A High Wind in Jamaica

2014 World Press Freedom Index

In 1929 verscheen A High Wind in Jamaica, van Richard Hughes. Ik kocht een paar weken geleden onbedoeld een eerste druk (zie onder). Zou ik nu rijk zijn? Als iemand het boek voor veel geld van me koopt, stort ik het  geld daarna op de rekening van een goed doel naar keuze op Jamaica. Het is een vreemd boek over een groep kinderen die door een piraat worden geroofd. Bijzonder is: de kinderwereld is echt volledig gescheiden van de wereld der volwassenen. Het is een heel fascinerende veelkunner, die Richard Hughes, ik ben nog maar net begonnen met zijn groot oeuvre, door vertaler Johan Hos op zijn spoor gezet. The Fox in the Attic is ook een heel raar boek, dat je niet snel vergeet.

Het plaatje hierboven is de 2014 World Press Freedom Index die je als poster meegeleverd krijgt bij het journalistenblad Villamedia. In het blad en op de site deze maand een special over persvrijheid wereldwijd. 

Een prachtige site met een behartenswaardige inhoud.  Lees internationaal vooral ook dit stuk met per land de plaats in de rangorde, en van welke positie het land komt en wat de stijging of daling verklaart, of hoe men gelijkblijft hoewel er nogal ingrijpende ontwikkelingen waren. (‘The formation of a government led by Mohamed Morsi in Egypt (159th, unchanged) in the summer 2012 was accompanied by an increase in abuses against journalists and all-out efforts to bring the media under the Muslim Brotherhood’s control’) Zie ook de  toch wat verrassend magere plaats van de VS, na het Snowden debacle.

Het is een fascinerend plaatje, zoals  elke pagina in de atlas (ook ‘winning kolen en staal’ Bosatlas 1971) voor veel plezier zorgt als je er de juiste vragen maar bij stelt. Mijn Leopoldatlas 1923 waarin mijn grootvader die boer was maar wel in 1953 zijn reis per bananenboot vanuit Honduras naar Californië optekende,  net als mijn Times Concise Atlas of the World, en de globe op mijn nachtkastje waarop ik nooit uitgekeken raak, behoren tot het weinige materieel bezit waaraan ik hecht. Heel opvallend op deze index is de aanwezigheid van een aantal ‘witte raven’. Waarom is Namibië zoveel beter in het de pers zijn gang laten gaan dan omringende landen? Ik weet het antwoord nog niet, maar in Villamedia wordt het uitgelegd. Costa Rica snap ik al wat beter, het Zwitserland van Midden-Amerika, geld helpt. Maar Jamaica!

But I’m sad to say, I’m on my way
Won’t be back for many a day
My heart is down, my head is turning around
I had to leave a little girl in Kingston Town.

Ik moet het liedje misschien ook wel van mijn opa hebben. zie  Harry Belafonte – Jamaica Farewell Lyrics | MetroLyrics en de meester zelf op Youtube.

Ik heb deze eerste druk met stofomslag en prachtig papier. Koop het voor een groot bedrag van me en ik stort het geld naar Jamaica.
Ik heb deze eerste druk met stofomslag en prachtig papier. Koop het voor een groot bedrag van me en ik stort het geld naar Jamaica.

In de grote Jamaicaanse online krant The Gleamer vind ik rondsnuffelend vrij makkelijk dat wat ik maar als het eenvoudigste criterium van vrije pers hanteer: dat een journalist een machthebber de maat durft te nemen. In dit artikel ‘Roger in Wonderland – fishing for excuses’ gaat Christopher Serju redelijk ver in zijn kritiek op de minister van landbouw en visserij.

‘After all, believe it or not, like the agriculture minister, I’m walking on air. I never thought it could feel so free … .’

Zeer vrij, juist in Jamaica.

Down at the market you can hear
Ladies cry out while on their heads they bear
Akkisai sort fish are nice
And the rum is fine any time a year…

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De liefde voorbij

Vorige week had ik het over de gedichten ‘Je bent’ en ‘Zo meen ik dat ook jij bent’ van Jan Hanlo. Hoe je ze ook wilt uitleggen het blijven onversneden liefdesgedichten, en volgens mij horen ze bij elkaar. De teneur is in beide vrijwel hetzelfde en ze hebben alle twee een kraakheldere opsomming om de blanke huid van iemand die nooit arbeid heeft verricht te beschrijven. In ‘Zo meen ik dat ook jij bent’ luidt die: ‘als melk / als leem / en ’t bleke rood van vaal gesteent / of porselein’. Net zoals in ‘Je bent’ is dat een reeks met vier delen, waarvan het laatste ofwel breekbaar (‘porselein’) ofwel kortstondig is (‘zilver dat men krijgt ter leen’). Hanlo lijkt zo een Oudgrieks schoonheidsideaal te schetsen, inclusief al zijn vluchtigheid. Een tetracolon met climax! – zou je kunnen zeggen.

Verliefdheid is een van de dingen des levens die snel kunnen verkruimelen, dat had Hanlo ook goed in de smiezen. Liefde is – breek me de bek niet open – nu eenmaal net kwikzilver. Behalve de twee genoemde zoete versjes schreef Hanlo nog een gedicht dat gemakkelijk in dit rijtje van je-gedichten past. Het heeft alleen een heel andere strekking, want van lelies, rozen en koraal is absoluut geen sprake. In het derde gedicht, ‘Je’, wordt de liefde in de kiem gesmoord. Het begint namelijk zo: ‘je kwam eens binnen / en je wachtte / het ging beginnen / en je lachte // het was een ja / maar het werd een nee’. Je ziet hier iets opbloeien, maar als met een slag in het gezicht gaat alles verloren. Een totaal ontspoorde date of een slechtnieuwsgesprek, zo klinkt het. Volgens de statistieken heeft iedereen het wel eens zo zout gegeten.

Zulke kleine romantische rampen treden meestal op wanneer de verwachtingen te hoog gespannen zijn, of als je te diep onder de indruk van iemand raakt. Iemand die zoiets werkelijk expliciet heeft durven opschrijven is Max de Jong (1917–1951), in zijn grote gedicht ‘Heet van de naald’ – zijn laatste. Het zou later zijn meest bezielde gedicht blijken, in één ruk opgeschreven met zo’n sensationele noodzaak dat hij het zo nodig nog met zijn eigen bloed zou hebben voltooid. De derde strofe gaat zo: ‘we zijn elkaar misgelopen / ik heb het verkeerd gedaan / ik was te zwaar geïmponeerd / dan doe je alles fout’ Het hele gedicht lang blijft De Jong worstelen met zijn mislukte liefde, tot hij aan het einde inziet dat het uitsluitend aan hem lag. Hij berust uiteindelijk in zijn lot van de gedumpte minnaar: ‘jammer is zo iets.’

De andere kant van het spectrum is de-donder-jij-nu-maar-oppoëzie. Wat dat aangaat grijp ik wederom naar de grote singer-songwriters, ditmaal niet Joni Mitchell maar Bob Dylan. Zijn plaat Blonde on Blonde staat voor een groot deel in het teken van nummers die zeggen: mooi geweest, schluss, tabee. In ‘Most Likely You’ll Go Your Way’ zingt hij: ‘I’m gonna let your pass / And I’ll go last / Then time will tell just who has fell / And who’s been left behind / When you go your way and I go mine.’ Zo’n militair-strategische opvatting van de liefde mag dan wel zo oud zijn als de weg naar Rome, die zinnen blijven rauw op je dak vallen.

En zelfs dan kan het nog erger. Liefdesperikelen, niet aan de verwachtingen voldoen, de deur gewezen worden – het meest hartverscheurende is toch dat je blijft vasthouden aan De Onbereikbare en je verdere leven moet slijten in triestheid. In de moderne Nederlandse poëzie heeft Slauerhoff dat gevoel met lichte trom uitgevent, bijvoorbeeld in zijn gedicht ‘Vida triste’. (Gek genoeg maakte ik eerder kennis met de Portugese versie, waaraan ik een flinke dosis saudade heb overgehouden.)

Vida triste

Gedoemd om droevig te leven
Wordt ieder die te veel liefheeft;
Nog nooit hield mijn hart het tegen,
De liefde die groot verdriet geeft.

Weer zocht tevergeefs aan jouw borst
Mijn gemartelde hart zijn rust,
Dat wil troost voor brandende dorst
En wordt niet gelescht door lust.

En altijd lijden en boeten
Moet men voor iedere daad,
Tot de wellust der laatste zoete
Liefkoozing in dood vergaat.

Hoe lang men soms kan omhelzen,
Eens is weer de tijd vervloden;
Kan men dan nooit die helsche
Vervloekte passie dooden?
Ik weet het, liefde is zonde
En dus kreeg ik ook mijn straf:
Ik ben voor eeuwig gebonden
Aan iemand die nooit om mij gaf.

Wel heeft hij mij veel streelingen
En liefkoozingen gedaan,
Nooit kon hij mijn liefde bevredigen,
Dat kan zeker niet bestaan.

Ik weet wel, lijden en boeten
Moet men voor iedere daad,
Tot de wellust der laatste zoete
Liefkoozing in dood vergaat.

Hoe lang men soms kan omhelzen,
Eens is weer de tijd vervloden;
Kan men dan nooit die helsche
vervloekte passie dooden?

 

Vida triste

Condenado a viver triste
É sina de quem muito ama.
Nunca tu, meu coração, resististe
Ao amor que a dor inflama.

Mais uma vez meu torturado coração
Buscou abrigo no teu peito, inutilmente;
Não há quem lhe console a sede ardente
Nem ele se farta das delícias da paixão.

E sempre, para qualquer acto,
Há que pagar com o sofrimento,
Até que a doçura do último tacto
Acabe por morrer num lamento.

Por mais que os corpos se enlacem
Um dia tudo passa e só fica a solidão.
Haverá porventura alguém
que mate o fogo de tão maldita paixão?
Eu sei que amar é pecado
Por isso também a mim o céu castigou
Fiquei pra vida amarrado
A quem sempre me enganou

Jamais o amor me faltou
Com ternuras e afagos
Mas libertar meus anseios,
Nunca de tal se lembrou.

E sempre, para qualquer acto,
Há que pagar com o sofrimento
Até que a doçura do último tacto
Acabe por morrer num lamento.

Por mais que os corpos se enlacem,
Um dia tudo passa e só fica a solidão.
Haverá alguém capaz de matar
O fogo de tão maldita paixão?

 

Voor wie er nu nog geen genoeg van heeft: de soundtrack.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Tyn’s tuin – primo

Een stuk onbeschreven papier (freecard, taartenbestelformulier) is in de Utrechtse binnenstad altijd wel te vinden. Alleen: ik heb geen pen bij me. Net terwijl le mot juste me invalt! Wat zeg ik… een complete alinea… Koortsig stiefel ik een kantoorartikelenwinkel binnen om me bij de wand balpennen te realiseren dat ik mijn portemonnee bij Orloff op tafel heb laten liggen. Shit! Schijt! Godverdomme! Kutzooi! Tyfus! Nou ja… pech voor de onderhavige detailhandelaar! Ik pak een blauwschrijvende Caran d’Ache van twee euro en steek ’m vlug in de binnenzak van m’n jasje (Oger, Oger, Oger – een vlek!). Als ik me omdraai, zie ik dat een andere klant, één of andere gepensioneerde zeikerd, naar me staat te kijken…

‘Dat zag ik, jongeman.’

‘Dan vergeet je maar wat je hebt gezien.’

‘Dat kan niet.’ En terwijl ie op z’n slaap tikt: ‘Het staat allemaal op de harde schijf.’

‘Prima. Dan gaan we die harde schijf van jou es eventjes wissen.’ Ik grijp de revers van z’n muisgrijze zomerjack en begin ’m zo hard op z’n smoel te slaan dat z’n hersens via z’n oren naar bui–

‘Tyn!, Tyn!, Tyn!… je doet ’t hartstikke goed, maar je zit in de verkeerde scène!’

‘Mmm?’

‘Je hebt een stukje over je tuin beloofd.’

‘Niet!’

‘Wel!’

‘Niet!’

‘Wel!’

‘Nou en?’

‘…’

‘Zie ik eruit als zo’n burgerlijke sukkel die zich netjes aan z’n afspraken houdt?’

‘Eerlijk gezegd wel.’

‘En wie dweilt al dat bloed dan op?’

‘Dat doen wij wel, ga jij nou maar lekker over je tuin schrijven.’

‘Ik héb helemaal geen tuin!’

‘Dan verzin je d’r maar één.’

‘…’

‘En je moet ook iets over liefdespoëzie schrijven.’

‘Pfffffff.’

Kom op, vadsige lamstraal. En… actie!

Van 2010-2012 hield ik een blog bij over mijn leven in Utrecht. HIER SCHRIJFT MARTIJN, heette het – die kapitalen zijn verplicht bij blogger. De stukjes gingen over het verzamelgebouw met ateliers waar ik werkte, over voorstellingen en films die ik zag, over mijn assistente, Eline Struweel, en over mijn tuin. Dat blog heb ik een jaar geleden omgedoopt tot KNOLLYWOOD en vervolgens een beetje braak laten liggen – het enige waar vroegere volgers van HIER SCHRIJFT MARTIJN nog weleens naar vragen is die tuin… hé, Tyn… hoe gaat ‘t nou met je tuin?*…

Nou goed… sinds vorig jaar heb ik een nieuwe tuin, op een tulpenbolworp afstand van de vorige, met volop avondzon. En als je nu hoopt op een pastorale selfie van Martijn met kruiwagen tussen de Vergeet-Mij-Nietjes, dan bots je tegen een dikke, vette middelvinger op – donderstraal maar op met je Libelle Romantiek.

Nee hoor, grapje! Ik ben gewoon te verlegen om op de foto te gaan!

‘Kan een gerecht ook poëzie zijn?’ Goeie vraag. Het antwoord luidt: ja. En dan refereer ik niet aan de geforceerde prozagedichten op de gemiddelde menukaart of aan het beter geformuleerde recept in een comfortabele kwaliteitskrant. Een goed bord eten ís een mooi gedicht – en zo’n goed gerecht/gedicht begint met goeie ingrediënten, ofwel: met verse spulletjes uit je eigen tuin.

Aangezien deze blog vooral wordt gevolgd door lafbekken, bleekscheten, mietjes, stadsmensen, papkindjes en gesubsidieerde jankerds, breng ik vandaag – bij wijze van liefdesgedicht – een recept/gerecht met groenten die iedere schlemiel zelf kan telen op zijn of haar bijstandsbalkonnetje.

‘Charmeur!’

Die groentes/kruiden zijn: courgettes, knoflook, platte peterselie.

En deze eenvoudige ingrediënten gaan we gebruiken in een recept dat de grote Florine Boucher precies zes jaar geleden, in mei 2008, publiceerde in de NRC. Voor een diner à deux bak je een paar kleine courgettes (drie ons) op hoog vuur… na een paar minuten gooi je er een mengsel van gehakte knoflook (twee teentjes) en gehakte platte peterselie (vier eetlepels) bij. Nog een minuutje op lager vuur doorbakken… Vervolgens gooi je gekookte, afgegoten, vochtige pasta door je saus. Dan twee eierdooiers erbij, een paar eetlepels pecorino romano… een flinke peperregen eroverheen… en het gerecht kan gedeclameerd/het gedicht kan geserveerd worden… Dit bordje pasta moet natuurlijk wel buiten genoten worden – aan een met liefde gedekte tafel (geblokt tafelkleed, verse bloemen, zicht op bomen en vogels).

Dit pasta/courgette gerecht is een primo… maar verleidelijker voedsel bestaat niet en ik kan je garanderen dat de gang die volgt op een bordje met dit intense voedsel niet vegetarisch zal zijn…

‘Hahaha!’

O, en niet vergeten, geachte cursisten: wat voor de slaapkamer geldt, geldt ook voor de keuken… het wordt pas echt lekker als je het met liefde klaarmaakt…

‘Oh, schunnig! Hahaha!’

Tirade – happerdepap.

Soundtrack (moderne tafelmuziek): Stolen Dance, Milky Chance.

‘Is dat de nok van je tuinhuisje op die foto?’

‘Ja.’

‘Romantisch, zeg! En hoe heet die vlinder?’

‘Die heet Gerard, nou goed. Jezus Christus, wat zijn dat nou voor achterlijke vragen?’

Volgende week: Franca Treur, Anton Valens, Jannie Regnerus en Daniël Rovers. Of: hoe Daniël Rovers zijn nieuwe boek presenteerde. En meer.

‘Komen er in je stukje van volgende week ook herdershonden voor?’

‘Natuurlijk.’

Noot

Niet te versmaden, dat tuinprogramma van Maarten ’t Hart. Maar ben ik de enige die in zijn stem de hele tijd die van Mat hoort, de buurman met de rode trui, uit Buurman en Buurman?

AM over de wrede schrijver

Van Ayn Rand leerde ik ooit (Ja, Ayn Rand, die demonische verheerlijkster van het kapitalisme. Ik geef het toe: ik las haar boeken. Sommige zelfs met plezier, waaronder haar The Art of Fiction, dat ooit een enorm schrijversvuur in me aanwakkerde.) dat gewoon een conflict niet genoeg is in een verhaal. In een goed verhaal horen volgens Rand duivelse dilemma’s. Conflicten die de persoonlijke moraal van je personages zoveel mogelijk op de proef stellen. Als schrijver moet je je volgens Rand constant afvragen: hoe maak ik het conflict zo erg mogelijk voor iedereen die erbij betrokken is? Of ze daarin gelijk heeft, daarover blijf ik maar twijfelen. Ze heeft een punt want (oneindig) veel (heerlijke) boeken zijn volgens dit principe geschreven. Bijvoorbeeld een persoonlijke favoriet: Freedom (Franzen). Idealistisch echtpaar Berglund, democraten, gaat tweezijdig vreemd, maar beide buitenechtelijke relaties stranden op akelige wijze. Hun dweil van een zoon wordt republikein en raakt als investeerder betrokken in wapenhandel. Bovendien blijkt het natuurbehoudproject waar Walter zich vol vuur voor inzet een dekmantel voor de delfwerkzaamheden van een steenkoolmaatschappij.

Als Rand gelijk heeft moeten schrijvers dus meedogenloos zijn. Genadeloze wezens die gniepend en gnuivend boven hun werktafel hangen om gruwelijke details te bedenken die het allemaal nog nog nog erger en dan nog net iets erger maken. Zo bedacht Victor Hugo dat zijn hoofdpersoon (priester) uit Notre-Dame de Paris, in de slotscène niet kon verdragen om zijn grote liefde te zien sterven op het schavot (haar ter doodveroordeling was bovendien door hem zelf veroorzaakt uit wraak dat zij zijn liefde niet beantwoordde). Vlak voor haar executie werpt hij zich dus van de toren van de Notre Dame. Maar wat gebeurt: hij blijft hangen met zijn pij aan een waterspuwer waardoor hij vertraagt in zijn val en hij net voor hij te pletter valt tóch getuige is van haar dood.

Soms ben ik bang dat ik het niet in me heb. Genoeg wreedheid. Dat ik niet genadeloos genoeg ben, niet onverbiddelijk of naar. Ik heb last van existentieel optimisme. Dat zit me in de weg. Daarom bid ik soms voor een wredere inborst. Bid ik dat ik de personages in mijn verhaal zo kan laten lijden dat mijn lezer haast vergeet te ademen van het lachen, huilen en beven tegelijk. En ik schreef een gruwelijk verhaal. Over een ambtenaar en zijn dochter die ontspoort. Ik bedacht een gezin dat ik liet ontsporen. Fuseerde een paar vriendinnen in een moeder. Fuseerde wat collega’s in een vader. En ik geef toe: ik heb veel plezier beleefd aan het schrijven over de ontkenning die omgaat in ouders die hun dochter zien afglijden. Ik bedacht er nog wat perifere rampjes bij die het allemaal nog erger maakten. Maar ik kon het niet volhouden tot het eind. Ik was gaan houden van mijn personages. Ik wilde dat het goed afliep, op zijn minst een beetje. Dat in elk geval iemand daarna nog lang en gelukkig zou leven.

Van de week las ik Roem van Daniel Kehlmann. En las daarin de volgende passage: Doe eindelijk iets, zegt ze tegen mij. Verpest je verhaal. (…) Jij kunt me genezen (..). Het kost je niets! Kehlmann laat hier zijn personage Rosalie met hem, de schrijver, in discussie gaan. Rosalie is ongeneeslijk ziek en onderweg naar haar euthanasie. Bijna had ze me uit mijn tent gelokt, schrijft Kehlmann. Maar Rosalie is onderdeel van een groter plan en daarbij hoort dat ze dood moet. Maar ze geeft niet zomaar op. Een paar bladzijden verderop doet ze een tweede poging: Laat mij leven (…). Jouw verhaal. Vergeet het. Laat mij gewoon leven. Het ergert Kehlmann. Even sta ik paf. Ik weet niet wie haar geleerd heeft zo te praten. Het past niet bij haar. Het is stijlbreuk.

Maar Kehlmann laat Rosalie uiteindelijk toch niet sterven. Hij krijgt het niet voor elkaar. Hij spreekt haar toe: je klampt je vast aan de illusie dat je bestaat, maar je bestaat uit woorden, uit vage beelden en een paar simpele gedachten. Je denkt dat je lijdt. Maar niemand lijdt hier, er is niemand. Maar op het laatst laat hij haar vrij, hij verpest zijn verhaal. Hij maakt Rosalie jong en gezond. Zelfs knapper dan ze ooit is geweest. Waarom niet? Lachend loopt Rosalie met ferme stappen uit beeld.

Had ik al gezegd dat ik Kehlmann een weergaloos schrijver vind? Kehlmann maakt zich als schrijver tot personage en trakteert ook zichzelf op een gruwelijk dilemma. Wie van ons pleegt de karaktermoord? De schrijver of het personage? Kehlmann laat zien dat de relatie tussen een schrijver en zijn personage moeizaam kan zijn, een conflict op zich. En dat niet alleen de schrijver wreed is, maar ook het personage (en de schrijver weer mild). En verpest die dan zijn verhaal? Welnee, hou toch op. Want Kehlmann is de schrijver van zijn personage de schrijver die zijn verhaal verpeste over personage Rosalie. En die schreef een genadeloos goed verhaal.

Austin, 26 april 2014

Lieve Gilles, 

Dit is alweer de laatste brief die ik je vanuit Austin schrijf, de laatste brief voordat ik terug naar Amsterdam vlieg en we elkaar weer recht in de ogen kunnen kijken. Moeten kijken, want er is de afgelopen maanden zo veel tussen ons gebeurd, dat ik me maar moeilijk kan bedwingen om hier geen evaluatierapport over onze correspondentie op te tikken. 

Nog bedankt voor die leren chaps, trouwens. Ze zitten als gegoten, al zijn ze wel een beetje warm bij 35 graden. Het zweet sijpelt als smeltwater langs mijn benen, maar dat open kruis maakt gelukkig veel goed. Iedere dag als ik naar de Whole Foods Market in het centrum fiets, kietelt een verkoelend briesje mijn schaamstreek. Zoals je weet, koop ik altijd verse producten, maar soms sta ik toch even stil bij de diepvriesafdeling, zodat de koude lucht mijn scrotum weer strak op maat trekt. Heerlijk. Ik begrijp nu waarom motorrijders en cowboys ze zo graag dragen. 

Cowboys… Het hoge woord is eruit. 

In een zeldzaam moment van openheid schreef je in je vorige brief dat je vrouw Birre vermoedt dat jij zélf maar al te graag de cowboy zou willen zijn die je op mij projecteerde. Dat je – ondanks al je mannelijkheid – misschien zelfs erotische fantasieën over die cowboy hebt, zonder die te willen erkennen. Laat me je geruststellen: iedere jongen heeft wel eens dit soort gedachten, al zijn slechts weinigen mans genoeg om die daadwerkelijk in de praktijk te brengen.  

Als er iets is wat jij en ik met elkaar gemeen hebben, dan is het wel dat we allebei een relatie hebben met iemand die ons in bijna alles de baas is. Zelf denk ik nauwelijks meer zelfstandig na; mijn Boy Wonder heeft toch altijd gelijk. Vandaar dat ik deze laatste brief niet alleen aan jou, maar net zo goed aan Birre schrijf. Misschien dat je het onderstaande aan haar kunt voorlezen. Daar ben ik een groot voorstander van. Voor het slapen gaan lees ik Marijn al jaren voor uit het verzameld werk van Gerard Reve, en dat is niet alleen goed voor onze nachtrust.  

Lieve Birre, wat boft Gilles toch met jou aan zijn zijde. Dat mag best een keer gezegd worden. Ere wie ere toekomt. Je man wordt volkomen terecht bedolven onder lovende recensies, maar ik weet zeker dat hij die met name aan jou te danken heeft. Schrijvers jatten nu eenmaal alles wat los en vast zit, en niemand observeert scherper dan jij. Niemand roert liefdevoller waar het stinkt. Als ik ooit nog eens vastdraai in een depressie, ga ik bij jou in therapie. Ik heb er nu al zin in.  

Ik wil je bedanken voor je interventie. Met een paar simpele vragen (en de veelzeggende, krampachtige ontkenning van je echtgenoot) heb je de vinger op de zere plek gelegd. Ik beloof je dat ik geen misbruik van dit nieuwe inzicht zal maken, althans, niet meer dan ik normaal al doe. Gilles heeft tijd nodig om zichzelf onder ogen te komen, zeker nu er zwart leer en chaps in het spel zijn geslopen. Gelukkig is dat van voorbijgaande aard: een bejaarde vriend van me heeft kortgeleden zijn verzameling karwatsen op Marktplaats gezet, want die nachtenlange afrossessies werden hem toch te vermoeiend.  

Hoe dan ook, het is niet langer mogelijk om te doen alsof er niets aan de hand is. We zullen met elkaar verder moeten. Jij, Gilles en ik. En Marijn natuurlijk! Eindelijk zal je de ware reden ontdekken waarom hij Boy Wonder genoemd wordt. Niettemin stel ik voor om rustig te beginnen, vooral met het oog op de kleine Nadim, want voor hem zullen twee extra papa’s wel even wennen zijn. Laten we dus nog even wachten met het zoeken naar passende woonruimte, dat kan altijd nog.  

Ik realiseer me dat er grote veranderingen op stapel staan, zeker voor jou als enige vrouw in een uitgebreid mannengezin. Daarom beloof ik je nu alvast dat ik er alles aan zal doen om het ook jou naar de zin te maken, lieve Birre. Eerlijk gezegd ben ik wat roestig in mijn omgang met vrouwen, maar we zijn er om van elkaar te leren, toch?  

Al met al ben ik blij verrast hoe verhelderend deze briefwisseling is geweest voor alle betrokkenen. Als ik dan toch de balans opmaak, kom ik onvermijdelijk tot de conclusie dat schrijven veel meer zegt dan een gesprek. Dat de pen machtiger is dan de tong. In onze correspondentie hebben we meer van elkaar geleerd dan al die fijne avonden bij jullie aan de keukentafel. Dat neemt niet weg dat ik mezelf graag op korte termijn uitnodig om aan te schuiven voor een pasta en een glas wijn. Ik kom eraan! 

Natte zoenen, 

– Your man in Texas –

Arjen

 

______________________________________________________________________________________

Dit was de laatste brief van Arjen van Lith uit Austin. De redactie bedankt hem en zijn privé-leven hartelijk voor hun bijdrage.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Pleidooi voor de persoon

Dit ben ik. Naast me zit mijn moeder. We pellen paaseieren. Achter de fotograaf, die mijn vrouw is, staat een pan asperges op het fornuis, en rechts buiten beeld speelt mijn vader op het kleed met onze zoon. 

Er is niets bijzonders aan de personen in of buiten beeld. Bijna iedereen heeft of had een moeder, een partner, een vader, een kind. Schrijven over mensen om je heen zou om die reden oninteressant zijn. Exhibitionistisch, zelfs. 

“Quisquis amat ranam, ranam putat esse Dianam,” commentte een bekende auteur van mijn eigen stal in reactie op een blog dat ik over onze zoon Nadim schreef. Hij zal niet de enige zijn die mijn stukjes te persoonlijk vindt. 

Gezien Tirade – terecht, en niet in de laatste plaats door mij – wordt gezien als literair vakblad, heeft men bepaalde verwachtingen van haar redacteurs en de onderwerpen die ze kiezen. Zo zijn er mensen die de moeite nemen om me terecht te wijzen als mijn taalgebruik clichématig wordt, of me confronteren met een (zeldzame, al zeg ik het zelf) tikfout. 

Goed, om te merken dat wat we naar buiten brengen met scherpe blik wordt opgenomen. 

Inhoudelijk, echter, ben ik ervan overtuigd dat elk verhaal persoonlijk zou moeten zijn. Wat is er bijzonder aan een blog over Garcia Marquez als de lezer niet te voelen krijgt wat Marquez voor de schrijver van het stuk betekend heeft? Hoe kun je als auteur mensen raken zonder jezelf te laten zien?

Ik sta ervoor open het als een handicap te aanvaarden dat een stuk dat zo’n persoonlijke toon mist voor mij meestal niet te volgen is. De boodschap lijkt niet tot me door te dringen omdat er geen hart is dat de informatie draagt. Om iets over te brengen moet je eerst contact met me maken. Noem het cerebrale dyslexie. 

Als een tekst te cerebraal wordt, overvalt me eenzelfde gevoel als op het gymnasium, waar ik me alle talen met gemak eigen maakte behalve het Grieks. Die symbolen… ik weet niet wat het was. Alsof die alpha en epsilon, maar vooral medeklinkers als de theta en de zeta niets met me te maken wilden hebben. Na een jaar las ik de woorden nog steeds letter voor letter, waardoor ik nooit aan de betekenis van een zin toekwam. 

Als ik in mijn werk moet falen, laat het dan zijn omdat ik te persoonlijk schrijf. Omdat er zoveel hart in mijn verhalen sluipt dat ik terzijde geschoven word als zijnde larmoyant, dweperig of – schijnbaar erger – Amerikaans. 

Mijn goede vriend Oscar Siegelaar vertelde me een tijdje terug dat hij de mate waarin een kunstenaar vernieuwend is belangrijker vindt dan of zo iemand aardig is. Er zijn meer mensen die zo denken. Grote vergissing, lijkt me. 

Elkaar is alles wat we hebben, om mezelf maar eens te citeren.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

“Zie je, ik hou van je”

Waar te beginnen op de jacht naar je favoriete liefdesgedicht? Even sneupen in een dikke bloemlezing bracht mij op een versje van J.P. Guépin, dat ik alweer half was vergeten. Het heet ‘Intimiteiten’:

Wat blijft er over van het liefdesgebeuren
buiten de vier muren?

Onritmisch gebonk
van de bovenburen.

Ik citeerde dit vroeger wel eens, wat me niet altijd in dank werd afgenomen. Inmiddels ken ik wel wat meer gedichten uit mijn hoofd, maar dat zijn niet per se mijn favorieten. Met Shakespeares twintigste sonnet kan ik hier met goed fatsoen wel aankomen, maar uiteindelijk is dat gewoon goedkoop sentiment. Hooft, Gorter, een lapje schoollatijn, een flard Prévert – het doet allemaal uitstekend werk bij de borrel.

Jan Siebelink schijnt iedereen het bed in te kunnen kletsen met Mallarmé. Ik vind dat een prestatie van formaat. Wat zijn dat in vredesnaam voor oesters die daar intrappen? Sinds die keer dat ik mezelf met het oog op het bed ‘Amor’ van Oswald de Andrade hoorde voordragen brand ik daar mijn vingers niet meer aan. Bovendien, voor Gorter komt tegenwoordig niemand het bed nog uit, laat staan erin.

Het liefst zou ik hier mijn toevlucht nemen tot de teksten van Joni Mitchell. Alleen heb ik het al eens op deze plaats gehad over haar muziek en gedichten. Op het gevaar af dat ik dit stokpaardje dusdanig berijd dat er een doorgezakte pony van overblijft: Joni schreef de onsterfelijke regels You’re in my blood like holy wine / You taste so bitter and so sweet / I could drink a case of you / And I would still be on my feet. (Zou Siebelink dat al geprobeerd hebben?)

Mijn favoriete liefdesgedicht is geschreven door een ander stokpaardje, namelijk Jan Hanlo. Het stond in het tijdschrift Podium in de jaren vijftig. Als je het in bed zou declameren word je er meteen weer uit getrapt. Het begint zo:

kf cfou

apbmt ef mbvxf obdiu
apbmt ef xpmmfo wbdiu
wbo tdibqfo
aptmt wbo qjnqfst pohfebdiu
ffo hspfu nz xfm ffot ufhfombdiu

Ik geef toe dat er een zeer groot romanticus in mij schuilgaat, daar kan ik ook niets aan doen.

De sleutel tot het gefröbel hierboven gaf Hanlo in een PS onder een briefje: ‘je moet tegen Pappa zeggen dat in ’t laatste Podium die gekke woorden in mijn stukje geen gekke woorden zijn, maar geheimschrift.’ Neem steeds de volgende letter van het alfabet (behalve de a) en je krijgt een leesbaar gedicht. Volgens Hanlo zelf ‘een heel schoon gedicht’, en dat ben ik roerend met hem eens. Samen met zijn ‘Zo meen ik dat ook jij bent’ vind ik dit het mooiste gedicht.

je bent

zoals de lauwe nacht
zoals de wollen vacht
van schapen
zoals van wimpers ongedacht
een groet mij wel eens tegenlacht

zo blank als is er geen
als rijst als elpenbeen
als maanlicht
als zilver dat men krijgt ter leen
en af moet geven schier meteen

een veulen in de wei
dat lui ligt op zijn zij
te slapen
een oud paard is niet dikwijls blij
maar voor de veulens is het mei

je oog de winterwind
ofschoon wel meer bemind
en zachter
maar wijs en grijs en trots toch kind
die plaatsten waar je ziel begint

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Mooi geweest

I) Er wordt helemaal niemand doodgeschoten

Goede Vrijdag. Mijn dochter en ik bezoeken het Stedelijk Museum Schiedam. Ik heb haar meegenomen omdat ik haar graag het schilderij wil laten zien dat mijn vrouw en ik ooit uitkozen voor op haar geboortekaartje. Mannetje met de zon, van Karel Appel. We bekijken de vaste collectie en een tentoonstelling. Daarna mag zij kiezen waar we gaan lunchen. Ze wil graag naar Hotel New York, in Rotterdam, zodat ze kan twitteren dat ze in New York zit. Grappig. Tienerhumor.

We lunchen uitgebreid. Gegrilde visjes, risotto en witte wijn. Ik drink in m’n eentje anderhalve fles. De ervaring leert dat dat mijn weggedrag een beetje tempert. Als de borden zijn afgehaald, wordt er een muntthee en een dubbele espresso neergezet. We praten over school, over buitenlandse musea en ik vertel wat over het komende nummer van Tirade. Als we zijn uitgekletst, begint mijn dochter een beetje te swipen op haar iPad en lees ik wat in Valeria Luiselli’s De gewichtlozen (het boek weegt 252 gram, trouwens).

‘Pap?’

‘Mmm?’

‘Is het waar dat jij van plan bent om mama en mij te vermoorden en met Pam een nieuw leven te beginnen?’

‘Wie zegt dat?’

‘Iemand op school.’

‘Wie?’

‘Gewoon, iemand.’

      Ik trek m’n gun uit mijn schouderholster en richt het op mijn dochter:

‘Ik vraag het je nog één keer, eigenwijze tyfusbitch: Wie. Zegt. Dat.’

‘Stoer hoor, alsof je je eigen dochter overhoop gaat schieten.’

‘Weet je nog dat je een paar jaar geleden zo’n schattig klein broertje had? Met van die krullen? Wat is daar ook alweer mee gebeurd?’

‘Ja, maar dat was een jongen.’

      Ik haal de trekker over, blaf de halve linkerarm van mijn dochter eraf.

‘Ik vraag het je godverdomme nog één keer. Van wie heb je die bullshit?’

‘Van Madelief.’ Mijn dochter verbijt haar tranen – zo zie ik het graag.

‘Nou, zeg maar tegen Madelief dat jouw vader geen vlieg kwaad doet.’

‘Zal ik doen,’ zegt mijn dochter terwijl ze met servetten haar stompje afbindt.

‘Fijn.’ Ik steek m’n gun terug in m’n schouderholster, sla m’n espresso achterover en leun dan over de tafel tot vlak voor het gezicht van mijn dochter. Terwijl ik mijn oogbollen achtjes laat draaien in hun kassen, zeg ik: ‘Best een aparte vader heb jij.’

‘Pap. Effe normaal doen.’

‘Hahaha, schitterend!’

‘Pap?’

‘Ja, WAT?!’

‘Heb jij een relatie met Pam?’

‘Nee, absoluut niet. Nooit gehad ook. Pam is een collega. We zijn allebei gek op goochelen, dat is alles… Omdat Pam op het podium altijd zo ijverig fakkels door hoepels staat te smijten, denk jij misschien dat ze backstage ook met vuur speelt, maar niets is minder waar. Pam is gewoon een loyale, lieve, stabiele moeder en echtgenote. Of hoe zeg je dat een beetje geëmancipeerd? Maak je maar geen zorgen.’

‘Ze jat wel alle trucs uit je poten.’

‘Dan jat ik gewoon een paar trucs terug. It’s all in the game, lieverd. Maar geloof je me nou? Ben je nou een beetje gerustgesteld?’

‘Ja.’

‘…’

‘En pap? Elvira zegt dat ze jou laatst zag met de moeder van Penélope, van ballet en dat jullie – ’

‘Hé! Zullen we afspreken dat jij je verder niet met het liefdesleven van je vader bemoeit? Wat zullen we nou krijgen.’

De afgelopen weken, maanden, heb ik talloze lezers hopeloos zien verdwalen in het grijze gebied tussen Begrijpend lezen en Rorschachtest. Betrekkingswanen, projecties, speculaties. Het was vaak amusant, soms griezelig, en ik beken dat ik – met de beste pedagogische bedoelingen – af en toe een dwaalspoor heb uitgezet en dat het literaire spel me, behalve een hoop plezier en schuldgevoel, ook een schat aan psychologische en relationele inzichten heeft opgeleverd. Maar nu vind ik het, eerlijk gezegd, wel mooi geweest. Ik maak me geen illusies (woordspeling), maar laat ik voor mijn eigen gemoedsrust nog maar een keer herhalen dat ik hier, op de blog, fictie bedrijf.

 

II) Haar favoriete liefdesgedicht

Mijn dochter was tijdens het swipen over de liefde begonnen, doordat ik haar tijdens het eten over het naderende nummer van Tirade had verteld. Tirade 454, het nummer vol Nieuwe Liefdespoëzie. Ik zei dat Lieke, Marko, Gilles en ik hadden afgesproken dat we in de aanloop naar de presentatie van het nummer – op 9 mei in De Nieuwe Liefde – aandacht aan onze favoriete liefdesgedichten zouden besteden in onze blogstukjes. Onlangs deelde Lieke haar favoriete liefdesgedicht al. Ik had nog niet kunnen kiezen.

‘Weet jij iets?’

‘Een gedicht?’

‘Ja, of een songtekst. Lezen jullie geen poëzie op school?’

‘Ja, maar dat is allemaal saaie shit.’

‘…’

‘Kan film ook poëzie zijn?’

‘Dat vraag je aan mij? Natuurlijk! Cinema ís poëzie.’

‘Dan kies ik een stukje uit You the Living.’

‘Goed idee. Welke scène?’

‘Deze,’ ze reikt me haar iPad aan.

‘Mooi. Moet ik je keuze nog toelichten?’

‘Nee, want dan ga je me toch alleen maar belachelijk maken.’

‘Oké, dan zet ik het maandag op de blog en dan vertel ik er alleen nog bij dat You the Living (2007) is opgenomen in Stockholm en dat het de tweede speelfilm van Roy Andersson is.’

‘Oké.’

Nou, geloof het of niet: voor mijn tienerdochter is een huwelijk het toppunt van romantiek. Hoe dan ook… ga rustig zitten voor deze acht minuten grootse, Europese, humanistische cinema. Eigenlijk ben ik het met mijn dochter eens… betere liefdespoëzie bestaat niet:

 

Tirade – sprookjes.

Soundtrack: zie het filmpje hierboven.

Volgende week: Tyn’s tuin. En meer.

AM over Beyoncé

Mooie boeken komen soms uit onverwachte hoek. Bijvoorbeeld van Beyoncé. Van de week stuurde ik haar een mailtje:

Dear Beyoncé, thank you so much for your new album. I loved loved loved it and will continue to do so forever. I also want to thank you for introducing me to Chimamanda Ngozi Adichie. I read Americanah so fast my eyes almost started spinning. By the way, I am a little bit of a writer myself and if you ever want to quote from my work, please feel free to do so. Yours forever, Anne-Marieke

NRC gaf het nieuwe album van Beyoncé vijf sterren. Dat verraste me en ik schafte het aan. Ik vond het inderdaad een indrukwekkend album. Episch bij vlagen. Ik vond Beyoncé altijd al stoer. Wat je noemt een tof wijf. Maar haar muziek had op mij tot nu toe nog geen onsterfelijke indruk gemaakt (toegegeven: behalve single ladies ook vanwege het bijbehorende dansje). Misschien heeft ze wat meer diepgang gekregen sinds ze moeder is, dacht ik. Of sinds ze het met Obama doet, dacht ik ook. Want begin dit jaar las ik het fascinerende bericht dat volgens betrouwbare bron uit het roddelperscircuit (kan dat?) binnenkort zou uitkomen dat Obama en Beyoncé het met elkaar deden. Obama en Beyoncé. Het is van het kaliber Kennedy en Marilyn Monroe. Caesar en Cleopatra. Obama ontkende, wat op zich al verdacht is. Bush ontkende immers eerder ook dat er gemarteld werd op Guantanamo Bay. Ook is het natuurlijk opvallend dat Beyoncé en Obama tegelijk in Amsterdam waren. Toen de Airforce One landde op het museumplein werd Beyoncé gesignaleerd op de fiets in de stad. Even later fietsten Jay-Z en baby Ivy-Blue zonder haar over de Ceintuurbaan.

 

Maar dat terzijde.

Op de nieuwe plaat van Beyoncé hoorde ik tot mijn vreugde Nigeriaans Engels. Een van de mooiste Engelse accenten, als je het mij vraagt. Plechtig en zangerig, uitzonderlijk vriendelijk, met een hintje stoer. Ik heb nog niet echt iets gezegd over mijn werk. Maar wat ik doe is afluisteren en accenten herleiden (iets wat nog lastig is om niet altijd te doen). Dus ik nam Yoncé’s nieuwe cd mee naar kantoor en draaide hem op ons geluidssysteem.

Mijn baas riep wat dat moest met die herrie.

Ik zei dat we aan het werk waren.

Luister, een Nigeriaanse stem. Denk je niet? vroeg ik collega Gerard (die vorig jaar Beyoncé nog mailde of ze wilde komen optreden op de sweet sixteen van zijn dochter)

De vrouwenstem zei dingen als: we tell our daughters: you can have ambition but not too much, you should aim to be succesful but not too succesful. Otherwise you will threaten the man.

Too much, beaamde Gerard. Onmiskenbaar Nigeriaans.

Waren we toch benieuwd wie die vrouw dan was. Dus we googleden: beyonce nigeria feminist. En de citaten bleken afkomstig van Chimamanda Ngozi Adichie, een Nigeriaanse feministe met een bijzonder mooi en ingewikkeld kapsel. En schrijfster.

adichie

Ook bleek dat New York Times haar roman Americanah een van de vijf beste boeken (fictie) van 2013 vond. Die bestelde ik dus. En ik las Americanah op vakantie. In drie dagen waarvan ik me weinig anders herinner dan het omslaan van pagina’s en de lome warmte aan dek van een schip van Bangkok naar een Thais Ko.

Beyoncé reageerde tot op heden niet op mijn mail. Maar ja, op die van Gerard van vorig jaar had ze ook nog niet gereageerd. Ik hou er dus rekening mee dat haar antwoord nog wat op zich zal laten wachten.

Amsterdam, 19 april 2014

Optie 8Lieve Arjen,

Ik schrijf je met verf op mijn knuisten. Deze week heb ik onze keuken verbouwd, zodat ik jou en je Boy Wonder weer met goed fatsoen kan ontvangen. De punten waarop je me voor jullie vertrek naar Austin wees zijn allemaal aangepakt. 

Het messingen rek voor mijn pannenlappenverzameling is er gekomen, en in combinatie met de kanariegele muren (dank nog voor de stalenkaart!) is het geheel echt adembenemend geworden. Ach, wat zal jou geweldige kleurgevoel aansluiting missen in Texas, waar ik vermoed dat alles hardrood, hardwit en hardblauw is. 

Birre wees me erop dat mijn pogingen een personage van je te maken waarschijnlijk meer over mijzelf zeggen dan over jou.

‘Die Arjen Vanlith,’ zei ze, ‘die cowboy. Dat zou je zelf willen zijn.’ 

‘Denk je?’ 

‘Is het geen homo-erotische fantasie van je, zo’n cowboy? Die douchescène met die zeep… Toch het onderzoeken waard, lijkt me.’

Hartverscheurend, als de vrouw met wie je al bijna 10 jaar lief en leed deelt, je zo slecht blijkt te kennen. 

De vraag in hoeverre een schrijfsel niet-autobiografisch kan zijn blijft natuurlijk relevant, maar terwijl ik deze woorden tik heb ik verdomme wél zaagsel in mijn haar. ZAAGSEL, zeg ik je.

In je laatste brief schreef je nota bene zelf dat ik een alfamannetje ben. “Jij hebt leiderschapskwaliteiten,” schreef je. “Jij hebt een zwarte band in aikido. […] je hebt je mannelijkheid definitief bewezen met je zoon, die […] het product is van […] hoogwaardig zaad.”

Die paar weekjes mannenvakantie per jaar, die heerlijke dagen samen met jou en Boy Wonder in ons huisje in Thailand, moeten die gezien worden in het licht van een verdrongen verlangen mijnerzijds? Is er iets specifiek homoseksueels aan de prachtige foto waarop we in onze string zitten te schrijven op de veranda, terwijl Boy Wonder ons met de hand hele trossen kleine bananen voert?

Alsof Hemingway niet in zijn onderbroek schreef. Als er in zijn dagen strings waren geweest, dan wéét ik dat hij ze zou hebben gedragen. The Sun Also Rises, indeed.

Birre zegt dat ik opvallend veel tijd besteed aan een verweer tegen iets wat helemaal geen aanval hoeft te zijn. Ze vraagt of jij misschien ook denkt dat ik iets te verbergen heb.

‘Vraag het hem maar,’ zegt ze. ‘Arjen zal je eerlijk antwoord geven.’

Nou, mooi niet. Ik vraag niks.

Iets heel anders: deze week heb ik een paar chaps gekocht. De meneer in de winkel was heel aardig. Ik legde uit dat ze een cadeau zijn voor een vriend van me, die cowboy is. De man bleek mijn briefwisseling met Arjen Vanlith te kennen, en klopte me bemoedigend op mijn bips terwijl ik mijn pincode invoerde.

Morgen gaan de chaps op de bus naar cowboy Arjen Vanlith, p/a Arjen van Lith, Austin Texas. Kun jij zorgen dat hij ze krijgt? Voor het gemak heb ik jouw maten aangehouden, met een centimetertje erbij zo hier en daar. 

Een wat ruwe stereotiep mannelijke omhelzing van je vriend in Amsterdam,

 

Gilles

______________________________________________________

Elke zaterdag op Tirade.nu: de briefwisseling tussen Arjen van Lith, emigré te Austin en Gilles van der Loo, thuisblijver te Amsterdam.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Waarom wij lak hebben aan klimaatverandering

Waarom hebben we zo laat en inadequaat ingegrepen toen bleek dat de mensheid een rampzalige klimaatverandering in gang had gezet? Waarschijnlijk omdat dat woord –rampzalig – te groot voor ons is en vraagt om aanhalingstekens en ironie. Zadie Smith treurt in haar prachtige korte essay Elegy for a Country’s Seasons over alles wat door de weermetamorfose van de laatste jaren verloren is gegaan: de stormen die beperkt bleven tot het voor- en najaar, de eerste warme dagen die pas in mei kwamen, en in december de hoop op een witte Kerst in plaats van de angst voor een overstroming. Zadie Smith stelt de vraag naar de traagheid van onze verontwaardiging en actie. Ze oppert dat we er simpelweg van uit zijn gegaan dat het klimaat niet kón veranderen, hoewel we natuurlijk wisten dat we in staat waren flink wat schade toe te brengen. We konden ons niet inbeelden dat we het ritme en de gang van de natuur zelf zouden ontwrichten, schrijft Smith, ‘just as a child who has screamed all day at her father still does not expect to see him lie down on the kitchen floor and weep’.

Waarom? Als dat een schuldvraag is, moeten we niet meteen wijzen naar de mijnbouw- en olielobby die er de afgelopen decennia alles aan gedaan heeft om het overvloedige wetenschappelijke bewijs in twijfel te trekken. Wat die bedrijven en hun advocaten doen is niet meer dan mist verspreiden. Met wat leeswerk verkrijg je snel een overzicht over wat er te verwachten valt. Te weten: een opwarming van de aarde die het dubbele bedraagt van een ooit als penibel beschouwde twee graden Celsius; een stijgende zeespiegel, verdwijnende eilandengroepen, verplaatste steden, ondergelopen kustgebieden; de toename van verwoestende orkanen; in Noord-Europa en Rusland wat bevroren gronden die beschikbaar komen voor landbouw; grote perioden van droogte afgewisseld met massale overstromingen; het gevaar van ontsnappend methaangas uit bevroren toendra’s, waardoor de opwarming in een onoverzienbare versnelling kan komen.

Allemaal allang bekend, wie het leest krijgt onbewust de neiging zo’n opsomming verveeld weg te swipen. De wetenschappelijke discussie gaat tegenwoordig over de economische kosten van de komende ramp, wiskundig wapengekletter. En zeker ook, nadat is gebleken dat de reductie van CO2-uitstoot (de transformatie naar duurzame energie) te langzaam gaat, over de vraag met welke technieken de huidige opwarming kan worden afgeremd. Door opslag bijvoorbeeld, maar ook met behulp van technieken die het zonlicht zouden moeten weerkaatsen opdat het op aarde wat koeler wordt. Denk aan grote spiegels in de ruimte en het massaal spuiten van sulfaat in de stratosfeer. Geen sciencefiction, helaas.

Dat ik pas onlangs de moeite nam om me überhaupt van deze feiten op de hoogte te stellen, is te danken aan de Nederlandse klimaateconoom Richard Tol. Hij nam afstand van de beleidsaanbevelingen van het klimaatpanel van de Verenigde Naties (IPCC), het instituut waarvoor hij werkzaam is. Hij vond die aanbevelingen ‘alarmistisch’. Al te pessimistische waarschuwingen zouden contraproductief werken; we konden beter geloof hechten aan het aanpassingsvermogen van de mens. Een monter uitgangspunt, in The Financial Times legde Tol uit wat hij bedoelde. Een land als Bangladesh moest maar een voorbeeld nemen aan het arme kleine Nederland, dat al in de jaren vijftig van de vorige eeuw met succes een watersnood had overwonnen!

Als zulke argumenten – beste Syriërs, wordt als Nederland en sluit vrede, dat hebben wij in 1830 ook met de Belgen gedaan – gelden als teken van gezond verstand, moet je je pas echt zorgen gaan maken. Zeker toen Simon Kalf in een reactie (NRC, 8 april) stelde dat de klimaateconoom zelf blijk geeft van een pessimistisch wereldbeeld. Tol had namelijk geschreven dat het vijftig tot honderd jaar zou duren om te komen tot een koolstofvrije economie – een bij uitstek defaitistische stelling. Want de winning van overgebleven fossiele brandstoffen wordt met het jaar duurder; het is dus van levensbelang, legde Kalf uit, de miljarden die in het bovenhalen van vervuilende brandstoffen gepompt wordt, het komende decennium te investeren in onderzoek naar alternatieve energiebronnen. Moeilijkheid: het gaat om gigantisch veel geld en dus macht – van zowel multinationals als wereldleiders.

De ‘alarmistische toon’ vond ik overigens niet meteen terug in het droge proza van het IPCC-beleidsstuk. Het oordeel ‘alarmistisch’ is wat dat betreft het meest alarmerend – alsmede de gretigheid waarmee dat woord vervolgens opgepikt werd in de pers. Nota bene Tol zelf oordeelde een jaar geleden nog in een opiniebijdrage in het Financieel Dagblad dat alle onzekerheden die het veranderende klimaat met zich meebrengt juist tot verregaande maatregelen nopen.

Waarom wilde ik niets van die klimaatsverandering weten?  Zadie Smith wijst op een gebrek aan verbeeldingskracht, maar het zal ook mijn afkomst wezen. Net als Richard Tol kom ik uit Nederland en ben opgegroeid met verhalen over de Watersnoodramp en de heroïsche Deltawerken; er is altijd wel een oplossing voor elk milieukundig vraagstuk te vinden. Hoe vormend was niet Jan Terlouws Oosterschelde; Windkracht 10, waarin uiteindelijk  het compromis tussen veiligheid en behoud van de natuur gevonden wordt?

In Nederland zelf heerst een lutherse mentaliteit – we moeten elk op onze eigen manier bijdragen aan een goede wereld. Verbeter de wereld, begin bij jezelf. En doen we met ons groenestroomabonnement, onze elektrische auto en wat windmolenparken voor de kust niet al genoeg? Maar de opwarming betreft de aarde, niet alleen Nederland. Het gaat in de allereerste plaats om wat landen als China, Japan, de Verenigde Staten voor maatregelen nemen; en hoewel China fors investeert in alternatieve energiebronnen, blijven door de groeiende economie (alle telefoons en tablets die hier niet zijn aan te slepen) de kolencentrales draaien. Je kunt lak hebben aan de klimaatverandering, maar die houd je daardoor nog niet tegen.

————-

Rovers-De-zon-is-het-probleem-nietDaniël Rovers is schrijver van de essaybundels Bunzing en De figuur in het tapijt en de romans Elf en Walter. Met Iannis Goerlant vertaalde hij David Foster Wallace’ De bleke koning. Op zondag 4 mei aanstaande verschijnt zijn bundel (anti)reisverhalen getiteld De zon is het probleem niet. In het jongste nummer van Tirade, Tirade 453, publiceerde Rovers het reisverhaal The Killing Fields. In Tirade 450 publiceerde hij een tirade tegen zichzelf.

Het Licht, de Waarheid en de Weg

De gewaarwording dat het universum een plan met je heeft is het gevolg van onze drang om uit een chaotische brij van aangeboden stimuli regels te kristalliseren; om lijn te vinden in wat ons overkomt. 

Een instinct om opgedane ervaring te generaliseren naar andere situaties is aanwezig bij alle diersoorten die het hebben gered. 

Wie enig belang aan Darwin hecht, kan bedenken dat oerguppen die niet leerden om de grote gele snoek te mijden nooit de kans hebben gekregen om iets te worden wat op het land zou gaan lopen. Het nageslacht van die ene oergup die inzag dat het misschien beter was om alle grote vissen te mijden, slalomt nu Whatsappend op de fiets door de ochtendspits.

Dit zoeken naar generaliseerbare kennis, naar onderliggende regels, leidt ertoe dat we wat ons overkomt proberen te plaatsen; trachten onder te brengen in een te volgen lijn. 

Wat ik zeg is: dingen overkomen je zonder dat daar een bedoeling achter zit, en het gevoel dat ‘het allemaal zo heeft moeten zijn’ en er een master plan is, maak je zelf. Het bewijs hiervoor falsificeer je eigenhandig, door die gebeurtenissen te markeren die in je verwachting of hoop passen, en andere te negeren. Zo plegen we aan de lopende band fraude bij onze eigen werkelijkheidsvorsing. 

Dat was de lelijke manier om het te bekijken. Je zou ook kunnen zeggen dat we onze individuele werkelijkheid scheppen, lijn aanbrengen in ons eigen verhaal. Ieders levenswerk is dan het schrijven van dat verhaal, en het geloof waarin je je laatste adem uitblaast zal uiteindelijk waar blijken, al was het maar omdat er geen weerlegging volgen kan.

Gisteren werkte ik aan een hoofdstuk voor mijn nieuwe roman, die zich aan de westkust van de Verenigde Staten afspeelt. De hoofdpersoon is kok. Mijn laatste zinnen van de dag waren: 

Samen lopen we naar de keuken. Freddy heeft de deur opengezet. Onzeker zonlicht valt over de noppenmat, de tegels en het deksel van de vetafscheider. Ik haal de pen uit het slot van de koeling en schuif een groentekrat aan de kant. 

Ik sloot het document met het gevoel dat ik te vaak over licht schrijf. Ik opende het bestand weer, en ontdekte dat het woord ‘licht’ in dertig bladzijden tien keer voorkomt. Zeven keer in de betekenis van zichtbaar licht. Nu heb ik geleerd om in de schrijffase nooit aan mijn werk te twijfelen, maar toch knaagde het. Tot ik afleiding zocht op Tirade.nu en daar de dagcolumn Wat het licht doet van Menno Hartman las, waarin hij schrijft:

“Vanmorgen […] bedacht ik dat het misschien mogelijk is goede literatuur te definiëren als literatuur waarin de schrijver zich bewust is van wat het licht doet. Kijken is de belangrijkste bezigheid van de schrijver. Schrijvers die niet regelmatig of althans soms melden wat het licht doet, zijn minder goede schrijvers. Ik ga daar voorbeelden van verzamelen. Uiteindelijk hebben we weinig meer dan het licht in onze ogen, totdat we ook dat niet meer hebben.” 

Aanzienlijk opgebeurd besloot ik een rondslingerende Volkskrant te lezen, en meteen stuitte ik op een verhaal over een Scandinavische kunstenaar die een van zonlicht verstoken dorp in een gletsjerdal met behulp van spiegels uit het donker haalde.  

Misschien ken je Menno Hartman niet. Dat is jammer. Hij heeft een plan met je. Met ons allemaal, eigenlijk. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Wat het licht doet

Ik sluit niet uit dat ik een zak chips at, toen ik het dagboek van Anne Frank las. En chips hadden ze in Bergen Belsen niet.  Nu kun je mensen niet verwijten dat ze een leuke avond willen, maar je kunt je wel afvragen of een leuke avond hebben past bij iets als het dagboek van Anne Frank. Vroeg of laat krijgen de meeste mensen met lijden te maken, liever laat natuurlijk. Lijden is een elementair deel van leven. Zelf verkies ik het dagboek te lezen boven een avond op pluche en met gekonfijte parelhoen. Zoals ik verkies mijn Mattheuspassion, persing 1945 in de uitvoering van het Concertgebouworkest onder directie van Willem Mengelberg te beluisteren, op een houten stoel, zeven keer opstaan om een plaat te draaien,  boven een arrangementje met Leusink.  Om eerlijk te zijn haat ik alles waar je een arrangementje van kunt maken, het is een van de meest misselijkmakende woorden in de Nederlandse taal. Met op een mooie tweede plaats: ‘lekker genieten’.

Bach schreef schitterende muziek, maar ik denk inderdaad dat je die niet moet genieten, maar kaal ondergaan en trachten mee te voelen, mee te maken, en niet aan te zien of aan te horen.  Kortom, er iets van begrijpen. Het gaat om de afstand. De industrie rond de Mattheus staat mij net zo tegen als een musical over Anne. Waarom?  Waarom denk ik dat op een houten kerkbank zitten in een kleine kerk beter is dan in een riante zetel in het concertgebouw? Omdat je mee moet lijden? Waarom moet je een dagboek van Anne Frank lezen en niet in een theater ondergaan met spektakel? Omdat die zaken tegengesteld zijn aan de essentie van de inhoud. Het dagboek van Anne Frank gaat over geheimen van een meisje in bange oorlogstijd, over haar hoop en verwachtingen en onze wetenschap dat die gefnuikt zijn op brute wijze. De passie van Bach gaat over religie en overgave. Je kunt beter dat dagboek lezen, of Het verhaal van mijn leven van Levie de lange bijvoorbeeld, om er iets van te begrijpen. Misschien kun je ook beter rustig naar muziek luisteren in je eentje dan het Leusink theatraal uit zijn tenen te zien trekken. Bij het Erbarme Dich denkt Leusink aan zijn bankrekening en ik voel dat. (Snapt zo’n man niet dat je niet kunt twitteren dat de stille week begonnen is? ‘De stille week is begonnen in de uitverkochte @Martinikerk. Morgen om 18.15 interview Pieter Jan Leusink @eenvandaag pic.twitter.com/W7PDa1clHE)

Dat brengt mij op de zon. Vanmorgen toen ik deze foto maakte bedacht ik me dat het misschien mogelijk is goed literatuur te definiëren als literatuur waarin de schrijver zich bewust is van wat het licht doet. Kijken is de belangrijkste bezigheid van de schrijver. Schrijvers die niet regelmatig of althans soms melden wat het licht doet, zijn minder goede schrijvers. Ik ga daar voorbeelden van verzamelen. Uiteindelijk hebben we weinig meer dan het licht in onze ogen, totdat we ook dat niet meer hebben.

 

‘Wer hat dein Augenlicht,

Dem sonst kein Licht nicht gleichet,

So schändlich zugericht’?

 

 

ps Wat het licht doet is een prachtige dichtbundel van de ondergewaardeerde dichter Hans Tentije.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De hele flikkerse händel

1.

‘Montgomery Clift? Dat heb ik niet.’

‘Echt niet…?’

‘Je had hier tien jaar geleden moeten komen, toen stelde de posterhandel nog wat voor. Toen had ik het vast wel gehad.’

‘Nu niet meer?’

‘Als je het niet gelooft kan je zelf kijken.’

Ik keek nog eens rond en zag in de zaak alleen maar mappen met filmposters in plastic hoezen. Als er ergens een echte Clift te vinden is, dan toch hier, maar zelf zoeken in die ongesorteerde meuk had geen enkele zin. De winkelier leek een beetje op een handelaar in oude brommeronderdelen en het liep tegen zessen. Ik wenste hem succes met zijn handel, terwijl ik hoopte dat hij eeuwig zou blijven zitten met z’n winkeldochters.

 

2.

Vanuit de volgende filmposterwinkel schalde mij keiharde klassieke muziek tegemoet. De baas van het morsige zaakje stond net een broodje weg te kauwen.

‘Eet smakelijk! Welke opera is dit ook alweer?!’

Hij drukte een knop op de stereo in en trok er een cassettebandje uit.

‘Iets van Händel, geen idee welke, want dat heb ik er natuurlijk weer niet op geschreven. Ik neem die dingen altijd op van de radio en dan vergeet ik wat het was. Mooi hè? Hou je van opera? Ja? Weet je wat ik ook zo mooi vind? Ken je die film van Lars von Trier, Antichrist, daar zit ook een stuk van Händel in. Helemaal aan het begin, die scène met dat stel dat ligt te vrijen en dat kindje… Geweldig, die harde klappen. Wacht, wacht, ik zoek het op.’

Op een laptop tikte hij met één vinger iets in.

‘You… tube… H – snap jij dat nou? Dat er op het toetsenbord zo’n hoge komma zit, of twee? Nou ja, h-a-n-d-el, antichrist. Mmh, en welke is het dan?’

‘U bedoelt Lascia ch’io pianga?’

‘Wat? Ah, je bent een kenner. Hier heb ik het. Moet je eens zien.’

Terwijl we naar de openingsscène van de film keken draaide hij het volume zo hoog dat de andere klanten spoorslags vertrokken. We zagen het jonge vrijende stel, alles gefilmd in slowmotion, en het jongetje dat met zijn teddybeer in een ander kamer van het appartement aan het spelen is. Dat het raam nog openstaat is geen probleem, totdat hij op een tafel klimt en heel langzaam de sneeuwnacht in verwdijnt. Eerst valt de beer, dan hij. Lascia ch’io pianga.

‘En? Prachtige uitvoering hè? Ik wil dit graag op de begrafenis van mijn vrouw draaien, met het beeld erbij. We kunnen vast wel ergens een beamer vandaan halen.’

‘Wil uw vrouw dat ook?’

‘Ja, ik heb het haar gevraagd. Maar ik weet niet meer wat het antwoord was. Zeg, wat betekent dat eigenlijk, lascia…?’

‘Laat me huilen.’

‘Wat? Oh, in Farinelli zit ie ook.’ Klik. ‘Meesterwerkje, hoor.’

‘Is dat Jeroen Krabbé?’

‘Nee, die speelt niet in zo’n film. Maar je bent een liefhebber? Wat moet ik nog meer luisteren? Ik ken alleen maar Händel.’

‘Nou eh… Mozart, misschien wel Haydn, maar dat is meer van hetzelfde.’

‘Wat? Dat klinkt nou al saai.’

Ik verzweeg dat ik Händel ontzettend saai vind, vooral zijn koren zijn om dood bij neer te vallen. Hij haalt steeds weer hetzelfde trucje uit en daardoor zijn al die opera’s volstrekt inwisselbaar. De meesten kennen het Hallelujah uit The Messiah alleen maar omdat de melodie dezelfde is als die van ‘Hou je smoel ja, hi ha hondelul’. En dat is voldoende.

 

3.

‘Maar goed, even iets anders. Heeft u ook iets van Montgomery Clift? Een poster of zo?’

‘Niet een boek? Dat heb ik wel. Even zien hoor, ja hier. Waar speelt ie ook alweer in… The Heiress, A Place in the Sun, I Confess – heb ik wel een poster van maar die verkoop ik je niet…. Nee, dat wordt ’m niet. Misschien heb ik wel een fotootje.’

Hoog uit een kast kwam een stoffige envelop met een grote C erop. Hij haalde er een stapel foto’s uit, spreidde ze uit op het tafeltje en liet mij m’n gang gaan. Oude stills uit verschillende films, vooral uit Freud, maar daarin droeg Clift een baard dus die waren niet geschikt. Er was één originele ansichtkaart uit de jaren vijftig met een officiële Paramount-portretfoto bij.

‘Kunnen we zaken doen?’ vroeg ik terwijl ik de kaart ophield.

‘Ah, je bent een liefhebber?’

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

De Chinese Muur – foetsie

I)       Met de heli

O, uitroep! O, exclamatio!… Kijk ’m nou toch es gaan die blije Art!… in z’n kekke, knalgele vliegmachientje!… hoppakee… wat gaat dat allemaal snel: ’t lijkt potverdorie wel alsof ie boven Madurodam vliegt!… De Randstad? Randdorp zul je bedoelen… Hopla… daar hebben we Amsterdam al… muren, wegen, daken, pleinen… Lekker geluidje die rotorbladen…

Bij de Amsterdamse stadsgrens heeft ie de gesp van z’n stoelriem al losgekoppeld en nu ie door de bolle voorruit van z’n vliegmachine De Rode Hoed kan zien liggen, stapt Art zo, hop, door dat grappige zijdeurtje z’n helikopter uit… ff een meter of zes van suizenstein – en met een judorol landt ie op ’t platte dak van het pand naast De Rode Hoed… een paar honderd meter verderop stort z’n heli met een vaartje van driehonderd kilometer per uur de Keizersgracht in… Ploetsj!… Net ’t losgeschoten bakje van een zweefmolen… Met hetzelfde gemak gooi je ’t in de afvalbak – da’s waar… alleen de meeste  afvalbakken en containers zijn een paar maatjes te klein voor de spulletjes die Art doorgaans afdankt…

Hij trekt een touw uit de zak van z’n jasje en abseilt langs de voorgevel van De Rode Hoed naar de Keizersgracht.

‘Ik heb een afspraak met de heer Kousbroek,’ zegt Art, binnen, tegen een dame achter een balie.

‘Nou, jij staat nog lekker in de werkstand,’ zegt zijn vrouw. Ze heeft de hele middag met haar zus gewinkeld in Utrecht en heeft zich juist bij hem gevoegd.

‘Ook goed, duifje.’ zegt Art. En tegen het meisje: ‘Geen zorgen! We vinden het wel!’ Hij trekt zijn vrouw mee naar de zaal.

De Quote schat Arts privévermogen op zevenhonderdvijftig miljoen euro. Toch heeft hij er nog altijd reuze veel schik in om zonder te betalen ergens binnen te komen. ’t Gaat om de sport hè? Niet om de knikkers.

Ze gaan in het midden van de zaal zitten. Vrij zicht op het spreekgestoelte en op de orgelpijpen daarachter. Art schikt z’n das, swipet nog wat over de display van z’n Smartphone. Zijn vrouw kijkt een tijdje om zich heen, vertelt Art dan welke celebritys ze allemaal heeft gespot in het publiek: ‘Wim Brands, Tilly Hermans, Martijn Knol, Simone van Saarloos, Judith Uyterlinde, Martijn Knol, Dirk van Weelden, Ivo Victoria, Roel Bentz van den Berg, Martijn Knol, Carel Peeters, Niña Weijer, Edzard Mik, Tijs Goldschmidt, Martijn Knol.’

‘Zegt me allemaal niks,’ zegt Art terwijl hij zijn telefoon in zijn binnenzak steekt, ‘het blijft een obscure business, de Nederlandse muziek.’

‘We zitten bij een lezing, Art.’

 

II) ‘Er zit een mens in’ – De Kousbroeklezing

Komt er in een publieksfilm een filosoof, een wiskundige of een musicus voor, reken er dan maar op dat hij of zij al dan niet gevaarlijk gestoord is. Zie ook Roberto Andò’s Viva la libertà (2014) dat donderdag in première ging. Waar woont, in die film, de bipolair gestoorde filosoof Giovanni Oliveri? In een gesticht. Precies waar het grote publiek kunstenaars, denkers en activisten graag ziet. Opsluiten die lui. Wees jij maar blij met je middelmatige hersenpannetje, vadsig bioscoopbezoekertje, want kijk es waar je terecht komt als je es echt ergens over nadenkt… IN HET GESTICHT! HAHAHAHAHAHAHA!

In het technologische/digitale tijdperk – like!, like! – is afwijken, kritisch denken lastiger, gevaarlijker, ongewenster – en dus gewenster – dan ooit. Apparaten en software worden door mensen gemaakt en gebruikt en zijn dus nooit waardenvrij. In zijn Kousbroeklezing sloopt Maxim Februari daarom De Chinese Muur die Rudy Kousbroek zag tussen dier en ding – tussen mens en techniek.

‘Mens, uitvinding en maatschappij zijn in het digitale tijdperk gaandeweg zo verknoopt geraakt dat technologiekritiek niet anders is dan maatschappijkritiek,’ stelt hij. Daarom is, in Facebookjargon, disliken net zo belangrijk als liken.

Maxim Februari’s Kousbroeklezing verschijnt in het komende nummer van De Gids.

 

III) Vertrek

Art is blij dat hij zich door zijn vrouw heeft laten overhalen de avond bij te wonen. Nanotechnologie, robots, drones, dataverzamelingen die achter de rug van het publiek met elkaar communiceren… hoe hij munt uit de jongste ontwikkelingen moet slaan weet hij nog niet, maar dat hij dankzij de Kousbroeklezing een paar business opportunities op het spoor is gekomen, staat vast… De consument is meer dan ooit bereid zich helemaal over te geven aan het bedrijfsleven… daar moet je van profiteren… Straks een paar jongens en meisjes van R&D op zetten… Art & echtgenote drinken snel een glas wijn en begeven zich dan naar de garderobe – over vier uur moet Art alweer op Schiphol zijn… Hij is even kwijt waar hij ook alweer naartoe vliegt…

Als ze vanuit de garderobe in hun donkere, wollen jassen de foyer in lopen, worden ze opgewacht door een jongen en een meisje. De jongen legt zijn vlakke hand op Arts schouder – absorbeert hem. Een druppel inkt die in een stuk keukenpapier verdwijnt. Het meisje legt haar hand op de schouder van de vrouw – absorbeert haar. Lachend lopen de twee richting uitgang.

‘Doet u mij deze maar,’ zegt het meisje tegen niemand terwijl ze in de loop een gebloemde paraplu uit een paraplubak trekt. Met haar vrije hand pakt ze de rechterhand van de jongen. Samen lopen ze naar buiten, de Keizersgracht op. Overal branden lampen. De maan staat aan de hemel.

‘Wat een mooie avond,’ zucht het meisje.

‘Om door een ringetje te halen,’ antwoordt de jongen.

‘Bijna volle maan.’

‘Oehoe!’

De jongen trapt het slot van een SpartaMet open en maakt vervolgens een rare draai met z’n bovenlijf om zonder z’n gun uit z’n schouderholster te hoeven trekken het discusslot open te blaffen.

‘Zo,’ zegt de jongen als het meisje achterop zit en ze slingerend de gracht afrijden, ‘zullen we es kijken of we in één van die poppenhuizen nog wat kunnen eten?’

 ——-

Tirade – overal. En nergens.

‘Huh?!’

Soundtrack: The Young Persons Guide to the Orchestra – Benjamin Britten/Henry Purcell.

‘Hé, wat leuk! Die muziek zit ook in Moonrise Kingdom!’

‘Dat is punten verdienen op de maandagochtend. De broodrooster komt jouw kant op, vriend.’

‘Wanneer?’

‘Nu. Vangen maar met die spastische handjes van je!’

‘Au!’

 Volgende week: Via Stockholm naar New York.

Foto-verantwoording

‘Er zit een mens in slimme apparaten, in robots, en in die laptop van u, die alvast door het bedrijfsleven is gehackt voordat u hem aanschaft,’ stelt Maxim Februari in zijn vierde Kousbroeklezing.  Foto Maarten Baas’ Grandfather Clock: Frank Tielemans.

Het kantoor van AM

Er begint soms een licht gespannen sfeer te ontstaan op mijn werk.

Zullen we het er wel over hebben.

Zullen we het er niet over hebben.

AM heeft een boek geschreven en het speelt zich af op een vage onderzoeksafdeling van Justitie. Niet ónze vage onderzoeksafdeling van Justitie, maar toch. Bij de koffieautomaat ligt een printje van de zomeraanbieding van de Arbeiderspers waarin mijn roman wordt aangekondigd. Er zit een geeltje op: dit is dus jouw medewerker, staat daarop. Geen idee wie dat daar neer heeft gelegd. Maar iedereen moet het zo langzamerhand gezien hebben.

Sommige collega’s vinden het leuk. Die feliciteren me. Maar niet iedereen zegt er iets over en sommige collega’s die eerder wel eens in mijn deurpost kwamen kletsen, mijden me, lijkt het.

Als secretaresse Joke taart van de Multivlaai uitdeelt voor haar verjaardag en iedereen aan het kletsen is, vallen alle gesprekken opeens stil als Harmen mij vraagt of er nou ook een publiciteitscampagne komt rondom mijn boek.

– Ehm, nee. Ik geloof van niet, zeg ik. Niet dat ik weet.

En ik zie argwaan in de ogen van mijn collega’s. Ze weet meer. Ze zegt het niet. Ze gaat ons voor schut zetten, afkraken, belachelijk maken. Op Facebook, op posters in de stad, bij Pauw en Witteman.

In het rookhok vraagt Indigo niet aan mij, maar aan mijn langharige collega Jos, of zij eigenlijk ook in het boek voorkomt.

– We komen allemaal voor in het boek van Anne-Marieke, zegt Monique voor iemand iets kan zeggen.

Dan zeg ik wel niets, denk ik. Beter ook. Want ik heb er niet echt een antwoord op. Iedereen komt er op een bepaalde manier in voor. En tegelijk ook niemand. Want je voegt mensen samen, of je bedenkt er dingen bij. De werkelijkheid is simpelweg niet geschikt om over te schrijven. En ik heb al gemerkt dat mensen zich ook herkennen in personages die ze niet zijn.

– Die Sander heeft wel opvallend veel weg van mij, zei toen-geliefde Jason.

– O ja? vroeg ik. Hoezo dan?

– Beste vriend van Jakob, flierefluiter, fotograaf.

– Maar jij bent toch geen fotograaf, zei ik. En geen flierefluiter, voegde ik uit beleefdheid nog toe.

Maar Jason had wel een creatief beroep. En hij was een verdienstelijk fotograaf, zei hij en begon te graaien in kasten en lades om die stelling te onderbouwen.

Ik wilde hem niet teleurstellen en het was ook best een goed idee. Ik heb Sander dus later nog wat trekjes van Jason gegeven.

Ik vind het lastig om in te schatten hoe mijn omgeving op mijn boek zal reageren. Mijn eerste gepubliceerde verhaal valt tot nu toe goed. Ik word gemaild en gebeld. Ge-appt, ge-sms’t. Ik mag het komen voorlezen op de sederavond van mijn joodse familie. Daarbij is ook oudtante Ellen aanwezig die nog Auschwitz overleefde. Vage oude vrienden mailen opeens, ik heb onverwachte bezoekers op mijn LinkedIn profiel. Mijn moeder belt haast huilend op dat er over me getwitterd wordt. En mijn manager sms’t net dat hij kippenvel kreeg en een brok in zijn keel.

Yess.

***FRAGMENT VERWIJDERD***

***FRAGMENT VERWIJDERD***

***FRAGMENT VERWIJDERD***

***FRAGMENT VERWIJDERD***

***FRAGMENT VERWIJDERD***

1-1, Chef. Sms’te ik terug.

Hij heeft mij ook wel eens aan het huilen gemaakt namelijk.

Austin, 12 april 2014

Lieve Gilles, 

Nadat ik je twee weken geleden mijn laatste brief (dd. 29 maart) had gestuurd, kreeg ik vrijwel direct een berichtje terug. “Ben je ongelukkig in Texas?”, vroeg je. Vermoedelijk mailde je dit naar aanleiding van mijn afsluitende alinea, waarin ik schreef dat jij in Austin waarschijnlijk veel beter tot je recht zou komen dan ik. 

Alles lijkt bij jou veel makkelijker te gaan. Daar kom ik later nog op terug.

Ik was geroerd door je korte, maar geïnteresseerde berichtje. Zo geroerd, dat ik ervoor kies om juist daar verder op in te gaan, en jouw laatste brief (dd. 5 april) te laten voor wat die is. Voor het gemak beschouw ik die als niet verzonden, zoals ik dat met al mijn post doe, behalve als er ‘In naam van de Koning’ op staat, want dan moet er dringend iets betaald worden. 

Toegegeven, sommige passages deden me even opveren, zoals bijvoorbeeld die over de groepsdouche. Vergeelde, bijna vergeten hockeyherinneringen drongen zich onwillekeurig aan me op. We waren nog maar C-tjes, maar toen al was het me pijnlijk duidelijk dat ik altijd en vrijwel overal ‘de juiste man op de verkeerde plek’ ben, om jou te citeren. Het viel bepaald niet mee om mijn bijna dierlijke lust te verbergen ten overstaan van Bas H., die al een stugge bos schaamhaar had en voor zijn leeftijd uitzonderlijk groot geschapen was. Vreemd genoeg heeft Dante het in De Goddelijke Komedie over het hoofd gezien, maar voor mij was het douchehok tegelijkertijd hemel en hel. Ik keek verlekkerd mijn ogen uit, maar was als de dood dat mijn teamgenoten mij zagen voor wat ik was; een frisgroen flikkertje met een sterk ontwikkeld balgevoel. 

Hoewel je douchepassage mijn bloedsomloop tijdelijk deed versnellen, slaat die kant noch wal. Dit is Amerika. Nee, dit is Texas, waar preutsheid de norm is. Van elkaar gebroederlijk inzepen is hier geen sprake. Hier doucht iedereen in zijn zwemslip, of nog erger, in bermuda. Dikke kinderen houden zelfs een oversized T-shirt aan, als bange, kletsnatte rappertjes. Ik heb laatst ergens gelezen dat deze trend ook in Nederland gaande is. Dat zou jammer zijn, want ik gun iedereen de vrijheid om zich ongegeneerd te kunnen schamen. 

Het antwoord is nee. 

Nee, ik ben niet ongelukkig in Texas, maar ik integreer hier voor geen meter. Bezorgde ouders slaan in paniek een hand voor de ogen van hun kinderen als ik langsfiets. Bouwvakkers toeteren en schreeuwen onverstaanbare verwensingen vanuit hun pick-up trucks. Ik voel me nog het meeste thuis op ons eigen balkon, maar zelfs daar word ik begluurd door schichtige klanten van de haarlasersalon aan de overkant. “I can have you arrested today”, siste een vers onthaarde moeder me toe terwijl ze haar dochter de auto in sleurde. Waarvoor is me een raadsel; ik zat gewoon in mijn string te schrijven. 

Wat me overeind houdt in dit land is Marijn, mijn Boy Wonder, die verrassend goed is ingeburgerd. Hij is altijd al conservatiever geweest dan ik, en dat werpt hier zijn vruchten af. Zijn stijve heupen en gebrek aan fysieke coördinatie maken hem perfect geschikt voor line dancing, de Texaanse variant van de klompendans die ik ondanks zijn eenvoud maar niet onder de knie krijg. Ik heb nu eenmaal een aangeboren neiging tot twerken

De juiste man op de verkeerde plek. Nergens gaat die kwalificatie meer op dan in Texas. Hier gelden primitieve natuurwetten. Het alfamannetje regeert, en zoals je weet, ben ik een boterzacht gammatype. Daarom zou jij het hier zo veel beter doen, Gilles. Jij hebt leiderschapskwaliteiten. Jij hebt een zwarte band in aikido, produceert moeiteloos het ene prachtboek na het andere en je hebt je mannelijkheid definitief bewezen met je zoon, die niet alleen het product is van pure liefde, maar ook van hoogwaardig zaad, dat zie je meteen. 

Het enige waar ik op terug kan vallen, is mijn swagger. Dat heb je goed gezien. Ondanks alles stapslenter ik stoïcijns door. Ik moet wel, want vluchtgedrag wordt hier genadeloos afgestraft. Toch moet ik je melden dat mijn dagen in Austin geteld zijn. Vanwege immigratiegezeik met mijn visum zal ik een maand eerder dan gepland terugvliegen naar Nederland. Niet dat ik me daar thuis voel, maar het onbehagen in Amsterdam voelt in ieder geval vertrouwd. 

Tot snel! 

– Your man in Texas –

Arjen

 

___________________________________________________________________________________________________

Elke zaterdag op Tirade.nu: de briefwisseling tussen Arjen van Lith, emigré te Austin en Gilles van der Loo, thuisblijver te Amsterdam.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

The Masks of Love

Nog 4 weken tot het Tirade liefdespoezienummer! Hier is mogelijk mijn lievelingsliefdesgedicht ooit:

 

The Masks of Love | Alden Nowlan

I come in from a walk
With you
And they ask me
If it is raining.

I didn’t notice
But I’ll have to give them
The right answer
Or they’ll think I’m crazy.

De Ruis

02 IMG_0113Eens per jaar rijd ik met mijn zoon naar de verste uithoek van ons land om daar een weekje te logeren. Hoewel Nadim – onlangs gestopt met middagslapen – zelfs op zijn beste dagen veel werk is voor twee ouders, kost hij mij in Zeeuws-Vlaanderen als tijdelijk alleenstaande vader nauwelijks moeite.

Dankzij de wifi in het witte huisje op de dijk gaat mijn werk gewoon door. De dagelijkse excursies naar zee, noch de ultrakorte nachten (geen gordijnen in Nadims kamertje) kunnen verhinderen dat ik hier zelfs meer gedaan krijg dan in de stad. 

Ik heb daar maar één verklaring voor: de afwezigheid van De Ruis. Je merkt het als je aankomt, de koffers in je auto laat liggen en met een koud blikje bier voor de deur gaat zitten luisteren naar het tikken van de afkoelende motor. Een slow-mo achterwaarts vallen, alsof een stellage van drukte je al die tijd op je tenen gehouden heeft. 

De ruis – volgens mij standaard onderdeel van het randstedelijk leven – merk je pas bij het wegvallen ervan.

Bedoel ik lawaai? Ja.

Bedoel ik iets overdrachtelijks wat anderen met behulp van het woord energie zouden proberen te benaderen? Ook.

Het contrast tussen situatie A (met ruis) en situatie B (zonder) moet niet te groot worden, want dan gebeuren er rare dingen. Zo reed ik ooit in één ruk in een vijftien jaar oude Ford Fiësta van Amsterdam naar Jutland, waar de familie van mijn ex-vriendin een houten huis aan een klein meer bezat. Voorafgaand aan die 800 rammelende kilometers had ik drie weken lang elke dag elf uur bediend in een van de drukste zaken van Amsterdam. Toen ik in Gråne aankwam hing er een enorme rookgele maan boven het spiegelgladde meer. Het huis had geen elektriciteit en de dichtstbijzijnde lantaarnpaal was twintig kilometer verderop. Kort en hard: de sensorische deprivatie (A-B) die mijn brein die eerste nacht in de grenen bedstee overviel, zette het ertoe aan een extreem levensechte trol naast mijn bed te produceren, die vervaarlijk grijnsde in het licht van mijn flakkerende aanstekervlam. 

Hier in Zeeuws Vlaanderen heb ik nog geen dingen gezien die er niet zouden moeten zijn. Er komt dan ook drie keer per dag een auto langs, en gisteren was zelfs de postbode aan de deur. Ik besloot geen grap te maken over zijn opvallend puntige oren.  

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Groter dan je zelf bent

‘Wanneer de lente komt,

En als ik dan al dood ben,

Zullen de bloemen net zo bloeien

En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar.

De werkelijkheid heeft mij niet nodig.’

 

Dit  is een fragment van een gedicht van Pessoa. Het stond in de poëziekalender van dit jaar op 20 maart. Nu ik nadenk over de kalender van volgend jaar komen er altijd een aantal favorieten langs waarvan ik weet dat ze langs zullen blijven komen. In mijn geval hoort Pessoa daarbij.  J.C. Bloem bijvoorbeeld ook en Drummond d’Andrade, Milosz, Kavafis, Szymborska, Gerhardt. Nou ja. Heel wat.

Nu zou ik De Dijk niet snel in dit rijtje zetten, maar deze regels:

‘En ik weet nog een nacht
Daar moet ik nog een hemel hebben staan
Een hemel waar het wemelt
Van de gratis diamanten.’

Hans Dahl, ‘Bij de fjord’

raken ergens aan Pessoa. Waar? Dat je je verleden kunt rubriceren, dat is wat er denk ik spreekt uit deze regels, dat je in je herinneringen een dag hebt, die ongewoon mooi was, waar je kunt verwijlen. Ik heb bijvoorbeeld een dag van dit type in Oslo ‘staan’.  Ik was de hele dag alleen, de hele week trouwens, maar deze dag was uitzonderlijk mooi. Nadat ik naar het National Museum was geweest, heb ik een goed deel van de dag rondgelopen in een Hans Dahlsfeer. Zie hiernaast. Een wonderlijke schilder, Dahl,  omdat er steeds naast het zoet idyllische net iets meer is.  

Dat deze dag nu voorbij is, maakt me eigenlijk niet zoveel uit. Ik weet nog een dag, daar heb ik nog een onvergetelijk havengezicht staan, en ik heb er een in Schotland, met bloeiende brem, blauwe zee en witte huisjes en de warmte van een lange zomerdag die zwaar op het land rust. Ook het kale gegeven dat het nu in Oslo zo’n dag kan zijn levert me wat op, daar beleef ik plezier aan. Ook zonder dat ik er ben.

Op dezelfde manier abstraheert Pessoa zijn persoon van het bestaan, en ook hij vindt daar blijkbaar een zekere mate van troost in, al klinkt troost te huilerig. Hij lijkt te beweren in dit fragment dat een prachtige dag na zijn verscheiden evenzogoed een prachtige dag is. ‘Ik houd ervan dat alles werkelijk is en alles zoals het moet zijn’ schrijft hij verderop.  Waarom is deze eenvoudigste constatering van een waarheid als een koe nu toch poëzie waar je naar terugkeert?  Omdat het net als in het liedje van de Dijk de wereld wat groter maakt dan je zelf bent. En dat is een onuitsprekelijke opluchting.

 

(Tips en verzoekjes voor de volgende poëziekalender, voor Ester Naomi Perquin en mij? Mail, titels en gewenste datum. Gehonoreerde verzoeken verdienen een exemplaar. )

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Een foto van een oude geliefde

Een van de mooiste scènes in Grip van Stephan Enter (misschien is het zelfs wel het hoogtepunt van de roman) is wanneer het personage Vincent een foto onder ogen krijgt van Lotte, de vrouw die hij ooit afwees maar aan wie hij altijd is blijven denken. Hij lijkt in dit opzicht een beetje op Jevgeni Onegin, die in Poesjkins gelijknamige roman Tatjana afwijst en daar later spijt van krijgt.
            Vincent ziet de foto en hij herkent haar eerst niet: ‘In tegenstelling tot […] hemzelf was ze in die twintig jaar veranderd, was ze gewoon ouder geworden, haast onherkenbaar. En al die tijd lang, al die jaren, had hem dus een beeld voor ogen gezweefd zo achterhaald als dat van een ster die aan de hemel zichtbaar was maar in het universum allang niet meer bestond.’
            Het is een mooi voorbeeld van hoe een mens zichzelf kan bedriegen: volkomen in weerwil van het verstand aan te nemen dat een jeugdliefde er nog altijd zo uitziet als vroeger. Dat ze buiten haar rol in je herinnering geen eigen leven heeft gehad.
            Aan deze scène uit Grip moest ik denken toen ik Mary las. In deze debuutroman van Nabokov krijgt een personage namelijk ook onverwacht een foto van een oude jeugdliefde te zien. Maar in tegenstelling tot Enters Vincent herkent Nabokovs Ganin onmiddellijk degene op de foto – of eigenlijk foto’s, want het zijn er een paar. De vrouw op de afbeeldingen (Mary) beantwoordt nog volledig aan de zoete herinnering. ‘In those photos Mary had been exactly as he remembered her.’
            Dit is niet zo opmerkelijk als ik het nu misschien doe voorkomen, want tussen het moment dat Ganin haar voor het laatst zag en het moment waarop hij de foto’s ziet (foto’s die bovendien al een paar jaar oud zijn) zit veel minder tijd dan voor Vincent het geval is, als hij Lotte niet meer herkent.
            Mary is een schitterende roman, net als Grip trouwens. En de scène waarin Ganin die foto van Mary ziet is prachtig. Ik werd erdoor aan het denken gezet over informatie die wel bij maar niet in een boek hoort. Informatie die een lezer door een achterflap kan krijgen. Er zijn namelijk situaties denkbaar, waarin een schrijver wil dat de lezer al met bepaalde kennis aan zijn boek begint. Als dat zo is, dan zal de schrijver erop toezien dat die kennis in de achterflaptekst wordt overgebracht.
            Ik kocht een editie van Mary waar geen flaptekst op stond. Om toch alvast wat contextuele informatie te krijgen voordat ik begon met lezen, zocht ik op internet naar een korte inhoudsbeschrijving. Die zou je zo in één zin kunnen samenvatten, als ware het de flaptekst van het boek: Een Russische emigré in Berlijn komt erachter dat zijn grote jeugdliefde tegenwoordig de vrouw is van zijn nogal vervelende buurman in het pension waar hij woont.
Mary            Mary begint met een verbluffend sterke scène: Ganin en die vervelende buurman, die elkaar op dat moment nog niet kennen, komen samen vast te zitten in de lift. Er is geen licht, dus ze communiceren met elkaar zonder dat ze elkaar kunnen zien. In deze claustrofobische omstandigheid begint die buurman vol passie over zijn vrouw te vertellen, die over een paar dagen naar Berlijn zal komen.
            Het is hoe dan ook een prachtige opening van een roman. Maar het werkt vooral zo waanzinnig goed als je al weet wie die vrouw is over wie die buurman vertelt. Als je met andere woorden van tevoren de hierboven door mij verzonnen flaptekst hebt gelezen.
            Hetzelfde geldt voor het moment waarop Ganin de foto gaat zien. Zijn hinderlijke buurman is ’s nachts aan het zingen, waarschijnlijk uit gelukzaligheid vanwege het aanstaande weerzien met zijn vrouw. Ganin heeft er schoon genoeg van en klopt aan de deur om te vragen of hij in godsnaam stil kan zijn. Maar hij wordt naar binnen getrokken en belandt zo in een nachtelijk gesprek waar hij geen enkele behoefte aan heeft. De buurman begint wederom op te scheppen over zijn vrouw en zegt op een gegeven moment: ik heb foto’s van haar, ik zal ze je laten zien.
            De lezer die weet dat Ganin nu geconfronteerd gaat worden met zijn oude jeugdliefde, zit op dit moment op het puntje van zijn stoel. Maar dan staat er: ‘Ganin looked at the photograph in the open drawer without much interest. It was a face of a tousled young woman with a merry, very toothly mouth. Alfyorov [de buurman] leaned over his shoulder. “No, that’s not my wife, that’s my sister. She died of typhus, in Kiev. She was a nice, jolly girl, very good at playing tag.”’ Waarna hij wél de goede foto erbij pakt.
             Als je er niet op had gerekend dat Ganin op dat moment de foto van zijn jeugdliefde zou gaan zien, dan werkt deze scène veel minder goed. Dan is het wel geestig maar niet meer dan dat. Er is in dat geval geen verwachting waarmee de schrijver heeft kunnen spelen. Is die verwachting er wél, dan lach je en voel je je tegelijkertijd beetgenomen door de auteur.
            Toen Mary voor het eerst verscheen, in 1926, zullen zijn Russische lezers de plotline er niet bijgeleverd hebben gekregen. Voor mensen die net als destijds die Russen onbevangen aan Mary beginnen (de lezers van dit stuk kunnen inmiddels niet meer tot die groep behoren), openbaren de liftscène en de fotoscène hun werkelijke kracht pas achteraf.

Lost in the Funhouse – over Baas & Barth

1)  Maxim Februari houdt aanstaande vrijdag de Rudy Kousbroeklezing in De Rode Hoed in Amsterdam. Ja, natuurlijk ben ik daarbij. Kaarten: hier.

2)  Zondagavond. Ik zit nog in Milaan. En deze regels tik ik niet zelf, ik dicteer ze aan mijn goede vriend en tolk Francesco Lucarotti. Gisteren was ik bij de preview van Maarten Baas’ BAAS IS IN TOWN en daar heb ik zo verschrikkelijk hard gelachen dat er tengevolge van bloedstuwingen in mijn hals, nek en schouders een paar zenuwen bekneld zijn geraakt – daardoor ben ik op slag ‘lachblind’ geworden. Nee, ik kende de term ook niet. Maar nu dus wel. Zicht verloren, wel je woordenschat vocabulaire verrijkt – geluk bij een ongeluk! Volgens de doktoren krijg ik over een dag of drie vanzelf mijn zicht weer terug. Nou we zullen zien (woordspeling!).

‘Hahaha, schitterend!’

‘Maak het nou niet erger voor die arme jongen.’

3)  ‘Taal is een gevaarlijk medium,’ schreef Maxim Februari vorige week in Prins der duisternis (column, NRC 31/03/2014). Want: ‘Meestal schep je met je woorden een nieuwe werkelijkheid.’

4)  Die blindheid is verder geen probleem. Het is schitterend weer hier – hier in Milaan bedoel ik – dus ik heb mijn zonnebril toch al de hele dag op. Heb me wel verveeld vanmorgen. Maarten en zijn crew zijn de hele dag druk met cameraploegen en journalisten en in mijn situatie is het sowieso niet handig om met die jongens te gaan keten – dat wordt weer zo keihard lachen dat ik straks de rest van de maand ook nog in het fokking donker zit.

 5)  In 2013 was ik een paar weken in de ban van een essay van Maxim Februari, Het regentonrumoer. Ik citeer eruit in de jongste Tirade, in een tekst over David Foster Wallace’ Infinite Jest.

6)  Een paar maandagen terug – op 17 maart jongstleden – beloofde ik hier een blogpost over Maarten Baas’ nieuwe ‘show’ in Milaan. Dat is dit stukje. Voor een overzicht van wat hij doet/toont: kijk hier. Hier lees je blogs over de opbouw van zijn tentoonstelling.

7)  John Barth was één van de grote voor- én tegenbeelden van David Foster Wallace. Barths kortverhaal Lost in the Funhouse – uit de gelijknamige bundel, die door sommigen Laat-Modernistisch en door anderen Postmodern wordt genoemd, MAAR DAT TERZIJDE – gaat over een gezin (vader, moeder, oom, twee jongens, en een vriendin van de oudste jongen) dat een dagje naar een funhouse gaat. De vertelling reflecteert (hoe toepasselijk in een spiegelpaleis) op entertainment, op het verschil tussen taal/wereld en werkelijkheid/kunst – en levert geestige en/want intelligente kritiek op schrijfschoolproza, commercial fiction en hap-slik-weg-literatuur. Het verhaal is een impliciet pleidooi voor oorspronkelijkheid, al is dat dan meteen weer een problematische term omdat solipsisme ook een  – 

‘De tekst plaatst dus kritische vraagtekens bij well made plays?’

‘Zeker.’

‘Het is metafictie?’

‘Het is metafictie. Maar goede metafictie is in de eerste plaats ook gewoon fictie natuurlijk.’

8)  Door mijn lachblindheid heb ik alleen BAAS IS IN TOWN kunnen zien. Vanmiddag ben ik, met m’n zonnebril op, aan de arm van Lucarotti, door wat zalen van andere ontwerpers gedwaald. Lak, verf, chemisch gereinigde bekleding – in iedere ruimte rook het anders. Iedere vloer gaf een ander voetgevoel. Francesco probeerde steeds te beschrijven wat mijn ogen misten. Omdat ik geen woord Italiaans spreek, is Francesco vanuit Rome hiernaartoe gekomen om voor me te tolken. Op de scooter die hij heeft gehuurd, zwieren we van locatie naar locatie. Nu ik niet kan zien, valt me opeens op hoe lekker Francesco eigenlijk ruikt en wat een innemende stem hij heeft. Schrale compensatie voor wat mijn ogen hier allemaal moeten missen.

9)  Lijd jij niet aan tijdelijke lachblindheid – en als jij deze woorden kunt lezen, dan acht ik de kans daarop GROOT – vergeet vanavond dan niet naar Maartens Moestuin te kijken. Bij de VPRO. Om 19.20 uur, Nederland 2.

10)  Heb ik al gezegd dat het nu zondagavond is? Ik kan het zelf niet teruglezen. Ja? Oké. Ik zit aan een tafeltje. Het is donker. Hoewel: ik voel me als licht dat opgaat in het licht. Door die lachblindheid ben ik totaal gedematerialiseerd… of gedecarneerd… Blind tijdens de Salone Internazionale del Mobile– na de filmfestivals in Cannes en Berlijn misschien wel het belangrijkste visuele spektakel van Europa. Hoe ironisch, hoe grappig als je er wat langer over nadenkt.

Zo, nu eerst m’n espresso… waar is Francesco eigenlijk?  Ik leun naar voren, ik reik… veeg per ongeluk een suikerstrooier van tafel… met een bons raakt hij de grond… als ik het ding van de planken vloer wil rapen, knal ik zo keihard met m’n voorhoofd tegen de tafel dat er ergens een draaiorgel aanslaat dat kerstliedjes begint te spelen. Uiteindelijk vindt mijn hand het espressokopje. Ik sla het slokje achterover, zucht. Terwijl ik iets onderuit ga zitten op mijn houten stoel, lees ik mijzelf – in stilte, uit het hoofd, want ik ben wel blind, maar ik mankeer niks aan m’n hersenen – Lost in the Funhouse voor. Dit is de mijmering van de dertienjarige protagonist aan het slot van LITF:

He envisions a truly astonishing funhouse, incredibly complex yet utterly controlled from a great central switchboard like the console of a pipe organ. Nobody had enough imagination. He could design such a place himself, wiring and all, and he’s only thirteen years old. He would be its operator: panel lights would show what was up in every cranny of its cunning of its multifarious vastness; a switch-flick would ease this fellow’s way, complicate that’s, to balance things out; if anyone seemed lost or frightened, all the operator had to do was.

      He wishes he had never entered the funhouse. But he has. Then he wishes he were dead. But he’s not. Therefore he will construct funhouses for others and be their secret operator – though he would rather be among the lovers for whom funhouses are designed.’ *

‘Wat betekent multifarious?’

‘Dat zijn de harde stukjes karamel die bij de productie van stroopwafels soms tussen de – ’

‘Effe serieus.’

‘Veelsoortig, uiteenlopend, verscheiden.’

‘Hahaha, sure!’

‘?’

‘Rare druif!’

TiradeThat’s entertainment!

Soundtrack: Bach, Gould.

Volgende week: Maxim Februari’s Rudy Kousbroeklezing. En meer.

Noot

*Lost in the Funhouse (1963;p.97). In mijn ogen (sorry) is de tegenstelling maker/gebruiker (schrijver, lezer) een retorische.  Maar dat is minder relevant. 

Waarom AM houdt van Daniel Kehlmann

Van de week begon ik argeloos aan Het meten van de wereld (Die Vermessung der Welt) van Daniel Kehlmann. En werd totaal overvallen door onbedaarlijk lachen. Ook om F, een andere roman van Kehlmann, had ik geglimlacht. Maar zo hard? Zo hardop? Zo luidkeels dat mensen in de stiltecoupé opkeken en hun hoofd schuin hielden om de titel van mijn boek te ontwaren? Nee dat niet.

Kehlmanns Meten van de wereld handelt over de grote negentiende-eeuwse wetenschappers Carl Friedrich Gauss en Alexander von Humboldt. Niet bepaald een thema dat humoristische verwachtingen wekt. Maar Kehlmanns inleving in deze genieën van het verleden is onverwacht meeslepend en spitsvondig.

De overijverige Humboldt raast met zijn meetapparatuur de wereld over (hij had de kleur van de hemel, de temperatuur van de bliksems, en het gewicht van de nachtelijke rijp gemeten, hij had vogelstront geproefd, de aardschokken onderzocht en was in de grotten der doden afgedaald). Als dingen schrik aanjagen, is het goed ze te meten, is zijn devies. Gauss meet de wereld vanuit zijn studeerkamer in Duitsland.

De flamboyante von Humboldt en de teruggetrokken Gauss ontmoeten elkaar als grijsaards in Berlijn:

Eindelijk klapte de deur open en Gauss stapte voorzichtig op het plaveisel. Hij deinsde achteruit toen Humboldt hem bij zijn schouders pakte en riep welk een eer het was, wat een groots moment voor Duitsland, de wetenschap en hemzelf.

De secretaris noteerde, de man achter het houten kistje siste: nu!

Humboldt verstarde. Dat was de heer Daguerre, fluisterde hij zonder zijn lippen te bewegen. Een beschermeling van hem die aan een apparaat werkte dat het moment op een lichtgevoelige zilverjodidelaag zou vastleggen en aan de vliedende tijd ontrukken. Alstublieft in geen geval bewegen!

Gauss zei dat hij naar huis wou.

Het is maar één moment, fluisterde Humboldt, ongeveer vijftien minuten, ze hadden werkelijk grote vorderingen gemaakt.

Ach en wee, de geruststellende kracht van humor. Die vind ik weldadiger dan een warm bad. Het eerste schilderij dat ik ooit kocht was een portret van een kat dat op mijn lachspieren werkte. Het lijkt niet echt een kat, maar eerder een soort mens. Er komen snorharen uit zijn oren, er zit een mensensnor onder zijn niet zo katachtige snuit. Nieuwe vrienden en geliefden plant ik aan mijn eettafel en dan wacht ik geduldig tot hun blik naar de kat afdwaalt. Wie lacht is goed volk, wie fronst, die. Tja, die heeft in elk geval de schijn tegen.

Want wie mij aan het lachen maakt. Hardop. Of god forbid tot tranen toe. Die kan rekenen op mijn eeuwige liefde en ontzag. De boeken die het meeste indruk op mij maakten, zijn die waar ik het hardst om heb gelachen. Kaas, Everything is Illuminated, Freedom, om er een paar te noemen. De hemelse combinatie van een meeslepend verhaal met humor, is er een die ik verslind met huid en haar. Zulke schrijvers kunnen niet ander dan wijs zijn. Zulke schrijvers vertrouw ik wereldmacht toe. Want had iedereen gevoel voor humor, dan was er natuurlijk geen oorlog, geen haat. Dan maakte niemand kernwapens, vloog niemand het WTC in, of de Krim binnen. En daarom vraag ik me wel eens af: willen we méér of minder mensen zonder humor?

Amsterdam, 5 april 2014

Optie 8Lieve Arjen,

Geweldig om te lezen dat je helemaal je draai gevonden hebt, in Austin. Ik had niet anders verwacht. Een goed idee ook, om je te laten tatoeëren, al weet ik niet of Gorbatsjovs gezicht, ballonnig als het was, de beste keus is voor op een tanige rug als de jouwe.

Hoewel wij aan deze kant van de oceaan niet de meest communistische associaties hebben bij de brenger van de perestrojka, zullen je nieuwe vrienden bij de rodeo misschien wat bijscholing behoeven. Gelukkig kun je heel hard rennen, en zul je inmiddels ook wel vlot zijn geworden te paard. Jou kennende ben je bij de andere cowboys inmiddels zo geliefd dat ze zelfs je halfdoorzichtigheid door de vingers zien*. 

Terwijl in de stallen achter de arena de bronco’s uit staan te zweten van een ochtend keihard trainen, wordt onder de douches in de catacomben de American-Footballgrote soap on a rope van man naar man geslingerd. TL-licht en condens verzadigen de ontmoeting tussen het bruin en wit van nek en schouders, schouders en bovenarmen. Schuim vloeit rijkelijk over lichaamsbeharing van het soort dat we hier in Nederland niet meer kennen sinds je vertrok. Loopt douchewater van semitransparante cowboys af zoals dat bij gewone cowboys gebeurt, of valt de helft van de stralen door ze heen? Zijn er nadelen aan halfdoorzichtigheid die ik vanachter mijn bureau niet kan bedenken? 

Eenmaal ingezeept lijk je heel even vaste vorm te krijgen; je nieuwe vrienden kloppen je op de schouders en zeggen dat je er verdomd goed uitziet. 

‘A fine strong hand, indeed.’

‘As tough a buck as any I seen.’

‘That there’s some fine Texas muscle.’

Hoe vreemd, dat ik in de twintig jaar van onze vriendschap nooit zag dat Nederland te klein, te koud, te nat voor je is. Als schrijver had ik het inlevingsvermogen moeten hebben om te weten dat je de juiste man op een vreselijk verkeerde plek was. 

Ik vermoed dat je middagslaap vaak verstoord wordt door verwarrende dromen over vrouwen. Schrik er niet van, het is een bijkomstigheid van het vele paardrijden. Dit is wat er gebeurt als een lang gekooid dier weer in zijn eigen biotoop wordt uitgezet. 

Het zal je al zijn opgevallen dat het douchen met je collega’s je – naast de gezelligheid – niet zo veel meer doet. Mocht je overvallen worden door beelden van roomwitte borsten, gouden stro en blonde vlechten, blijf dan even rustig liggen en bedenk dat een heel groot deel van de mannen je voorging. Merijn, die jou zo goed kent, zal het al gevoeld hebben: een geleidelijk verschuiven van je aandacht, als het voorbijstrijken van de avondzon over de gehaakte sprei op jullie bed.   

Niets mis met een laatste vrijpartij. Je hebt tenslotte veel van je Boy Wonder gehouden. Maar als een cowboy ontdekt dat hij verder moet, dan springt hij na een laatste innige zoen op zijn paard om het de sporen te geven in de richting van die immer lonkende zonsondergang. Westwaarts, cowboy Arie. Immer west. 

Je hebt misschien gemerkt dat ik weinig over mezelf te berde breng in wat toch een briefwisseling zou moeten zijn. Cowboy Arie, de semitransparante held van Austin, is zoveel transparanter interessanter dan ik. Geloof me. Er gebeurt hier werkelijk geen reet. Ik ben nog steeds gelukkig getrouwd met Birre, waarvan ik nog precies evenveel houd. Zelfs het aangekondigde schaken van mijn geliefde door de schrijvende String Emil Martijn Knol is niet geloofwaardig dreigend genoeg om mijn gemoedsrust in gevaar te brengen.

Wie kan over geluk schrijven als dat geluk niet wordt bedreigd?

Ons kind is ook nog eens mooi en kerngezond. Heb ik al verteld dat Nadim puzzels van 50 stukken maakt en inmiddels alle letters van het alfabet kent?

Allemaal te saai om je mee te belasten. Mijn boeken verkopen ook al zo goed. 

Misschien gloort er toch een sprankje drama aan mijn verder ergerlijkblauwe hemel: sinds vorige week ga ik gebukt onder een vreselijke jeuk achter mijn oogbollen. Ik hoop op voortschrijdende blindheid. Het zou romantisch zijn je te kunnen schrijven over ochtenden waarop ik me het gezicht van mijn slapende geliefde inprent in de wetenschap dat mijn ziende dagen geteld zijn.

Je vriend in Amsterdam,

 

Gilles

 

 

Ik kon het niet laten. Sorry.

 

 ___________________________________________________________________________________________________

Elke zaterdag op Tirade.nu: de briefwisseling tussen Arjen van Lith, emigré te Austin en Gilles van der Loo, thuisblijver te Amsterdam.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

De tirade poëziespecial is in de maak

De redactie van Tirade werkt hard aan het komende nummer, een special met louter nieuwe gedichten over de liefde geschreven door dichters die wij liefhebben. Houd deze site in de gaten want dit nummer wordt GEWELDIG.

(niet op de foto maar wel hard aan het werk: Marko en Gilles)

 

 

Hier is alvast een gedicht van Gertrude Starink om jullie in de stemming te krijgen. Dit gedicht komt dan weer niet in/uit Tirade, maar staat in de bundel De weg naar Egypte (vijfenzeventig passages 1970-1999, verzameld uitgegeven door het balanseer in 2012)

 

vraag niemand waar ik woon hoe ik nu heet
 vraag niet met wie ik slaap ik slaap alleen
 vraag niemand of ik veel veranderd ben
 
 de vaas is af de oven is gebouwd
 een grote open haard lijkt het meer niet
 ik draag de zwarte jurk de leliering
 
 ik heb de houten tafel stukgehakt
 er staan zolang wat rozen in de vaas
 ik laat je halen als het zomer is
 
 er is geen brug maar de rivier droogt op
 ik heb een gat gegraven in het zand
 de vuren zullen branden als je komt
 
 ik zal er zijn het dolkmes in de hand

De Ereplank

Een tijdje geleden bouwde ik in de werkplaats van een vriend twee boekenkasten. De ene was een wat ingewikkelde constructie, exact op maat voor in het trappenhuis; de andere was een eenvoudiger model, dat om een andere reden veel denk- en meetwerk eiste. In die tweede kast, bedoeld voor de woonkamer, zou namelijk De Ereplank komen. Een plank op ooghoogte en van exact de juiste lengte. 

Overal waar ik woonde had ik zo’n Ereplank. Dat is ook nodig als je geen orde in je bibliotheek houdt. Het concept is simpel: er kan maar een beperkt aantal boeken op, waardoor je steeds de afweging moet maken of er een zwakke schakel in je selectie zit, die je naar de vergetelheid van de rest van de kast kunt verbannen om plek te maken voor een nieuwe lieveling. 

Er is nogal wat verloop geweest in de bezetting van de plank. Bulgakov, Kennedy Toole, Rushdie, Berger, Claudel, Auster en Cunningham hielden het lang vol, maar moesten op den duur allemaal wijken. Coetzee’s In the Heart of the Country staat er al sinds 1992, schouder aan schouder met Bram Stokers Dracula.  

Niemand wil ooit weten wat er zo goed is aan Coetzee, maar ik krijg vaak het gevoel te moeten uitleggen waarom Dracula onvervangbaar is. Misschien wijd ik er nog eens een De Ambassadeur* in Tirade aan. Hieronder een citaat uit het logboek van de jonge Jonathan Harker, die zijn eerste nachten doorbrengt als ‘gast’ in het kasteel van de graaf: 

“God preserve my sanity, for to this I am reduced. Safety and the assurance of safety are things of the past. Whilst I live on here there is but one thing to hope for: that I may not go mad, if, indeed, I be not mad already. If I am sane, then surely it is maddening to think that of all the foul things that lurk in this hateful place the Count is the least dreadful to me: that to him alone, I can look for safety, even though this be only whilst I can serve his purpose. Great God ! merciful God ! Let me be calm, for out of the way lies madness indeed. I begin to get new lights on certain things which have puzzled me. Up to now I never quite knew what Shakespeare meant when he made Hamlet say:

‘My tablets ! quick, my tablets !

‘Tis meet that I put it down,’ etc.,

for now, feeling as though my own brain were unhinged or as if the shock had come which must end in its undoing, I turn to my diary for repose. The habit of entering accurately must help to soothe me.”

In de zo zuiver getroffen toon van de jonge Harker klinkt Bram Stoker door: schrijven vanuit isolement, schrijven tegen de angst; schrijven als houvast in het donker. 

Ik heb helemaal niets uit te leggen. 

 

*sinds 449 een vast item in Tirade.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

In memoriam Erik Menkveld

Erik Menkveld was redacteur van Tirade vanaf nummer 383 in het jaar 2000 tot aan nummer 421 in 2007. Dat is een reeks van 39 nummers waarin de veellezer en veelweter Menkveld zich kon laven aan de rijke functie van redacteur die hij daarvoor al bekleedde bij uitgeverij De Bezige Bij en nadien bij Uitgeverij Cossee. Naast schrijver, dichter, essayist en drummer was  Menkveld eigenlijk vooral redacteur. En programmamaker, bij Poetry en later bij de SLAA  in Amsterdam, waar ik hem  in 2007 beter leerde kennen.  Zijn essaybundel Met de meeste hoogachting was toen net uit, 16 brieven aan bewonderde kunstenaars en 1 ‘aan het nageslacht’ die toen al nauwelijks met droge ogen te lezen was. De brieven bewezen de grondigheid van zijn waardering. In een persoonlijk verhaal over hoe het zo gekomen was dat hij bijvoorbeeld aan John Coltrane verslingerd raakte, confronteert hij de lezer met wat échte studie is. Menkveld beluisterde dan ook meteen alles van zo’n kunstenaar. En toen ik  – als Thomas Mann-fan – een programma voorstelde over deze schrijver bracht hij me de volgende dag vier verfilmingen van zijn werk langs die ik nog niet kende. Menkveld was in de laatste jaren docent aan het Rijnlands Lyceum, een functie die ook uit het hart gekomen moest zijn want hij deelde zijn kennis graag.

De breedheid van zijn interesse moet hij zelf soms ook als een manco ervaren hebben: zo breed geïnteresseerd zijn en dan zo grondig, dat levert een klein oeuvre op van een hoog soortelijk gewicht: drie dichtbundels, een essaybundel en een lijvige roman Het grote zwijgen.

Toen Merijn de Boer en ik als zijn redacteurs met deze roman bezig waren, vroegen we ons op zeker moment af hoe hij de toon van de componisten Alphons Diepenbrock en Matthijs Vermeulen zo goed in het gareel wist te houden. Bronnenonderzoek leerde dat Erik – wat hadden we ook kunnen verwachten – in de tien jaar die er tussen zijn eigen werk als redacteur van de biografie over Vermeulen en het schrijven van deze roman lagen, werkelijk alles had gelezen. Elke snipper Diepenbrock, elke snipper Vermeulen, alle stukken in De Amsterdammer, alles over Mengelberg, maar ook alle vertalingen van Diepenbrock, alle Gids-artikelen.  Zo hier en daar kwamen we een letterlijk citaat tegen, netjes ingepast in de context van wat toch heel duidelijk zijn verhaal was.

In een film van Kees Hin en K. Schippers  over het Merkelbach-archief had Menkveld in een flits een foto van een onbekende dame gezien, van wie hij wist dat ze het voorplat van de roman moest sieren.  Hoewel hij dus voor zeker stelde wat hij slechts in een flits had waargenomen kon Menkveld toch geduld opbrengen met zijn redacteuren die her en der over de tekst  wel wat op te merken hadden. Schrijver én redacteur.

In de roman speelt een georkestreerd lied van Diepenbrock, Im großen Schweigen een belangrijke rol, op een tekst van Nietzsche.  Deze tekst beweegt heel Nietzscheaans van kalm esthetisch naar wanhopig en woedend. Hier is het nog kalm en fraai. Ongeveer zoals ook de wereld was toen we op een zomers hete zevende mei in 2011 in Het Concertgebouw zijn grote roman ten doop hielden bij de uitvoering van  de Missa van Diepenbrock.

 

Das Meer liegt bleich und glänzend da, es kann nicht reden.

Der Himmel spielt sein ewiges stummes Abendspiel

mit roten, gelben, grünen Farben, er kann nicht reden.

Die kleinen Klippen und Felsenbänder,

welche in’s Meer hineinlaufen wie um den Ort zu finden,

wo es am einsamsten ist, sie können alle nicht reden.

Diese ungeheure Stummheit, die uns plötzlich überfällt,

ist schön und grausenhaft, das Herz schwillt dabei.

Oh der Gleissnerei dieser stummen Schönheit!

 

Erik was een man van de geest, een poeta doctus die ik heb leren kennen als een hartelijke en warme persoonlijkheid die met een droog lachje bijzonder veel vrolijkheid kon brengen.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Gekke Lucia

Toen de posters voor Donizetti’s Lucia di Lammermoor in de stad hingen vond ik op mijn laptop een flinke verzameling Callas terug. Over de Lucia (1835) wist ik eigenlijk alleen dat het stuk een van de belangrijkste waanzinsaria’s uit het hele operarepertoire bevat, maar dat had ik van horen zeggen. En dat Donizetti zijn versie baseerde op de roman The Bride of Lammermoor van Walter Scott.

De opnamen van Callas geven mij nu de indruk dat ze haar stem in roomboter gewenteld heeft. Een romig geglibber op een bedje van krakende orkesten uit de jaren vijftig, zo klinkt het. Tussen de stukken van Rossini, Puccini, Bellini en Verdi dook ook de aria Quando rapito in estasi uit de Lucia op. De grote waanzinsaria uit Donizetti’s meesterwerk, geknipt voor Callas’ stembandcapriolen. Een flard muziek die zich al lang geleden in mijn hoofd had genesteld. Hoogste tijd om eindelijk naar die opera te gaan.

Lucia’s familie, de Lammermoors, dreigt ten onder te gaan aan een politieke kwestie. Daarom lijkt het haar broer Enrico handig om haar uit te huwelijken aan een knaap naar zijn keuze. Het probleem is alleen dat Lucia een relatie heeft aanknoopt met Edgardo, een telg van de familie Ravenswood, waarmee de Lammermoors sinds lang in onmin leven. Lucia weigert te trouwen en alle voortekenen wijzen erop dat het verhaal niet goed zal aflopen. Of ze niet beter af zou zien van die Edgardo? Nee dus. En toen begon ze zomaar aan haar Quando rapito in estasi, nog niet eens halverwege de eerste akte.

Raakte ze nu al geschift? Bij Sophocles’ Electra of in O’Neills Long Day’s Journey manifesteert de gekte zich een stuk subtieler. Zelfs in een opera kan de diva niet van het ene op het ander moment krankzinnig worden. Vóórdat Lucia echt gek wordt moesten toch eerst nog haar twijfel, radeloosheid en onrust over het voetlicht gebracht. Dat kwam allemaal nog, na deze uiting van uitzinnige liefde, want dat was het. Ik had de belcanto-zangstijl gewoon verward met hysterie en het woordje estasi verkeerd begrepen (en van de rest niets verstaan). Donizetti schreef voor deze aria muziek die klinkt als het galopperen van een uit het lood geslagen prijspaard met bloemenkrans; geen wonder dat ik op het verkeerde been was gezet.

Na Lucia’s geluksmomentje is het verhaal een aflopende zaak. Haar boze broer zorgt ervoor, met een zogenaamde brief van Edgardo, dat zusje trouwt met een van zijn vrindjes. De huispredikant probeert haar ervan te overtuigen dat ze een juiste beslissing heeft genomen, ware het niet dat het huwelijk zelf ziet als haar doodvonnis. Op dat moment komt Edgardo plotseling terug en raakt iedereen dusdanig over hun toeren dat de zaak ter plekke lijkt te escaleren, maar dat gebeurt niet. In de volgende scène blijkt dat Lucia nog in de huwelijksnacht haar nieuwbakken echtgenoot finaal overhoop heeft gestoken.

Pas dan, tegen het einde van de opera, komt de beroemde waanzinsaria Il dolce suono. Donizetti laat de muziek van het koninkrijk der hemelen alvast klinken… Lucia denkt dat ze nu eindelijk echt gaat trouwen met haar Edgardo, ze zullen elkaar ontmoeten aan gene zijde. Zij snijdt haar polsen door; hij verkiest even later zijn eigen dolk. Op het slotakkoord liggen Edgardo en Lucia dood in elkaars armen, zoals het een goed melodrama betaamt.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.