Het Licht, de Waarheid en de Weg

De gewaarwording dat het universum een plan met je heeft is het gevolg van onze drang om uit een chaotische brij van aangeboden stimuli regels te kristalliseren; om lijn te vinden in wat ons overkomt. 

Een instinct om opgedane ervaring te generaliseren naar andere situaties is aanwezig bij alle diersoorten die het hebben gered. 

Wie enig belang aan Darwin hecht, kan bedenken dat oerguppen die niet leerden om de grote gele snoek te mijden nooit de kans hebben gekregen om iets te worden wat op het land zou gaan lopen. Het nageslacht van die ene oergup die inzag dat het misschien beter was om alle grote vissen te mijden, slalomt nu Whatsappend op de fiets door de ochtendspits.

Dit zoeken naar generaliseerbare kennis, naar onderliggende regels, leidt ertoe dat we wat ons overkomt proberen te plaatsen; trachten onder te brengen in een te volgen lijn. 

Wat ik zeg is: dingen overkomen je zonder dat daar een bedoeling achter zit, en het gevoel dat ‘het allemaal zo heeft moeten zijn’ en er een master plan is, maak je zelf. Het bewijs hiervoor falsificeer je eigenhandig, door die gebeurtenissen te markeren die in je verwachting of hoop passen, en andere te negeren. Zo plegen we aan de lopende band fraude bij onze eigen werkelijkheidsvorsing. 

Dat was de lelijke manier om het te bekijken. Je zou ook kunnen zeggen dat we onze individuele werkelijkheid scheppen, lijn aanbrengen in ons eigen verhaal. Ieders levenswerk is dan het schrijven van dat verhaal, en het geloof waarin je je laatste adem uitblaast zal uiteindelijk waar blijken, al was het maar omdat er geen weerlegging volgen kan.

Gisteren werkte ik aan een hoofdstuk voor mijn nieuwe roman, die zich aan de westkust van de Verenigde Staten afspeelt. De hoofdpersoon is kok. Mijn laatste zinnen van de dag waren: 

Samen lopen we naar de keuken. Freddy heeft de deur opengezet. Onzeker zonlicht valt over de noppenmat, de tegels en het deksel van de vetafscheider. Ik haal de pen uit het slot van de koeling en schuif een groentekrat aan de kant. 

Ik sloot het document met het gevoel dat ik te vaak over licht schrijf. Ik opende het bestand weer, en ontdekte dat het woord ‘licht’ in dertig bladzijden tien keer voorkomt. Zeven keer in de betekenis van zichtbaar licht. Nu heb ik geleerd om in de schrijffase nooit aan mijn werk te twijfelen, maar toch knaagde het. Tot ik afleiding zocht op Tirade.nu en daar de dagcolumn Wat het licht doet van Menno Hartman las, waarin hij schrijft:

“Vanmorgen […] bedacht ik dat het misschien mogelijk is goede literatuur te definiëren als literatuur waarin de schrijver zich bewust is van wat het licht doet. Kijken is de belangrijkste bezigheid van de schrijver. Schrijvers die niet regelmatig of althans soms melden wat het licht doet, zijn minder goede schrijvers. Ik ga daar voorbeelden van verzamelen. Uiteindelijk hebben we weinig meer dan het licht in onze ogen, totdat we ook dat niet meer hebben.” 

Aanzienlijk opgebeurd besloot ik een rondslingerende Volkskrant te lezen, en meteen stuitte ik op een verhaal over een Scandinavische kunstenaar die een van zonlicht verstoken dorp in een gletsjerdal met behulp van spiegels uit het donker haalde.  

Misschien ken je Menno Hartman niet. Dat is jammer. Hij heeft een plan met je. Met ons allemaal, eigenlijk. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.