Tirade Unlimited

Ter gelegenheid van het 450ste nummer van Tirade, dat in oktober 2013 verscheen, schreven 45 auteurs een tirade van 450 woorden.

Het sub-genre van de mini tirade, de T450, is iedereen – schrijvers, redacteurs, recensenten – zo goed bevallen dat we van de ‘tirade’ een nieuwe rubriek hebben gemaakt in de papieren Tirade. Zo vind je in de jongste Tirade, Tirade 451, een tirade van Charlotte Mutsaers en zit op dit moment een Nederlandse auteur te werken aan zijn of haar tirade voor Tirade 453.

Nu is, weten ook de mensen van Writers Unlimited, een tirade van oorsprong een retorische tekst, bedoeld om uit te spreken voor een gehoor.

Het Haagse festival heeft daarom acht Tirade 450 contribuanten uitgenodigd om hun 450-woorden tirade deze januari te komen voordragen.

Op zaterdag 18 januari 2014 treden aan & op, in volgorde van opkomst:

Marko van der Wal – Aan mijn stalker.

Simone van Saarloos – Heleen.

Gilles van der Loo – Dood aan de helden.

Rosan Hollak – Simpel.

Een dag eerder, op vrijdag 17 januari, kun je luisteren naar tirades van, in volgorde van opkomst:

Martijn Knol –  De wilde, brede rivierstroom van een grote roman.

Sanneke van Hassel – Omdat ik het zeg.

Walter van den Berg –  Tirade.

Lieke Marsman – Liefde in tijden van eenzaamheid.

Overigens vormen de Tirade 450- tirades maar een klein onderdeel van Writers Unlimited 2014. Het complete WU-programma vind je hier.

Tijdens het festival verschijnt ook een nieuw nummer van Tirade, Tirade 452 – daarover binnenkort meer.

Soundtrack (iedere festivalavond eindigt op de dansvloer (facultatief!)): I’ve got the moves like Jagger.

TiradeUnlimited.

Lize Spit zondagse gastblogger januari 2014

Afgelopen maand las je hier iedere zondag een gastblog van Arjen van Lith.

Volgende week, zondag 5 januari, plaatsen we de eerste bijdrage van Lize Spit, onze zondagse gastblogger voor de maand januari (2014).

Lize Spit (1988) woont in Brussel. Ze schrijft scenario’s, proza en poëzie. Ze publiceerde in Tirade, Kluger Hans, Het Liegend Konijn en Das Magazin. Momenteel werkt ze aan een scenario voor een speelfilm en aan een roman.

Eerder dit jaar won Spit de schrijfwedstrijd Write Now! met het verhaal Ordehandhaver. Voor onze collega’s van Passionate Platform schreef ze een beschouwing over Famous Blue Raincoat van Leonard Cohen.

In het zomernummer van Tirade, Tirade 449, publiceerde Spit het kortverhaal Jagersaus.

Bottom line:  Lize Spit is in januari 2014 onze zondagsblogger. 

 

Tirade – de gedundrukten van de toekomst.

 

Braai

In het Engels heet Tweede Kerstdag Boxing Day en ik hoop van harte dat ik dat dit jaar niet letterlijk hoef te nemen. We zijn namelijk uitgenodigd voor een braai in Langa, oftewel een barbecue in de oudste sloppenwijk van Kaapstad. 

Ik zie de bui al hangen. Twee iele, blanke nichten in een zwart getto. Dat is vragen om moeilijkheden. Ik ben bloednerveus, want sinds ik me kan herinneren heb ik de twijfelachtige gave agressie op te wekken bij wildvreemden die mij ‘nog moeten hebben’. Aan mijn verkering heb je qua veiligheid zo mogelijk nog minder. Zijn biceps hebben de omvang van biologische drumsticks en ook qua vluchtsnelheid presteert hij bedroevend: ik ken parkinsonpatiënten die sneller zijn. 

Om bovenstaande redenen zijn we al vroeg begonnen met de voorbereidingen voor de Boxingbraai. Alles van waarde laten we in het hotel. We nemen alleen cash mee, dat we her en der in onze kleding verstoppen. Mijn dure horloge verberg ik listig onder een Hermès sjaaltje. Onze gastheer – winnaar van de Cape Town Miss Gay verkiezing 2010 en goed bekend in Langa – komt ons ophalen, zodat we niet meteen bij aankomst vermoord worden zonder iets van de braai hebben geproefd. Niets is erger dan sterven op een lege maag. 

Het Toyotabusje naar Langa delen we met negen andere passagiers. Als iedereen eenmaal zit en de schuifdeur met Gaffer tape weer op z’n plek zit, zet een jonge moeder van pakweg veertien een slapende baby op mijn schoot, zodat ze rustig haar muntgeld voor de rit kan tellen. Van achterin het busje worden biljetten en wisselgeld doorgegeven. Vreemd… iedereen lijkt elkaar te vertrouwen. 

“Eerst wijn,” zegt Miss Gay, en leidt ons de trappen van een ingestorte woonkazerne op. Even later staan we in een smoorheet flatje met een enorme flatscreen aan de wand. Terwijl Miss Gay twee flessen Chardonnay koopt bij de vrouw des huizes, trekt een graatmager straatschoffie me op de bank. Met bungelende beentjes aait hij mijn haar en telt de moedervlekken op mijn arm. Wanneer we vertrekken, huppelt hij lachend met me mee naar beneden. 

We eten onze braai in een donkere kroeg met tralies voor de ramen. De serveersters zijn gekleed in rubber laarzen en witte, plastic overalls die me doen denken aan de mysterieuze mannen in witte pakken na de Bijlmerramp. Het vlees is mals en sappig, de wijn verrassend goed. Boven de bas van de R&B uit klikken en klakken de gasten in Xhosa, de voertaal in Langa. Ik weet het zeker, ze hebben het over ons, de enige twee blanken die zo stom waren hier naar binnen te gaan. Af en toe gluurt een van de mannen over zijn schouder om vervolgens met zijn kameraden verder te smoezen.

Ik open onze tweede fles wijn, maar voordat ik kan inschenken slepen sterke zwarte worstenvingers me naar het midden van de kroeg. Nu gaat het gebeuren, denk ik. This is it. Middeljong schrijftalent in elkaar geslagen in een Zuid-Afrikaanse zuipschuur, mogelijk verkracht en vervolgens vermoord op het binnenplaatsje tussen de autowrakken. 

Maar nee. De worstenvingers horen bij een walvis van een vrouw die stomdronken in mijn oor begint te lallen. Wat mijn telefoonnummer is. Hoe mijn vriend heet. Of ik een kind van haar wil.

“Merry Christmas!” schreeuw ik boven de muziek uit. Het lijkt me het veiligste antwoord op al haar vragen. Haar lach spuugt iets zoets in mijn gezicht en ze draait haar kont naar me toe. Iemand draait de volumeknop nog verder open. 

Het is stampvol en minstens 40 graden als de eigenares annex uitsmijtster van het café haar verjaardagsfeestje aankondigt. Over twee weken kan iedereen voor 100 rand onbeperkt drinken en eten, mits ze hun vuurwapens thuis laten. Gejuich, enthousiast tonggeklik en applaus doen de temperatuur nog verder stijgen. Ik vind het bijna jammer dat ik er niet bij kan zijn. 

In een krot in Langa, op het verbroederende ritme van Rihanna, beleef ik de heetste kerst van mijn leven. Ik stink naar zweet dat niet van mij is. Mijn heupen zitten gevangen, op een prettige manier gekoppeld in een twerk-treintje tussen de walvis voor me en Miss Gay achter me, terwijl mijn verkering gestaag onze Chardonnay opzuipt. Als ik meer Dickens had gelezen, had ik het kunnen weten: van de armen hebben we niets te vrezen.

 

 

Dit was de laatste van Arjen van Liths decemberzondagcolumns. In januari neemt Lize Spit het van hem over. 

 

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Alles draait om geld… (2)

‘Zóveel kan soms een laatste gulden beduiden! Maar als ik toen de moed eens had laten zakken, als ik geen beslissing had durven nemen?.. Morgen, morgen zal aan alles een einde komen!’ verzucht Aleksej Ivanovitsj op de laatste pagina van De speler van Dostojevski. Hij heeft zijn allerlaatste gulden ingezet bij de roulettetafel en gewonnen. Aan zijn gokverslaving, die begon toen hij verliefd werd op Polina, zal dan eindelijk een einde komen.

Volgens mij heeft geen enkele lezer er fiducie in dat dat gaat lukken. Ook de gelijknamige opera die Prokofjev baseerde op de novelle van Dostojevski biedt weinig hoop. Prokofjev heeft De speler voorzien van de ideale soundtrack, een gejaagde en alsmaar voorthobbelende klankmuur, die er geen twijfel over laat bestaan dat het met Aleksej nooit meer goed zal komen. Zelfs wanneer hij de bank heeft laten springen en bij Polina terugkomt met een idioot hoog bedrag, weet hij haar niet voor zich te winnen. Hij blijft alleen achter in een hotelkamer en, zo eindigt althans de opera, verzucht ten slotte: ‘Ach, al dat geld…’

Alles wat Aleksej heeft gedaan is voor niets geweest. Hoe kon hij in vredesnaam verliefd worden op Polina, die ‘het karakter van een wesp’ heeft? En vervolgens een voortwoekerende verslaving beginnen door te gokken omdat zij dat wilde? Met allerlei onsympathieke figuren om hem heen is het logisch dat hij met lege handen zal achterblijven, dat zie je van verre aankomen. Ik neem dus aan dat Dostojevski heeft willen laten zien dat gokken – hetzij in de liefde, hetzij aan de roulettetafel – niet verstandig is.

Toch doet De speler ook afvragen hoe ver je zelf in zo’n situatie zou gaan. Ik kan me moeilijk voorstellen er ooit van overtuigd te zijn dat liefde te koop is, zoals verschillende figuren in de novelle suggereren, laat staan naar het casino te gaan om iemand te krijgen. Toegewijd verliefd zijn heeft zijn grenzen.

Er zijn vast heel veel mensen die begonnen zijn met roken omdat hun lief dat doet. Ernstiger middelen komen ook voor, zo raakte Robert Moszkowisz, de broer van, verslaafd aan heroïne, naar eigen zeggen omdat hij hetzelfde wilde ervaren als zijn vriendin. Zoiets gebeurt ook in Christiane F. – Wir Kinder vom Bahnhof Zoo (de film), waarin Christiane in de smaak hoopt te vallen bij haar Detlev door uiteindelijk ook aan de spuit te gaan. Heel romantisch.

Ik zou me hoogstens op boek, film, toneel, muziek of ander cultuurgoed storten, mocht dat helpen in de liefde. Dat denk ik tenminste – een voetbalwedstrijd bijwonen is de limit. Roulette zou ik alleen voor mezelf spelen, in tegenstelling tot Dostojevski. Als het op gokverslaving aankomst spreekt hij uit ervaring. Karel van het Reve zegt hierover: ‘Net als in 1863 (…) probeerde hij zijn geluk in het spel (Wiesbaden, Baden-Baden, Genève, Homburg), met als resultaat dat hij het weinige geld dat hij had kwijtraakte. In Wiesbaden moest hij in de zomer van 1865 vijftig daalders van Toergenjev lenen om thuis te kunnen komen.’ De eerste keer zet hij in omwille van zijn Polina, Apollinarija Soeslova; de tweede keer om van zijn schulden af te komen.

Financieel is het met hem nooit meer helemaal goed gekomen.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

‘Chef, fijne dingen maken hè?’* – double bill: Het diner + Avant l’hiver

Film: Het diner (2013).

Regie: Menno Meyjes.

Verhaal: mag inmiddels bekend worden verondersteld. Naar de roman van Herman Koch.

Dilemma volgens IMDB: How far would you go when it comes to your family and your future?

Portee: we zijn allemaal vreemden voor elkaar.

De letters van de begintitels van Het diner zijn schreefloos. Die zakelijke, harde, heldere beeldtaal is ‘tekenend’ voor Het diner, the movie.

De relaties tussen protagonist Paul, zijn vrouw Claire en hun zoon, Michel, is scriptiemateriaal voor studenten psychologie.

Eindoordeel: het fijne acteerwerk van Thekla Reuten (Claire) en, vooral, Jacob Derwig (Paul) is het belangrijkste argument om naar Het diner te gaan. Drie op het venster van een I-phone prijkende gezins-selfies (3/5).

*Titelverklaring van dit blogje: een uitroep van politicus Serge, Paul’s broer, als hij bij het betreden van het restaurant waar HD grotendeels is gesitueerd zijn hand even losjes tegen de glaswand houdt die brigade en zaal van elkaar scheidt. ‘Chef, fijne dingen maken hè?’

N.B. In Tirade 452 – die in januari verschijnt – vind je nieuw proza van Herman Koch.

 

Nog een filmpje doen?

 

‘Tu m’as fait peur!’* – Avant l’hiver (2013)

Film: Avant l’hiver(2013).

Regie: Philippe Claudel.

Verhaal: overwerkte neurochirurg laat zich manipuleren door een jonge vrouw en brengt zo zijn huwelijk en leven in gevaar. Belangrijker dan het narratief is de juxtapositie van tegenstellingen als gezond/gek, jong/oud, psychiatrie/neurologie, autochtoon/allochtoon, (kans)rijk/(kans)arm.

Na een paar recente Franse tegenvallers – Elle s’en va (2013), La Tendresse (2013) – zette ik me schrap voor nog een tegenvaller. Dankzij dit onderbewuste verwachtingsmanagement werd Avant l’hiver een aangename verrassing.

Ingetogen acteerwerk, ingetogen cameravoering, ingetogen soundtrack – de bedaagde, bezadigde ingetogenheid past goed bij de leeftijd en de maatschappelijke positie van de protagonist en wordt nergens slaapverwekkend.

Avant l’hiver is de ideale film voor leden uit de hogere middenklasse die op Tweede Kerstdag nog ruimte in de agenda hebben voor een paar uur contemplatie.

Eindoordeel: Haneke light. Drie op een nagelaten cassettebandje bezongen klaprozen (3/5).

* Titel van dit deel-blogje:  ‘Tu m’as fait peur,’ roept Lucie, de vrouw van de protagonist, als ze aan het werk is in de tuin en haar man, Paul, plotseling achter haar staat. De opmerking verraadt hoe de twee in korte tijd – doordat er een andere vrouw in het leven van de chirurg is gekomen – van elkaar zijn vervreemd.

‘Chasperun kwam vanuit het bos de straat in.’ – De laatste: Sez Ner 3

Arno Camenisch. De laatste. Een handjevol bergdorpelingen brengt de avond door aan de stamtafel. Roddelen. Slap ouwehoeren. Zuipen. De mens op z’n laagst, zou je zeggen. Maar Camenisch slaagt erin stront in goud te veranderen, uit duisternis licht te scheppen.

De laatste is het grappigste, minst ambivalente, meest kluchtige deel uit de Sez Ner-trilogie. Het is een boekje met personages die elkaar sterke verhalen vertellen – een uitgeschreven aflevering uit een comedy serie, meer lijkt het aanvankelijk niet. Al vallen er in de verhalen die de stamgasten elkaar vertellen meer doden dan in een Shakespeare-tragedie.

De laatste is onmiskenbaar opgezet als een situation comedy (sitcom). Camenisch biedt, via zijn personages, anekdotes, one liners, grappige voorvallen (afbrekende deurklink) en running gags als een dove die de oorhoorn alleen bij zijn hoofd houdt als hij zelf spreekt en geschuif met de bierpul van een personage dat niet drinken wil.

Het is de vorm (structuur, taal) die Camenisch’ tekst verheft tot kunst. De laatste is op een onnadrukkelijke manier virtuoos, het is bijvoorbeeld prachtig én betekenisvol hoe in één zin soms meerdere personages het woord nemen – op die manier toont Camenisch hoe een groep mensen kan veranderen in één pratend wezen.

In het vorige Sez Ner-deeltje was de mooiste woordspeling Helioktober, kindertaal voor helikopter, m.b.t. De laatste twijfel ik tussen grootmoeders ‘splagetti’, voor spaghetti, en – uit de mond van Luis uit Schlans –  ‘Kanalles’, als naam voor een onuitstaanbare ‘kletsmajoor’.

Mijn favoriete Sez Ner-personage, Luis uit Schlans, die in Sez Ner 2 nog een hert van 180 kilo in de achterbak van z’n Subaru had liggen, zit ook aan de stamtafel van Helvetia. Op de linkermouw van zijn blauwe ski-jack een steenbok. Ook in De laatste doet hij weer hilarische Asterix & Obelix achtige uitspraken:

‘Als iemand ervan langs wil hebben moet hij het maar zeggen, zegt Luis, ik heb er al heel wat de oren gewassen, vroeger sloeg ik zowat elke avond iemand in elkaar.’ (DL, p.25).

en

‘Niemand moet mij ooit weer in een vliegtuig proberen te stoppen, zegt Luis, het lijkt wel of je in een potlood zit, en wanneer je van louter verveling een Rössli opsteekt, word je in het Engels uitgekafferd, zodat je hun neuzen wel moet breken.’ (Ibid;p.41).

Net als in de vorige SN-delen doen alle geweld en destructie weer vooral aan slapstick en kinderstripboeken denken.

Dat ‘vliegtuig’ als ‘potlood’ vind ik wel een verbluffend sterk beeld trouwens. Luis is de echte dichter uit de Sez Ner-trilogie.

Door het lezen van SN-3 krijgen de personages en voorvallen uit de deeltjes 2 en 3 meer context. Daardoor heb je zin om na deel 3 meteen weer in deel 1 te beginnen. En dat terwijl je De duimsprong al hebt klaargelegd.

Nu speciaal voor iedereen die vroeger ook zoveel mogelijk biefstukken en eieren at in de week nadat ie op televisie naar een uitzending van De Sterkste Man/Vrouw van de Wereld had gekeken (vrachtwagentrekken, boomstamslingeren):

‘Ja vroeger waren er in de dorpen nog supermensen, van die krachtpatsers als Chasperun, ferms sco tschlun, kracht voor vijf, zegt tante. Ja ja, die was sterk, zegt Luis, haast zo sterk als ik, geef dan nog maar een Quintin. Als het nou nog eens zou sneeuwen, zegt Silvia. We wilden een keer de maaimachine, die oude Aebi van Giachen, een maaimachine zo groot als een Tschinquetschento, Fiat 500, en zo zwaar als drie koeien, op de Unimoc laden, zegt Otto, maar buca raschieni, onmogelijk, met zijn vieren hebben we het geprobeerd en geprobeerd, ik zeg jullie, niet eens met hulp van de duivel hadden we dat monster kunnen optillen en laden. Toen kwam Chasperun vanuit het bos de straat in. Hij had zijn groene hemd aan, altijd doornat van het zweet, de bovenste hemdknopen open en de hemdsmouwen opgestroopt, hij hield zijn hoofd scheef als hij liep en zijn mond hing open. Hij bleef staan en zei, weg daar, aan de kant, dat doe ik alleen, en hij heeft de Aebi opgepakt en hupsakee op de Unimoc getild. Dat was meer een beest dan een mens, zegt Silvia.’ (DL, p.22/23).

Soundtrack: De stokers – harder, sneller*.

Tiradeformidable.

Volgende week: Tirade 450 op Festival Writers Unlimited. En meer.

Lees ook: Sez Ner I en Sez Ner II.

Alle citaten hierboven komen uit De laatste (De Weekblad Pers Groep, 2013)/Ustrinkata (2012). Vertaling: Miek Zwamborn.

Bonus: Miek Zwamborn laat weten dat in het jongste nummer van Kluger Hans een vertaald fragment uit Camenisch nieuwe boek Fred und Franz staat. Ik heb het nog niet gezien of gelezen, dat fragment, maar het is vast de moeite waard.

Noot

*Noot voor minder geoefende lezers: de tekst van de soundtrack waarnaar hierboven wordt gelinkt gaarne betrekken op (de personages uit) het boekje dat in deze blog wordt besproken. En dus niet op de persoon van uw puntgave, onberispelijke, evenwichtige, kerngezonde, beeldschone, begaafde, onwaarschijnlijk geestige, superlieve maandagse blogger. Dank.

Geen probleem

“Ek het… Daar is ’n fout gemaak,” hakkelde de eigenares van ons hotel in het Zuid-Afrikaanse Stellenbosch toen we wilden inchecken. Achter haar staarde een trits gitzwarte kamermeisjes schuldbewust naar hun tenen.

“Ons het per ongeluk ‘n kamer bespreek met ‘n dubbelbed.” Bezorgd wrong ze haar handen, om ze vervolgens hoopvol naar ons uit te steken.

“Gelukkig is daar slegs ‘n paar gaste, so daar is geen probleem. ‘n Ander kamer met twee enkel beddens is geen probleem. Of twee dubbelbeddens, ook geen probleem.” Voor de volledigheid maakte ze het lijstje met opties verder af: “Twee afsonderlike kamers is ook moontlik, met enkel beddens of dubbelbeddens, alles wat menere verkies. Regtig, almal geen probleem.”

Telkens als ze ‘geen probleem’ zei, stak een ander kamermeisje haar hoofd nieuwsgierig achter haar bazin vandaan; eerst eentje links, dan een ander rechts, links, enzovoort, als mollige danseressen in een knullig showballet. Het was laat en ik was moe, maar toch kon ik het niet laten om het vuurtje wat verder op te stoken…

“Doet u maar drie kamers. Ik heb nogal veel bagage,” grapte ik in de veronderstelling dat ook Afrikaanse homo’s hun hele garderobe meenemen op vakantie. De eigenares verstarde en keek bestraffend achterom toen een paar dienstmeisjes nerveus begonnen te giechelen. Dit geintje kon ze wel eens hun baan kosten, dacht ik en nam gas terug.

“Deze kamer is prima.”

Ik zal het maar eerlijk zeggen: ik ben dol op hotelseks. De onbekende omgeving en het idee dat honderden anderen helemaal los zijn gegaan in hetzelfde bed maken me bronstig als een fokstier, mits de lakens zijn verschoond, natuurlijk. Hoewel Zuid-Afrika als enige land op het continent het homohuwelijk erkent, doen we voor alle zekerheid toch stilletjes aan. Dus kreun ik discreet in mijn kussen en geef ik mijn geliefde aanwijzingen in gebarentaal, want ze verstaan hier gewoon Nederlands.

De volgende ochtend, toen ik zat te werken op het binnenplaatsje achter onze kamer, sloop de eigenares voorzichtig naar me toe. Of alles naar wens was. Ik knikte en wilde weer achter mijn laptop verdwijnen, maar ze bleef in de opening van de schuifpui staan en begon haar handen opnieuw in het luchtledige te wassen.

“My gewese man was ook so,” fluisterde ze en maakte een hoofdbeweging naar ons tweepersoonsbed.

Shit. Zou ze ons vannacht dan toch gehoord hebben? Ik wist niet goed wat ik moest zeggen en staarde glazig naar de beslapen lakens. Twintig jaar waren ze getrouwd geweest, vertelde de eigenares. Gelukkig getrouwd, totdat ze haar man op een avond met een donkere jongen had betrapt. Ze vertelde hoe haar broers hem het dorp uit hadden gejaagd en zijn minnaar in elkaar hadden geslagen. Hoe ze zich had geschaamd. Voor zichzelf, voor haar ex, en later – pas veel later – voor haar broers.

“O ja joh?” zei ik.

Ik ben wel eens snediger uit de hoek gekomen.

“Wil jy dalk nog iets drink?” vroeg de eigenares na een lange stilte vol wederzijds begrip.

“Ja, lekker,” zuchtte ik, opgelucht dat de ban was gebroken. “Een cappuccino graag.”

“Geen probleem,” zei ze, en ik wist dat ze het meende. 

 

Decemberzondagcolumnist Arjen van Lith (1971) is journalist en schrijver. Eerder publiceerde hij het satirische crisishandboek Antirecessiva, een reeks korte verhalen en de dichtbundel Geluk in de ruimte, gedichten door de Philips Freespeech 2000. Momenteel werkt hij aan zijn eerste roman. 

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Alles draait om geld…

Behalve steeds meer geld willen vergaren bestaat er natuurlijk een neiging tot geld uitgeven, denk aan shopverslaving en impulsaankopen. Een week lang rijst met pindasaus omdat je veel te veel boeken hebt gekocht, ook al weet je dat je ze niet eens allemaal kunt gaan lezen. Maar we laten het geld vooral rollen als er iets anders op het spel staat, namelijk présence, status en het bureneffect. Dat zien we in de donkere dagen voor kerst.

Op het moment valt er nauwelijks te ontkomen aan de 3FM-inzamelingsactie Serious Request. Er zitten drie dj’s zonder eten in een glazen huis, terwijl ze de hele dag op radio en tv zijn om geld op te halen voor het terugdringen van diarree in derdewereldlanden. Het is de tiende keer dat deze actie gehouden wordt, en elk jaar is het opgehaalde bedrag weer hoger dan daarvoor. Vorig jaar was dat 12,3 miljoen euro. Dat is veel geld, maar ik weet zeker dat ze er dit jaar dik overheen gaan, want men houdt wel van een wedstrijdje spenden – zelfs als het om liefdadigheid gaat.

Blijkbaar is dat een vastgeroest idee, dat het achteloos elke keer méér moet wezen. Het helpt dat de Nederlandse economie sinds kort voorzichtige positieve signalen geeft, waardoor Ruttes oproep om ‘uitgaven niet langer uit te stellen’ nu zijn beslag lijkt te krijgen: de portemonnee gaat iets makkelijker open. De belangrijkste reden is echter dat elke geschonken euro ook een kleine investering in jezelf is. Dan kan je nog eens zeggen dat je 20 euro hebt opgehaald door verkleed als Dixi-wc rondjes door de regen te rennen, goed hè? Of breder getrokken: kunnen ‘we’ zeggen dat het wéér meer was dan vorig jaar!

Geld gaat gepaard met kortstondige geluksmomenten, ongeacht of het nu om het uitgeven of vergaren van geld gaat, zolang het maar vrijwillig is. Of het nu een paar centen voor het goede doel zijn, extra spaargeld of een nieuw stel krokodillenleren cowboylaarzen, ik kan daar eventjes heel blij mee zijn, maar het maakt mij over het geheel genomen niet gelukkiger dan ik al was. Het complexe geluksgevoel door geld duurt maar kort en werkt vast verslavend, voor je het weet ben je net zo afhankelijk als Aleksej in De speler van Dostojevski.

Er zit per definitie een ranzige en egocentrische bijsmaak aan geld, maar daar hoeven we geen probleem van te maken want dat wisten we al lang. Who cares? Na de kerst zwijgen we er gewoon heel chique weer een jaar lang over, dat hoop ik tenminste.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

O denneboom

voortdurend behoefte hebben aan naaldbomen. ja, je kunt zo’n ding nu dus gewoon in huis halen, hoor je jezelf denken.

door de straten lopen en heel hard de herdertjes lagen bij nachten zingen. je vertraagt je pas zodat het moment langer duurt.

dingen raken verzeild in een vallende beweging: zwaartekracht als ook op de tijd van toepassing. als je je eenmaal inlaat met iemand, kun je vervolgens niet meer ieder moment uitstappen – al zou je het willen.

ik ben zo niet-talig de laatste dagen. maar ik kan tekenen. maar ik kan muziek maken. maar ik kan een film kijken. tevreden zijn. is het al liefde?

ook bedacht ik mij dat het belangrijk is dat ik mij niet langer laat remmen in mijn liefde voor mensen. ik wil eten voor hen koken? ik moet mijn schroom opzij zetten en het doen. ik wil een duur kado geven? ik hoef geen reden te hebben. ik vind iemand lief en mooi? ik mag het zeggen. ik wil honderd keer haar lievelingssnoep kopen? kom op ik doe het als ik het wil.

in een tijdschrift lees ik dat je niet kunt dromen als je niet langer dan tien minuten slaapt. ik slaap drie minuten. ik droom over mijn zus.

op een ochtend koopt mijn moeder bloemen voor me op de markt en zegt: dit is hoe je weet dat je volwassen bent geworden – je begint je leven met bloemen te decoreren. ik vraag me af of ze bedoelt dat ik op een dag geen verhalen meer nodig zal hebben daartoe.

het laatste wat je hoort voor je wakkerwordt: ben jij een schildpad, en zo ja, mag ik je houden?

mijn onvermogen om met mensen te communiceren de laatste tijd komt voort uit het feit dat ik bang ben dat ik niet op zal kunnen houden met praten

keer op keer eugenio montale lezen om je gedachten langzamer te laten gaan: dat wat we niet zijn, dat wat wij niet willen…

een minuut lang alleen het woord ‘muffin’ in je hoofd hebben

willen dat taal klinkt en klakkend is, een klokkenspel
kon ieder woord maar een onomatopee zijn
wat we schrijven als dat wat we zeggen
1:1
zoals dat is
één tegen één

Een man zonder hond

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik heb ooit gezegd dat het een slecht idee is om over je huisdier te schrijven. Veel auteurs die ik bewonder hebben het gedaan en stelden daarmee zonder uitzondering teleur. 

Op zich is een huisdier namelijk al een vorm van fictie. Een wollig scherm waarop we onze gevoelens en ideeën kunnen projecteren.

‘Wat een liefde in die oogjes.’

‘Volgens mij heeft hij honger.’

‘Dat kan natuurlijk ook.’

‘Of hij wil uit.’

‘Nee, ik denk dat hij me echt begrijpt. Op zielsniveau, weet je.’

Het door een schrijver opvoeren van een dier als personage zie ik als fiction within fiction, te vergelijken met het gebruik van dromen. “Write a dream, lose a reader,” schreef Henry James al. 

In veel gevallen is het een dun draadje dat de schrijver met zijn lezer verbindt. De lezer geeft zich over aan de tekst en schort zijn aangeboren wantrouwen tijdelijk op, maar wel onder de voorwaarde dat de schrijver zijn vertrouwen niet beschaamt. Dromen of empathische huisdieren vragen wat mij betreft teveel van de lezer. Het is alsof de schrijver zegt: ‘Ok, nu je van me aanneemt dat deze bebrilde jongeling op bezems kan vliegen, wil ik ook dat je gelooft dat er bij elke scheet die hij laat een parallel universum bij komt.’

Evengoed ben ik al bijna vier dagen een man zonder hond. Mijn schoonvader had even een vriend nodig en is Otis voor een weekje komen halen. Gisteren ging ik de deur uit om te rennen in het park; halverwege kwam ik erachter dat ik een van zijn riemen in mijn hand had. Als ik over straat loop heb ik een kleine afwijking naar rechts omdat ik niet meer hoef te compenseren voor de trekkracht van mijn hond. Het heeft al tot botsingen geleid.

Wat ik wil zeggen is: ik wil mijn huisdier terug. Ik mis mijn hondje. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Groot Schaamteloos Verkooppraatje voor een Scheurkalender

De kalender

1. Je  schenkt een Van Oorschot poëziekalender hierom:

Van iedereen aan wie je een kalender geeft weet je 365 dagen ongeveer een minuut lang wat hij/zij leest en denkt. Je verblijft in het hoofd van – niet slechts de dichter – maar ook iedereen die je weet dat de kalender in bezit heeft.  (Deze constructie klopt volgens Renkema.) Je schenkt hem bijvoorbeeld aan je ex (van belang op 1 april).  Een aanbedene (11 mei),  een neef van 21 (11 juni) een vriend die altijd vraagt wanneer we weer eens afspreken (5 juli) je vrouw (27 juli) je psychiater (21 augustus), jou (12 oktober). Aan iedereen, iedereen voor wie geldt….

Gij allen die vannacht
Ver van geliefden slaapt.
Waar u geen mens verwacht

Waar donkere leegt gaapt –
Weet: Gij zijt niet alleen.
De mensheid deelt uw nood,
Soms voor een dag of één,
En soms tot aan de dood.

Dit is een qr code, met een smartphone lees je deze code en die verbindt je door naar een pagina op de Poetry International website. Alwaar een geluidsbestand staat van Vikram Seth, die dit gedicht leest, in het Engels.
Dit is een qr code, met een smartphone lees je deze code en die verbindt je door naar een pagina op de Poetry International website. Alwaar een geluidsbestand staat van Vikram Seth, die dit gedicht leest, in het Engels.

Vikram Seth

2. En daar kan je iets mee:

 

Olifant Olifant

Ik zou een olifant willen
ontmoeten, met wie
ik goed kan opschieten.

En terwijl hij slaapt,
zou ik op zijn slagtand
een klein vogeltje willen tekenen.

Als ik een vergelijking maak
tussen het gebrek aan kennis van de olifant
en mijn eigen gebrek aan kennis,
dan is het mijne zwaarder dan lood.

Op de plaats vóór de olifant
zou ik bosbloemen willen opstapelen,
een stapel zo zwaar als een olifant.

Luister ook naar Hiroshi Kawasaki
Luister ook naar Hiroshi Kawasaki

Ik zou niemand
op zijn rug laten rijden.

ik zal ervoor zorgen
dat zelfs de Boeddha er niet aan komt.

Olifant,
ding geworden geheim,
– en ik.
Met welke schakels van de levensketting
liggen wij verbonden met elkaar?

Hiroshi Kawasaki

 

3. Telefoongesprek op 7 februari 2014:

“Dag mam”

“Dag jongen”

“En, al een olifant ontmoet met wie je goed kan opschieten?”

“Eh, wat bedoel je…?”

“Poëziekalender vanmorgen!”

“O,  eh ja, nee, ik ben nog steeds met je vader.”

“Wordt het niet eens tijd een beetje door te gaan zoeken, volgens Darwin hoeven jullie niet meer bij elkaar te blijven.”

“Ach we zijn nu eenmaal met zoveel schakels van de levensketting met elkaar verbonden.”

“Ah. Haha, ja, scherp… dag, mam.”

“Dag jongen.”

4. Slechts 15 euro, 365 keer een mooi gedicht, qr-codes met links naar het audioarchief van Poetry, voor 46 euro aan kortingsbonnen.

Hatjiekiedee, kopen die hap, 3 stuks, weggeven…. Karma!

 

Tirade –  verkoopt

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Een nieuwe liefde

Al een paar jaar lang neem ik me voor om iets van Boudewijn van Houten te gaan lezen. Waarbij zijn debuutroman Onze hoogmoed de meest voor de hand liggende invulling van dat ‘iets’ is, want dat boek wordt over het algemeen gezien als zijn beste. Het is in ieder geval zijn bekendste.
            Twee weken geleden werd Van Houten op Radio 1 geïnterviewd door Wim Brands. De schrijver is inmiddels 75 en woont in een toren in België. Om zichzelf in leven te houden vertaalde hij tot voor kort breicatalogi. ‘Tot voor kort’, want hij vroeg salarisopslag en verloor toen zijn baan. Hier vertelde hij met de nodige zelfspot en zorgeloosheid over.
            In de rest van het interview gaat het onder meer over zijn jeugd (‘Ik heb een rotjeugd gehad, niet door Hitler maar door mijn moeder’), over de aantrekkelijkheid van lezen, hoogmoed, zijn openhartigheid, vrouwen, Hermans, Mulisch (‘Ik vind dat geen intelligente denker’), ergernissen, clichématige Amerika-haat en vriendschappen.
            Hij merkt in het interview op dat het raar is als schrijvers hun hele leven dezelfde auteurs liefhebben. Volgens hem is het ontdekken van een nieuwe schrijver als het ontmoeten van een nieuwe liefde: je wil dan meteen álles van die schrijver lezen en over die schrijver te weten komen – totdat je op een gegeven moment bedenkt, na zo’n beetje alles gelezen te hebben: wat een lul is het eigenlijk. Waarmee de liefde over is en je op zoek moet naar een nieuwe schrijver.
            Dit lijkt haast wel een reactie van Van Houten op wat zijn oude kompaan Theo Kars beweert in diens handboek voor non-conformisten, Praktisch verstand, een boek dat ik trouwens iedereen kan aanraden. Kars schrijft daarin: ‘Het gaat er niet zozeer om veel boeken te lezen, alswel een beperkt aantal boeken vaak te herlezen. Paul Léautaud heeft erop gewezen dat ieder ontwikkeld mens een vijftiental schrijvers ontdekt wier werk hem het meest aanspreekt. Het is beter deze hoogstpersoonlijke keur van boeken veelvuldig te herlezen dan te speuren naar andere auteurs die je iets te bieden zouden kunnen hebben.’
            Kars geeft hiermee aan dat hij gelooft in een zekere karaktervastheid die een leven lang duurt. Terwijl Van Houten uitgaat van de ontwikkeling en veranderlijkheid van een persoonlijkheid. Aan Wim Brands vertelde hij dat de boeken die hij in de jaren zeventig schreef in zekere zin geschreven waren door een ander mens.
            Het interview is terug te luisteren op de website van VPRO Boeken.

The world dies with the individual’ – Alsof het voorbij is (II)

Maarten Baas decorstuk Alsof het voorbij is
Maarten Baas – alsof het voorbij is
Afgelopen vrijdag opende in het Centraal Museum (Utrecht)  ‘Alsof het voorbij is’, een mooie, kleine tentoonstelling met werk van ontwerper Maarten Baas (1978). In kamer I is een aantal werken te zien over (het verstrijken van de) tijd. In kamer II staat een decor dat is gebouwd volgens het concept dat Baas ontwikkelde voor de theaterbewerking die toneelgroep Matzer heeft gemaakt van Julian Barnes’ Alsof het voorbij is/ The Sense of an Ending (2011).

0) Er is in het leven – en daarmee in de kunst – maar één thema: de dood. Of om het vanuit een minder particulier perspectief te bekijken: vergankelijkheid. Waar het individu zijn of haar leven beschouwt als een lijn, of een draad, blijkt dat van iets meer afstand niet meer dan een stip te zijn, één van de talloze punten die samen een cirkel vormen.

1) De opening van Alsof het voorbij is vindt plaats in de refter van het Centraal Museum. Na korte inleidingen op de tentoonstelling door museumdirecteur Edwin Jacobs en ontwerper/kunstenaar/whatever Maarten Baas, zingt Lidewij Mahler – de actrice uit de AHVI-voorstelling van toneelgroep Matzer – liedjes uit de toneelbewerking van Barnes’ roman, ze begeleidt zichzelf daarbij op cello. Edwin Jacobs wordt zo gegrepen dat hij na afloop, zoals hij later ook op twitter meldt, even niets meer kan uitbrengen. Het is ontroerend: een museumdirecteur die in eigen huis langs het Syndroom van Stendhal scheert.

2) ‘Beauty plus pity – that is the closest we can get to a definition of art. Where there is beauty there is pity for the simple reason that beauty must die: beauty always dies, the manner dies with the matter, the world dies with the individual.’  Vladimir Nabokov in zijn college over Franz Kafka’s Die Verwandlung (1915)*.

3) Maarten Baas studeerde in 2002 met twee projecten af aan de Design Academy Eindhoven. Met het eerste, Smoke, veroverde hij de wereld. Van het tweede, dat hem, zoals hij vrijdag vertelde, niet minder dierbaar is, is nu een model te zien in Utrecht.

4) Co Starring, de protagonist van Nanne Teppers De vaders van de gedachte (1998), heette – volgens een artikel in het jongste nummer van De Parelduiker – in een eerdere versie van het boek ‘Willem Knollenveld’. Iedere kunstenaar probeert niet alleen de traditie, maar ook zichzelf continu te overtreffen. Binnen individuele werken, maar ook binnen een oeuvre. Zo heeft Baas na zijn Grandfather Clock – een deel van zijn serie Real Time klokken waarin acteurs 24/7 de tijd op een wijzerplaat tekenen – nu ook een Grandmother Clock gemaakt. De kast is van messing, net als, en dat is vast geen toeval, veel wijzerplaten en wijzers.

5) De mevrouw die de tijd tekent in de Grandmother Clock is ook aanwezig bij de opening. Het is grappig en ook wel luguber om haar voor haar eigen projectie te zien staan. Alsof ze is uitgetreden. Of zichzelf heeft opgesplitst. Hoogste tijd voor een Oscar/Gouden Kalf voor de acteur of actrice met het grootste uithoudingsvermogen.

6) Het lijkt me zinloos om de stukken die nu in het Centraal Museum te zien zijn hier één voor één te gaan bespreken. Ik neem tenminste aan dat meeste lezers van dit blog gewoon in Utrecht wonen, dus als je ‘Alsof het voorbij is – de tentoonstelling’ wilt zien moet je maar even naar het Nicolaaskerkhof fietsen. Kun je meteen de Dick Bruna Kerststal bekijken.

7) ‘We nemen dingen veel te makkelijk aan in het leven, niet dan? Bijvoorbeeld dat herinnering gelijk is aan gebeurtenissen plus tijd. Maar het zit allemaal een stuk vreemder in elkaar. Wie zei ook weer dat herinnering datgene is wat we dachten te zijn vergeten? En het zou voor ons duidelijk moeten zijn dat tijd niet werkt als een fixatief, maar eerder als een oplosmiddel.’ Julian Barnes, Alsof het voorbij is, vertaald uit het Engels door Ronald Vlek, Uitgeverij Atlas Contact (2011;p.71).

8) Het decor dat Baas ontwierp voor Matzers ‘Alsof het voorbij is’ bestaat uit ingepakte meubels. Het is alsof je naar een ondergesneeuwd landschap* kijkt of naar een vakantiehuisje waarvan het interieur is afgedekt met lakens en doeken.

Zonder acteurs, zonder projecties, zonder muziek – in de zwarte museumruimte waarin een variant op het toneeldecor is opgesteld – wekken de meubels en objecten ook nog heel andere associaties. De stukken doen denken aan marmeren, antieke beelden die ooit beschilderd waren, en aan ruines die ooit geornamenteerd zijn geweest. De blanco beelden symboliseren hier, in het museum, nog meer dan in het theater, de verloren tijd en het onkenbare verleden/de onkenbare werkelijkheid. Alles gestold in witte lava.

Anderzijds nodigen de stukken in het museum, grappig genoeg, ook uit tot vrolijke interpretaties. Opeens lijkt het wel of je naar een toekomst kijkt die nog is ingepakt. Een cadeautje waarvan de serene, bescheiden verpakking het grootst denkbare contrast vormt met de veelkleurige pracht die het herbergt. Een platenspeler met houten kast. Een oranje leunstoel. Een pluizig hobbelpaard.

9) ‘Dingen zijn geen ballast,’ zei scheidend Centraal Museum curator/Rietveld kenner Ida van Zeil onlangs bij de opening van haar door Jurgen Bey’s samengestelde afscheidstentoonstelling De zeven hoofdzonden. Dat was, vertelde ze erbij, één van de weinige dingen waarover ze altijd met Rietveld van mening is blijven verschillen.

10) Na afloop van de opening praten we nog wat na in de refter. Over kunst en film, over het verplanten van bomen, over koekjes bakken. Tot de agenda’s worden getrokken. Er moet een Belangrijke Afspraak worden genoteerd: begin januari gaan we met een paar man (m/v) karten. Eindig ik straks een beetje bovenaan in het eindklassement, dan schrijf ik er misschien wel een blogje over. Racebaan, wijzerplaat.

Tirade – bij de tijd.

Lees ook: Alsof het voorbij is – de toneelvoorstelling.

Soundtrack: ‘When I’m gone, when I’m gone… you’re gonna miss me when I’m gone.

Volgende week: ‘Mp, mp… buah!’ – gezellig aan de kaasfondue met Arno Camenisch en Miek Zwamborn.

Toegift – Smoke.

Filmpje over het ‘smoken’ van Rietvelds ‘Red and blue‘: hier te zien.

Noten

*1 Vladimir Nabokov, Lectures on Literature, George Weidenfeld & Nicolson, London (1980; p.251).

* 2 Eternal Sunshine of the Spotless Mind (2004) – over de horreur van het vergeten, zelfs als het om het verlies van pijnlijke of ambivalente herinneringen gaat. Joel Barish heeft besloten de herinneringen aan zijn geliefde te laten wissen door Lacuna Inc… Maar tijdens de behandeling bedenkt hij zich: Can you hear me? I don’t want this anymore… I want to call it off…

Over de doden

Dankzij een gelukkige speling van het lot – en het wiskundige genie van mijn geliefde M. die hier een conferentie bezoekt – heb ik het voorrecht om in Zuid-Afrika te zijn, precies op het moment dat Nelson Mandela wordt herdacht en begraven. We zitten in het oog van de orkaan. Op iedere straathoek hangen posters van de lachende leider die tien dagen geleden overleed. En terecht, want de wereld heeft misschien wel zijn enige nog levende held verloren. 

Tegenover de buurtsuper, vlakbij ons hotel, staat een dunne zwarte man de hele dag roerloos in de brandende zon met zijn rechtervuist geheven, een laatste groet aan Madiba, zoals Mandela door de zwarte bevolking werd genoemd. Bijna blote kinderen trekken zingend en dansend door de straten om hem te eren, opgeschoten straatjochies verkopen Mandela-prullaria aan slenterende toeristen, en de overijverige koster van de kerk tegenover onze kamer luidt ieder kwartier de klokken – óók ’s nachts, waardoor de nationale rouwperiode van tien dagen voor de buurt aanvoelt als een slopende, doorwaakte maand. 

Wat me opvalt is hoeveel gewone Zuid-Afrikanen Madiba persoonlijk hebben ontmoet. Vanaf zijn vrijlating in 1990 tot aan zijn dood moet hij letterlijk miljoenen handen hebben geschud. Ik heb een hekel aan het woord, maar als de term ‘mensenmens’ op iemand van toepassing is geweest, dan is het op Nelson Mandela. 

In Nederland kennen we inmiddels de verhalen van Ruud Gullit, Sandra Schuurhof, Maik de Boer, Gordon en Jack Spijkerman, die met vochtige ogen in de talkshows mochten vertellen over hun ontmoeting met de Grote Bevrijder (“Hij zei gewoon Jack tegen me!”). Over de doden niets dan goeds, maar toch hoor ik hier op straat ook heel andere geluiden, geluiden die de mythe van Madiba terugbrengen tot menselijkere proporties… 

“Hij kon meuren jongen, dat wil je niet weten!”  zegt onze taxichauffeur op weg van het vliegveld naar ons hotel. Jaren eerder had hij Mandela rondgereden door Soweto, tijdens een campagne om aids op de agenda te krijgen. 

“Van die stille, stiekeme scheten die je niet hoort maar wel ruikt. De ramen mochten vanwege de veiligheid niet open, dus ik zat te kokken in de auto. En hij maar doorbabbelen alsof er niks aan de hand was! Toen ‘ie eindelijk uitstapte, zat er een grote natte vlek op de achterbank. Ik heb twee bussen toiletverfrisser in de auto leeggespoten.” 

Bioloog en reisleider Daniel Fourie* gaat nog altijd gebukt onder een bezoek van Mandela in 2002 aan Kirstenbosch, de botanische tuinen van Kaapstad: “Tijdens onze wandeling bleef hij maar met zijn vingers knakken. Echt een walgelijke gewoonte, en ongezond bovendien, want het gewrichtskapsel wordt slapper en dat herstelt zich nooit meer. En niet alleen zijn vingers! Alles knakte aan Mandela: zijn rug, enkels, kaak, en vooral zijn nek… Misschien is dat een overblijfsel uit de tijd dat hij nog bokste: steeds bewoog hij zijn hoofd beurtelings naar zijn linker- en rechterschouder, met een oorverdovend geknak. Ik hoor het soms nog steeds. Hoe dan ook, op mij kwam het zeer intimiderend over, helemaal omdat hij er zelf intens van leek te genieten.” 

“In mijn hele leven heb ik nog nooit iemand ontmoet met zo weinig respect voor mijn persoonlijke ruimte,” zucht Mariam, die haar achternaam liever geheim wil houden. In 1995 was ze betrokken bij de organisatie van de World Cup rugby, een evenement dat blank en zwart Zuid-Afrika nader tot elkaar bracht. “Hij stond voortdurend bovenop me. Iedere keer als ik een stap achteruit deed, deed hij er eentje vooruit, totdat ik mezelf in een hoek had gemanoeuvreerd. Ik kon geen kant meer uit. Het was afschuwelijk. Nelson Mandela was een geliefde president, een held en een nobel mens, maar je kunt als leider soms ook te dicht bij je volk staan.” 

Zelf knars ik met mijn tanden in mijn slaap, rook ik veel te veel en maak ik ongevraagd de zinnen van anderen af. Daarom vervullen juist die kleine onhebbelijkheden van Madiba me met hoop: grootsheid is voor iedereen weggelegd.

 

* Om redenen van privacy zijn sommige namen gefingeerd.

 

Decemberzondagcolumnist Arjen van Lith (1971) is journalist en schrijver. Eerder publiceerde hij het satirische crisishandboek Antirecessiva, een reeks korte verhalen en de dichtbundel Geluk in de ruimte, gedichten door de Philips Freespeech 2000. Momenteel werkt hij aan zijn eerste roman. 

 

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Kans op vrijdag de dertiende

Jarenlang heb ik mijn dagen doorgebracht in een bibliotheekzaal waar een apart plankje was voor de afdeling ‘oudheidkunde: chronologie’. Een goede tijdrekening komt tot stand door met zekerheid gedateerde gebeurtenissen ten opzichte van elkaar te plaatsen. Neem de Olympische Spelen, die vonden ook in antiek Griekenland eens in de vier jaar plaats (vanaf 776 v.C.). De rest is een beetje rekenwerk en vooral veel kalenderlogica.

Zo ook vrijdag de dertiende, dat was het gisteren. Het blijft een fascinerend bijgeloof, vooral omdat het in Nederland pas eind negentiende eeuw in zwang is geraakt. Ik had het eens met iemand over die dag, en zij zei dat vrijdag de dertiende volgens haar vaker voorkomt dan ander dagen. We dachten daar even over na. Ik zei dat het vreemd zou zijn dat één combinatie van dag en datum zich vaker zou voordoen dan een andere. Vrijdag de dertiende valt je nu eenmaal sneller op doordat die als klinkende combi in je hoofd zit. Dat vond ze inderdaad een logische verklaring.

Maar had ik haar niet een of andere flutverklaring op de mouw had gespeld? Want wat is nu werkelijk de kans op een vrijdag de dertiende? Mijn gedachtegang is als volgt: ten eerste is de kans dat een willekeurige dag van de week op een vrijdag valt altijd 1 op 7; ten tweede is de kans op de datum dertien volgens mij 12 (maanden) op 365,25 (gemiddeld aantal dagen per jaar). Samen levert dat een kans van gemiddeld 1/7 x 12/365,25 x 100 % = 0,47 % op.* De grap is dat de kans op bijvoorbeeld dinsdag de vierde of zaterdag de achtentwintigste gemiddeld even groot is, maar op die combinaties van dag en datum slaat niemand ooit acht. De uitzonderingen komen bij combinaties met de data 29, 30 en 31, want die komen minder vaak voor.

Even terug naar de historische tijdrekening. Doordat de Westerse wereld gebruik maakt van de gregoriaanse kalender, is bovenstaande berekening alleen maar een gemiddelde. Die kalender kent een aantal ingebouwde correcties, bijvoorbeeld het schrikkeljaar, en een cyclus. Volgens Wikipedia neemt de cyclus vierhonderd jaar in beslag, wat volgens mij betekent dat er in 2413 weer een vrijdag de dertiende van december zal zijn. Wat blijkt nu? In de cyclus is de vrijdag absoluut genomen de meest voorkomende dag. Vrijdag komt toevallig namelijk 688 keer voor in vierhonderd jaar, en dat is 0,07 procentpunt meer dan het gemiddelde.

Alsnog, vrijdag de dertienden komen niet (noemenswaardig) vaker voor dan ander dagen. Voor iedereen die aan angst voor deze ongeluksdag, paraskevideketriafobie, lijdt herhaal ik het nog eens: vrijdag de dertiende komt niet vaker voor. Er bestaat geen verhoogde kans op ongeluksdagen. Volgend jaar is het alleen in juni raak; dit jaar hadden we er twee; in 2012 drie. Niets om bang voor te zijn.

 

* Voor de wijsneuzen: het fenomeen schrikkeljaar is opgevangen door een jaar te rekenen als 365,25 dagen. De kans van 0,47 % lijkt weinig, maar 365 x 0,47 % = 1,7 dagen gemiddeld, en dat strookt met het feit dat elk jaar tenminste één vrijdag de dertiende heeft, met een maximum van drie.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Hippopotomonstrosesquippedaliophobia

Best vreemd, hoe gauw je woorden in je vocabulaire kunt incorporeren op een manier dat je je vervolgens niet meer voor kunt stellen dat je het ooit zonder ze moest doen. Toen ik 5,5 jaar geleden aan mijn filosofiestudie begon en het vak Metafysica moest volgen, durfde ik de eerste twee maanden tegen niemand te zeggen dat ik geen idee had wat ‘metafysica’ betekende. Iedereen zat maar te knikken en ijverig notities te makken, alsof de betekenis van het woord metafysica hen a priori gegeven was, net als de betekenis van a priori, alsook dialectiek, hermeneutiek, epistemologie, enzovoorts.
 
Toch houd ik van bijzondere woorden. Sinds ik bekend maakte dat mijn tweede bundel ‘De eerste letter’ gaat heten vinden mijn vrienden het grappig om zodra ze mij zien te roepen ‘Kom, laten we het spel De eerste letter spelen’. Iedereen noemt dan om de beurt zo snel mogelijk een woord of een naam met de letter A; imaginaire punten krijg je bij een origineel of moeilijk woord. Het gaat ongeveer zo:
 
 
accreditatie
akelei
aquaplaning
androgyn
aguilera
arie boomsma
adidas
andromeda
alliantie
abominabel
Apartheid
assistent-scheidsrechter
 
…etc.
 
Een leuk spel, dat moet gezegd.
 
 
Hippopotomonstrosesquippedaliophobia | Nancy Posey
 
n. fear of big words 
 
Shunning Latinate constructions, I choose
instead the simple Anglo-Saxon
monosyllabic words, simple words.
Why utilize what I can use? I want to
make sense, not fabricate matter for
comprehension. Call it a fear, a phobia,
but my skin crawls when I hear pseudo-
words like functionality or paradigm.

In the beginning, we are told, was the Word.
and He spoke the world into being with
“Let there be light!” not “Illuminate this
cosmological nothingness into existence.”
Imagine Matthew penning, “The Messiah
grew copiously lachrymose” instead of
“Jesus wept.”

As I work on my own humble creations,
I seek clean, clear words, simple ideas:
Leave pomegranates, gorgonzola, and
osculation to other more erudite lovers;
I’ll tell you, in no uncertain terms, I
love you. I will feed you apples and
cheese. We will share one sweet kiss.

From Let the Lady Speak (January 2011) 

 

Nieuwe traditie

IMG_3626Ik heb de indruk dat de decennia sinds de tweede wereldoorlog een afkalven van gebruiken en tradities hebben laten zien. Grappige en eeuwenoude gewoonten als kerkbezoek, lezen en jam-maken werden verruild voor televisie, gamen en Bonne Maman

Met het stijgen van de aandacht voor koken in de laatste jaren, waarbij we ons eerst blind staarden op Frankrijk en daarna op Italië, verwierven koks sterrenstatus. Als we tegenwoordig een nieuw huis kopen gaat het grootste deel van ons bouwdepot naar de keuken.

Niet iedereen gebruikt zo’n combisteamer of Kitchenaid voor wat ‘ie kan, maar ik ken een grote groep hip te noemen mannen en vrouwen die zich bekwaamden in onder andere de charcuterie, het brouwen van bier en bakken van brood. 

Het echt nieuwe hieraan is dat die mensen er vreselijk goed in geworden zijn. 

Mijn broden en verse pasta zijn goed. Geen Slowfoodprijs waard, maar wel echt goed. Als huisvrouw – ik kook aardig voor dertig man, maar geweldig voor zes – kan ik me met de besten van deze aarde meten. Mijn plezier en trots in het koken is onze zoon Nadim niet ontgaan. Hij heeft een grote interesse voor alles wat ik in de keuken doe en sinds we een krukje voor hem kochten wil hij overal zijn handen aan vuil maken. Ik hoef maar naar mijn desem te kijken en hij heeft zijn mouwen al opgestroopt.

Nu weet ik dat ik me niet mag wijsmaken ook maar een haar minder deel van de kookhype te zijn dan mijn leeftijdsgenoten, maar wat ik de laatste tijd loop te denken: onze kinderen weten niet dat al die slow-roastende, koffiebrandende en botargadrogende stoerheid maar een generatie diep is.

Onze kinderen groeien op in een ‘traditie’ van lange zelfgetimmerde tafels, goede wijn en rustieke gerechten bereid met ingrediënten van lokale herkomst. Hun generatie zal bij reizen in het buitenland (als dat dan nog mogelijk is) de indruk wekken uit een rijke cultuur te komen met diepe culinaire wortels.

Snel, voordat ze kunnen lezen: laten we afspreken nooit te verklappen dat we het onszelf hebben moeten leren. 

Dat we uit het niets begonnen zijn en de eerste jaren maar wat aanklootten.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

De doden zijn niet geheel zonder kracht…

De Coen Brothers hebben het weer voor elkaar, een sterke film over een anti-held. Inside Llewyn Davis  vertelt het verhaal over een folk-muzikant die er net niet komt, talent genoeg, maar alles zit tegen. Het personage is gebaseerd op Dave van Ronk, een folk-zanger die in het midden van een groep getalenteerde musici in de 60-er jaren de enige is die volstrekt onbekend bleef. Er is meer nodig dan talent. De Coen Brothers hebben hem in de liefdevolle film aan de vergetelheid ontworsteld. Zanger-acteur Oscar Isaac zet een geweldige rol neer.

Dit is prinses Angeline, de foto werd weer een grove halve eeuw eerder gemaakt in Seattle in 1896 door Edward Sheriff Curtis. Angeline was de dochter van Chief Seattle, de naamgever van de stad, een belangrijke Native American, hoofdman van de Duwamish,  die vooral bekend werd door een speech die hij hield in 1854. Aan die speech is nogal wat mythologie vastgekoekt. Op een vergadering in het open veld, waarin de kwestie van land voor de settlers besproken werd, kreeg eerst gouverneur Stevens het woord, vervolgens stond Chief Seattle op, legde zijn hand op het hoofd van de veel kleinere gouverneur, en stak in het Lushootseed een speech af van een goed half uur… Er waren daar weinigen die het Lushootseed beheersten. Een native tolk vertaalde het naar vermogen in het Chinook, waarna een andere tolk het naar het Engels vertaalde. In 1874 haalde het pas de krant dus hoe betrouwbaar de weergave van de beroemde speech is weten we niet. Wel weten we dat er een aura van grote wijsheid en ecologisch denken avant la lettre aan toegeschreven wordt. 

Een van mijn favorieten onder de honderden prachtige foto's. Een Maricopa-dame.
Een van mijn favorieten onder de honderden prachtige foto’s. Een Maricopa-dame.

Seattle begint zo:’ Yonder sky that has wept tears of compassion upon my people for centuries untold, and which to us appears changeless and eternal, may change. Today is fair. Tomorrow it may be overcast with clouds. My words are like the stars that never change. Whatever Seattle says, the great chief at Washington can rely upon with as much certainty as he can upon the return of the sun or the seasons. The white chief says that Big Chief at Washington sends us greetings of friendship and goodwill. This is kind of him for we know he has little need of our friendship in return. His people are many. They are like the grass that covers vast prairies. My people are few. They resemble the scattering trees of a storm-swept plain. The great, and I presume — good, White Chief sends us word that he wishes to buy our land but is willing to allow us enough to live comfortably. This indeed appears just, even generous, for the Red Man no longer has rights that he need respect, and the offer may be wise, also, as we are no longer in need of an extensive country.’ (hier de rest)

414px-ECurtisEdward Sheriff Curtis ziet de princess op de markt in Seattle alwaar ze gevlochten manden verkoopt. Met haar verdween in dat jaar 1896 een taal, een wereld, een cultuur. Hij fotografeert haar en maakt daarmee zijn eerste en beroemdste foto van een Native American. Hij zal er tot aan het einde van zijn leven mee bezig blijven, reist zijn continent af als etnograaf en fotograaf,  en zijn The North American Indian, being a series of volumes picturing and describing the Indians of the United States and Alaska with a foreword by Theodore Roosevelt in twintig delen, dat aanvankelijk in een oplage van slechts 500 exemplaren wordt gedrukt is daarmee een van de duurste werken uit de Amerikaanse geschiedenis. En wat een prachtig werk! Ik kocht gisteren in de Oudemannenhuis-poort een Taschen-uitgave met alle foto-portfolio’s. Een geweldig document.

Curtis heeft ook niet echt van zijn roem kunnen genieten. Toen hij in 1952 stierf was hij min of meer vergeten. In de New York Times stond doodsbericht van 4 regels  afsluitend met de mededeling dat hij ook een algemeen bekend fotograaf was. Niet vooral, en dat is onterecht.

Als je zijn foto ziet dan lijkt het alsof de casting voor zijn aanstaand te verschijnen biopic – die een kaskraker gaat worden – al rond is…

 

* heel veel (1.158) foto’s van Curtis hier in de Library of Congress

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Afdalen in de hel

Afgelopen mei verscheen in The New Yorker een artikel van Joan Acocella over twee nieuwe vertalingen van De goddelijke komedie. In de inleiding vraagt Acocella zich af hoe het in godsnaam mogelijk is dat een middeleeuws allegorisch gedicht over zonde en verlossing nog altijd tot de verbeelding spreekt. Waarom wordt het nog altijd gelezen en verschijnen er tot op de dag van vandaag nieuwe vertalingen van? Helaas geeft ze geen bevredigend antwoord op die vraag. Ze stelt eigenlijk alleen dat dat het geval is.
            Ik lees het boek in de prozavertaling van Frans van Dooren. Dat Van Dooren er proza van maakte, is niet opmerkelijk, want vele Dante-vertalers over heel de wereld gingen hem voor.
            Van Dooren schrijft in zijn inleiding dat het lezen van De goddelijke komedie hem de eerste keer een ‘existentiële schok’ bezorgde. ‘Ik werd door het gedicht volkomen overdonderd, raakte in een toestand van extreme vreugde en extreem verdriet, en leefde maandenlang in een waas van verwarrende emoties.’
           
Ik las dit met enige bevreemding, omdat ik me niet kon en kan voorstellen dat mij door het lezen van dit veertiende-eeuwse gedicht ook iets dergelijks zal overkomen.
           
Ik ben inmiddels bij canto XXVI van De hel aanbeland, het eerste deel van het boek, dat gevolgd wordt door De louteringsberg en Het paradijs. De eerste zestien canto’s deden me denken aan toen ik studeerde en me moest dwingen tot concentratie bij het lezen van studieboeken. Maar vanaf canto XVII, als het verhaal door de introductie van het monster Geryon een Harry Potter-achtig karakter krijgt, kan ik oprecht zeggen dat het lezen een groot plezier is. Hoe dieper Dante samen met Vergilius afdaalt in de hel, hoe sensationeler en boeiender het wordt. Als ze in de klauwen komen van een groepje duivels, die in de vertaling van Van Dooren Kwaadstaart, Grijphand, Zakvlerk, Drekpoot, Hondskop, Ruigbaard, Loeistorm, Draakreus, Zwijnsmeul, Krabklauw, Zweefhoofd en Roodsnoet heten, doet dat denken aan The Lord of the Rings, wanneer Frodo en Sam gevangen worden gehouden door een groepje Uruk-Hai’s. Die vervolgens net als de duivels bij Dante ruzie met elkaar gaan maken. Het is niet zo dat de tekst begrijpelijker en makkelijker te verteren wordt doordat hij voor een eenentwintigste-eeuwse lezer doet denken aan deze boeken en hun verfilmingen, maar ik wil er maar mee duidelijk maken dat het met de weerbarstigheid van deze middeleeuwse tekst nogal meevalt. In ieder geval geldt dat voor de vertaling van Frans van Dooren.
           ‘Don’t be afraid of Dante!’ antwoordde een schrijver nadat ik hem had geschreven over mijn koudwatervrees bij het beginnen in De goddelijke komedie. Hij blijkt gelijk te hebben. Niets om bang voor te zijn.

‘Een geurboompje met blote vrouwen erop’ – Achter het station (2010/2013)

Judith Uyterlinde, die namens Festival Writers Unlimited optreedt als gastredacteur van Tirade 452, heeft haar Winternachtenspecial opgeleverd. Begin januari verschijnt Tirade 452 bij Uitgeverij Van Oorschot. We komen er nog uitgebreid op terug, maar ik verklap vast dat Tirade 452 een soort parallel universum vol poëzie, essays, verhalen en tekeningen uit de Hele Wereld is geworden. Auteurs: van Antjie Krog tot Noreena Hertz, van Herman Koch tot Aminatta Forna en Ian Buruma. Van Geling Yan tot Nihad Sirees en Amin Maalouf.

Het festival – dat van donderdag 16 januari tot en met zondag 19 januari 2014 plaatsvindt in Den Haag – heeft ook de programmering rond: zie de website. Tirade zal ook aanwezig zijn op het festival, zo zullen acht auteurs, vier op vrijdag, vier op zaterdag, naar Den Haag komen om hun tirade uit het Tirade jubileumnummer, Tirade 450, voor te lezen. Details volgen.

Nu eerst verder met… Arno Camenisch….

Een citaat uit Achter het station (2013;p.36/37)*:

eend‘Onze oom heeft borstelige bakkebaarden en rijdt in een oranje eend. In zijn eend hangt een geurboompje met blote vrouwen erop. Hij rijdt hard, en als de zon schijnt neemt hij ons en Fido mee. Hij zet zijn pilotenbril op en rolt het dak naar achteren en wij staan op de achterbank en houden ons vast aan de stang in het midden van het dak. De wind zuigt onze haren naar achteren en op het rechte stuk laten we één hand los. Oom lacht en kijkt even naar de straat en dan weer naar ons. Fido zit op de bijrijdersstoel. Oom aait hem over zijn oren als hij huilt en houdt hem in de bochten bij zijn halsband. In de bochten piept de eend en hangt-ie zo scheef dat-ie haast omkiept.’

Als kind heb ik zelf zo op de achterbank van een Eend gestaan en ik bevestig: dit is het betere uitwaaien.

Welk boekje is beter? Sez Ner of Achter het station?

Daar kan de kamer een hele nacht over debatteren.

De grote charme van Achter het station – een paar maanden uit het leven van twee broertjes, verteld, door de jongste, in de eerste persoon, tegenwoordige tijd – is in ieder geval dat Camenisch de verwondering van het kinderperspectief paart aan het gevaar dat bij het (jongens)leven in de bergen hoort. Net als in Sez Ner valt er bijna op iedere pagina te griezelen om en te genieten van alle dood en destructie.

In de jongste nY, nY#19, karakteriseert een personage – in een door Matthijs de Ridder vertaald fragment uit Ian Hay’s roman The First Hundred Thousand (1915) – Charlie Chaplin als volgt: ‘Hij is de nieuwste filmster. Valt van daken en wordt omver gereden door motoren -’

Valt van daken. Wordt omver gereden.

Slapstick!

In mijn stukje over Sez Ner, vorige week, had ik het al over Chaplin en slapstick. Ook in Achter het station zijn de valpartijen en ongelukken weer geweldig – en soms ook hard en schokkend trouwens (p.12, p.18, p. 44, p.62, p.64, p.74).

Ik heb dezelfde leeftijd als Camenisch (35) en een speciale – en eigenlijk buitenliteraire – attractie van Achter het station voor jongens mannen van mijn generatie is het opduiken van oude bekenden als de VW Kever, Lucky Luke (steenkloppende Daltons!), Zorro, Gargamel, Tschupatschups, klapperpistolen en… moonboots.

Camenisch is – net als wij allemaal – onmiskenbaar opgegroeid met stripboeken en comedyseries. En dat heeft hem, mede, literair gevormd. Zijn Sinterklaaspassage (p.58) is een onvergetelijk voorbeeld van literaire klucht oder – overigens alleen oder als je de pagina’s die er naar toewerken oder ook hebt gelezen oder.

De aanwijsbare invloed die de massacultuur op Camenisch heeft gehad betekent overigens niet dat zijn tekst ook maar ergens voor lage cultuur/loos entertainment aangezien zou kunnen worden. Daar is Achter het station, de hele Sez Ner trilogie trouwens, te donker en ongenaakbaar voor. Zie bijvoorbeeld het bikkelharde tekstblokje op pagina 56 van AHS waarin de vader van de verteller die lieve Fido uit het vrolijke citaat hierboven overhoop schiet. Dat heeft met slapstick niks te maken.

Camenisch kan ijskoud te werk gaan. Kijk bijvoorbeeld hoe hij zijn verteller in de volgende scène laat opgaan in zijn spel:

‘Vader is in het restaurant. Wij staan achter het station. We lopen om de geparkeerde auto’s van de soldaten heen. Mijn broer somt de merken van de auto’s op. Ik noem de kleuren. We knielen voor de autodeuren. Mijn broer knielt voor een oranje auto. Ik kniel voor een rode. Met een spijker van Giacasep teken ik een huis op het zijportier. Mijn huis heeft een dubbele deur. Het heeft een raam naast de deur en twee ramen op de eerste verdieping. Op het dak liggen dakpannen. Op het dak staat een schoorsteen. Uit de schoorsteen komt. Ik teken gordijnen in de ramen. Naast het huis is een tuin. In de tuin teken ik bloemen. Ik teken ook een zon en wolken aan de hemel. In de lucht hangen twee vogels. In de tuin teken ik een grote boom. Onder de boom staat een hok. In het hok teken ik een konijn.’ (p.7)

Het resultaat is poëtisch en hilarisch tegelijk: een tekening op een autoportier krassen met de onschuld en concentratie die je alleen zou verwachten bij een kind dat gezellig thuis onder de keukenlamp zit te kleuren…

Wat keer op keer frappeert in Achter het station: Camenisch erkent, of begrijpt, dat kinderen uit andere stof zijn gemaakt dan volwassenen. En dat ze niet alleen anders waarnemen, maar dat ze dat ook doen vanuit andere waarden.

Ik kan hier moeilijk het hele boekje overtikken, dus je moet, tot slot, maar van me aannemen dat Camenisch ook in Achter het station een knappe balans tussen een vrije en hechte compositie heeft gevonden en dat… Nou ja… dat zie je wel als je zelf de tijd neemt/vindt om het boekje te lezen. Ja, vragen?

‘Wie is je favoriete personage uit de Sez Ner-trilogie?’

‘Luis uit Schlans.’

‘Waarom duikt er in de trilogie steeds een radio met een geknakte antenne op?’

‘Oeps… geen idee.’

‘Ik wil toch graag een antwoord.’

‘Eh… ik denk dat het een soort symbool is… voor de eenzaamheid van het leven in de bergen… Zijn er nog meer vragen?’

‘Je zei net dat je 35 bent, net als Arno Camenisch, maar jij bent toch uit 1973? Dan ben je toch – ’

‘Ach, sorry de conciërge staat al de hele tijd te gebaren dat hij naar huis wil. Bedankt voor jullie aandacht en tot de volgende week!’

Was ik zo’n meeloper die van die tuttige eindejaarslijstjes (boe!) opstelde, dan was Camenisch’ Sez Ner-trilogie de eerste uitgave die ik noteerde.

Soundtrack (bijna een definitie van slapstick): Everything that kills me makes me feel alive.

Volgende week: Alsof het voorbij is (II) – de tentoonstelling.

Tirade – prettige leesdagen!

Noot

*Alle citaten hierboven komen, tenzij anders vermeld (jahaa), uit Achter het station (De Weekblad Pers Groep, 2013)/Hinter dem Bahnhof (2010). Vertaling: Miek Zwamborn.

Mijn segment

Toen ik tien jaar geleden voor het eerst bij de televisie ging werken, reageerde mijn moeder met een mengeling van enthousiasme en reserve op mijn nieuwe baan.

“Leuk hoor, maar dan moet je wel je neus recht laten zetten, anders kom je nooit op de buis.” Mijn eerste werkdag moest toen nog beginnen, maar ze zei het alsof het eigenlijk al te laat was.

 Ik was het zelf alweer bijna vergeten, maar op een wintermiddag halverwege de middelbare school ben ik tijdens de lunchpauze hardhandig in aanraking gekomen met de knie van de broer van de bassist van Roberto Jacketti & the Scooters, bekend van het kutnummer I Save the Day (1984). Alles ging heel snel: het ene moment zat ik met mijn klasgenootjes vredig aan een boterham tevredenheid, het volgende moment werd ik hard aan mijn haren naar die knie getrokken, hoorde ik een droge knak in mijn hoofd en lag ik bloedend met een gebroken neus op het schoolplein… Ik zal het er wel naar gemaakt hebben. 

Sindsdien is mijn linker neusgat iets groter dan mijn rechter en maakt het puntje van mijn neus een flauwe bocht naar links. Op zich niets om je druk over te maken, maar nu ik op het punt sta door te breken in het literaire circuit, spookt die opmerking van mijn moeder steeds vaker door mijn hoofd. Is mijn scheve neus wel bestand tegen de mediastorm die mijn debuutroman gaat veroorzaken? Hoe moet dat straks in de talkshows? Leidt mijn neus niet te veel af van het gesprek? Drukt hij de verkoopcijfers van mijn aanstaande bestseller? Wat in het dagelijks leven doorgaat voor een charmante – of in ieder geval markante – asymmetrie, kan bij Pauw & Witteman een regelrechte afknapper zijn. De camera ziet alles. 

Om te voorkomen dat de kijker zich straks wel mijn neus maar niet mijn boek herinnert, overweeg ik alsnog een chirurgische ingreep. Toegegeven, aan mijn roman moet nog veel gebeuren, maar first things first. Het zou kinderlijk naïef zijn om totaal onvoorbereid bij Matthijs aan te schuiven. Eén segment van tien minuten in DWDD is allesbepalend voor succes, dus inspecteer ik mezelf dagelijks urenlang voor de badkamerspiegel en speur ik nu al maanden naar een nieuw neusmodel voor een evenwichtig, literair profiel. Voorlopige favoriet: De Denker van Rodin. 

Zodra ik een nieuwe neus heb, pak ik het schrijven weer op. Dit is nu eenmaal een noodzakelijke investering met topprioriteit. En een veilige investering bovendien, want de tijden zijn veranderd. In 1971 – toen schrijvers op tv nog voor vuurwerk zorgden – deelde Norman Mailer tijdens The Dick Cavett Show een kopstoot uit aan zijn rivaal Gore Vidal. Gelukkig is zoiets bij Knevel & Van den Brink ondenkbaar.

 

 

Arjen van Lith (1971) is journalist en schrijver. Eerder publiceerde hij het satirische crisishandboek Antirecessiva, een reeks korte verhalen en de dichtbundel Geluk in de ruimte, gedichten door de Philips Freespeech 2000. Momenteel werkt hij aan zijn eerste roman. 

 

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Vroeger

IMG_3678‘Gil, weet je nog dat we maar net onze rekeningen konden betalen?’

‘Dat weet ik nog heel goed.’

‘Knuffel me eens.’

‘Zo, ongeveer?’

‘Hm-hm. En weet je nog dat onze vrienden afgedankte kleertjes brachten voor Nadim?’

‘Kleren voor mij, ook.’

‘Bijna vergeten! Die veel te grote jas waar je in rond bleef lopen.’

‘Ik droeg er een dikke trui onder, zodat de schouders niet zo afhingen.’

‘En ik had echt heel weinig schoenen.’

‘Die blauwe waren toch wel mooi?’

‘Een vrouw moet minstens zes paar schoenen hebben. Ze moet haar blik over haar schoeisel kunnen laten glijden.’

‘Wat lijkt dat lang geleden, 2013.’

‘Maar toen waren we wél heel gelukkig.’

‘Toen waren we óók heel gelukkig.’

‘Bedoel ik. Dat bedoel ik toch.’ 

‘Had jij ooit gedacht dat er olie onder ons huis zou zitten?’

‘Ik denk dat niemand dat verwachtte.’

‘Wacht eens…. In 2013 schreef je nog!’

‘Da’s waar ook. Boeken. Daar genoot ik best wel van.’ 

‘Maar nu is alles beter.’

‘Ja, schat. Nu is alles beter.’

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

De zegeningen van onderdrukking

Het is januari 1914, Anna Achmatova schrijft haar gedicht

 

Voor Alexander Blok

Ik bezocht een keer de dichter.
Klokslag twaalf. Op zondagmiddag.
Stil is ’t in de ruime kamer,
Buiten vriest het dat het kraakt,

En de zon, frambozenkleurig,
Boven vlokkig grijze nevel…
En hoe helder kijkt de gastheer,
Zwijgzaam als hij is, mij aan!

Met die ogen die geen mens ooit
Kan vergeten. ’t Ware beter
Om er zelfs niet in te kijken
Voor een waakzaam mens als ik.

Maar ik weet nog wat we zeiden
Op die rokerige middag
In die hoge, grijze woning
Bij de poort van de Neva.

Anna Achmatova (Vertaling Margriet Berg en Marja Wiebes)

Het zwarte vlak hing in een hoek van de zaal waar traditioneel altijd het icoon hing…

In het Stedelijk museum is een grote overzichtstentoonstelling van Kasimir Malevich (1879-1935). In 1914, het jaar van het  gedicht hierboven heeft Malevich een tentoonstelling in Parijs en kort daarna begint een nieuwe fase in zijn werk. Hij is een goede tekenaar en heeft heel wat Franse populaire ‘scholen’ geïncorporeerd voordat hij besluit dat de ultieme abstractie zijn nieuwe doel is. ‘Suprematisme’ doopt hij dit streven, en een zwart vierkant is het iconische keerpunt in zijn oeuvre en in zeker mate in de moderne kunst.

Het wonderlijke van dit gedicht van Achmatova is een extreme vorm van wat in elk gedicht gebeurt: de nadruk op wat er niet gezegd wordt. Een scène waarin twee dichters samenzijn staat of valt toch met wat men bespreekt. Maar de lezer hoort over de zon die frambozenrood is, de ogen van de dichter, die geen mens ooit kan vergeten, dat de middag rokerig is, maar de lezer verneemt niets over wat er gezegd wordt. En dat is het intrigerendste deel van het gedicht. Wat is er gezegd? Waarover spraken Achmatova en Blok?

Malevich_cavalry
De Rode ruiterij

Malevich abstraheert in het navolgend decennium, zijn verzamelingen ‘vormen’ worden  wereldberoemd. Hij geeft les in Duitsland over de nieuwe schilderkunst. Dan, rond 1927 besluiten de communisten dat abstractie bourgeois is. Als veel kunstenaars en schrijvers moet Malevich zich aanpassen aan de wensen van de paranoïde overheerser. Hij gaat weer boeren en boerinnen schilderen en deze bijvoorbeeld, bekend als omslag van een uitgave van Babel’s De Rode Ruiterij.

normal_malevich-carpenter-1928-32Malevich zal gezwegen hebben, maar hij spreekt in wat we zien. Op ‘De Rode ruiterij’ is een sliertje soldaatjes aangebracht die de naam rechtvaardigen, waardoor de communisten het prachtig gevonden zullen hebben, maar Malevich spreekt tot de kijker in het landschap, dat hem alle ruimte tot abstractie geeft.

De boerin hieronder, deze boeren en deze houtbewerker zijn ongetwijfeld bezig met het volbrengen van een 5-jarenplan, ‘maar ik weet wat nog wat we zeiden’ schildert Malevich in de vlakken en de kleuren.

peasants-1.jpg!BlogWat een soevereiniteit dat dichters en schilders datgene wat ze belet wordt te melden luid en duidelijk de eeuwigheid in krijgen, terwijl de contemporaine censors voorgoed de mond gesnoerd is.

200505malevich16Een verontrustend bijeffect is wel dat in onderdrukking zulk goed werk tot stand gebracht lijkt te kunnen worden. De oekaze jegens Malevich heeft hem beslist tot zijn beste werk gebracht.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Jan Mesdag en Godfried Bomans

Afgelopen weekend las ik Jeroen Brouwers’ opnieuw uitgegeven monografie over Godfried Bomans. Brouwers’ hoofdgedachte van dat boek is dat Bomans nooit een écht grote schrijver werd, vanwege zijn angst voor – zoals Bomans zelf ergens schreef – ‘exhibitionisme van mijn diepere gevoelens’.
            Zo populair als Bomans bij zijn leven was, zo compleet vergeten was hij tot voor kort. De CPNB wilde daar verandering in brengen en maakte zijn klassieker Erik of het klein insectenboek het Nederland Leest-boek van 2013. Het is wonderlijk dat een boek dat decennialang gigantisch populair was, tegenwoordig nauwelijks nog waardering krijgt. ‘De diepe laag in het boek is doorgaans niet dieper dan de vage spreuken in de Happinez-kalender die bij mijn moeder op het toilet hangt,’ schreef Toine Donk in De Volkskrant. En Daniël van der Meer ‘vond het werkelijk niet om door te komen zo belegen’. Daan Stoffelsen schreef op Recensieweb: ‘Bomans’ taal heeft de tand des tijds niet doorstaan.’
           
Brouwers’ boek verscheen voor het eerst in 1981, als bijlage bij Vrij Nederland. Toen wist nog nagenoeg heel Nederland wie Godfried Bomans was en werden zijn boeken nog altijd gelezen. Bomans is een voorbeeld van hoe snel een oeuvre kan verstoffen en in de vergetelheid belanden.
           
Bomans werd belemmerd door angst voor exhibitionisme van zijn diepere gevoelens – een echo daarvan kwam ik tegen in de documentaire Jan Mesdag zingt Brel, van Emma Westermann. Mesdag was een zanger en kleinkunstenaar die op zijn vierendertigste stierf aan aids. Vlak voor zijn dood maakte hij een album met Brel-vertolkingen. Hoogtepunt van de documentaire is wanneer je hem ‘Verlaat me niet’ hoort zingen, terwijl je beelden ziet uit Een fotograaf filmt Amsterdam van Ed van der Elsken.
           
Mesdag (1953–1988) heette eigenlijk Jan Henry de Vey Mestdagh. Aan Hans Vogel van Het Parool vertelde hij vlak voor zijn dood: ‘Brel is altijd honderd procent trouw gebleven aan zichzelf. In elk woord dat hij heeft geschreven en gezongen. Ikzelf heb dat heel vaak niet gedaan. Daardoor ben ik nooit boven een bepaalde middelmaat uitgegroeid. Het is vreselijk om 34 jaar lang met veel meer diepgang in je lijf te worstelen en dat nooit vorm te kunnen geven.’
           
Door dit citaat moest ik aan Bomans denken, die – en dan baseer ik me op het boek van Brouwers – ook niet honderd procent trouw bleef aan zichzelf. Hij bleef ‘stukjes’ maken en op televisie verschijnen. Mesdag en Bomans slaagden er allebei niet in om hun ‘diepere gevoelens’ vorm te geven. Bomans omdat hij niet durfde. Misschien was het Mesdag wel gelukt als hij niet zo jong was overleden.

Nu te koop: Tirade 451

Je lange winterjas. Sjaal, wanten. Gewatteerde laarzen. En natuurlijk die gekke berenmuts die je grootvader altijd droeg als ie tijdens de Hongerwinter op z’n zwarte, zware herenfiets (nul versnellingen, houten banden) aardappelen ging halen in de Noordoostpolder.

‘Hè?’

‘Je moet je hut uit!… De winter-Tirade is verschenen!’

Tirade 451, het allerlaatste nummer van het prachtjaar 2013, bevat bijdragen van de volgende, hier alfabetisch gerangschikte, auteurs:  Álvaro Enrigue, Jaap Ferwerda, Harrie Geelen,  Detlev van Heest, Heinrich Heine, D. Hooijer, A.E. Housman,  Rebecca Makkai, Lieke Marsman, Jan van Mersbergen, Charlotte Mutsaers, Arjaan van Nimwegen, Elisabeth van Nimwegen, Wouter van Oorschot, Carel Peeters, Eugenia Rico, Stevie Smith, Leo Vroman en Hannah van Wieringen.

Het nummer is te koop in de echtere boekhandel én kan worden besteld via deze website.

‘Ik heb al een abonnement… mag ik dan nog losse nummers bijbestellen om cadeau te doen aan familie, vrienden en bekenden?’

‘Maar natúúrlijk! Bestel er zoveel je maar wilt!’

Tirade 451 – verlicht.

Tirade 451 – pakt je helemaal in.

In long-shot life is a comedy’ – Sez Ner

We aten wat in De Jaren. Daarna liepen we naar Perdu waar het literaire seizoen zou worden afgesloten met een feest. Volgens Lieke een mooie gelegenheid om eens te laten zien of ik inderdaad zo goed kan dansen als overal wordt beweerd.

Het feest begon met de presentatie van het Berlijn nummer van Tijdschrift Terras. Een prachtig, sterk nummer overigens.

Na afloop van de lezingen en performances was er tijd om te kletsen en te dansen.

Buiten – op de rookstrook achter Perdu, zicht op de bloeiende boerenjasmijn – raakte ik in gesprek met Miek Zwamborn. Ik was haar al vaker tegengekomen – bij de presentatie van Tirade 438 bijvoorbeeld, in het orgelpark (Amsterdam) – maar we hadden elkaar nooit eerder gesproken.

Miek vertelde over De duimsprong, die in de herfst zou verschijnen bij de uitgever van Tirade – het boek is inmiddels gedrukt, ik ben van plan het rond kerst te gaan lezen – en ook over Arno Camenisch’ Sez Ner-trilogie die zij had vertaald en die op verschijnen stond.

Die trilogie leek me vanwege thema (leven op het platteland) en situering (Zwitserland) sowieso al wel interessant, maar de gedrevenheid waarmee Zwamborn op Camenisch’ werk inging, haalde me over haar vertaling van de Sez Ner-trilogie zo kort mogelijk na verschijning te gaan lezen.

Vorige week las ik het eerste deeltje: Sez Ner (2009).

Vanwege de portretfoto van Camenisch op het achterplat van de Nederlandse uitgave begon ik toch nog vol scepsis. Godsamme, Camenisch, dacht ik, wat ben je nou? Een serieuze schrijver? Of de ijdele hartenbreker uit een boyband? Met je stoere jack. En je olijke gezicht en je piekende gel-haar.

Het is vast een testosterondingetje maar opeens voelde ik de behoefte opkomen een kleine correctie te gaan aanbrengen op de Koers van het aandeel Camenisch.

Maar/echter/desalniettemin: Camenisch’ proza wist mijn scepsis/opgekomen vooringenomenheid in een paar pagina’s te slopen.

Het is een geweldig boekje dat Sez Ner. Het verhaal: een varkenshoeder, een koeherder en een kaasmaker & knecht brengen een zomer door in de Alpen. In gemiddeld drie, vier blokjes tekst per pagina – steeds van elkaar gescheiden door witregels – zijn we deelgenoot van hun levens.

Het verhaal is gemonteerd als een documentaire: iedere witregel vormt de harde overgang naar een nieuwe sequentie. De afstand die de verteller bewaart tot de personages werkt sterk depersonaliserend – dat maakt Sez Ner, bij vlagen, net zo grappig als ouderwetse slapstick. ‘Life is a tragedy when seen in close-up, but a comedy in long-shot,’ zei Chaplin.

Wat me erg voor Sez Ner inneemt: er gaan voortdurend dingen stuk. ‘De rechterhoren van de koe van Toni Liung, de lichte, is afgescheurd.’ (p.14). ‘Lappi springt op en bijt Köbi in zijn wijsvinger’ (p.37). ‘De koeherder tilt het dode kalf op en laat het kadaver in de plastic zak glijden.’ (p.42). ‘De kaasmaker ligt met koppijn en wangen vol schrammen naast de varkens.’ (p.47). ‘De zijspiegel van de Justy is afgebroken (p.52). , ‘De eerste houtstapel is ingestort’ (p.64). ‘De steel van de mestschep is afgebroken.’ (p.77).

Het allerbeste tekstblokje in de categorie dood & destructie vind je op pagina 70:

‘De blauwe gasfles hangt in de kamer aan de koeketting aan het plafond. Plotsklaps valt ze naar beneden, terwijl Georg onder de lamp staat. De onderkant van de gasfles heeft Georgs sigaar uit zijn mond gerukt en zijn mok heel precies doormidden gebroken. Georg staat bleekjes in de kamer met zijn vinger in het oor van de halve mok. Voor hem op de grond de blauwe gasfles in de plas koffie, daarvoor de schare boeren, onbeweeglijk op hun dijbeenbotten, hun hooiklepmond wijd open, alsof het God persoonlijk was die achter het complot zat.’

Sez Ner is – omdat Camenisch’ teksten zo helder en beschrijvend zijn en omdat je bijna alle tekstblokjes als op zichzelf staande Ultra Korte Verhaaltjes kunt beschouwen – eigenlijk een ideaal voorleesboek voor volwassenen. Dat geldt trouwens ook voor het vervolg, Achter het station, dat ik nu aan het lezen ben en waarmee je ook steeds derden wilt lastigvallen: ‘Hé, haha, moet je horen.’

Alle citaten hierboven zijn overgetikt uit Miek Zwamborns vertaling van Sez Ner (2009 geschreven, 2013 vertaald).

De Nederlandse vertaling van de Sez Ner trilogie is verschenen bij De Weekblad Pers groep.

Tijdschrift Terras wordt uitgegeven door Stichting Perdu.

Tirade – leest.

Volgende week: Writers Unlimited 2014. En meer.

‘Een verliefdheid van waarlijk monumentale proporties’

‘Op haar tweeëntwintigste werd Sumire voor het eerst in haar leven verliefd. Het was een hevige verliefdheid, als een tornado die over de vlakte raast. Zo een die alles op zijn pad omverblaast, de lucht in slingert, aan stukken rijt en volkomen vernietigt.’

De eerste zinnen van Spoetnikliefde. Met het Murakami Festival van Das Mag in het vooruitzicht, in januari, ben ik begonnen aan een snelle herlezing van Murakami’s werk. Het grootste gevaar van het opnieuw lezen van goede boeken is vanzelfsprekend dat ze de tweede keer wel eens tegen zou kunnen vallen.

Onbedoeld aangespoord door een vriend die ‘dat boek wel kan dromen’, begon ik Spoetnikliefde aan de lakmoesproef voor goede boeken te onderwerpen. Het was destijds een hevige leeservaring, een windhoos enzovoort, maar dat gevoel heeft inmiddels aan kracht ingeboet. Toch blijft het een fantastisch boek, al was het maar doordat een deel van het verhaal werkelijk een fantastische vertelling is, in de ongelooflijke zin van het woord. Dat is Murakami als geen ander toevertrouwd: het onmogelijke zo opschrijven dat je er als lezer in meegaat, zoals een sliert spaghetti door de tomatensaus glijdt.

Spoetnikliefde begint als een behoorlijk gewoon verhaal over Sumire, die verliefd wordt op Mioe, een vrouw die een stuk ouder is dan zij. Er ontrolt zich dan iets wat op een driehoeksrelatie lijkt, want de verteller, K., een goede vriend van Sumire, koestert juist een niet zo heimelijke verliefdheid voor háár. Dat maakt hem wat mij betreft niet de betrouwbaarste bron.

Zoals in alle romans en verhalen van Murakami zijn ook Sumire zowel als K. en Mioe, tot op zekere hoogte, zonderlinge figuren. Door hun schuwe gedrag en eenzaamheid kunnen ze maar moeilijk hun plaats in de samenleving vinden, zeker in een land met zulke zwaarwegende publieke etiquette als Japan. Hun eigenaardigheden maken het des te aannemelijker dat Sumire heel lang niets met haar gevoelens voor Mioe doet, en dat K. als enige vriend van Sumire van zo ongeveer al haar wederwaardigheden en gedachten op de hoogte is.

Ongeveer halverwege het verhaal verdwijnt Sumire. De twee vrouwen zijn samen op een klein Grieks eiland, nadat ze voor zaken – Sumire is voor Mioe gaan werken – in Europa hebben rondgereisd. K. reist af vanuit Japan om Mioe te helpen met zoeken en vanaf dat moment leidt Spoetnikliefde van de ene adúnaton* naar de andere: om te beginnen is het is te klein en te bevolkt om onopgemerkt te verlaten.

Vervolgens vindt K. twee teksten die Sumire heeft geschreven op haar reis. In de eerste beschrijft ze een droom waarin ze haar moeder, die ze nauwelijks gekend heeft, tevergeefs probeert te ontmoeten; die laveert tussen de echte wereld en gene zijde. De tweede gaat over een gebeurtenis uit het leven Mioe: ‘In een pretpark in een Zwitsers stadje wordt ze een nacht lang opgesloten in een reuzenrad en met haar toneelkijker ziet ze een tweede versie van zichzelf in haar kamer.’ Zij kan zich blijkbaar opdelen in twee helften, of in twee personen.

Tijdens zijn verblijf op het eilandje wordt K. midden in de nacht wakker omdat hij muziek hoort. Hij volgt zijn oren en vermoedt dat het geluid vanaf de berg komt, maar hij kan niet dichterbij komen. Het stuwende ritme, het vreemde tijdstip en de plaats wijzen op een mysterieuze ceremonie – K. beschrijft het voorval dan ook als een mystieke ervaring. Ik denk dat Murakami hier verwijst naar een feestje van de antieke Dionysus-cultus. De deelnemers (enkel vrouwen) dronken zich zo laveloos dat ze buiten zichzelf traden en uitzinnig tekeer te gingen (bijvoorbeeld tegen mannen), bacchanten dus.

Sumire is verdwenen naar een andere dimensie. Althans, dat suggereert Murakami en dat geloofde ik de eerste keer ook meteen. Haar liefde voor Mioe is zo overdonderd verlammend – zie openingszin – dat ze in een trance raakt en zich helemaal terugtrekt uit het leven. Na de tweede lezing denk ik daarentegen dat het niet háár zinsbegoocheling is, maar die van K. Dat maakt Spoetnikliefde tot een gelaagder roman, niet per se tot een beter boek. Ik laat me niet meer klakkeloos meeslepen in de richting van het onwerkelijke. Het is de verteller die ten prooi valt aan een waanidee, dat volgens mij voortkomt uit het feit dat hij hevig verliefd is op Sumire. Hij doet immers eerst voorkomen alsof het nog iets kan worden tussen hen, maar als dat uitblijft verandert zijn verhaal in een sprookje. De verdwijning en zoektocht bestaan alleen maar in zijn hoofd, een gevolg van de psychotische kracht van liefde.

Ik vind Spoetnikliefde nu nauwelijks nog absurd. Desondanks blijft het mooiste van dit boek dat Murakami op geen enkele manier uitsluitsel probeert te geven over wat waar is en wat niet. Zo krachtig als de eerste zinnen zijn, zo ongewis blijft de afloop, en dat is in dit geval iets goeds.

 

* Snobistisch hoor: het Oudgriekse woord voor ‘onmogelijkheid’.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.