Wij troffen u niet thuis…

Wanneer je het gevoel hebt dat je een lullig leven hebt, moet je eens naar de bioscoop gaan. In Ken Loach’s nieuw realistisch drama Sorry we missed you vecht een gezin tegen de terreur van te weinig tijd en te weinig geld. Hij gaat voor een pakketbezorger werken die keihard uitsluitend naar resultaat kijkt. Om het überhaupt te kunnen moet hij een bus kopen. Zijn vrouw levert voor die aanschaf haar autootje in: ze gaat voortaan met het openbaar vervoer naar een grote hoeveelheid mensen die hulpbehoevend zijn en in te weinig tijd thuis verzorgd moeten worden. Intussen managet ze per telefoon hun ontsporende zoon, en jongere dochtertje: ‘eten staat in een bakje in de ijskast, niet wachten tot ik thuis ben, huiswerk maken en gaan slapen, niet op je telefoon.’ Hetzelfde dochtertje doet om 12 uur ‘s nachts voor haar in slaap gesukkelde ouders de tv uit en ruimt de pizzaresten weg.

Een nieuwe dag.

Ken Loach draait zijn heel gewone mensen steeds harder de duimschroeven aan: alles gaat mis. En waarom? Hardwerkende mensen met goede bedoelingen zouden moeten kunnen overleven, maar redden dat nauwelijks. Op de poster vrijwel het enige gelukkige moment in de film. Dochter gaat een dagje mee. Daags erna zegt de pakkettenbaas dat er geklaagd is, en dat dat niet mag. Eenvoudig geluk verboden.

Een zwerver

in memoriam Gaston Couté

Hij ging van jaar tot jaar al minder vragen
als laatste schuilplaats voor den dood;
een heel klein huis, gezien de woningnood
met bloemen in den tuin en beukenhagen.

Daarna een kamer in een buitenwijk
met uitzicht op een vaart of op een akker.
Ook uit dien droom riep hem het leven wakker,
‘t was nog te veel, te redeloos, te rijk.

Bleek dit ook ijdel, deze hoop verloren,
restte hem nog het allerlaatst gebed:
te sterven waar hij werd geboren,
de zolderkamer en het ijzren bed.

Er zijn ten slotte nog de hospitalen
waar men de armzaalgste zwervers binnenlaat.
Maar zelfs dien prijs kon ‘t lot hem niet betalen…
Men vond hem dood, een morgen, langs de straat.

Jan van Nijlen

 

 

 

Vol goede moed maar weer verder. Gelukkig zit het weer een beetje mee. 😉

IMG_6285

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Gaston Couté is een chansonnier die beroerd aan zijn einde kwam. ‘La fin de sa vie allait lui être difficile : la tuberculose, l’absinthe, la privation… Il meurt vingt-quatre heures après avoir été conduit à l’hôpital Lariboisière. Hier een chanson door hem gezongen.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Dorp, bladzijde 1

In het begin was er het dorp en het dorp was een wereld. Een vorm van thuis die aan je kleinste veren trok, je dwong er te vertragen, te cirkelen, te dalen.

Aan de westkant van de dijk lagen groene akkers en sloten die de hemel spiegelden, de scherpe lijn van de horizon viel samen met duinen, waarachter de zee.

Wie er een snavel voor had kon geteerde palen ruiken, wier en vette vis, maar de sloten bij het dorp zaten vol modderige voorntjes, en omdat die beesten geen donder zagen was het als jagen in een regenplas.

Ik bleef, sliep en ontwaakte, volgde het draaien van de zon en de sloten voedden me door een winter, een lente, een zomer heen. De herfst kwam weer en ik bleef. Wat ze jaren noemen verstreek.

Een weg van staal en kiezels werd aangelegd en sneed de landerijen ten zuiden van het dorp af; in het oosten naderde de stad. Vanaf mijn tak, die als een spriet begon maar dikker werd en steeds hoger kwam te liggen, keek ik naar de bouw van een terrein van vuur en rook.

Het water in de sloten werd bitter en er zat veel minder vis; bij oostenwind stikte je zowat in de lucht van het terrein, maar mijn tak ging verder de hoogte in en ik sliep en waakte, viste, bleef. De soortgenoten die mijn boom aandeden leken niet gevoelig voor het dorp, en ik merkte dat ik hen steeds minder goed verstond.

Wat ik te vertellen had ging over het dorp en de mensen die er woonden, maar mensen leken hen niet te interesseren. Ze vingen moddervisjes uit mijn sloot, pikten er wat lusteloos aan en vlogen weer op.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Een bijzonder weerbarstige bovenlip

14 Charlotte BronteDe dagen worden korter en donkerder. Tijd voor een nieuwe verfilming van Jane Eyre, wat mij betreft. De roman die Charlotte Brontë (onder het pseudoniem Currer Bell) in 1847 schreef wordt zeker elke 10 jaar opnieuw bewerkt voor film of televisie. In Nederland heb ik nog geen adaptatie voor theater gezien, daar moest ik maar eens werk van maken. Maar film verzamelt makkelijker, dus niet getreurd. En bij alle verzamelingen geldt: hoe meer, hoe leuker.

De hoofdvraag is uiteraard hoe Jane gespeeld wordt. Is zij speelbal van het lot, zoals Zelah Clarke in de BBC-miniserie in de regie van Julian Amyes uit 1983? Of wordt ze neergezet als een pittige vrouw die ondanks haar slechte perspectieven weet wat ze waard is, zoals in mijn voorlopige favoriet uit 2006 (ook van de BBC). In deze versie, geschreven door Sandy Welch en geregisseerd door Susannah White, speelt Ruth Wilson een bijzonder weerbarstige, bijna boze Jane. Die bovenlip! Alleen al voor de mond van Wilson is deze versie het bekijken waard.

Maar mijn ware guilty pleasure ligt in analyse van de structuur. Hoe zijn de scènes gerangschikt, waar ligt de nadruk? Brontë laat Jane als ik-figuur regelmatig van invoelend naar vertellend schakelen. Hoe zijn die beschrijvende delen in beeld gebracht? Hoe is omgegaan met Janes jeugdherinneringen aan het pleeggezin van tante Reed en de kostschool Lowood?

Tweede op mijn lijst favorieten staat de versie van Robert Stevenson uit 1944. De bewerking van Aldous Huxley maakt ruim baan voor die  jeugdherinneringen. Hier zijn de scènes in de wrede kostschool tussen de kleine Jane (Peggy Ann Garner) en Helen (een piepjonge Elizabeth Taylor) sleutelmomenten. De meeste adaptaties raffelen de jeugdherinneringen af. Of laten ze zelfs helemaal weg. Het is inderdaad weerbarstig materiaal, want het haalt de vaart uit het liefdesverhaal. Toch zijn het juist de jeugdherinneringen die het personage van Jane diepgang geven.

Dat brengt me op House of Cards. Heeft even niks met literatuur of jeugdherinneringen te maken, maar des te meer met adaptatie en structuur van fictie. De Amerikaanse Netflixserie startte in 2013 en is een remake van de BCC-serie uit 1990 (ook op Netflix te zien). Bekijk eens de eerste twee afleveringen van de originele Britse versie en daarna de eerste minuut van de Amerikaanse remake.

In het Britse origineel speelt Ian Richardson een bijna toneelmatige en indrukwekkend subtiele politicus. En ook Diane Fletcher als zijn echtgenote heeft een bijzonder weerbarstige bovenlip. Pas halverwege de serie realiseerde ik me dat ik zat te kijken naar een hedendaagse versie van het machtsbeluste, verdorven echtpaar Macbeth. De remake heeft daar slechts 1 scène voor nodig. De Amerikanen verwerpen doelbewust een gouden toneelregel: ‘no play without delay’.

Moraal van het verhaal: elke tijd verdient z’n  eigen adaptatie. En het huiswerk voor de komende donkere dagen is niet de volgende ‘original’ binge-watchen maar nieuwe versies van oude, overbekende verhalen herkauwen. Leve de weerbarstigheid!

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto: Bas de Brouwer

 

 

 

Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

Een wereld aan verhalen

Het duurde even voordat ik doorkreeg dat je nooit moet zeggen dat schrijven je makkelijk af gaat. Weinig lijkt in de literaire wereld meer irritatie te wekken.

Tien jaar geleden zei ik aan de lopende band van dat soort dingen. Niet om op te scheppen over mijn vruchtbaarheid, maar omdat het echt zo voelde. Er is tijd nodig om door te krijgen wat dit werk precies van je vraagt.

Het schrijft zichzelf.

Ik hoef alleen maar op te schrijven wat mijn personages denken en doen. 

Ik heb meer verhalen in me dan ik schrijven kan.

Ik was een kleuter met een kartonnen zwaard die zich opwindt over de minimumleeftijd voor soldaten. Toch kan ik het de beginner niet kwalijk nemen dat hij dit soort dingen zegt. Laat er alsjeblieft een periode in je carrière zijn dat je het zo ervaart. De keerzijde komt toch wel.

De romantiek van het schrijverschap bestaat alleen aan de buitenkant. Vroeger leefden we in harde armoede, tegenwoordig hebben we er drie banen bij om niet in armoede te hoeven leven. Geen erkenning zal ooit genoeg zijn.

We doen het omdat we ons slecht voelen als we het niet doen. Omdat we ons geweldig voelen als het lukt en een verhaal – voor heel even – zichzelf lijkt te schrijven. Of juist helemaal niet, maar na dagen schaven in de buurt komt van wat we voor ogen hadden.

Na verloop van tijd kunnen we niets anders meer. Schrijven maakt je ongeschikt voor werken in teamverband, onder een baas en onder tijdsdruk. Uiteindelijk maakt het je – dat geloof ik echt – ongeschikt voor alles behalve het eigen werk.

Slim is anders. Gezond is ook anders.

Er kleeft noodlottigheid aan het schrijven, en dat is onmiskenbaar romantisch.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Niemand wist wat het was

Niemand wist wat het was, emergence. Dat was niet erg, want we waren bijeengekomen om het te bespreken. Afgelopen week was ik te gast bij het Institute for Advanced Study (UvA) omdat ik geïnteresseerd  ben in zwermgedrag van vogels.

Samen met zeven fellows van IAS zat ik in een kring. Alle andere medewerkers waren al naar huis en de bewaker kwam vragen of er nog studenten aanwezig waren. Er viel een stilte. Hij herhaalde: ‘Ik zie popcorn. Zijn er ook studenten?’

We hadden via YouTube gekeken naar een college van Francis Heylighen (tijdens het 7e Elsi symposium over comparative emergence, januari 2019). Heylighen is cyberneticus en zijn onderzoek richt zich op complexe, zelforganiserende systemen. In het college zet hij uiteen dat emergentie weliswaar complex is, maar met de juiste woorden en redenaties toch eenvoudig begrepen kan worden. Dat viel tegen.

De gedachte dat emergentie een holistische term is ging nog wel. Het geheel is meer dan de som der delen, of zoals Heylighen zegt: het systeem heeft eigenschappen die niet zijn terug te voeren op de afzonderlijke onderdelen. Emergentie is dus ‘meer’. Zo bekeken is taal een sequentie van vele opeenvolgende emergentietjes, die met elkaar interacteren en samen een steeds complexer systeem vormen.

Toen het filmpje was afgelopen zei de filosoof dat het problematisch is dat emergentie ontstaat in een black box, onttrokken aan ieders waarneming. Wat je niet kunt waarnemen, kun je niet bestuderen, beaamde de natuurkundige. Erger nog, zei de filosoof: dat bestaat misschien gewoon helemaal niet.

De bioloog ruilde de bak zoete popcorn met de viroloog tegen de zoute. Ik probeerde de discussie bij te benen. Dus ‘het geheel’ is een netwerk aan elkaar gekoppelde systemen, waarbij er cumulatief maar onzichtbaar een meerwaarde ontstaat. Emergente kwaliteit vloeit spontaan voort uit het aaneenschakelen van elementen, tot er complexe systemen ontstaan die niet vooraf uitgedacht zijn noch centraal geregisseerd. Het is spontaan, maar niet vrij. En daar begreep ik het niet meer.

De stedenbouwkundige las mijn gedachten en zei dat ze de uitleg van Heylighen erg lineair vond. Ze zei: dus emergentie is het gevolg van een vaststaand, stabiel en serieel patroon van actie en reactie to the max? Ik verslikte me in de popcorn. Hoezo vaststaand? Wat doet ‘het systeem’ dan met de afwijking? En met de dissident? Kan emergentie subjectief zijn? Als betekenis emergent is, is schoonheid dat dan ook?

En toen kwam die bewaker.

Hij keek de kring rond en zei opgewekt: ‘Ik stel een tamelijk simpele vraag, hoor. Is een van jullie student?’ Wij keken elkaar vertwijfeld aan. Kennelijk voelden wij ons student. Waarom was dat van belang? Buiten was het inmiddels donker geworden, een tram kwam rinkelend tot stilstand voor een fietstoerist die in de rails was geraakt. Kennelijk was het allemaal niet zo eenvoudig. Geamuseerd keek de bewaker ons om beurten aan, wij schudden het hoofd. Nee, we waren geen studenten en de popcorn was op. Soms is het ook buiten de black box al moeilijk genoeg.

 

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto: Bas de Brouwer

 

 

 

Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

EL CORDOBÉS

Laatst kwam ik op TIRADE.NU Erop of eronder, het stierengevecht revisited van Menno Hartman tegen. Al breekt hij er niet echt een lans voor het stierenvechten in en heeft hij het slechts op TV gezien, toch heeft het hem niet onberoerd gelaten. Anders zou hij niet gefascineerd zijn geraakt door de stilering ervan.

Toen ik zijn stuk las, moest ik denken aan een stierengevecht dat ik lang geleden heb bijgewoond. Om wat ik toen heb meegemaakt geloof ik niet dat stierenvechten, zoals hij concludeert, zou gaan over ‘Het intieme moment dat steeds terugkeert: onderwerping en vernedering van de toreador.’ Of dat zijn falen en pijn het hoogtepunt zou zijn. Natuurlijk zullen er best toeschouwers zijn die genieten van de vernedering van de torero. Maar of het daarom draait?

Ik was nog geen 20 toen ik voor het eerst een stierengevecht zag. Of het op de Plaza de Toros in Santander of Burgos was, weet ik niet meer, maar de corrida zelf, eind juli, begin augustus ‘63 staat in mijn geheugen gegrift, ten minste: het optreden van de legendarisch geworden El Cordobés.

Het was bloedheet die middag. Ik had een staanplaats op de tribune in de zon genomen, want dat was het enige wat ik mij met mijn budget als lifter kon veroorloven. Het was al ver na vieren en ik keek tegen de zon in. Maar als ik El Cordobés niet het bravourestuk zag uithalen dat hij geregeld vertoonde: de stier tussen de horens kussen, is dat niet doordat ik halfverblind werd. Nee, die middag maakte hij de indruk dat het gevecht zelf hem niet echt interesseerde, alsof hij met zijn gedachten ergens anders was dan bij de stier. Wel liet hij het dier akelig dichtbij komen: verscheidene keren schampte de kolos met de lendenen langs zijn ribbenkast, alsof de matador de lijfelijke confrontatie juist opzocht.

Maar nadat de finale met een paso doble was ingezet, leek de vertoning een nogal abrupt einde te vinden. Want hoewel hij geen enkele angst voor de stier scheen te hebben, stak El Cordobés in tegenstelling tot de andere torero’s die ik die middag zag optreden en die het schouwspel soms lang rekten, zijn degen vrij direct tussen de schouders van het dier om hem de genadestoot te geven. Kennelijk vonden de mensen om mij heen dit een veel te snel einde, want ze begonnen te joelen en te fluiten. Vooral toen de stier door bleef lopen, zich omdraaide, met de hoeven door het zand sloeg en op de torero afkwam, ontaardde de eerst alleen her en der geuite afkeuring in een hels gefluit. Opvallend genoeg had de matador bij de eerste tekenen van misprijzen zijn rug naar de stier toe gekeerd en keurde hem geen blik meer waardig. Hij liep met vastberaden tred, niet langzaam, niet snel, richting de catacomben, als om kenbaar te maken dat hij zijn werk gedaan had en zich er niet meer mee bezighield. Hij stapte bedaard voort, het hoofd geheven, ook toen de stier meer vaart begon te krijgen en recht op hem afstormde.

Toen hij nog zo’n tien meter van de matador verwijderd was, nam het gejoel af, en met elke meter die de kolos de man naderde, werd het stiller. Ja, alle gefluit was weggevallen en je kon nu het dof stampen van de hoeven in het zand horen. Maar alsof hij doof was geworden liep El Cordobés onverstoorbaar verder naar een gaping in het beschot rond de arena, die toegang gaf tot de catacomben. Ik herinner mij nog dat door mij heen flitste: wil hij dood? Kan hij de schande niet verdragen door het publiek te worden uitgejouwd, geminacht? In de stilte die was gevalien, slaakte een vrouw een kreet. Er trok iets als een huivering door de massa toen de stier de man op nauwelijks twee sprongen was genaderd en zijn kop omlaag bracht om zijn belager op de hoorns te nemen. Want omdat El Cordobés in hetzelfde tempo bleef doorlopen, alsof hij het beest niet vlak achter hem hoorde snuiven, moet iedereen in de arena bewust of onbewust hebben begrepen wat er te gebeuren stond.

Wat zich in het nu volgende ogenblik afspeelde, is iets waar ik nog steeds geen verklaring voor heb. Was het een wonder? Of misschien toch gewoon de wet van de zwaartekracht? Want op hetzelfde moment dat de kolos met de kop naar beneden ging om zijn kweller omver te stoten en onder zijn hoeven te vermorzelen, zakte hij door zijn voorpoten en stortte neer op de grond. Het duurde even voor de menigte zich realiseerde dat de matador de dans was ontsprongen. Maar toen dit eenmaal tot iedereen was doorgedrongen en de spanning gebroken was, begon de massa opnieuw te joelen, dit keer heftiger nog dan eerst. Het stadion werd afgebroken, men stampvoette op de tribunes en scandeerde de naam El Cordobés. Maar de torero zelf leek onaangedaan; zonder de pas te vertragen of te blijven staan om het applaus en de toejuichingen in ontvangst te nemen, liep hij door en verdween in de catacomben. Al werd zijn naam steeds luider geroepen en was ook het publiek op de overdekte zittribunes overeind gekomen, El Cordobés kwam niet terug in de arena: alsof hij weigerde een publiek te bedanken dat hem had uitgejouwd.

Zelf heb ik in mijn leven drie corrida’s bijgewoond. Eén in Portugal, één in  in Frankrijk, en één in Spanje. In Portugal werden de stieren niet gedood, dat was meer een tamme circusvoorstelling; in Frankrijk heb ik de zes keer dat een stier de arena werd ingejaagd, steeds niets dan een ordinaire slachtpartij gezien. Als mijn herinnering aan het stierenvechten in Spanje van een andere orde is, komt dit door El Cordobés, die op een fataal moment een ware doodsverachting tentoonspreidde. Op grond daarvan denk ik dat je ten onrechte veronderstelt dat het hoogtepunt van de corrida het falen, de pijn of zelfs de vernedering van de torero is. Als het daarom draaide, zouden de tegenstanders zonder meer gelijk hebben dat stierenvechten iets verwerpelijks is, een armzalige vertoning. Nee, de Spanjaarden komen naar het stierenvechten om een ritueel bij te wonen, of preciezer nog, om een confrontatie met de dood mee te maken waarbij het gaat om moed. De moed van de torero, de moed van de stier. Hoe reageert de matador als hij op de grond ligt en de stier op hem afstormt: wat is hij dan waard? Blijft hij kalm in het aangezicht van de dood?

De beroemde torero Paco Ojeda heeft eens gezegd: “Ik ben niet bang voor de stier, ik ben bang voor het misverstand.” Het misverstand die middag in Burgos was dat het publiek aannam dat de matador het ritueel niet juist voltrokken had: dat hij de stier in plaats van hem met één welgerichte stoot te doden, niet naar behoren had geraakt. Dat hij zich hiermee had gedegradeerd tot een slachter. Maar El Cordobés was bang noch voor de stier noch voor het misverstand. Het enthousiasme negerend van een publiek dat hem een moment eerder tot zó’n extreem bewijs van onverschrokkenheid had gedreven, vervolgde hij ook in deze ogenblikken van triomf zonder op of om te zien zijn weg naar de catacomben, en verdween.

Dit aan het sacrale grenzend gebeuren kwam in mij terug bij Menno Hartmans stuk over het stierenvechten. Ik ben het volkomen met hem eens dat wij daar vanuit onze cultuur geen oordeel over moeten vellen en de Spanjaarden zelf maar moeten laten uitmaken of zij deze traditie willen behouden of niet.

Wel vraag ik mij de laatste tijd steeds meer af: maar ík, waarom in hemelsnaam ben ík, een noorderling, tot driemaal toe naar een corrida gegaan? Voldeed die eerste serie van zes dan niet?

Achteraf gezien was mijn bezoek aan de Plaza de Toros in Burgos meer dan genoeg. Van de achttien keer dat in mijn bijzijn een stier de arena werd ingejaagd, was er maar één krachtmeting bij waarom ik mij niet schaar onder degenen die dit oude ritueel liever vandaag dan morgen zien afgeschaft. Een exclusieve waardering, die naar zowel de matador als de stier uitgaat. Want alleen bij het optreden van El Cordobés kreeg de stier de kans zijn moed ten volle te tonen en zijn woede tot het laatste (ook voor hem) glorieuze moment op zijn doodsvijand te richten.

 

—-

Hans van Pinxteren is dichter en vertaler

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hans van Pinxteren

Hans van Pinxteren is dichter en vertaler

Driekoningen

In de rij bij de kassa van de bouwmarkt stonden twee bonkige mannen met stof in hun haar, hun armen vol dozen vol schroeven. Daar bovenop lagen Snickersrepen en Bifiworsten uit het schap naast de lopende band.

‘Halloween,’ zei de een. Hij haalde zijn schouders op, de pijpen van zijn betongrijze overall gingen mee omhoog.

‘Mijne ook,’ zei de ander.

De mevrouw achter de kassa scande, doosjes vlogen als ijshockeypucks over haar laserraampje.

‘Van het ene op het andere jaar is het afgelopen,’ zei de overall.

‘Leuker toch? Met verkleden en zo.’

‘Vampiers, waren de mijne.’

‘Kees ging als lijk.’

Alles mocht op rekening. De repen en worsten gingen in broekzakken, de schroeven in een plastictas.

‘Gaat Jana wel zitten?’

‘Vorig jaar kwam er bijna niemand langs.’

Later vandaag zou ik falende lichtjes in zelfgemaakte lampionnen proppen en met Ada en Nadim een rondje door de wijk lopen. Warmte zou uit volle gangen over hun rillende lijven rollen. Tienermeiden zouden snoep uitdelen terwijl ouders witte wijn dronken op de achtergrond.

Waar ik opgroeide had je Driekoningen. Ik herinner me de eerste Sintermaarten, na onze verhuizing naar het noorden.

Het voelde niet hetzelfde, en ik deed er dan ook niet aan mee. Pas met mijn eigen kinderen zou ik op 11 november langs de deuren gaan.

Ada en Nadim zullen Sintermaarten zonder moeite inruilen voor Halloween.

Nadim heeft een roodgevoerde cape en van die spitse tanden. Zijn oma maakte ook een cape en tandjes voor zijn knuffelkonijn Pietpiet.

Voor Ada denk ik aan een zombie.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Gewoon de trap af glippen

foto: August Strindberg “Packis i stranden” (1892)

Recent schreef Sytske van Koeveringe een nieuwe interpretatie van het klassieke toneelstuk (uit 1898) ‘Naar Damascus’ van de Zweedse schrijver August Strindberg. Haar stuk heet Naar Ikea en gaat, zoals de titel verraadt, over een moderne hel.

Bij Van Koeveringe is de schrijver geen oudere  man, maar een jonge vrouw. Zij maakte ooit goud uit de bagger van het dagelijks leven, maar nu is ze ziek. Hij is de aanhankelijke hond die in de hal wacht tot zij hem mee uit neemt.

‘Naar Ikea’ begint als een herkenbare man-vrouw verhouding, hoewel de klassieke rollen van 121 jaar geleden zijn omgekeerd, maar al snel groeit het stuk van een zeker naturalisme uit tot een expressionistische, vervormde kijk op het leven. Die lijn volgt precies het verloop van Strindbergs schrijverschap. Ook hij eindigde ver verwijderd van het naturalisme waarmee hij ooit begon.

Van Koeveringe draaide niet alleen de man-vrouw verhoudingen om. Ook voor haar expressionisme koos ze een eigentijdse vorm. Zij schreef voor haar twee hoofdpersonages, Zij en Hij, allerlei min of meer abstracte alter-ego’s.  Er komt een Ex-echtgenote voorbij, een Verkoper met zalvende praatjes en een Parkeerwachter. Maar ook Gekte, Jaloezie, Levenservaring en een allesverwoestende Tumor maken hun opwachting. Onder druk van dergelijke helse krachten is het voor deze vrouw en man moeilijk zichzelf staande te houden. Er wordt geen goud meer gesponnen aan de schrijftafel, de kersverse relatie loopt vast.

Het gevolg is stilstand, een wanhopige poging tot grip houden op de werkelijkheid, een ondergaan van tijd. Een niet-handelen. Een babbelen in het Boeddha-slaapkamer-arrangement in de hoop tenminste elkaar te kunnen vasthouden. Er is alleen heden, voor wat het waard is. Want als de toekomst slechts existentiële eenzaamheid en desolate destructie is, waarom zou je dan nog zoeken naar een horizon? En als je geen toekomst hebt, maakt het dan nog uit wat je geschiedenis is?

Een dergelijk vacuüm las ik ook in de debuutroman van Sytske van Koeveringe. Julia, de hoofdpersoon van Het is maandag vandaag (in 2017 verschenen bij De Bezige Bij), is een observator die lijdt aan slapeloosheid en depressie. Ze verdooft zichzelf met voedsel, alcohol en ibuprofen. Niet het grootse of wereldlijke drama staat in deze roman op de voorgrond, maar de slopende gang der dagelijkse dingen.

En als eindelijk een crisis aanstaande is glipt Julia gewoon de trap af. Letterlijk. En zonder groeten. Van Koeveringe laat de andere personages vlak voor het hoogtepunt gewoon op de overloop staan. Hoofdstuk afgelopen. Niks geen confrontatie, niks geen crisis en ook geen ontspanning. Dat is de dodelijk depressieve status quo die onderwerp is van deze prachtige roman.

Ik denk wel eens dat we, literair gezien, in een zwevende zeepbel zonder gronding zitten. Misschien is er in onze werkelijkheid zoveel context, dat het in fictie prettig is om een dilemma tijdelijk te isoleren. Gewoon even afzonderen van de rest van de wereld, ongemerkt verdwijnen in een universum zonder verleden, maar vooral zonder toekomst.

 

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto: Bas de Brouwer

 

 

 

Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

Dit boek ken je niet en is geweldig

Vorig jaar in juli stond ik in Powell’s Bookshop in Portland, Oregon. Van Amerikaanse boekwinkels word je buitengemeen vrolijk. Vanwege het feit dat dat er in zo’n staat – maatje Frankrijk – vast heel weinig boekhandels zijn, is wat er wél is ook fantastisch. Verdieping op verdieping, en bij literatuur vond ik alles wat ik wilde zien en in handen houden. Buiten een van de hipste steden in Amerika, daar weer buiten, veel en wilde natuur.

Ik zocht een paar mooie drukken van Norman Macleans A River Runs Through it, over wilde natuur gesproken. Drie steengoede lange verhalen die hoogleraar literatuur Maclean op zijn 70e schreef, hij debuteerde ermee. Ze spelen langs een rivier bij het vliegvissen, in bosbouwkampementen en bij de brandbestrijding, alle in Montana.

Ik ben heel blij dat wij dit boek – in een vertaling van Dirk-Jan Arensman – nu hebben uitgegeven. Het prachtige omslag is ontworpen (en getekend) door Lotte Dirks. ‘In gelijke mate een vissershandboek, een literair meesterwerk en spirituele gids’ – The New York Times hebben we op de achterflap gezet, want zo is het. En we namen een begeleidend essay van Paolo Cognetti op, vertaald door Patty Krone en Yond Boeke.

Een wijs en rijk boek.  Ik raad je van harte aan het een kans te geven.

 

 

IMG_6285

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot. En vindt dat op dit blog hij heel soms schaamteloos reclame mag maken voor boeken van Van Oorschot.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Te paard

Het was Nadims verjaardag en op verjaardagen van kinderen brengen ouders offers.

De hobby’s van mijn zoon waar ik niets mee heb raken me het meest omdat daarin zijn persoon te zien is: ik leer hem kennen als hij onaangestuurde keuzes maakt.

Nadim wilde met ons paardrijden en dus gingen we. Nu heb ik hier al eens uitgeweid over mijn gevoelens voor paarden en het onzalige idee op die dingen te gaan zitten. Een wezen met de schichtigheid van een konijn en het gewicht van een orka is per definitie een slecht wezen om te berijden.

Mijn hekel begon op jonge leeftijd, bij een pony die Diamond heette en die de kunst verstond kinderen met een ferme ruk van de kop (niet het hoofd, nooit het hoofd. Ze hebben ook geen benen, maar poten) in het manege-zand te slingeren. Diamond zette voor mij altijd een tandje bij door vervolgens een zegeronde door de bak te draven met mijn zesjarige zelf schreeuwend langszij.

‘Lóslaten die teugels,’ riepen alle moeders van de kant. Maar ik liet níks los. Ze konden de tering krijgen. Toen het stof voor de achtste keer in één week was neergedaald en mijn tranen en snot waren weggeveegd, gaf ik er de brui aan.

Een paar jaar geleden zat ik nog eens op een knol, die er met me vandoor draafde in een bos vol laaghangende takken. Mijn schoonzus vertelt dit verhaal graag omdat het de enige keer is dat ze ooit paniek in mijn ogen zag.

Nadim wilde dus paardrijden, mijn schoonzus ging ook mee. Ik zou me niet laten kisten.

Ik kreeg een trage knol en het lukte te blijven zitten. We reden naar zee en draafden langs de vloedlijn. Het was machtig mooi en mijn zoontje straalde. Af en toe reed ik met mijn schoonzus op en maakte het gebaar dat we liefdevol voor elkaar reserveren. Een soort omgekeerde vuist waarvan de middelvinger opgestoken is.

Het moment om te galopperen liet ik voorbijgaan, maar ik kreeg spijt toen ik mijn familie zag gáán op die beesten. Sommige waren gevlekt als mustangs, wat samen met de aanwezigheid van zeewater mijn hele orka-ding op een andere plek deed vallen. We reden weer naar de stal en ik stapte meurend naar paardenzweet af.

In de auto terug naar huis was mijn schoonzus stil. Ik groette tegenliggers en liet andere weggebruikers voorgaan, onderwijl prettige gedachten denkend. Na een tijdje zocht ik het gezichtje van mijn jongen in de achteruitkijkspiegel.

‘Vond je het mooi, man?’

‘Het was gewéldig,’ zei hij, nagloeiend van de rit.

‘Ja,’ zei ik. Misschien was het tijd om Diamond te vergeven. ‘Dat was het.’

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Meester van het heelal

Laurent Binet zei in een interview dat hij de wereld wilde lezen als een boek.

Hij schreef De zevende functie van taal, een detectiveroman over taalwetenschapper Roland Barthes, die op 25 februari 1980 in Parijs overhoop werd gereden door een bestelbusje. In het magische universum van Binet blijkt dit moord. En hoe meer doden er vallen, hoe duidelijker het wordt dat Barthes een zevende functie van taal heeft ontdekt.

De theorie van de zes functies van taal is afkomstig van Roman Jakobson, maar Binet laat Barthes vlak voor zijn dood een zevende functie vinden. De precieze inhoud van deze zelfverzonnen functie onthult Binet niet. Hij suggereert alleen dat het een krachtige toverformule is die aanzet tot daden. Wanneer woorden en daden hetzelfde kunnen zijn, heeft degene die over dergelijke woorden beschikt ongekende macht, dat is het uitgangspunt. Dus proberen politici en malafide linguïsten Barthes’ document in handen te krijgen, want ‘wie de taal beheerst is meester van het heelal’.

Maar ik las ook iets anders. Niet alleen de taal is oppermachtig in dit boek. Ik kreeg de indruk dat de geheime formule veel breder is. Binet laat zijn personages namelijk niet alleen de taal interpreteren, maar ook al het andere. Juist wat niet gezegd is, wordt ‘gelezen’. Ook wat niet bedoeld is, wordt geïnterpreteerd. Dat besef voelde als een klompje goud. Ik lag er wakker van.

Ook ik lees de wereld als een boek, nee als een theaterstuk. En in het theater zijn juist de non-verbale tekens oppermachtig. Dat wat achter de woorden wordt verborgen, daarin schuilt de kracht. Om betekenis te kunnen ‘lezen’ kan, mag, moet ieder detail worden geïnterpreteerd. Natuurlijk zit ik er in het echte leven heel vaak naast. Maar de poging tot interpretatie is voor mij het leven zelf. Voor mijn geliefde is dit af en toe best lastig, dat geef ik toe. Veel mensen bedoelen namelijk met veel dingen helemaal niks. Die dingen zouden niet moeten worden geïnterpreteerd, die zijn er gewoon.

Of niet?

De klok moest worden teruggezet. Precies om drie uur stond ik in een slapend huis, een stille straat, een zwijgend universum en gaf mezelf een extra uur. De wereld lezen als een boek, ja ja. Ik nam een slok water en kroop terug in bed.

Telkens opnieuw beet ik mijzelf in halfslaap in mijn staart. Binet suggereert dat de zevende functie van taal op de grens van de poëtische en de appelatieve functie ligt. Dus dat is zoiets als een fraai geformuleerd bevel. Was dat nou zo verontrustend? Waar was mijn klompje goud?

Stel, de échte macht zit in alle functies samen, het idee dat alles opgeteld moet zijn. En niet alleen de woorden lezen, maar ook de zuchten, de wapperende handen, de kleur van iemands onderbroek. Dat is macht. De meester leest alles wat bedoeld én onbedoeld is en beheerst dat omgekeerd zelf ook, overgoten met een saus van poëzie en overredingskracht.

Best vermoeiend allemaal.

Nog voor het extra uur voorbij was viel ik in een diepe slaap.

foto: Bas de Brouwer

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

 

 

 

Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.