zich aan de vraag waar dit werk uitdrukking aan probeert te geven. Er wordt wat gehint op menselijk contact in tijden van social media. De kunstenaar maakt zich er vanaf door te stellen dat hij geen moralistisch kunstenaar is, en dat hij de toeschouwer zonder meer wil onderdompelen in de alledaagse beeldenstroom. In een ander werk doet hij dat ook letterlijk: de mensen bombarderen met de beelden die wij dagelijks op Facebook kunnen zien. Al die dingen zie ik inderdaad als ik Facebook open – dat is geen kunst maken, dat is gebakken lucht voor parfum verkopen.

Terug naar die kermisattractie. De halfslachtige praatjes van het museum en de kunstenaar walsen het jongetje plat, als het niet al zo plat als een dubbeltje was. Iedereen wiens verbeelding nog aangesproken werd, wordt onmiddellijk de lust weer ontnomen zodra je die slagen in de lucht aanhoort. Als je niet over je kunst kunt praten houd dan gewoon je mond. Laat kunst tot de verbeelding spreken, in plaats van die uit te schakelen met alledaagse trivialiteiten en de zogenaamde wonderen der techniek. Het is een goede zaak dat het Stedelijk de bewuste zaal nu aan het leeghalen is. Jammer alleen dat er een nieuw werk van Wolfson in komt.

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij voor tirade.nu.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

‘De wolf liet menig lam wel duur betalen’ over schulden

Schuldig, wie betaalt de rekening?

is volgens de NRC een ‘magistrale serie over armoede’ in Nederland.

De serie van zes documentaires over de Vogelbuurt in Amsterdam-Noord gemaakt door Sarah Sylbing en Ester Gould volgt een tiental mensen die door hun schulden in de schuldhulpverlening terecht zijn gekomen of daarlangs scheren. Het is een mooi uitgebalanceerd portret waarbij de schuldvraag bijzonder genoeg niet erg direct wordt uitgespeeld.  We weten van sommige van de geportretteerden hoe ze aan hun schulden komen, maar de makers confronteren hen daar niet mee.

Een van de aansprekende portretten in deze serie van verder goedbedoelende hulpverleners is ironisch genoeg dat van de deurwaarder. We zien hem in actie, maar we zien hem ook thuis in een mooi verzorgd en redelijk duur huis, en we komen van hem te weten dat hij er soms moe van is en verlangt naar een baantje als rondleider van toeristen in het Rijksmuseum. Een lichte voortdurende verontschuldiging is op zijn aangezicht bevroren.

Griekenland bezwijkt onder zijn schuldenlast. Als je eens in paniek wilt raken dan moet je

2017-02-08_141909

hier eens een halve minuut naar kijken  en constateren dat in die halve minuut de Griekse staatsschuld is opgelopen met een bedrag dat een hoop meer is dan je in een maand of wat bij elkaar kunt verdienen. Zo’n € 1.000 per seconde. ‘Schuld’ is volgens de etymologie een afleiding van de Proto-Germaanse werkwoordsstam *skul- ‘moeten, verplicht zijn’, en dat is de zelfde stam die het woord ‘zullen’ voortbracht. Een schuld is een geldelijke of morele verplichting uit het verleden die leidt tot een sterk gevoel van moeten in het heden. Denkend over morele schuld kom je al snel in het universum terecht van Gerrit Achterberg: de schuldige die nooit inlossen kon en daar een oeuvre aan ontwrong. ‘De nacht is om ons heen gelegen, alsof ik u nog nooit bezat.’

Zowel de Griekse schuld bekijken als Achterberg lezen zijn manieren om de narigheid te voelen die ook de mensen in de Vogelbuurt dagelijks gewaarworden. Het wordt alleen maar meer.  Een kastje van € 400 bij de Wehkamp dat niet betaald werd, groeit uit tot een nota van € 1.900, en de wanhoop groeit navenant mee. ‘De wolf liet menig lam wel duur betalen’ dicht Peter Verstegen in zijn vertaling van Shakespeare’s sonnet 96.

De schuldenaren leven een leven van buitenproportionele last en vrees terwijl er oplossingen lijken te kunnen zijn die al zo oud zijn als in elk geval de judeo-christelijke cultuur, ‘vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.’ Deze prachtige serie legt er ook onnadrukkelijk de vinger op: gericht vrijschelden is voor de maatschappij minder duur dan aan laten woekeren.

—————–

img_2482

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Hier schreef hij al eens iets over geld. En hier over schuld.

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Hope, much like shit, floats

Een tijdje terug reageerde ik op een van de mooie stukjes die Henk van Straten dagelijks schrijft. Het leek erop dat de mate van succes van zijn laatste boek hem was tegengevallen, en ik herkende me daar wel in.

De laatste jaren moet ik vaak denken aan de film As Good As it Gets, met Jack Nicholson in de rol van de misantrope schrijver Melvin Udall, die (onder een pseudoniem) succesvolle stuiverromannetjes schrijft. Udall lijdt aan dwangneurosen, en komt door ontwikkelingen in het plot onder druk te staan. Na een bliksembezoek aan zijn psychiater loopt hij terug de volle wachtkamer in en stelt zich hardop de vraag: ‘What if this is as good as it gets?’

Ik haalde Udall aan in het berichtje dat ik Henk stuurde, en hij reageerde door te schrijven dat we toch maar voorwaarts moeten met dat schrijven omdat we ook niets anders kunnen.

Sinds ik ergens in 2007 ben gestopt met mijn laatste fulltime horeca-baan, heb ik steeds vijf dingen tegelijk gedaan. Zo was ik tot medio 2015 redacteur, schrijver, psychodiagnosticus, office manager en kok. Op dit moment is het wat rustiger: ik run een diagnostiekbureau, schrijf, werk voor een wijnhandel en geef les aan de Schrijversvakschool.

Om een of andere reden heb ik altijd het gevoel gehad dat mijn échte leven zich vanzelf zou openbaren, en dat het iets geweldigs zou worden. Hoop is als heroïne: een vlucht die blind maakt voor het heden. De meest gehoorde klacht aan het sterfbed schijnt te zijn dat men niet genoeg genoten heeft van alle fasen van het leven, te weinig tijd genomen heeft voor geliefden, kinderen.*

De plek waar, en de tijd waarin ik leef maken het mogelijk me druk te maken over het topje van Maslows piramide, maar dat gezegd hebbend: wat een zonde om driekwart van je leven op hoop te draaien en het laatste stuk op spijt.

‘Wat als nu het hoogst haalbare is?’ lijkt opeens een irrelevante vraag. Er is alleen maar nu.

 

* Ik baseer dit op een aantal bronnen, maar in het bijzonder een artikel van Susie Steiner in The Guardian uit 2012.

______________________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

‘Into the march now’

Na drie kwartier optreden met nauwelijks verholen woede kon Conor Oberst niet anders dan toch zijn excuses aanbieden voor ‘his country’. Hij stond in Utrecht op het podium op de dag dat in Amerika de vliegvelden overrompeld werden door plotselinge decreten. ‘I just don’t want you to think that we’re all crazy,’ zei Oberst. Hij sprak over een wereldwijde ‘weird rising wave’ van fascisme, xenofobie, racisme, islamofobie en seksisme, maar had er desondanks alle vertrouwen in dat vredelievende mensen nog altijd in de meerderheid zijn. Toch gaat hij niet stilzitten, belooft hij: ‘We’re going to take every opportunity to stop these motherfuckers in their tracks.’

Niemand kan zo prachtig kwaad zingen als Conor Oberst. Al vanaf zijn dertiende schreeuwt hij als geen ander, veelal als frontman van de band Bright Eyes; de albums Fevers and Mirrors en Lifted zitten zo vol emotie, dat er af en toe een flinke bak muzikaal lawaai nodig is om tegenwicht te bieden aan de intensiteit van zijn stem. Inmiddels is die stem voller, ronder, zuiverder, maar die uithalen, dat top of the lungs-schreeuwen, dat jaagt nog elk concert een rimpeling van collectief kippenvel door het publiek. En als hij de muziek onderbreekt voor een politiek statement, heeft hij je aandacht.

Op Ruminations, zijn meest recente album, wordt zijdelings Vietnam genoemd – de afgelopen weken weer op de voorgrond van het collectieve geheugen, nadat massale demonstraties herinneringen opriepen aan de Vietnamprotesten. Oberst zingt in ‘A Little Uncanny’, niet toevallig het nummer dat hij speelde direct na zijn verontschuldigingen voor Trump:

We started drinking the Kool-Aid

We were taking the bait

We were talking the big talk

Never playing it safe

Looking good as Jane Fonda

On a Vietnam tank

Can’t get something for nothing

Have to energize your base

 

But she was young enough

She was blonde enough

She was ’bout a perfect ten

Had millions of admirers but not one single friend

And it’s a, it’s a little uncanny what she managed to do

Become a symbol for a pain she never knew

Van Jane Fonda is het een kleine stap naar anti-oorlogsactivist, politicus en schrijver Tom Hayden, met wie Fonda naar Hanoi reisde en in 1973 trouwde. Hayden publiceerde onlangs, kort voor zijn overlijden in oktober 2016, Hell No: The Forgotten Power of the Vietnam Peace Movement. ‘We were a generation divided by Big Lies and propaganda’, schrijft hij over de jaren zestig en zeventig. Hij benadrukt hoe groot het belang was (en vooral: is) van het vertellen en delen van de juiste, échte verhalen, om de geschiedenis correct te herinneren. ‘Storytellers, artists, actors, and musicians would need to be engaged in this effort. The more people were aroused, the more they might demand of Congress and the media, and the more the truth of history could be presented.’ De autoriteiten, parafraseer ik Hayden, zijn al decennialang bezig de peace movement die de Vietnamoorlog uiteindelijk een halt toeriep uit de geschiedschrijving te schrappen – oftewel, het is aan ‘echte mensen’ om ‘echte verhalen’ te delen.

In 1971 publiceerde Bob Dylan (na jaren uitstel – hij schreef het al in ’65 en ’66) op veler verzoek een boek: Tarantula. In mijn herinnering – ik las het zo’n tien jaar terug – was het een dichtbundel; maar nadat hij de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg toegekend, werd Tarantula her en der een bundeling van kort proza genoemd. Het zit er eigenlijk een beetje tussenin, zie ik nu, en is – hoewel me er niet veel van was bijgebleven – toch een interessante (en, weinig verrassend: heel muzikale) tekst. Je vindt er zomaar flarden van ‘echte verhalen’ in, die – als je bereid bent door het kerouaciaanse Doctor Sax-imitatieproza heen te kijken – opeens weer relevant zijn:

… surrendering to persuasion, the crime against people, that be ranked alongside murder & while doctors, teachers, bankers & sewage cleaners fight for their rights, they must now be horribly generous… & into the march now where tab hunter leads with his thunderbird

Het is natuurlijk niet Tarantula waardoor Dylan (tegen wil en dank) zijn stempel ‘voice of a generation’ kreeg, en ook zijn latere autobiografische Chronicles (met de fascinerende ondertitel Volume One) zal niet zijn waar mensen als eerste aan zullen denken bij het horen van zijn naam. Toch zou ik ook benieuwd zijn naar een bundel of roman van Oberst; de neerslag van een moment en een sentiment in de tijd, in drukvorm, zoals Tarantula dat deels ook is. Er zijn naast Dylan genoeg andere muzikanten die zich met verve hebben gewaagd aan boeken schrijven; Steve Earle, Patti Smith, Leonard Cohen (hoewel hij meer een schrijver was die zich aan zingen waagde), Willy Vlautin, Josh Ritter. Via nogal wat omzwervingen kom ik zo bij het onderwerp waar ik me deze maand wekelijks in wil verdiepen.

Terug naar Hayden: het lijkt er inmiddels op dat we de komende jaren meer waarheid kunnen verwachten in kunst, muziek en literatuur, dan in de alternative facts van officiële berichtgevingen. Of dat nu in al dan niet geëngageerde literatuur is, waar problematische kwesties bij uitstek onderzocht en van verschillende kanten belicht kunnen worden, of in die hartstochtelijke belofte van een man op een Utrechts podium, die ooit (tegen wil en dank) als ‘de nieuwe Bob Dylan’ werd bestempeld: ‘We’re going to take every opportunity to stop these motherfuckers in their tracks.’

Irwan Droog © Floor Schrijvers

Irwan Droog (Den Haag, 1984) studeerde Nederlandse letterkunde en literatuurwetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij zat in de redactie van Recensieweb en Tijdschrift Ei. Voor Tirade schreef hij eerder een artikel over het werk van John Steinbeck. Van 2012 tot 2017 was hij redacteur bij Uitgeverij Cossee. Hij is medeoprichter van de J.M.A. Biesheuvelprijs, de eerste literaire prijs voor korteverhalenbundels. Sinds begin 2017 werkt hij als zelfstandig redacteur en vormgever.

© foto Floor Schrijvers

De waarheid II

Van dichter en vertaler Hans van Pinxteren verschijnt dit jaar een keuze uit zijn poëzie bij Van Oorschot. In reactie op het blogje  ‘Astronaut – de waarheid is (ernstig) ziek‘ citeert hij een schitterend stuk uit zijn Montaigne-vertaling:  ‘Een van de fragmenten waar ik het meest door gegrepen werd bij het vertalen van De essays staat in “Over het logenstraffen”.  boek 2, hoofdstuk 18.  Ik citeer het graag:

“(a) Tegen­woordig is waarheid voor ons niet: zoals het is, maar: wat je aannemelijk kunt maken voor de ander, precies zoals wij de naam geld niet alleen geven aan het wettig gemun­te, maar ook aan het valse dat in omloop is. Dit is een on­deugd die ons volk al sinds lang wordt verweten, want Salvia­nus van Marseille, een tijdge­noot van keizer Valentianus, zegt dat voor de Fransen de leugen en de meineed geen ondeugden zijn, maar een wijze van spreken. Nog een klein stapje verder, en je zou kunnen zeggen dat het tegenwoordig een deugd voor hen is. Ze laten zich erin opleiden en africhten, alsof het iets is om eer mee te behalen; want het verduisteren van de waarheid is de laatste tijd bon ton. Zo heb ik er vaak over nagedacht waar toch de gewoonte vandaan komt (die wij zo angstvallig in ere houden) dat wij, als iemand ons van deze voor ons zo alledaagse ondeugd beticht, ons erger beledigd voelen dan door welke aantijging ook; en dat de diepste smaad die ons in woorden kan worden aangedaan, wel is als iemand zegt: je liegt. Ik ben tot de conclusie gekomen dat wij ons van nature het meest distantiëren van gebreken waar wij het meest mee zijn behept. Als wij ons opwinden en kwaad maken over een beschuldiging, is het net of wij de schuld een beetje van ons afschuiven; en ook al hebben wij inderdaad schuld, wij gaan daar voor de schijn tegenin.

b Maken wij ons misschien ook daarom zo kwaad, omdat dit verwijt tegelijkertijd schijnt te impliceren dat wij laf en kleinmoedig zijn? Maar als er één pertinente lafheid is, dan is het wel je eigen woorden verloochenen, erger nog, datgene verloochenen wat je diep in jezelf weet.

a Liegen is iets laags, een ondeugd waarvan een schrijver uit de oudheid zegt dat het zeer smadelijk is, omdat je daarmee laat zien dat je enerzijds God veracht en anderzijds bang voor de mensen bent. Treffender valt niet uit te drukken hoe mon­ster­lijk, gemeen en ontaard de leugen is. Want is er iets verachte­lijkers denkbaar dan dat je laf bent jegens de mensen en de branie uithangt jegens God? Een verdraaier van woorden is een verraaier van de samenleving, omdat wij ons uitsluitend door woorden met elkaar kunnen verstaan. Woorden zijn het enige voertuig waar wij onze wensen en gedachten mee kunnen overbren­gen, ze zijn de tolk van onze ziel; en als dit voer­tuig defect raakt, zijn wij niet meer met elkaar verbonden en kennen wij elkaar niet meer. Als het voertuig ons in de steek laat, gaat al ons verkeer en gaan al onze maatschappelijke betrekkingen te­loor.”

Helaas zijn de Fransen tegenwoordig niet de enigen meer die van de leugen een deugd maken.’

 

 

(hier verscheen al een stukje over Van Pinxterens Montaigne vertaling

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Vrienden maken

Ik was te vroeg voor onze afspraak en nam de kaart van Lalla Rookh door, terwijl die in jaren niet veranderd is. Ik bestelde een Parbo, dronk die half leeg en overwoog alvast een roti geit te bestellen toen Bas binnenkwam. Hij bracht kou mee, maar bood me een grote warme hand aan. Onze omhelzing was wat ongemakkelijk vanwege het tafeltje tussen ons in, en vanwege het feit dat dit onze eerste omhelzing was.

‘Eindelijk gelukt,’ zei ik toen we zaten.

‘Gezellig,’ zei Bas. Hij vertelde dat hij het niet laat kon maken en ik zei misschien te snel dat ik daar geen probleem mee had. Binnen een paar tellen werd ons gesprek heel persoonlijk. Ik leerde veel over Bas’ achtergrond en hij – denk ik – over de mijne.

Ik bestelde een roti geit, een roti doks en drie soorten groente voor ons*. We aten. Bas zei dat het lekker was.

Ik keek naar de stekeltjes op zijn sympathieke hoofd en naar de lichte wallen onder zijn ogen en luisterde met stijgende verbazing naar zijn openheid. Na een halfuurtje noteerde ik dat onze eerste afspraak heel erg goed verliep.

Bas ken ik al een jaar of vijftien. Hij is een van de eigenaars van het geweldige café Kingfisher in de Pijp. De laatste jaren zei ik steeds bij het betalen van mijn barrekening dat ik een keer wat met hem wilde drinken, en Bas antwoordde steevast dat we dat moesten doen. Na mijn boekpresentatie in zijn café werd het een afspraak, en nu zaten we tegenover elkaar zonder ooit meer dan een paar grappen gewisseld te hebben.

Van andere recente vaders begrijp ik dat ze alleen tijd hebben voor hun oude vrienden. Ik begrijp dat goed. Toch merk ik dat ik er behoefte aan blijf hebben nieuwe mensen te leren kennen, zelfs nu het daar te druk voor is. Ik kan me niet meer veroorloven het doordeweeks laat te maken, maar krijg er veel voor terug dat (met mate) te blijven doen.

Wie wel eens in de Kingfisher geweest is weet hoe goed er daar gewerkt wordt, met hoeveel vakmanschap en liefde men er achter de bar staat. Zoiets ontstaat niet vanzelf, dat bereik je door als eigenaar in je zaak aanwezig te zijn, door mee te werken. Door een voorbeeldfunctie te vervullen en je personeel tegelijkertijd het gevoel te geven dat je ze vertrouwt. Sommige barmannen werken er al sinds het begin in 1999. Als je nooit in de horeca gewerkt hebt begrijp je waarschijnlijk niet hoeveel opoffering er nodig is om zoiets voor elkaar te krijgen.

Na Lalla Rookh verhuisden we naar een café om de hoek, waar we whisky dronken tegen de kou en tegen Bas’ beginnende griep. We praatten over werk, over de liefde en onze kinderen. Ik besefte hoe weinig we nog van elkaar wisten: hoeveel er te vertellen was. Geen van ons leek haast te hebben.

Rond elven betaalden we de rekening om door ijzige straten richting huis te fietsen. Ter hoogte van de Nieuwmarkt namen we afscheid. De omhelzing was niet ongemakkelijk omdat er geen tafeltje tussen ons in stond en omdat het onze tweede was.

‘Dit was leuk,’ zei Bas.

‘Precies wat ik gehoopt had,’ zei ik, en keek hem na terwijl hij doorfietste naar de Gelderse Kade. Daarna reed ik glimlachend naar huis.

‘Was het fijn?’ vroeg B toen ik in bed stapte.

‘Heel erg,’ zei ik. ‘Ik heb een nieuwe vriend gemaakt.’

 

Lalla Rookh, mensen, op Wijttenbachstraat. Ga erheen. De beste (Hindoestaanse) Surinamer van Amsterdam.

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.