Het geluk (4)

Met mijn blote voeten op de rand van de terrastafel onderga ik voor de 364e keer dit jaar dat de aarde zich wegdraait van de zon. Een massaal achterovervallen, dat hier in de tropen veel makkelijker voelbaar is.

Ik trek mijn voeten terug en zet ze op de grond omdat ik bang ben mijn evenwicht te verliezen; lach om mezelf.

‘Wat is er?’ vraagt Birre, terwijl Nadim op haar knieën wipt en vraagtvraagtvraagt of het dan nu schemering is.

‘Niks,’ zeg ik. En: ‘Bijna, jongen.’

Er zal wel nooit een goed alternatief voor de gloeilamp komen. Warm licht komt uitsluitend uit bronnen die warm zijn.

Wanneer zou dat achterovervallen omslaan in vooroverklappen? Op welk exacte moment krijgt je het gevoel naar de zonsopkomst toe te draaien? De afgelopen dagen had ik daar zeker getuige van kunnen zijn, want ondanks de idyllische plek aan zee waar we logeren heb ik slecht geslapen. Nachtmerries, had ik. Soms wel drie op een nacht, waaronder veel dromen over onze vriend Gijs die inmiddels meer dan drie jaar dood is: elke ochtend tegen vijven schrok ik wakker.

Gisterenochtend trof ik bij mijn mail een foto die vriendin Rosan me gestuurd had. Het was een polaroid van haarzelf, collega Claudia en Gijs toen ze nog samen bij café de Pels werkten. Van dit soort toevalligheden kijk ik niet meer op, daarvoor gebeuren ze te vaak. Rosan vroeg hoe het met me gaat, en ik schreef terug dat ik niet weet of het ooit goed zal komen tussen Gilles van der Loo en het hier en nu.

Plannen en dromen zijn altijd aantrekkelijker voor me geweest dan de werkelijkheid. Vandaar dat lezen, vandaar dat schrijven. Er is een bizarre les te leren op het moment dat je laatste droom in vervulling gaat. Het laatste wat ik kon bedenken te willen was langere tijd met mijn gezin in Suriname wonen. God weet hoe, maar het is ons gelukt. Aan de vooravond van onze terugkeer naar Nederland ben ik een man zonder wensen geworden.

Ik heb niets meer te willen. Ben ik dan nu gelukkig?

Misschien is het geluk iets waartoe je moet besluiten op basis van overvloedig bewijs. Als dat zo is dan sluit ik 2014 ver in de plus af.

Ik wens jullie allemaal hetzelfde.

 

Alle goeds,

Gilles

 

 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Op naar 2015

Jaargang 2014

Beste abonnees, bloglezers, volgers, likers, contribuanten en andere Tirade-adepten,

De redactie van Tirade kijkt met gepaste trots terug op het afgelopen jaar. Het is in 2014 gelukt om een aantal nieuwe rubrieken succesvol uit te werken, zoals ‘De ambassadeur’ en ‘De tirade van…’. Samen met Writers Unlimited maakten we in januari voor het eerst een internationaal themanummer, en in het voorjaar stond Tirade geheel in het teken van liefdespoëzie. Het tijdschrift heeft een andere uitstraling gekregen, door elke aflevering samen te werken met een illustrator en zo de oude traditie van het portfolio in ere te herstellen. Op het blog verscheen dit jaar elke dag van de week een nieuw stukje. Dat is onder meer de verdienste van de gastbloggers, die ieder een maand lang de zondag voor hun rekening namen. Al met al hebben al deze ontwikkelingen ervoor gezorgd dat we een aantal belangwekkende schrijvers hebben mogen verwelkomen als (vaste) contribuanten. Niet in laatste plaats is dit mede te danken aan een zeer belangrijke groep: het publiek, de lezers en inzenders, van wie wij ook een groot aantal inzendingen mochten ontvangen. Daarom willen we iedereen die, op welke manier dan ook, heeft bijgedragen bedanken voor hun inspirerende inzet.

Inmiddels staat er alweer een nieuw nummer van Tirade in de startblokken, dat we maakten met Wrtiters Unlimited, en net als afgelopen jaar een internationale invulling heeft gekregen. Tirade 457 verschijnt volgende week en is hier vanaf 6 januari te bestellen. Met dit eerste nummer van 2015 belooft, al zeggen we het zelf, de komende jaargang weer een succes te worden. Wij hopen dan ook dat we het komende jaar mogen rekenen op het enthousiasme van vele lezers en inzenders.

Alvast, namens de voltallige redactie, een zeer voorspoedig 2015 gewenst!

Martijn Knol
Gilles van der Loo
Lieke Marsman
Marko van der Wal

Let’s call it a year‘ – afhameren die handel

Opeens zat ik mijn enige principe te verloochenen. Het formaat van de flatscreen waarnaar ik zat te staren mocht dat van een bioscoopdoek dan wel verre overtreffen, feit bleef dat ik een speelfilm zat te kijken op een andere plek dan in de Heilige Tempel der Cinema. Het was me, eerlijk gezegd, een beetje overkomen. Ik verbleef in een huis met een omvangrijke DVD collectie waartussen ik Florian Henckel von Donnersmarcks The Tourist (2010) ontdekte, een romantische thrillerkomedie met Johnny Depp en Angelina Jolie in de hi, ha, hoofdrollen. In de vrolijke zekerheid dat ik de flutfilm binnen een minuut wenend/ hoofdschuddend/ schaterlachend zou afzetten, legde ik de zilveren Blue Ray in de dvd-speler – en keek m’ uit. The Tourist is een Heel Erg Slechte Film waarvan je je niet kunt losmaken omdat het ambivalente optreden van protagonist Frank – gespeeld door Johnny Depp – zo intrigeert. Tot een moment voor de Grote Ontknoping dacht ik: Depp gebruikt deze film gewoon om een cursus acteren te geven. Het dénouement leert dat Depp een personage speelt dat spéélt dat hij Frank is (facelift, identiteitsfraude). Dat is dus het geheim dat Depps spel onder hoogspanning zet. Met terugwerkende kracht begrijp je de heerlijke dialoog tussen de ‘Amerikaanse’ Frank en de Britse Elise nadat de twee elkaar hebben ontmoet in de TGV van Parijs naar Venetië.
      ‘I’m Frank.’
      ‘That’s a terrible name.’
      ‘It’s the only one I’ve got.’
      ‘Maybe we can find you another.’
Het is opmerkelijk dat zelfs in een uitgesproken nulsterrenfilm als The Tourist mooie thema’s als Echte Liefde, trouw, uiterlijk/innerlijk, identiteit, authenticiteit en

Nice Poes 2‘Tyn! Hé, hahaha! Nee, hier… hierboven, joehoe, haha!’

‘Hé, lieve Poes… wat ben je aan ’t doen?’

‘Ik zit vandalisme te plegen. Zie je die barst onder de vensterbank? Die heb ik erin gesprongen, hahaha!’

‘Je zit toch geen grapjes te maken, Poes? Want dan krijgen we problemen met Daan Droogstoffelsen van het tegenwoordig door de Weekblad Pers Groep uitgegeven tijdschrift halfjaarboek De Televisor en dan – ’

‘Daan Droogstoffel? Nooit van gehoord. Maakt ie problemen? Moet ik in z’n tuin poepen?’

‘Nee, doe dat nou maar niet. Daan is een hartstikke goeie gast – hij hoort zelfs tot het zeer selecte gezelschap van NED-LIT intellectuelen die ooit stage hebben gelopen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek – maar je moet hem niet in de war maken met grapjes, daar is de literatuur trouwens ook veel te belangrijk voor! Begrepen, Poes?’

‘Oké. Nou. Sorry hoor. Dat van dat springen was inderdaad een grapje. Die barst zit er al jaren.’

‘Nou, kijk es aan… Ik ben blij dat je er gewoon eerlijk voor uitkomt. Zie je dat een stukje meteen veel leuker wordt als je gewoon serieus bent? Serieus is het nieuwe grappig, Poes.’

‘…’

‘Wat was je eigenlijk echt aan ’t doen?’

‘Ik zit te genieten van ’t uitzicht. Vanaf hier kan ik helemaal tot halverwege 2015 kijken… Op heldere dagen zie ik zelfs een stukje van 2016!’

‘En wat zie je dan precies?’

‘O. Gewoon. Poezendingen.’

‘Hahaha! Ik denk dat jij Tijd en Ruimte een beetje door elkaar haalt, Poes.’

‘O, ja? Ik denk dat jij Fantasie en Werkelijkheid niet helemaal uit elkaar kan houden, eikel. Met je blote gezicht en je staart op je achterhoofd in plaats van netjes boven je anus. Waarom zou een Poes wel kunnen praten, maar niet in de toekomst kunnen kijken, mmm?’

‘Zo had ik ’t nog niet bekeken.’

‘Nee. Eerst denken, dan je grote bek opentrekken, zeikerd.’

‘…’

‘Als ik jou was zou ik gewoon op vier poten gaan lopen, dan stroomt er tenminste weer een beetje bloed naar je hersenen.’

‘…’

‘En wat ben jíj eigenlijk aan ’t doen? Moet je niet bloggen?’

‘Jazeker. Ik wilde vandaag nog uitgebreid terugkijken op 2014 en een paar lijstjes maken van de beste stukken uit de afgelopen jaargang van Tirade en – ’

‘Goed zo… stukken uit je eigen blaadje opwarmen en opnieuw serveren… Het verleden is zo passé, man. Zit niemand op te wachten. Hou op. De toekomst… dáár zijn we in geïnteresseerd… Als ik jou was zou ik ff op dat bankje gaan zitten en es een flink potje in de toekomst kijken… Zonder snorharen is de ontvangst vast belabberd. Maar je weet maar nooit.’

Martijn Nice‘Momentje… Ja. Ik zit, Poes.’

‘Nou… turen maar.’

‘…’

‘En? Zie je al wat?’

‘Zeker weten… dank voor de tip, Poes… ik kan heel 2015 overzien!’

‘O, ja? Echt? Wat zie je dan allemaal?’

‘…’

‘Wat zie je dan?’

‘O. Gewoon. Mensendingen.’

Tirade – met één voet in de toekomst.

Soundtrack: Le printemps, Michel Fugain.

——–

 futurVolgende week: Tijd voor een lief boek. L’Arabe du futur. Van Riad Sattouf.

 

Bijna vergeten is de kunst van het verdwalen

Aan te komen in een stad die je nog niet kent, het uitzicht vreemd en alle geuren rauw en vreemd. Alle straten hier en ook de kronkelende steegjes in de loop der eeuwen in elkaar genesteld volgens een logica die nu al lang vergeten is en daarom niet meer leesbaar. Je kijkt en tuurt en draait de kaart in je handen om en om, maar de wereld om je heen correspondeert niet met de papieren weergave ervan. Je bent verloren; hier is niets dat je herkent.

Bijna verdwenen is de kunst van het verdwalen omdat de kaarten waar we ons aan vasthouden niet langer van papier zijn. In plaats van sterren om naar op te kijken hebben we satellieten om ons in de gaten te houden, onze voortgang te volgen als een bewegend stipje op de kaart. Er zijn al bijna geen papieren kaarten meer, laat staan die oude kaarten vol met witte, nog oningevulde plekken. Hic leones sunt. Wanneer we tegenwoordig iets niet weten is het een nog niet weten, een hiaat in onze kennis dat ongetwijfeld snel zal worden ingevuld.

Reddingswerkers weten dat kinderen betere, succesvoller verdwalers zijn dan volwassenen, gemeten in termen van overlevingskans.[1] Wanneer een kind merkt dat hij de weg kwijt is geraakt stopt hij met lopen en wacht op hulp, die hem vervolgens relatief gemakkelijk terug kan vinden. Volwassenen lopen juist verder en verder en wijken daarmee ook steeds verder van hun oorspronkelijke route af, raken verder verloren. Misschien vinden we het, eenmaal volwassen, moeilijker om toe te geven dat onze kennis niet onfeilbaar is; misschien schamen we ons om toe te geven dat we zijn verdwaald.

Bijna verloren is de kunst van het verdwalen. Elke schrijver vertrekt vanuit het midden van een witte plek en tekent vanaf daar de kaart in dikke en dunnere lijntjes. Als lezers volgen we voetje voor voetje de loop van het verhaal dat door het landschap kronkelt en lopen zoals bij elke reis het risico verloren te raken, onderweg iemand anders te worden. De horizon die steeds een stapje voor ons uit beweegt: niet weten waar of wie we zijn, en dat dan te beseffen.

Omdat er niets nog niet gezegd
beoordeeld, vastgelegd is
hebben we lege handen.
Waar is de lucht nog zwart
de kaart nog leeg
het oerwoud niet ontdekt
diep onder de grond misschien
als je goed luistert het geruis
van een rivier in staat
ons te vervoeren

Noot

[1] Dit feit, en andere verhalen over verdwalen vind je terug in A Fieldguide to Getting Lost van Rebecca Solnit.

————————————–

Wytske Versteeg (1983) publiceerde de romans Boy (2013) en De wezenlozen (2012) en het non-fictie boek Dit is geen dakloze (2008). Ze won, onder andere, de Serge Heederik Prijs voor filosofisch schrijftalent en de Kwakoe Literatuurprijs. Dit jaar zette zij bovendien de BNG Nieuwe Literatuurprijs op haar naam. In Tirade 455 vind je een kortverhaal van Wytske, Overgave. Ze werkt aan een proefschrift en aan haar derde roman.

De Tirade-redactie neemt haar hoed af voor Wytske Versteeg: veel dank voor al je  fraaie gastblogs en hopelijk weer tot lees!

Volgende week: de eerste Zondagse Gastblog van Bregje Hofstede.

Portret Wytske Versteeg: Eline Spek.

 

‘Daar op dat strand bracht ik mijn jeugd door’

Vorige week publiceerden we hier deel IV van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. En vandaag deel V:

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

twee jaar geleden werkte ik een periode in Vlissingen, in een gebouw vol ateliers aan de dijk. Ik keek uit op zee, en nog bizarder: ik keek naar de overkant. Daar, op dat strand aan de overkant in Breskens bracht ik mijn jeugd door.

En daar keek ik altijd naar de kant waar ik me nu bevond. Dit is geen beeldspraak, dit was echt. Het was alsof ik aan de verkeerde kant van de tafel was aangeschoven.

Het bracht geen sentimenten met me mee, maar een afstand. Als ik ‘s ochtends ging zwemmen in die drie maanden, keek ik wat wantrouwend de Schelde over. Er was niks meer te zien van wat ik daar allemaal had meegemaakt. Hoewel ik geen groot fan ben van Armando, vind ik zijn ‘schuldige landschap’ wel een prachtig concept. En dan betrek ik het niet op de vreselijke oorlogsmisdaden, maar het landschap schuldig aan wat er niet meer te zien is.

Ik kon het niet beter verwoorden dan de zin ‘Ik wil niet verdwijnen in een huis met veel uitzicht’, dat gedicht staat in mijn laatste bundel. Ik kreeg het idee dat nu ik het zo goed kon zien liggen, dat landschap waar ik me toen in bevond, dat alles verdwenen was. En misschien daarmee ikzelf voor een gedeelte ook. Dat was althans de angst waarmee ik daar elke ochtend wakker werd, het was geen rationele gedachte, ik kon de angst maar niet van me afschudden.

Zoals je weet, ben ik zwanger. Ik had verwacht dat ik er weeïg van zou worden, maar op de een of andere manier wordt de wereld meer en meer concreet. Laatst ging ik zwemmen, en werd me er bewust van dat er in mij ook iemand zwom. Toen dacht ik: jammer dat ik geen zeezwemmer ben. Ik had gewoon op een goede ochtend van Vlissingen naar Breskens moeten zwemmen, dan was er niks aan de hand geweest.

Ik vermoed dat ik hier iets over ga schrijven, over dat zwemmen.

Weet jij al waar je over gaat schrijven?

hartelijke groet,

Annemieke
—————————————–

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

al weer lang geleden bivakkeerden we elke zomer aan zee. Onze kinderen waren klein, mijn vrouw en ik vonden het een aangenaam idee om binnen een half uur in de Noordzee te kunnen zwemmen.

Soms woonden we wel drie maanden aan zee. Ik reisde voor mijn werk in Amsterdam gewoon op en neer. Ik herinner me dat iemand voor een werkbespreking wilde langskomen. Dat is goed, antwoordde ik, maar kom ‘s ochtends, want ‘s middags zwem ik in de Noordzee.

Toen ik bezig was met het samenstellen van m’n laatste bundel ontbrak er op het laatst nog een titel. Ik ben slecht in het bedenken van titels. Toen herinnerde ik me dat ik weleens had geroepen: ‘s Middags zwem ik in de Noordzee.

Ik heb vervolgens een gedicht geschreven waarin deze regel voorkwam. Dat ging eigenlijk vanzelf, zoals zwemmen in zee vanzelf gaat als je niet te roekeloos bent. Denkend aan de Noordzee zag ik mezelf op een rustige dag in het naseizoen op een duintop staan terwijl in zee mijn vrouw zeer kalm zwom. Het was eb. Hoe in dat water haar armen nauwelijks bewogen, schreef ik.

Ik heb eerder over de zee geschreven. Maar nog nooit zo associatief en doeltreffend als in dit titelgedicht. In die andere zeegedichten wilde ik teveel en dat is – in mijn geval – vragen om moeilijkheden: ik vind de zee altijd weer zo overweldigend – welk weer het ook is, in welk seizoen ook – dat ik niet teveel praatjes moet hebben.

Rustig toekijken, dat is het beste. Wat ik ook deed toen ik de zee voor het eerst in mijn leven zag. Ik herinner me dat nog goed. Ik was tien, we gingen op schoolreis naar een plaatsje in de buurt van Den Haag, Ockenburg, geloof ik. De zee was in elk geval dichtbij, de zee die ik, een plattelandsjongen, nog nooit in het echt had gezien.

Ik herinner me hoe we op een namiddag door de duinen liepen en dat ik opgewonden was bij het idee de zee te zien, voor het eerst. En toen was daar de zee. Ik hecht er aan me voor te stellen dat ik gekeken moet hebben als dat Russische jongetje dat voor het eerst zichzelf in een spiegel ziet.

Ken je de documentaire die zijn vader over hem maakte? Die vader had ervoor gezorgd dat het jongetje nooit in een spiegel kon kijken. Hij wilde namelijk het moment vastleggen dat we allemaal hebben meegemaakt en dat we ons niet meer herinneren.

Het is verbazingwekkend om te zien hoe het jongetje kijkt als hij voor het eerst oog in oog staat met zichzelf. Oog in oog met wat nog onvoorstelbaar is. Ik hecht er aan te geloven dat ik ook zo heb gekeken oog in oog met de zee. En te geloven dat mijn gedichten altijd weer een poging zijn om terug te keren naar dat oermoment, hoe verschillend ze ook zijn, waarover ze ook gaan,

vrgr

Wim

—————-

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

In voorbereiding: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel VI.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

Dag, Suriname

Ik heb het eerder meegemaakt, begeleid door tjirpende krekels instappen op Zanderij en negen uur later Schiphol uit lopen in het holst van de winter. Dat pleintje voor de aankomsthal is de naarste plek van Nederland. Een krijsende wind jakkert de hagel er horizontaal de parkeerflats door.

In de woorden van onze buurvrouw hier: ‘Onvriendelijk weer, je voelt je er niet welkom.’ De eerste en enige keer dat zij Nederland bezocht, vroeg ze aan de tante die haar ophaalde waarom alle bomen dood waren. Het bleek februari.

Birre vraagt me regelmatig wat ik het meest zal missen, en ik vind het onmogelijk daar antwoord op te geven. Ook de Nederlandse Surinamer legt moeilijk zijn vinger op wat er zo fijn is aan Lanti. Het valt hem makkelijker te praten over wat er allemaal aan schort.

Dit doet me denken aan de jaren voordat Nadim geboren was. Bijna al mijn vrienden waren al vader, en als ik met ze in het café stond hoorde ik niets dan gekijf over die baby’s, dreumesen en peuters. Later leerde ik dat ze onder elkaar hun hart luchtten over wat er tegenviel, omdat ze al wisten wat er zo geweldig was aan vader zijn.

Suriname, ik zal je wolken missen. De kracht waarmee ze uit de aarde zelf op lijken te rijzen, niet ergens aan de horizon, maar aan het einde van mijn straat. Je mensen zal ik missen; het gemak waarmee ze lachen en vrienden van me worden. Het onbedorven vertrouwen van je kinderen. De geluiden van je nacht, je kuierende honden. Je rivieren zal ik missen, om te janken zo mooi.

Bij een stroomversnelling in de Suriname begreep ik pas dat een rivier niet naar de zee toe stroomt, maar zich in haar armen stort.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

De laatste Avonden van het jaar

Jaarlijks roept een van mijn facebookvrienden in december zijn vrienden op om De Avonden te lezen. Het facebookevent waarvoor hij me heeft uitgenodigd bestaat uit het lezen van een hoofdstuk per dag in de periode 22 t/m 31 december, de dagen die in het boek aan bod komen. In totaal doen er deze keer 35 deelnemers mee, die together apart een poging wagen, ‘verbonden door deze digitale omgeving waar iedereen naar hartenlust kan spuien wat hem invalt rondom Reve’. Afgelopen maandag ging ook ik moedig voorwaarts met De Avonden.

Op de eerste dag was bij anderen de paniek al toegeslagen. ‘IK LOOP NU AL ACHTER’ postte iemand, waarop dan weer werd gereageerd met geinige citaten uit het boek, bijvoorbeeld: ‘Het is tien minuten over drie. Maar de avond kan nog veel vergoeden.’ Er zijn ook deelnemers die het elk jaar maar weer proberen in de hoop dat als ze dit jaar verder komen, ze het op den duur toch helemaal gelezen zullen hebben.

De Avonden is nu eenmaal niet bedoeld als een gemakkelijk boek. De fraaie ondertitel ‘Een winterverhaal’ is natuurlijk ironisch-bedrieglijk en zou volgens mij ook best ‘Een winterverveling’ kunnen luiden. Reve weet immers precies de vinger op de zere plek te leggen: de donkere dagen van het jaar waarin nauwelijks iets beleven valt. In De Avonden worden alle lege uren, hatelijke ouders en beuzelende vrienden met boter en suiker uitgeserveerd door de landerige Frits van Egters. De situaties zijn pijnlijk herkenbaar voor iedereen. Ik begrijp wel dat sommigen een hekel aan dit boek hebben, omdat je met sommige zaken liever niet wordt geconfronteerd.

Voor een generatie die de oorlog meemaakte groeide De Avonden uit tot een lijfboek, hoewel het verhaal geen enkele hoop biedt voor de toekomst. Het geeft juist de troosteloosheid weer, aan de vooravond van de jaren vijftig. Na de eerste paar hoofdstukken te hebben herlezen, besef ik dat het een ontzettend muf boek is. Het huis van de Van Egtersen, de kachel, die ouders en hun taalgebruik (‘Hoei, boei, ik moet hier even zijn’; ‘de schurft’) kondigen de spruitjeslucht al aan. Reve giet het verhaal ook in een concessieloos soort spruitjesluchtproza dat bij zijn tijd hoort, en heel anders is dan zijn latere stijl. Hoofdpersoon Frits zorgt onderwijl dat het geheel een naargeestig randje meekrijgt.

Een van de deelnemers aan het facebookevent vindt de sfeer hilarisch en had ‘in tijden niet zo smakelijk gelachen om een boek’. Er zijn onvermijdelijk ook lezers die De Avonden in hedendaags perspectief verschrikkelijk vinden, of die zulke grote overeenkomsten met de huidige tijd zien dat ze de Prediker gelijk zullen geven omdat er ‘niets nieuws onder de zon is’. Ik ben benieuwd welke kanten de lezersgroep er allemaal mee op kan. Binnenkort meer.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Zeeën

In één van de kamers van het huis waar Renoir zijn laatste jaren doorbracht, staat een ouderwetse rolstoel. Van hout.

Ik doe helemaal niks. Ik lees niet. Ik schrijf niet. Ik beantwoord geen mail.

Lunchen op een terras bij de bloemenmarkt. Zonder jas.

Aan de Promenade des Anglais worden kerstbomen verkocht. In zee zwemmen mannen en vrouwen met Kerstmanmutsen op. Één jongen draagt zelfs een grote witte baard en een gele zonnebril. Een kajak met een kunststof rendier voorop.

Ik probeer een week helemaal niks te doen. Met het intikken van dit stukje ben ik eigenlijk al in overtreding.

Tussen de olijf- en mandarijnenbomen in de tuin bij Renoirs huis denk ik: ja, waarom zou je hier ook eigenlijk geen bezadigde doekjes en beelden maken? Madeliefjes, mugjes in het licht van de middagzon.

Alles glanst en glinstert, alles leeft.

Op pleinen ruisen fonteinen. Bij de bushaltes hangen jongens in trainingspakken. Oude mensen ruiken naar mottenballen, jonge donkere vrouwen naar kokosolie. Een steeg door, een trap op – het vrolijk-melancholische geluid van een trekharmonica die wordt bespeeld door een vijftiger op een stenen bankje.

De oude Renoir leed aan reuma en aan artritis. Er zijn zwijgende filmbeelden waarop hij laat zien hoe hij blijft werken: zijn handen zijn ingezwachteld, de penselen steken tussen huid en katoen. Hij gaat zijn doeken te lijf als een bokser. De oude, poezelige Renoir – action painter avant la lettre.

Kook ik zelf, dan draai ik Serge Gainsbourg. Gainsbourg: dichter, mooiboy, chansonnier, regisseur, schilder.

Het paradijs bestaat. Vanaf luchthaven Nice ben je er in twintig minuten. Bus 200, richting Cannes.

Ik verheug me op de matinee van komende woensdag. Ballet in de Opéra.

Iedere dag loop ik vanuit het dorp de berg af, naar zee, om naar de vissers te kijken. Hoe ze hun spartelende vangst in een theedoek wikkelen en hem dan met één tik doodslaan op de rotsen. Alle patisserie wordt hier in vloeipapier verpakt. ’s Avonds is het koud en, logisch, donker, dan kun je op het pleintje met de kerstmarkt een zakje gepofte tamme kastanjes kopen.

In het restaurant naast de bloemenmarkt werkt een serveerster die iedere handeling die ze uitvoert zelf recenseert. Parfait! Hier, uw koffie… parfait. Zo, dan neem ik de borden weer mee… parfait! Ja, neemt u maar plaats… parfait!

Het slechte, het lelijke – bij deze lichtsterkte lost het gewoon op.  Suikerklontje, gloeiend hete thee.

Voor vogels en bomen en vissen maakt het niet uit of het 6 februari is of 25 december. Soms is het leuk om kerst met twintig mensen van drie, vier generaties door te brengen aan een grote tafel. Maar liever vier ik kerst als de dieren: niet.

Alles hier verzet zich tegen een narratief. Wat volstaat als verbinding: schoonheid en zonlicht.

In de voortuin staat een grote sinaasappelboom. Ik loop op mijn blote voeten naar buiten. Tussen de bladeren van de sinaasappel hangen tientallen of misschien wel honderden vruchten. Ik begin te tellen. Bij 187, 188, 189 stop ik omdat ik me realiseer dat ik me had voorgenomen een week niks te doen.

’s Avonds kijk ik vanuit de woonkamer op de tweede verdieping naar de lichtjes in het dal en in de bergen. Hoeveel mensen zouden nu, gelijktijdig, naar de schichten van de vuurtoren staan te kijken? En hoeveel van hen zouden zich afvragen hoeveel mensen nu, gelijktijdig, naar de schichten van de vuurtoren staan te kijken?

Tirade – een welbehagen.

Soundtrack (allemaal staan!): ‘Vrede op Aarde.

——–

Volgende week: Let’s call it a year.

Bregje Hofstede Tirade‘s Zondagse Gastblogster Januari 2015

Bregje Hofstede (1988), wier debuutroman De hemel boven Parijs (2014) in het jongste nummer van Tirade, Tirade 456, lovend wordt besproken door Carel Peeters, is in januari 2015 onze Zondagse Gastblogster. Hofstede studeerde kunstgeschiedenis en Frans in Utrecht, Parijs en Berlijn en publiceerde verhalen en essays in Hollands Maandblad, Kunstschrift en Das Magazin. Ze ontving de Hollands Maandblad aanmoedigingsbeurs 2012/2013 voor de teksten die zij publiceerde in het gelijknamige tijdschrift. Bovendien is zij mede-auteur van De Verbeelders (2014).  Hofstede woont in Brussel.

In het komende nummer van Tirade, Tirade 457, vind je nieuw proza van Bregje Hofstede. Bovendien zal zij in januari optreden tijdens de twintigste editie van het Writers Unlimited Festival (Den Haag).

De familie van het plaatje

Het zijn de donkere dagen voor kerstmis en heel Nederland is wanhopig bezig zich gelukkig te kopen. Er is, om te beginnen, de heikele vraag bij wie Eerste Kerstdag zal worden doorgebracht en wat dat vervolgens betekent voor de familieverhoudingen en wie wie het belangrijkst vindt. Alleen al de gedachte aan het diner, dat steevast teveel gangen kent omdat iedereen toch íets moet maken, is voldoende om een spontane maagzweer op te wekken. Tijdens het eten zijn er de krampachtige pogingen om een geanimeerd gesprek te voeren terwijl het hele gezelschap onder tafel al met kromme tenen zit, er is altijd minimaal een gast die teveel drinkt en daarna de ellenlange autorit omdat ook de schoonfamilie niet kan worden overgeslagen.

Maar bovenal is er de dwingende noodzaak tot gezelligheid, het dodelijke verlangen om op te gaan in de familie van het plaatje. U kent ze wel: die mensen die in witte kabeltruien de tijdschriften bevolken; de mannen steevast van het type golden retriever, de vrouwen urenlang door een visagiste bewerkt om er lekker nonchalant uit te zien in hun houthakkershemd, de blonde kindertjes met engelenvleugels aan hun witte jurkjes bevestigd. Iedereen weet dat die mensen helemaal niet echt bestaan, laat staan dat ze familie van elkaar zijn; iedereen weet dat die mensen stuk voor stuk bedacht zijn door kwaadaardige middenstanders, eerst zorgvuldig geregisseerd en daarna nog gephotoshopt.

Ze zijn niet echt en toch zijn ze er wel, de hele tijd.

Het is niet goed, zeggen ze, niet goed genoeg. Ze zeggen het met een poeslieve glimlach tegen al die mensen die zich plichtsgetrouw inblikken om kerst te vieren bij familie die ze liever helemaal niet zouden zien. Ze zeggen het ook, en dat is pijnlijker, tegen wie geen familie heeft om met kerst over te klagen. Voor die laatste groep is december met een beetje pech een donkere maand waarin je alleen van buitenaf kunt toekijken hoe ieder ander aan een feestelijk gedekte tafel lijkt te zitten. Is dit je leven, fluistert die perfecte familie spottend vanachter het verlichte raam. Is dít alles wat je hebt?

Ze lijken zo prachtig, zo mooi op het plaatje. Maar in vergelijking met de familie van het plaatje was de eenzame, onaardige Scrooge zo slecht nog niet.

Niet vaak in de geschiedenis was geluk zo dwangmatig als nu.

——————————————–

wytske-versteeg-eline-spekWytske Versteeg (1983) publiceerde de romans Boy (2013) en De wezenlozen (2012) en het non-fictie boek Dit is geen dakloze (2008). Ze won, onder andere, de Serge Heederik Prijs voor filosofisch schrijftalent en de Kwakoe Literatuurprijs. Dit jaar zette zij bovendien de BNG Nieuwe Literatuurprijs op haar naam. In Tirade 455 vind je een kortverhaal van Wytske, Overgave. Ze werkt aan een proefschrift en aan haar derde roman.

Volgende week: de vierde Zondagse Gastblog van Wytske Versteeg.

 

Portret WV: Eline Spek.

 

Literaire viespeuken

Judith Eiselin schreef vorige week in NRC over het gemis aan door vrouwen geschreven schelmenromans in de Nederlandse literatuur. Waar blijft de vrouwelijke onbezonnen vuilak?, kopte de NRC. Kennelijk zitten ze daar al decennialang op te wachten. De tijd zou rijp zijn voor ‘Ik Janneke Cremer’ en voor de vrouw die de Wolkeriaanse zin durft te uiten: ‘Ik neukte alles wat los en vast zit.’ Eiselin vindt dat de jonge generatie schrijfsters (ze noemt Weijers, Bervoets, Gerritsen en Wortel) opvallend weinig seksuele losbandigheid kennen. “Seks komt in hun boeken wel voor, maar het is afgewogen, afgemeten, overbewust, en zelden zomaar voor de vuist weg, wild, woest of slordig.” Als mogelijke oorzaak van dit tekort geeft zij de Sletvrees, zoals geïntroduceerd door Sunny Bergman: de angst van vrouwen om als hoer te worden gezien. Kennelijk, zo concludeert Eiselin is er nog altijd iets als een glazen plafond. Ze nodigt de vrouwelijke schrijfster uit daar eens flink tegenaan te schurken, “laat zien wat je hebt, kunt en wilt, breek er ‘gloei-kittelend’, fel splinterend doorheen. En vis vooral die pen tussen je borsten vandaan.”

Ik moet toegeven dat ik me ergens uitgedaagd voelde. Aangesproken, want ja, ik beschouw mezelf als een vrouwelijke viespeuk, en ben daar ook trots op. Maar. Ik pieker er niet over om daar een boek over te schrijven, alleen omdat mannen dat ook gedaan hebben. Is dat dan emancipatie? Grote mannelijke literatoren hebben boeken geschreven die bulken van seks, en dus moeten vrouwen dat ook? En omdat we dat niet doen is er een glazen plafond? Het grote glazen neukplafond waarop Cremer en Wolkers (zaliger) lekker literair liggen te naaien?

Het probleem in de redenering van Eiselin zit hem wat mij betreft in haar opvatting dat de tijd rijp is voor vrouwelijke viezigheden. Volgens mij is het omgekeerde het geval. Er was een seksuele revolutie gaande in de tijd dat Wolkers en Cremer hun meesterwerker schreven. Deze heren literatoren-viespeuken zetten zich af tegen eerdere generaties die vonden dat seks alleen binnen een huwelijk plaats mocht vinden. Een huwelijk dat je bovendien als maagd binnen hoorde te wandelen. Jan en Jan genoten ervan dat je opeens onder rokjes mocht grijpen zoveel je maar wilde, en schreven groots en meeslepend over hun promiscue strapatsen. Tegenwoordig ligt dat anders. Seks is niet meer iets waarmee we ons afzetten. Trouwen doen we steeds minder en later. Seks hebben we gemiddeld geloof ik vanaf ons vijftiende, en gemiddeld met een partner of twaalf voordat we trouwen. Sommige mensen leren pas laat in hun neukende leven dat het ook mogelijk is dat te doen met liefde. Want porno kijken kindertjes tegenwoordig vanaf een jaar of acht. Seks en naakt is dagelijks aanwezig in ons blikveld. En niet alleen in de populaire cultuur. Naakt is ook diep verankerd in het culturele leven. Ik durf zelfs wel te stellen: naakt is een verplicht nummer geworden in de Nederlandse kunst. Probeer maar eens een boek te vinden waarin geen seks voorkomt. Of een toneelstuk vavlammenwerpersn de TGA waarin niemand zijn kleren uittrekt. In de Nederlandsche topfilm mogen we van dichtbij bekijken hoe Carice haar schaamhaar blondeert. Sex Sells is het grootste cliché van onze tijd. Mogen we het alsjeblieft toejuichen dat er een generatie opstaat die zich daartegen verzet?

In the flamethrowers beschrijft Rachel Kushner bijzonder geëmancipeerd, zonder het woord emancipatie ooit te gebruiken, over de omzwervingen van een alleenstaande vrouw/kunstenares per motor door Amerika en Italië. Haar autonomie en onafhankelijkheid is zo vanzelfsprekend dat hij niet aan de orde hoeft te worden gesteld. Onderweg ontmoet ze menig man die interesse heeft in haar, maar de meesten – en juist degenen met die roofdierenblik in de ogen – vervelen haar enorm. De Ik Janneke Cremer van vandaag, zoekt misschien naar manieren om van die seksueel ongeremde man af te zijn.

‘Je vluchtte niet, je ontsnapte’

Vorige week deel III van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. Vandaag deel IV:

Dag Wim,

Ik heb een paar dagen met je woorden door de stad gelopen. ‘s Ochtends vroeg, rond half 8, laat ik de hond uit. Het is een jachthond, en op grote groene grasvelden maakt hij voor mij onbekende routes, met zijn neus op de grond. Vastberaden. Soms stopt hij, kijkt even op, en volgt dan weer een ander spoor. Ik beeld me in dat hij ruikt hoe andere honden over het gras zijn gelopen, en dit volgt.

Op het spoor komen van het onzichtbare, en dit door middel van sporen zoeken, het is een prachtige definitie. Van poëzie, van kunst zou ik zeggen. Ik zou trouwens niet weten wat er romantisch aan is. Wat een heldere en eigenlijk ook vrij consequente overgang van dingen die je in je jeugd zocht, en nog steeds zoekt. Ik heb zelf nooit zo’n duidelijk spoor gevolgd. Al mijn bewegingen links of rechtsaf heb ik te danken aan docenten. Het waren altijd docenten die me wezen waar ik goed in was, wat ik aan het doen was, wat ik ermee kon doen. Ik had zelf helemaal geen idee. Tot een docente in het eerste jaar van de Rietveld Academie over mijn teksten zei ‘wat een bijzondere gedichten’, had ik geen idee dat ik poëzie schreef.

Mijn aanmelding bij de Rietveld Academie, een dubbele selectie met twee commissies, heb ik in een soort roes beleefd. Twee docenten hadden me afzonderlijk van elkaar gezegd dat ik dit moest doen. Ik wist eigenlijk helemaal niet wat het inhield, de kunstacademie. Ik herinner me een fotoboekje van de Hema, van doorzichtig plastic, die ik had gevuld met een appel die ik had ontleed in delen: de schil, de pit, de vrucht. Ik had geen idee waarom ik dat had gedaan. Ik had de bladzijden aan alle kanten dichtgemaakt met lijm. De appel was gaan ontbinden. Verschillende kleuren kwamen tevoorschijn die ik mooi vond. Ik herinner me een van de commissieleden, waarvoor ik heel erg bang was omdat hij er zo overtuigd uitzag, die grinnikte en zei ‘dat is wel een heel geurig kunstwerk’. En ik dacht, ‘kunstwerk?’. Het was alsof mijn intuïtie ver voor me uitliep, maar dan ook mijlenver.

Wel herken ik in het sporenonderzoek naar het onzichtbare, de nieuwsgierigheid. Dat onzichtbare, abstracte wat er aan de horizon gloort, als ik daarmee bezig ben heb ik het idee dat ik me vrij kan bewegen. Dat alles mogelijk is. Die abstracte, onzichtbare werkelijkheid klopt met hoe ik me beweeg. Het tastbare vind ik een vreemde zaak.

Als je schrijft dat dichten het lezen van afdrukken is op het spoor van het onzichtbare; afdrukken van wat zijn dat dan?

hartelijke groet,
Annemieke

————————————————————-

Dag Annemieke,

die afdrukken moet je niet al te letterlijk nemen natuurlijk. Ik kan intussen wel een voorbeeld geven van hoe ik sporen probeer te lezen en dan soms – als bij toeval – een vangst doe die ik voor ondenkbaar had gehouden.

Toeval moet je trouwens lezen als: dat wat je toevalt.

En er valt je alleen iets toe als je per dag minstens tien uur in het bos rondloopt.

Genoeg beeldspraak voor vandaag.

Een tijd geleden vroeg de Ikon-radio mij of ik een Brief aan mijn jongere Ik wilde schrijven. Ik heb de brieven die tot dan toe waren geschreven gelezen en het viel mij op dat de meeste schrijvers de neiging hadden om vertederd naar zichzelf te kijken.

Dat wilde ik niet.

Wat ik schreef – en ik zeg niet dat het goed is – valt na te lezen in ‘s Middags zwem ik in de Noordzee. Ik heb een pijnlijk moment uit mijn jeugd gekozen waarover ik nog nooit had geschreven.

Toen begon ik te schrijven en geloof het of niet: aan het einde van de brief was er het toeval zoals hierboven beschreven.

Ik stond er zelf van te kijken toen ik noteerde: Je vluchtte niet; je ontsnapte.

Zo had ik nog nooit over mijn daad nagedacht.

Over jeugd gesproken. Ik heb net op uitnodiging van het Zeeuwse tijdschrift Ballustrada een gedicht geschreven over dat mooie licht dat weerkaatst wordt door de Schelde. Ik lieg niet als ik zeg dat ik afgelopen september ‘s ochtends zielsgelukkig uit mijn hotelraam aan de Scheveningse boulevard tuurde.

Kreeg ik een bericht terug dat ik een opdracht had gekregen. Het thema was jeugd. Ik zag dat jij ook meedoet.

Weet je al wat je gaat schrijven?,

vrgr

Wim
—————

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

Binnenkort: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel V.

STOP DE TREINEN

Stop de treinen, leg de spoorboom klokkend plat,
Trek de ganse dienstregeling op haar gat,
Stil de haast die opdrijft tussen kantoor en huis,
Breng de baar, we rapen veren, dons en pluis.

Vlecht een vlot voor de verongelukte,
Laat hoenders voor de veel te vroeg geplukte
Stampen in de sneeuw de woorden ‘hij is dood’,
Vervoer dit cierlyck dier in een getooide boot.

Hang witte slingers op alle perrons op alle stations,
Het was een zachte harde bons,
En eer zijn vrouw die wachtte op het spoor,
Nee, laat hier nu vanavond niemand door.

Hij was haar Noord, haar Zuid, haar Oost en West,
Haar enige belofte op een nest. Hij was haar kapper,
vliegenier, haar danser; warm ooit, en nu veel te koud,
Ik dacht dat iedereen elkaar bedroog, maar ik zat fout.

Outlook kan wel dicht, wie wil er nu nog mails,
De telefoon kan uit, ik ben chats noch bels noch speels,
Zet laptops af, ontdoe de schermen van hun gloed,
Want nu komt werkelijk niets meer goed.

Annemarie Estor, naar W.H. Auden

Aanleiding: Vertraging op spoor door rouwende zwaan

————————

Annemarie Estor publiceerde de dichtbundels Vuurdoorn me (2010) en De oksels van de bok (2012). Voor beide werken ontving ze de Herman de Coninckprijs. Haar jongste Tirade publicatie vind je in Tirade 454.

Losse endjes van de fladdergeest

In je agenda op zoek naar alles wat je opschreef, waarover je nog iets te weten moest komen, raak je bedrukt en ook wel wat geïnspireerd door de vreemde diversiteit van onderwerpen die je daar aantreft en vooral ook omdat je niet zo goed meer weet wíe je wáarom hierop wees. Een agenda of dagboek is zo ook een winst- en verliesrekening van niet opgedane kennis. Het negatief van je denkraam, een afdruk van geestelijke omissies. Vroeger had je in je webbrowser een enorme lijst ‘favorieten’ die niet favoriet waren maar waarnaar je ooit nog eens wilde kijken. Dat doe ik niet meer. Maar in een marge krabbelen wat ik belangrijk vind eens uit te zoeken, daar ontkom ik nog steeds niet aan. In boeken staat er dan in potlood ‘nz’. Mijn telefoon is ook dienstig voor zoiets, notities en herinneringen. Het is ook een reservoir ter bestrijding van verveling. Bladeren door een encyclopedie kan, naspeuren wat je nog wilde uitzoeken kan ook. Neem er maar een.

De mijne van dit jaar – de lijst van gaten die ik niet opvulde –  luidt – errore excepto – als volgt:
Rene Margritte ‘L’Homme au journal’, The World According to Monsanto, The Cat and the Hat, Stammbaum der Teerfarbstoffe, Cosmopolis, doorgaan.nl, Antal Szerb, Senckenberg, Richard Sennett, Totaliteit en oneindigheid van Levinas, Montherlant, Richard Sennett (bis), Walter Benjamin The Storyteller, John Ruskin Unto this Last, Moral Mazes Robert Jackall, Ramanujan…

Net op tijd nog wel: ETUDEN IN FORM FREIER VARIATIONEN UBER EIN THEMA VON BEETHOVEN WoO 31 – STUDIO RECORDING 1982, Cyprien Katsaris. ahh: mooi!

…en, heel wat anders Moonriver uit ‘Breakfast at Tiffany’s door Katherine Hepburn:

Maar wie raadt je nou zoiets aan? Is het om de laatste zin:

‘Hi.’
‘Hi.’
‘What are you doing?’
‘Writing.’

 

En de blik die dan volgt. Of om de eerste zin van het verhaal ‘The Friend’ die de man in het filmcitaat aan het tikken was: ‘There was once a very lovely, very frightened girl. She lived alone except for a nameless cat. ‘

Of gewoon vanwege dat hoewel rozegeglazuurde (aanzwellend snaarinstrumentaria – waardoor je weet: nu gaan we iets voelen)  maar toch fraaie couplet:

Two drifters, off to see the world
There’s such a lot of world to see
We’re after the same rainbow’s end, waiting, round the bend
My Huckleberry Friend, Moon River, and me

Dat me altijd boeide, want wat is een ‘Huckleberry Friend’?

Nou dat heb ik dit jaar in elke geval nog wel uitgezocht. Net als wie die Johnny Mathis toch is van ‘Do you hear what I hear’?

Blijft verder nog open: Emanuel Boven, kickstarter, Adelfi, Sellerio, Friedericy, Rumphius, Robert Walser, Eric Dolphy, Johnny Hodges, Don Ellis Orchestra, Hilde Bruck The Golden Cage, Bucher sind Treu, Jamrachs Menagerie Sam Harris, Daniel Pennac, Cassola la ragazza di bube, Claire Cole, John Reed Ten days that shook the world, Eric Larssen, welvaart in zwart wit.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

A Writer’s Dream

Nickerie ligt zo westelijk als je in Suriname gaan kunt. Vanaf ons huis in Paramaribo is het een uur of vier rijden.

Vorige week hadden we eindelijk een excuus voor de lange rit: vriend Suraj was in het land, en nodigde ons uit om kennis te maken met de omgeving waar hij is opgegroeid.

Hoe vaak gebeurt het, in de wereld van vandaag, dat je tot aan je nek in iemands verleden kunt stappen? Hoeveel vrienden heb jij, lezer, wiens kinderwereld je van dichtbij hebt gezien?

Als Nickerie is veranderd sinds Suraj 12 was (in 1985) dan kan het niet veel veranderd zijn. Na even denken kom ik tot de conclusie dat alleen de aircodozen die overal tegen de gevels geschroefd zitten en het merendeel van de auto’s van na 1980 zijn.

Mocht je vaker een blog van me gelezen hebben, dan weet je dat ik gek ben op het werk van Daniel Woodrell, Cormac McCarthy, Tom Franklin, Truman Capote, Ron Rash, Larry Brown en Flannery O’Connor.

In Nickerie is het allemaal: verdronken land (zwamp, heet het hier), verzakte houten huizen met schurftige honden op het erf, verlaten straten en zandwegen met dode katten in de berm, eilandjes van plastic in de buitenbochten van de rivier, hartverscheurende gastvrijheid en een jaarlijks absurd hoog aantal zelfmoorden onder jonge mannen (meestal door het innemen van landbouwgif).

Vergeef me dat ik het opschrijf, vooral gezien het einde van de bovenstaande zin, maar als Suriname inspirerend is, dan is Nickerie a writer’s dream. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Vivian Maier

De schuld ligt altijd bij de omstandigheden. Er zijn ongetwijfeld hele volksstammen die zichzelf keer op keer vrijpleiten wanneer zaken mislopen of niet op tijd afkomen. Eeuwig worstelen met een groot essay voor de krant, maar niet inleveren omdat er steeds wel iets is, Kerstmis of kinderen die naar hun schaaktoernooi in Brabant moeten worden gebracht – om maar eens wat te noemen – om nog maar te zwijgen van de sociale druk van vrienden die je nooit meer ziet. Maar uiteindelijk ben je natuurlijk zelf degene met boter op z’n hoofd.

Iemand die ook leed aan die aandoening was de Amerikaanse fotografe Vivian Maier (1926-2009). Haar werk, voornamelijke straatfotografie, is momenteel te zien in het Foam in Amsterdam. De tentoonstelling bevat een paar foto’s waarvan ik me afvroeg hoe het in vredesnaam kan dat ze niet wereldberoemd zijn (zie hiernaast). Het antwoord daarop ligt in het leven van de fotografe. Vanaf de jaren vijftig werkte Maier als nanny voor verschillende families, wat ze ongeveer haar hele leven zou blijven doen. Ze ging al zelden zonder camera de straat op, toen ze op een gegeven moment ging inwonen bij de familie Gensburg in Chicago. Daar kreeg ze haar eigen badkamer, die ze begon te gebruiken als donkere kamer voor het ontwikkelen van haar foto’s. In de jaren zeventig vertrok ze, de kinderen voor wie ze zorgde hadden haar niet meer nodig, om voor andere gezinnen te gaan werken. Intussen stapelden de niet ontwikkelde fotorolletjes zich op. Haar zwervende bestaan ging op den duur gepaard met geldproblemen, maar tot in de jaren negentig bleef ze fotograferen. De fotorolletjes belandden in een opslag. De kinderen van de Gensburgs redden haar van het bestaan als dakloze; de opslag met fotomateriaal raakte langzaam vergeten.

Het kan niet anders of er zijn tijdens haar leven mensen geweest die Maier hebben gevraagd of ze haar foto’s konden bekijken. Er was niets te zien, want er was nauwelijks werk voor haar, waardoor ze geen huis had en geen geld. De omstandigheden waren er nu eenmaal niet naar om de negatieven te ontwikkelen. Daarbij komt dat ze zichzelf misschien niet belangrijk genoeg vond: volgens de uitleg bij de tentoonstelling was ze een onopvallende en excentrieke vrouw, hoe intelligent en nieuwsgierig ook. Een van haar zelfportretten getuigt van dat beeld doordat de focus heel ergens anders ligt en er zelf alleen terzijde, in een reflectie van een spiegel opstaat (zie hiernaast). Misschien was ze wel onzeker omdat ze haar eigen werk grotendeels niet had kunnen bekijken en ze zich ook niet op basis ervan heeft kunnen ontwikkelen. Was ze maar toegesproken: Ontwikkel je foto’s nu eens. Ja maar, ja maar…

Wegens wanbetaling kwam het in 2007 tot een veiling van Maiers bezittingen. Haar opslag met fotomateriaal kwam boven water en bleek maar liefst 100.000 negatieven te bevatten. Ze werden in delen verkochten, aan verschillende kopers. Een van hen is fotograaf John Maloof, die de kwaliteit van het werk onmiddellijk herkende. Zijn onderzoek en Maier-collectie is de basis voor de huidige, imposante tentoonstelling in het Foam. Wegens omstandigheden een paar decennia te laat.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

‘Te slapen in de haren van je lief’

In 2004 zag ik Wendell Jaspers voor het eerst aan het werk, in een toneelbewerking van Oek de Jongs Hokwerda’s kind (2002).  Jaspers, in de rol van Lin Hokwerda, was niet alleen ongrijpbaar en gedoemd en ontroerend, maar vooral ook zo echt – wat een paradoxaal compliment lijkt aan het adres van een actrice. Haar Medea-vertolking ken ik jammer genoeg alleen uit verhalen van anderen. Maar haar Phaedra heb ik gelukkig niet gemist.

Phaedra is verliefd op haar stiefzoon, Hippolytus, hij wijst haar af en in een paar rechte hoeken zigzagt het verhaal vervolgens naar de dood van beiden. Ik betwijfel of een andere regisseur veel meer met dit script had kunnen doen, de voorstelling van Thibaud Delpeut boeide me als voorstelling maar matig. Gelukkig is Seneca’s stuk bewerkt door  Hugo Claus – verclausd. Vooral Jaspers krijgt de heerlijke, aardse, vette Hugo Claus-taal prachtig de zaal in. Dat kun je niet meer met eigen oren gaan horen, want afgelopen zaterdag beleefde de voorstelling haar dernière.

Zou je het hem vragen, dan zou Hafid Bouazza – die met Meriswin wat mij betreft het beste Nederlandse proza van 2014 schreef en nu, nog ruim voor het kalenderjaar is verstreken, een bloemlezing winter/kerstpoëzie uitbrengt: Vrede is deze nacht – denk ik, antwoorden, dat zijn vertaalopvatting tegengesteld is aan die van Claus* en dat hij (HB) een getrouwe, dienstbare omzetting voorstaat. Het grappige is alleen dat je over de definitie van ‘getrouw’ eindeloos kunt discussiëren. Iedere Bouazza vertaling is hoe dan ook in één oogopslag te herkennen als een Bouazza vertaling*.

Hier de tweede helft van het 24e gedicht uit de bloemlezing, het is van Kushadjim (gestorven in 971) en dus vertaald door Hafid Bouazza:

Een brandend vuur en een vuur van wijn,
en het is alsof zij in laaibaarheid wedijveren.

Zo wordt de kou van onze krochten geweerd:
verboden heen en weer te dwalen, keerde zij zich uitgesloten af.

En het is alsof onze narcissen en onze rozenparen
de deernen ogen en wangen hebben ontstolen.

Schenk mij dus geluk met uw nabijheid, want ik ben
het waard om met uw nabijheid gelukkig te zijn.

Wees dus aanwezig! – want het leven behaagt een
oprechte broeder niet, zolang u verre van hem bent!

Dat. En dan voorgelezen door Wendell Jaspers.

————–

BouVolgende week: Hoe spel je bouillabaisse?

Noten

*Titel van deze blogpost: de vrienden van Hippolytus vinden dat hij, Hippolytus, de liefde verontachtzaamt en leggen uit wat er zo mooi aan is. Deze regel roept zo’n typisch glamoreus, amoureus Hugo Claus beeld op, een filmstill uit romantisch Hollywooddrama of een parfumcommercial.

* Beide schrijvers hebben werk van Shakespeare vertaald, trouwens.

* Niet in de laatste plaats omdat Bouazza heel veel tijd steekt in zijn research, zijn vertalingen zijn ook altijd ambitieuze interpretaties.

* Hafid Bouazza, Vrede is deze nacht (2014), het geciteerde fragment vind je op pagina 44/45.

 

Liegbeest

Hij heeft minder woorden en dus kan hij niet zo goed liegen als ik.

Elke week als ik hem zie toont hij zijn spierballen. Als hij dat doet zeg ik dat ze indrukwekkend zijn, of als ik hem wil plagen, dat er nog een hoop werk te doen valt, dat hij maar hard moet zwemmen. Onze wedstrijdjes komen nooit tot aan de andere kant van het zwembad, omdat hij halverwege al vergeten is waar we mee bezig waren. Als hij bij een ander een wondje of litteken ziet wijst hij er met zijn vinger naar, vraagt; ‘Au?’

Thuis ben je waar je de taal spreekt, maar zonder taal is hij overal thuis. Van een afstandje zou je hem voor een burgemeester kunnen aanzien, een directeur misschien, zoals hij op straat gewichtig de mensen groet, of een hand ophoudt om een auto te doen stoppen die al voor hem was afgeremd. Hoe hij tevreden zijn krantje voor zich op tafel uitspreidt, ondersteboven.

Ik zie hem maar een keer per week en weet weinig van zijn dagelijks leven, wat hij moeilijk vindt of ingewikkeld. Misschien is het daarom dat ik soms bijna jaloers op hem ben, op de vanzelfsprekendheid waarmee hij de wereld aanvaardt. Hoewel we vrienden zijn ben ik zijn tegenpool, heb altijd woorden om mij heen verzameld, zinnen opgetrokken tot mijn kin. Als kind las ik zoveel en vaak uit zulke ouderwetse boeken dat ik woorden leerde waarvan ik niet wist hoe je ze uit moest spreken. Ze brachten me naar andere werelden. Naar Narnia, het land achter de klerenkast, en andere magische rijken waar je alleen af en toe kon komen, door het openslaan van een boek. Maar zoals bij elke vorm van zichzelf respecterende magie viel er een prijs te betalen. Hoe meer taal ik verwierf, des te minder vanzelfsprekend werd de wereld om mij heen.

Wie echt vertrouwt op woorden hoeft niet na te denken over wat hij zegt, of wat de beste of mooiste manier zou zijn om iets te zeggen. Waar je de taal spreekt ben je thuis, want alleen thuis – wat ‘thuis’ dan ook is – kun je de taal werkelijk vertrouwen. Thuis kun je ervan uitgaan dat je vanzelf wel zult worden begrepen, terwijl je bij elke vreemde taal het risico loopt dat wat je zegt iets heel anders betekent. Schrijven is daarom niet thuis zijn. De schrijver wantrouwt, wikt en weegt zijn woorden, weeft een web van leugens om de waarheid erin te verbergen, beschrijft iets zo intiems dat het uitsluitend aan vreemden kan worden verteld en dan nog verkeerd kan worden begrepen.

Ik help hem bij het oversteken. Ik zeg het als hij zijn zwembroek moet ophijsen. Ik schenk thee voor hem in, met veel water zodat hij zijn mond niet verbrandt. Maar anders dan je zou denken als je ons samen ziet ben ik het die van hem leert, en niet omgekeerd. Hij heeft minder woorden.

Hij liegt niet zoals ik.

 

——————————————–

wytske-versteeg-eline-spekWytske Versteeg (1983) publiceerde de romans Boy (2013) en De wezenlozen (2012) en het non-fictie boek Dit is geen dakloze (2008). Ze won, onder andere, de Serge Heederik Prijs voor filosofisch schrijftalent en de Kwakoe Literatuurprijs. Dit jaar zette zij bovendien de BNG Nieuwe Literatuurprijs op haar naam. In Tirade 455 vind je een kortverhaal van Wytske, Overgave. Ze werkt aan een proefschrift en aan haar derde roman.

Volgende week: de derde Zondagse Gastblog van Wytske Versteeg.

Portret WV: Eline Spek

De stem van mijn overgrootvader

Deze week worstel ik me door een stapel brieven die mijn oma in de oorlog van haar vader uit Duitsland heeft ontvangen. Het zijn bij elkaar een kleine vijfhonderd kantjes. Brieven, tekeningen, ansichtkaarten, allen verrijkt met griezelige stempels met adelaars en hakenkruizen. Zo leer ik dus nu,  een 75 jaar na dato, via zijn brieven, de formele, autoritaire stem van mijn overgrootvader Hans kennen. Ik weet niet of ik hem mag, deze man, al geniet ik van zijn prachtige, ellenlange, Duitse zinnen, en al hou ik natuurlijk sowieso van hem, alleen al omdat mijn oma met zoveel liefde over hem sprak. De brieven die zij aan haar vader schreef, zijn niet bewaard gebleven, aangezien hij de oorlog niet heeft overleefd. Tijdens het lezen probeer ik me dus een beeld te vormen van wat mijn oma hem moet hebben geschreven. Het ene na het andere raadsel doemt op.

Zo was ik in de veronderstelling dat mijn oma door haar vader naar Amsterdam werd gestuurd. Maar uit de brieven blijkt dat ene Helmut, waarmee mijn oma zich kennelijk verloofd had, haar heeft “meegelokt” naar Amsterdam, met als doel om door te reizen naar Amerika. Haar vader ziet geen heil in deze onderneming (Waarom zo ver? Wat moet je daar dan? Huisvrouw worden, dat is toch beneden je stand?). En haar vader heeft geen goed woord over voor haar verloofde (nergens goed voor, “zo’n onbetrouwbaar joods type” – een eigenaardige typering uit de mond van een jood). De reis naar Amerika heeft mijn oma nooit gemaakt, en ook met deze Helmut is ze nooit getrouwd, dus hoe deze geschiedenis afloopt zal naar verwachting verderop in de Korrespondenz blijken.

Mijn oma’s vader is eigenlijk onophoudelijk boos de eerste twee jaar van zijn brieven. Boos op mijn oma. Ze haalt hem het bloed onder de nagels vandaan, schrijft hij keer op keer. En dat terwijl hij schrijft over geldzorgen, over verveling. Hij was werkloos, als jood mocht hij zijn beroep, arts, niet meer uitoefenen (al schrijft hij eind 41 hoopvol over een kans op een aanstelling als arts in het joodse ghetto van Keulen). Hij zal daarnaast vreselijk bezorgd zijn geweest om zijn jongste dochter, die te vroeg het nest verliet, met een, naar zijn mening, foute man. De uiting van die zorgen is, zacht gezegd, onprettig te noemen. Brief na brief noemt hij mijn oma dom, naief, onzeker. Haar beslissingen vindt hij waardeloos, haar plannen Quatsch! De problemen, die ze hem soms toevertrouwt, zag hij van mijlenver aankomen. En op het moment dat ik er niet meer tegen kan, is ook mijn oma vermoed ik in opstand gekomen. Want opeens volgt een brief met een andere toon. Bijna tegen het vriendelijke aan. Maar met een enigszins zwartgallig beeld van de wereld, zo vlak aan het begin van het uitbreken van een oorlog die, van deze familie, alleen mijn oma zou overleven. Ik heb hem voor het gemak even omgezet (is dat een germanisme?) naar het Nederlands.

Keulen, 11 oktober 1939

IMG_4069Lieve Helga, Engelchen,

Jouw ontroerende analyse van mijn laatste brief (je schrijft dat hij om te huilen is) is voor mij aanleiding om eens iets algemeens te zeggen over onze briefwisseling. Ook ik vond mijn laatste brief, nu ik hem weer eens doorlas, ontroerend slecht. Het simpele feit dat ik de opsteller was, en niet de ontvanger, maakte dat ik niet in de droevige stemming raakte, die jij zo overtuigend bij jezelf beschrijft. Ik denk dat ik een vergelijkbare denkfout maakte als de lieve God, toen die zijn schepping bekeek en dacht dat die goed was. Ach, wat moet de man trots zijn geweest (en ach, wat vergiste hij zich!). Net zo ben ik, stumper, tevreden geweest met een werkje dat me was gelukt. Jouw kritiek is daarvan het bewijs.

Dat gezegd hebbende wil ik even van de gelegenheid gebruik maken om ook jouw brieven eens grondig te bekritiseren. Ze zijn geweldig, lieve kind. Je laatste nog de beste van allen. Het is een kleine, maar door mij niet minder gewaardeerde, kunst goede brieven te schrijven. Bij jou heb ik daarin, sinds je vertrek uit Keulen, in toenemende mate een ontwikkeling mogen waarnemen. Zou ik daarop enige invloed hebben gehad, dan ben ik zeer vereerd. (…) Wat ben ik trots je vader te zijn, wat mag Helmut trots zijn om zich straks jouw man te noemen. Wat heeft de natuur, en wellicht ook de invloed van ons, je goedbedoelende ouders, een wezen geschapen dat zo trouw is, en zo inlevend. Het bemoedigt mijn oude hart dat je schrijft dat je het jezelf toewenst dat je mij op een dag zal kunnen helpen. En wat klinkt dat anders dan de (ik dacht: holle) frasen die je uitte bij je vertrek. Dit is wat we vast moeten houden in de wellicht barre tijden die voor ons liggen. We moeten de moed en de kracht opbrengen om vol te houden, wat er ook kome mag. Want ieder mens, ook jij, weet wat hem te doen staat. Ieder mens kan zijn lot wezenlijk beïnvloeden door de beslissingen die hij neemt, en met de daden die hij stelt.

Alsjeblieft, accepteer mijn hartelijke groet en idem kus,
Je liefhebbende Vati

 

‘Achter de caravan begonnen de weilanden’

Vorige week las je hier deel II van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. Vandaag deel III:

 

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

wat een mooi, en ook ontroerend idee om je vader rust te geven in je bundel. En ja, ik wist dat je vader zelfmoord heeft gepleegd. Het is niet een onderwerp waar ik zelf over zou beginnen. Ik herinner me volgens mij ook een ander gedicht van je, over de blik van de hond, die het had gezien. Kan het even niet terugvinden.

Ik geloof zelf ook niet zo in berichten van dode mensen. Hoewel ik toen ik mijn opa zag sterven, oprecht meende een ziel te zien ontsnappen. Ik geloof wel dat poëzie een mooie plek is voor doden, of voor de dood. Zoals je bewijst.

Ik herinner me dat je me eens vertelde dat je vader een krantenbericht met jouw gedichten in zijn portemonnee bewaarde. Zoals ouders dat doen met een pasfoto. Ik vond het zelf wel een goede vondst van hem, om een gedicht van je kind als portret te bewaren.

Naar school fietsen was niet mijn favoriete bezigheid. Het was niet zo ver, samen met mijn zus langs weilanden en langs een visfabriek – een vreselijke combinatie van koeienvlaaien en visstank – en vooral erg vroeg. Mijn zus is een ochtendmens, ik totaal niet. Ik heb in een gedicht geschreven: ‘Ik open eerst mijn mond, dan mijn ogen, voordat ik wakker word’ . Dit gaat eigenlijk over mijn zus. Vaak kroop ik bij haar in bed, en dit zag ik letterlijk eens gebeuren: dat ze begon met praten, daarna haar ogen open deed, en toen pas wakker werd. Mijn vader en moeder zijn ook vrolijk ‘s ochtends. Dit erfstuk is aan mij voorbij gegaan.

Toen ik in Zeeland kwam wonen met mijn moeder en zus, woonden we tijdelijk bij mijn opa en oma. Mijn opa heeft ook een groot, eigen huis gebouwd daar. Hij was accountant. In dat enorme huis mochten we niet wonen, we kregen een caravan helemaal achterin de prachtige en grote tuin. Ik vond dat toen doodnormaal. Achter de caravan begonnen de weilanden met schapen. Ik liep vaak langs het prikkeldraad, om plukken wol te verzamelen die waren blijven hangen. Ik denk dat ik van dat lege landschap houd omdat het zo goed is om in weg te dromen.

Ik kan me voorstellen dat je graag aan de keukentafel van jullie huis ontsnapte. En er was een bos dus, in de buurt, waar je van alles deed.

Waarom ging je daarheen, en wat deed je allemaal in dat bos?

Groet!

Annemieke

—————————————–

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

ik weet niet waarom maar op jonge leeftijd wist ik al wat ik wilde worden: bioloog, veldbioloog om precies te zijn. De enige vereniging waarvan ik ooit lid ben geweest is de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie.

Om je vraag te beantwoorden:  ik heb me nooit afgevraagd wat ik in dat bos te zoeken had, dat bos was er.  Het was al op jonge leeftijd mijn huis. Ik had ook een onderkomen in het bos, een hut waarin ik als het slecht weer was kon schuilen. Dan moest het overigens wel echt noodweer zijn.

Toen ik jong was was er midden in het bos ook een kolonie van reigers. Als ik me even concentreer en terugreis naar m’n jeugd hoor ik weer het kabaal dat ze maakten. Naarmate de jaren vorderden kwamen er steeds minder terug. Volgens de jachtopziener kwam dat doordat ze in Frankrijk werden neergeschoten, ik herinner me nog goed wat hij zei: die Fransen vreten werkelijk alle vogels.

Ik was een soort onbezoldigde boswachter. Dat wilde ik trouwens ook wel worden, boswachter. Ik hield op mijn manier ook de wildstand bij. Noteerde in een boekje dat ik van mijn grootvader van vaders kant had gekregen zo nauwkeurig mogelijk hoeveel herten ik had gezien en waar. Ik kon uren aan de rand van een weiland in het bos zitten, wachtend op wild dat in de schemering tevoorschijn kwam.

In de tijd dat buizerds werden getroffen door een ziekte die hen vleugellam maakten heb ik zoveel mogelijk zieke vogels proberen te vangen en naar dierenartsen gebracht. Nu zou ik dat niet durven. Toen was ik niet bang.  Ook niet voor de dood, hoewel ik niet zo goed weet wat ik beweer als ik dat schrijf. Laat ik het zo zeggen: er dreef weleens een dood dier in de beek, een jong hert bij voorbeeld. Ik keek dan elke dag wel even hoe het vergaan er voor stond.

Vogelkenner Rob Bijlsma heeft dat trouwens eens nauwgezet opgeschreven toen er voor zijn huis in het bos een jonge ree was gestorven. Aan het sterven wordt te weinig aandacht besteed, zei hij tegen me.

Wat beweegt daar, heette dat boekje van mijn grootvader volgens mij. Er stonden ook sporen van dieren in. Sporenzoeken kon ik als de beste.

Ik denk trouwens dat het sporenzoeken in mijn geval als vanzelf dichten is geworden. Dat klinkt wellicht romantisch of gezocht maar het is een vrij eenvoudig verhaal dat ik pas goed snapte nadat ik van mijn vriend Pek van Andel met wie ik onlangs een boek over ongezochte vondsten heb gemaakt een studie cadeau kreeg van de ZuidAfrikaanse tracker Louis Liebenberg: the art of tracking, the origine of science. In dat meesterlijke boek betoogt Liebenberg dat de oorspronkelijke bewoners van Zuid-Afrika veel eerder dan bij voorbeeld de Grieken wetenschappers waren. Ze kwamen door het lezen van afdrukken op het spoor van het onzichtbare.

Dichten is voor mij niets anders dan dat,

vrgr

Wim
—————-

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

Binnenkort: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel IV.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

Raoul DUFY (1877-1953)

Homme lisant, 1898 Huile sur toile marouflée sur carton. Signée en bas à gauche et datée. (Manques). 22,5 x 15,5 cm.

‘#lekkerweertje aan het strand in #normandie’

twittert deze jongen, is de eerste sensatie. Niet de meest voorkomende gedachte overigens bij alle 88-plussers die in het Larense Singer museum naar het schilderij stonden te kijken. Maar bij mij dan toch wel. Of stonden? Het ritmisch gebonk van luchtbanden  tegen je kuiten was niet van de lucht.

Gisteren keek ik de ‘zwartepieten documentaire’ Zwart als roet van Sunny Bergman. Een hele goede film die duidelijk maakt hoe het zit. Als je nog niet vond dat er wel wat te veranderen valt, dan vind je dat na deze film.  Op zeker moment vraagt ze aan een drietal grijze rijke witte mensen bij een VPRO avondje, of wat we daar zien de afspiegeling van de bevolking is. Ja, zeggen ze schaapachtig, een beetje trots ook wel: alle lagen van de bevolking zijn vertegenwoordigd.  De camera gaat even rond en je ziet nog 300 witte  mensen met een tweemaalmodaal inkomen.

Waarom zien mensen dat niet? Als je door een museum loopt is dat net zo. Het Singer is weliswaar extreem, maar het Stedelijk in Amsterdam of het Haags Gemeentemuseum is niet veel anders. Naar schilderijen kijken lijkt een bezigheid waar vooral mensen die wit zijn, die rijk zijn en die redelijk oud zijn zich mee onledig houden.

0af19e780d89fa8cafa4ea31b70807c2Daar hoeven ze zich niet voor te schamen. Maar het is wel zinnig de buitennissigheid van je eigen voorkeuren te doorgronden.

Raoul Dufy heeft iets heel prettigs voor de museumbezoeker, wat ik verder alleen bij Matisse zijn knipkunst wel eens had: je krijgt onmiddellijk zin om aan het werk te gaan. Dit kan jij immers ook. De lichte toon bevalt me, en vreemd genoeg: dat de man dessins maakte voor modehuizen. Zijn affiliatie met het geld in die tijd vind ik wel verfrissend. Het is luchtige, kleurrijke en vrolijke kunst. De dessins werden met name door Paul Poiret gebruikt, een modekoning uit de twenties, de man who liberated women, creating high-waisted tunics and shorter skirts.

 

E14802-raoul-dufy-1920-croquis-de-modes-n-3-gazette-du-bon-ton-hprints-comn zo loop je door het Singer langs cocktail jurken, behangetjes en havengezichten, portretten en stillevens. En je vraagt je af (ik roep de verdenking over mij af een gerontophoob te zijn… wat niet waar is, ik houd van oude mensen ‘en met name hun verhalen’:-)

Stel dat je geboren bent in een decennium waarin de mode dit voorschreef, waarom is daar dan zo weinig van overgebleven? Waarom heeft elke esthetiek zich bij vrijwel iedereen op zekere leeftijd volledig teruggetrokken? Dat kan niet uitsluitend praktische redenen hebben. Het is ook niet mogelijk dat je door alle modes die je daarna doorlopen hebt ver af bent komen te staan van je gevoel van schoonheid in je jeugd.  Nodig is dat niet, want een heel enkele keer zie je gewoon een 07978-raoul-dufy-1920-croquis-de-modes-n-6-fashion-coat-gazette-du-bon-ton-hprints-comtachtigjarige lopen met stijlgevoel. En dan weet je wat het straatbeeld mist in een vergrijzend land.

Waarschijnlijk zijn de modehuizen de schuldigen en hebben afnemende modebehoefte van oudere mensen en de noodzaak praktische kleren aan praktische mensen te verkopen elkaar versterkt tot het droevig beeld dat een regendag in een middelgrote stad thans oplevert. Ik zou willen pleiten voor catwalks met bejaarden, al of niet met rollatorondersteuning,  modeshows en hele couturiers-lijnen voor boven de 70.

Dan hebben de ouden van dagen bovendien iets anders te doen dan altijd maar rondhangen in de Nederlandse musea.

Tirade – On the catwalk

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Niemandsland

DSC_0868De brug leek aangelegd om meer te verbinden dan het kleine spookdorp en het oerbos dat erachter lag; meer te overspannen dan de kreek die onder haar natte planken sliep. Probeerde te slapen, moet ik zeggen, omdat in het ondiepe water een Chinees gezin aan het volleyballen was. De vader droeg een verschoten Speedo en leek de bal alleen maar af te weren om zijn sigaret droog te houden.

Terwijl Nadim en Birre voor me uit liepen besloot ik even stil te staan, de afstand toe te laten nemen. Ik ben met ketting noch breekbaar draad gebonden aan mijn vrouw en kind. Hoe groter de afstand hoe meer ik van ze houd: mijn band is elastiek.

Ik stapte een eindje terug – het elastiek rekte hoorbaar – en probeerde me voor te stellen hoe deze plek eruit zou zien zonder de brug: niet meer dan een kreek met een ongenaakbaar en donker stuk woud erachter.

Toen Birre terugkwam van de overkant vertelde ze dat daar alleen een nauw bospad te vinden was, het soort konijnenweggetje dat jagers volgen.

Een jager, dacht ik, kon toch makkelijk door zo’n kreekje waden?

Kennelijk was het de bouwer meer om de brug zelf te doen geweest dan om wat het ding verbinden moest. Zou iemand (die net zo van bruggen hield als ik) aangevoeld hebben dat zijn bouwsel deze plek helemaal af zou maken? Dat ik bij het zien ervan meteen een boek zou willen schrijven en bij publicatie bovenstaande foto op het omslag zou eisen?

Ik stelde me de kreek nog eens zonder brug voor. Ja, zo moest het haast gegaan zijn.

Vanuit het spookdorp kwam een man aangesloft. Hij was in de zestig, had een bruine huid en een dichte bos bijna wit kroeshaar, waarop hij met geweld een te kleine rode kapiteinspet geschroefd had. Van een afstandje had je hem voor een overlopende colafles kunnen aanzien.

‘Weet u hoe dit zit?’ vroeg Birre hem. ‘Waar die brug heen gaat?’

Birre is nieuwsgierig. Dingen die ik me alleen maar afvraag zoekt zij tot op de bodem uit. Soms ook de dingen die ik me graag was blijven afvragen.

De man zette een plastic beker met appelsap of whisky aan zijn lippen en nam een slok; veegde zijn mond af aan de schouder van zijn ooit witte T-shirt.

Opeens wist ik het. Ik wist wat hij ging zeggen en wilde weglopen, maar het was al te laat. Voor de zoveelste keer zou die verdomde werkelijkheid een in potentie prachtig stuk fictie verpesten.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Je moet je leven veranderen

‘Wat was de vraag ook alweer? Oh, juist ja: welk boek indruk op mij gemaakt, me gevormd, een stempel op me gedrukt, me door elkaar geschud, ja zelfs welk boek me “op een bepaald spoor” gezet of me “van streek” gemaakt heeft.’ Zo begint het mini-essay ‘Amnesie in litteris‘ van Patrick Süskind, dat ik van het weekend las.

De schrijver van het essay lijdt, volgens de titel, aan een aandoening die je literaire vergeetachtigheid of letterendementie zou kunnen noemen. Hij onthoudt niet wat hij heeft gelezen en is daardoor onmogelijk in staat om antwoord te geven op de vraag waarmee hij zijn stuk begint. Süskind, schrijver van Het parfum, noemt een hele reeks schrijvers, maar kan zich niet herinneren waar hun boeken over gingen, laat staan welk boek het belangrijkst voor hem is geweest.

Eén citaat blijft echter het essay beheersen, een zin die ik herkende als een van Rilke, terwijl Süskind veinst dat hij niet meer kan achterhalen wie hem geschreven heeft. ‘Du musst dein Leben ändern.’ uit het gedicht Archaischer Torso Appolos. Het is de kern van wat de schrijver van zijn eigen leesgedrag vindt, zo blijkt uit de laatste alinea. Hij moet, hij moet, hij moet zich alles wat hij heeft gelezen herinneren, maar daartoe is hij niet is staat: ‘… je moet met alle macht tegen de Lethe opzwemmen, je mag niet meer hals over kop in een tekst verdwijnen maar je moet er met helder, kritisch bewustzijn gedistantieerd boven staan, je moet samenvatten, memoreren, aan geheugentraining doen…’

Vermoedelijk is, op basis van het essay, het belangrijkste wat Süskind ooit heeft gelezen precies die ene zin van Rilke. In het licht van de vraag die hij zichzelf stelt is dat in ieder geval zo, want hij wil eigenlijk lezen als een literatuurwetenschapper maar dompelt zich in plaats daarvan steeds weer onder in boeken van grote schrijvers. Voor mij vertegenwoordigt het gedicht van Rilke ook een literair inzicht van belang, al is het maar persoonlijk en honderdtachtig graden anders dan de uitleg van Süskind.

Eens woonde ik een gelegenheid bij waar de vertaler van Rilkes gedichten, Paul Claes, tekst en uitleg kwam geven over zijn werk. Hij behandelde bij wijze van college zijn interpretatie en vertaling van Archaischer Torso Apollos. Het is een op het oog raadselachtig gedicht – het begint hoe dan ook met de beschrijving van een antiek beeld van Apollo (zoals hier afgebeeld). Rilke schrijft: ‘sein Torso glüht noch wie ein Kandelaber’, wat Claes uitlegde als een kandelaar met verschillende armen waarin kaarsen staan. Ik vroeg toen of dat wel juist was, aangezien de tors geen armen heeft en er eigenlijk sprake was een kandelaar voor één kaars. Claes antwoordde dat Rilke ‘de vergelijking inderdaad niet doorzet’. Ik vond dat het een bijzonder mager antwoord, een beetje goochelen met woorden om tot een interpretatie te komen. Vanaf dat moment wilde ik niet meer lezen als een literatuurwetenschapper, maar als een lezer die wegdroomt in een boek. En zo werd het Apollo-gedicht een van de invloedrijkste teksten die ik ooit las.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Boeddha in bruidsjurk

In zijn voorwoord bij de Nederlandse vertaling van Mohammed Mrabets Liefde met een lok haar wijst berberbibliotheek-bezorger Asis Aynan op Mrabet’s novelle The Beach Café/Het strandcafé (1980)*.

The Beach Café is een charmant verhaal over het vergaren van mensenkennis. Protagonist en verteller Driss Tafersiti – een ontspannen vrije jongen die zijn geld verdient door een beetje te vissen en wat te handelen – ontdekt een strandcafé en vat sympathie fascinatie op voor de eigenaar ervan, Fuad. Driss schildert het portret van profiteur en kwaadspreker Fuad door gesprekken mét en óver hem. Het strandcafé laat zien dat praten – verhalen uitwisselen – de beste manier is om anderen te leren kennen*.

De serie De Voorstraat, die al vier zondagavonden loopt, heeft eenzelfde uitgangspunt. We zien iedere aflevering een handvol mensen thuis, op hun werk of met vrienden. Maar we leren hen pas echt kennen door wat ze de regisseur – al dan niet in voice-over – vertéllen. Voor een strandcafé ligt De Voorstraat iets te ver van zee, wel is in iedere aflevering minstens één scène gesitueerd in hipstercafé The Village.

Het is een tikje vervreemdend om een straat die je zo goed kent op TV te zien. Het verdiept je kennis van de straat – en van de stad Utrecht – maar vervreemdt je er ook enigszins van. Vastleggen is per definitie fictionaliseren. In de tweede aflevering van De Voorstraat drinkt dansleraar John koffie met een vriend. In The Village. John draagt een oranje trainingsjasje, zijn gesprekspartner een witte trui. Tegen de muur, tussen hen in, staat een lamp in de vorm van een witte uil. De vogel heeft oranje ogen. Is hier een styliste aan te pas gekomen? Heeft de regie de twee mannen opgedragen waar ze moesten gaan zitten? Of is het allemaal een kwestie van eindeloos draaien en daarna het beste materiaal uitkiezen?

281B35071De mooiste levensverhalen komen van Voorstraters die in een ander land zijn geboren. Zoals John, die uit Oeganda komt. En zoals ‘illegaal’ Miecel, uit Libië, die via Italië naar Frankrijk reisde en daar begreep dat Nederland ‘een land vol vrijheid en liefde’ is. Praten – verhalen vertellen – blijkt opnieuw een doeltreffende manier te zijn waarop het ene bewustzijn zich verstaanbaar kan maken aan het andere.

Ouder worden, levenservaring* opdoen, impliceert, geloof ik, vaak dat je leert inzien hoe hard, gemeen, slecht, opportunistisch mensen kunnen zijn. De betere boeken en films tonen óók het tegendeel. Een grappig voorbeeld daarvan uit Het strandcafé. Als Driss’ vriendin Betsoul ongesteld is, moedigt ze hem aan  met haar beste vriendin naar bed te gaan. De pornografische troop wordt geestig opgeschud als het meisje, Zineb, ’s nachts bij hem in bed komt en Driss haar wegstuurt: ‘Dit kan niet. Dit is te gek.’

Een vergelijkbare wending in De Voorstraat. Anke, de eigenaresse van een modeboetiek/atelier, wijst een vrouwelijke klant op haar echtscheidingsjurken, dat zijn jurken waarin een vrouw het feest van haar scheiding kan vieren. De term echtscheidingsjurk is grappig en cynisch – maar ook een beetje treurig en zuur. Wie Anke na de scène heeft geclassificeerd als ‘bitter’ of ‘ontgoocheld’, moet zijn of haar oordeel snel herzien. Want even later, in de rust van haar atelier, vertelt Anke dat ze in haar werkende leven al meer dan honderd trouwjurken heeft ontworpen en genaaid. Wat ze haar klanten nooit heeft verteld, maar nu wel tegen de camera zegt: in de zoom van iedere jurk heeft ze altijd een minuscule Boeddha genaaid. Een klein bruidsgeschenk. Of liever: Anke’s stille manier om geluk over nieuwe liefdesverbintenissen uit te spreken.

Noten

Opmaak 1*Het strandcafé & De Stem, Uitgeverij Pranger (1982). Vertaling: Henjo Hekman.

* In de woorden van Asis Aynan: ‘Met Het strandcafé leek het alsof ik de gesproken verhalencultuur in handen had.’

*Over Zineb, de beste vriendin van zijn geliefde, zegt Driss: ‘Ze was nog heel jong en begreep nog niet hoe mensen in elkaar zaten.’

Tirade – jouw gidslicht in donkere dagen.

Soundtrack: Moulay Ahmed Loukili.

Volgende week: Wendell Jaspers als Medea, een vrolijk kerstfeest met Hafid Bouazza. En meer.

 

Het IJkwezen

De man tegenover mij verbergt zijn gezicht in zijn handen. Het gebaar hoort niet bij hem, het is te groot, te dramatisch, het past niet bij zijn lange grijze jas, niet bij zijn aktetas. Hij ziet er zo saai uit dat hij wel in het ijkwezen zou kunnen zitten, denk ik. Ik heb geen flauw idee hoe mensen in het ijkwezen eruitzien, maar als kind had ik een boekje waarin een heel saai personage voorkwam, dat in het ijkwezen werkte.[1] In het boekje verzon de schrijfwinkel een verhaal voor hem, waarin hij een draak versloeg om zijn teckel Hector te redden. Het was zinloos, zei de man, wat verlegen, zijn vrouw zou het nooit geloven.

De mensen in het ijkwezen zijn de controleurs van onze werkelijkheid.

Het ijkwezen meet of onze meetinstrumenten wel kloppen; of een kilo echt een kilo is, een liter echt een liter. De enige echte kilo – le grand K, het prototype sinds 1889 – is een cilinder in de kelder van een 17e-eeuws gebouw in Parijs. Le grand K ligt onder drie glazen stolpen en de kluis kan alleen worden geopend in aanwezigheid van alle drie de sleutelhouders. Ondanks al die omzichtigheid is dat stukje metaal niet stabiel, blijkt uit vergelijkingen tussen le grand K en de kopieën die ervan zijn gemaakt. In vergelijking met die kopieën heeft de kilogram vijftig microgram aan massa verloren – een korrel zand. Elke maat gebaseerd op een menselijk artefact is kwetsbaar; de arme yardstick werd ooit verwoest door brand, maar ook de kleine, schijnbaar onbelangrijke verandering van le grand K baart het ijkwezen zorgen. Het zal niet lang meer duren voordat de cilinder, zoals dat bij andere maten gebeurd is, vervangen wordt door een geschreven formule die elk laboratorium kan volgen.

Ergens is dat jammer.

Het heeft iets aantrekkelijks, te weten dat er een cilinder bestaat, onder drie stolpen in een kluis in een kelder, die alleen met drie sleutels geopend kan worden. Dat er een tastbaar ding is dat je zou kunnen vasthouden – ware het niet dat zulk een onvoorzichtige behandeling de kilo zou besmetten en daarmee de massa van alle zaken ter wereld beïnvloeden. Te weten dat er een punt is om naar toe te gaan, om jezelf te kunnen ijken.

cheeverVerhalen bieden zo’n ijkpunt, een plek waar we onze eigen ervaringen kunnen toetsen aan dat van een fictief personage. In verhalen komen we soms dichter bij de soms pijnlijke werkelijkheid dan in onze alledaagse gesprekken, waarin alles altijd goed gaat en iedereen wel min of meer hetzelfde lijkt. Cheever ontving een dankbare brief van een lezer, wiens eenzaamheid verlicht was door het personage dat droomde over seks met een paard. Zandkorrel voor zandkorrel veranderen verhalen onze ideeën over wat is en wat wat kan zijn. Tegelijkertijd staan we die verhalen – binnen en buiten de literatuur – slechts zelden toe om de complexiteit van de werkelijkheid echt te benaderen. Wordt een persoon of personage al te onvoorspelbaar, dan noemen we dat ongeloofwaardig. Zo gedraagt een moeder/puber/meisje zich toch niet, zeggen we dan, of: dat gebaar is veel te dramatisch voor zo’n saaie man.

Zo zijn wij, allemaal, ijkwezens.

Noot

[1] * Het boekje van Guus Kuijer heet Tin Toeval en de kunst van Madelief, en is het lezen waard voor elke schrijver, al was het maar om de ongeëvenaarde techniek van titels kiezen die Madelief ons aanbeveelt.

————————————–

Wytske Versteeg herfstWytske Versteeg (1983) publiceerde de romans Boy (2013) en De wezenlozen (2012) en het non-fictie boek Dit is geen dakloze (2008). Ze won, onder andere, de Serge Heederik Prijs voor filosofisch schrijftalent en de Kwakoe Literatuurprijs. Dit jaar zette zij bovendien de BNG Nieuwe Literatuurprijs op haar naam. In Tirade 455 vind je een kortverhaal van Wytske Versteeg, Overgave. Ze werkt aan een proefschrift en aan haar derde roman.

Volgende week: de tweede Zondagse Gastblog van Wytske Versteeg.

Portret Wytske Versteeg: Eline Spek.

Ontstemd

Ik zat (net als Menno) deze week in het concertgebouw. Meesterpianist Piotr Anderszewski speelde Szymanowski en Bach. Bach, natuurlijk ook mooi, maar ik kwam vooral voor Szymanowski. Ook naast mij zat (net als naast Menno) een 70-plusser die beter thuis had kunnen blijven. Tijdens Bach deed hij nog zijn best om zijn gehoest tot een minimum te beperken. Maar soms schokte onze rij stoelen van zijn ingehouden kuch. Ik overwoog het gangpad over te steken, waar een lege stoel naar me lonkte, maar besloot dat ik me eroverheen moest zetten. Immers ook bij Glenn Gould luister ik om de bijgeluiden heen. Tijdens Szymanowski echter gingen alle remmen los. Gehoest, gesnotter. Onbeschaamd haalde mijn buurman zijn loopneus op, tikte verveeld met zijn voet tegen de stoel. Tijdens het applaus verzuchtte hij tegen zijn buurman dat het toch knap was hoe zo’n pianist zoiets uit kon voeren, wat toch nauwelijks muziek te noemen valt.

Donderdag stond ik in een uitverkochte OT301, waar Arca optrad, een soort moderne muzikale child prodigy, die op zijn 23ste al een indrukwekkend repertoire heeft opgebouwd in albums en samenwerkingen met grootheden als Kanye en Björk. Arca doet iets interessants met valse instrumenten. Zijn muziek is niet dissonant te noemen, of atonaal. Ik weet niet of er een term voor bestaat, maar zijn muziek is ontstemd (antitonaal?) Zijn noten zijn stuk voor stuk vals, ze hangen onaangenaam tussen de frequenties in die we gewend zijn te horen (de bijbehorende beelden van Jesse Kanda, zijn overigens even angstaanjagend/indrukwekkend)

Staand tussen de bebaarde hipsters in OT301 vroeg ik me af of vals het nieuwe zuiver is. Lelijk was al een tijdje het nieuwe mooi. Draag een zo lelijk mogelijke trui, een slecht passende broek, een baard die je tien jaar ouder maakt, en je behoort (of moet ik al zeggen: behoorde?) tot de modieuze avant garde. Misschien is een volgende stap valse muziek.

IMG_4023

Op de open dag van de Rijksakademie afgelopen zaterdag was ik bijzonder onder de indruk van een ontstemde versie van de Matthäus-Passion. Felix Burger maakte een installatie over censuur en onderdrukking, in een halfduistere ruimte waar je haast op de tast doorheen moest schuiven. Op een flakkerend scherm vertoonde hij beelden van zichzelf, een kunstenaar vastgebonden in een stoel, die verwarde taal uitslaat. Op tafels lagen gipsen koppen waaruit de mond vakkundig was weggesneden, de overblijfselen daarvan lagen als uitgerukte tongen verspreid door de ruimte. Op een glazen plaat lagen boeken waaruit passages waren weggepoetst, en op de achtergrond hoorde je steeds de stamelende kunstenaar. Tot in het midden van de ruimte een leger van gipsen gezichten het openingskoraal uit de Matthäus begon te zingen. Hun gipsen monden bewogen op en neer door mechanische pinnen die dwars door de kop waren gestoken en die met een angstaanjagend geklepper het hemelse gezang nog verder ontstemden.

Nooit eerder had ik de Matthäus geassocieerd met censuur. Maar die is er wel degelijk, zo begon me te dagen in de dagen erna. Want wat is het verstikkend dat er zoveel consensus bestaat over dat stuk. Zó zeker was mijn buurman in het concertgebouw ervan dat Bachs muziek hemels is, dat hij muziek die daar te veel van afwijkt haast niet meer als muziek kan zien. Door consensus over wat mooi is, wordt iets anders gecensureerd. Ik probeer dus vanaf nu mijn blik niet meer te laten vertroebelen door al te veel moois.

 

‘Mijn grootvader bezat een kolossale boerderij’

Vorige week publiceerden we hier het eerste deel uit de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. Hieronder deel II:

 

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

nee, geboren ben ik er niet maar wel opgegroeid; in Zeeuws-Vlaanderen. Ik hield als kind al erg van het landschap. Het platte, het vlakke. Vooral de geur van het hooi dat in brand werd gestoken, de wind die er non-stop waaide en het uitgestrekte. Heerlijk om een lege horizon te kunnen zien, dat er geen beeld in je gezichtsveld staat. Zodra ik een stap in dat landschap zet, heb ik het idee dat ik thuis ben.

Van een kamer en een deur die piept zijn we dan nu bij de keukentafel aangekomen. Als je schrijft dat jullie leven zich daar omheen afspeelde, kan ik me er iets bij voorstellen. Ik heb thuis een aparte keuken met keukentafel. Wij en ons bezoek bevinden ons eigenlijk altijd in de keuken. En niet in onze woonkamer bijvoorbeeld, die groot genoeg is. Vanwege de extra warmte die een keuken uitstraalt denk ik.

Wanneer je schrijft dat je ouders zich als agressieve kennelhonden gedroegen lijkt me dat niet echt warm. Ik moet denken aan een film van van Warmerdam. Peertje boven de tafel. Robuust hout. Beetje schemerig. Verlaten omgeving.

Honden aan tafel, het is lastig voor te stellen hoe je daar zat. Je moet er dus toch lang met hen gezeten hebben, gegeten, gepraat. Ik ken je vader uit je gedichten: als een spiegelbeeld, als een vogel, als iemand die op het dak zit, en van het uitzicht geniet.

Hoe speelt een leven zich rond een keukentafel af?

Groeten,

Annemieke

————-

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

we woonden in het huis van mijn grootvader. Hij was boer geweest. In de dichtbundel schrijf ik over een vader die ‘s avonds achter het huis zat en opmerkt dat het uitzicht elke avond anders is. Eigenlijk gaat dat gedicht over mijn grootvader maar aangezien mijn vader in de bundel vallend en zelfmoord plegend voorkomt wilde ik hem rust gunnen achter ons huis. Vandaar dat gedicht.

Mijn grootvader bezat een kolossale boerderij die ergens eind jaren dertig in vlammen is opgegaan. Ze hebben toen aan de overkant een nieuw huis gebouwd waar mijn ouders later zijn ingetrokken.

Aan die keukentafel aten we. Mijn ouders, mijn broer en ik. Mijn broer was er soms niet omdat hij aan het vissen was, of boeren hielp met bij voorbeeld hooien. Mijn ouders maakten vaak ruzie en dat begon steevast aan die keukentafel.

In mijn bundel schrijf ik over de zelfmoord van mijn vader zoals je weet. Wat ik niet opschrijf is dat wij – mijn vrouw en ik, onze kinderen – al weer eeuwen geleden op het punt stonden om mijn ouders onverwachts te bezoeken. We waren al jaren niet on speaking terms, mijn kinderen hadden hun grootouders eigenlijk maar een paar keer gezien.

We zouden op een zaterdag onverwachts langskomen en dan maar hopen dat mijn moeder de strijdbijl wilde begraven. Ze wist vaak niet eens meer waarom ze hem in de hand had. De dinsdag voor het bezoek belde mijn broer: mijn vader had zelfmoord gepleegd.

Hij wist niet van onze komst, het was een merkwaardige samenloop van omstandigheden. Nog merkwaardiger was het dat ik die zaterdag in een bomvol crematorium een toespraak hield terwijl niemand van de aanwezigen wist dat ik mijn ouders al tijden niet meer zag.

Ik had overigens de avond voordat mijn broer vertelde dat hij zelfmoord pleegde over mijn vader gedroomd. Die merkwaardige Pim van Lommel die gelooft in berichten van gene zijde meldde dat mijn vader zich kenbaar aan mij wilde maken. Ik denk dat ik zo vol van hem was dat ik droomde over een scene die ik vaak meemaakte.

Het is laat, ik kom thuis uit Zutphen, mijn vader zit nog aan de keukentafel. Hij leest de krant die hij die dag al drie keer heeft gelezen. We zitten even zwijgend aan die tafel, als ik nu goed luister kan ik zijn zware ademhaling horen. Dan zegt hij dat hij de hond gaat uitlaten, ik zeg dat ik naar boven ga.

Onlangs zag ik mijn vader trouwens aan de leestafel van een Amsterdams cafe zitten.

Ik denk dat het tijd is om naar buiten te gaan. Hoe ver was het naar school?

vriendelijke groeten,

Wim

———–

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

Binnenkort: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel 3.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

 

Uit de ban breken

In 1896 publiceert de Duitse dichter Richard Dehmel de bundel Weib und Welt. Het is een redelijk eenvoudig gedicht waar het hier om gaat. Een vrouw en man lopen door een bos, zij bekent hem zwanger te zijn maar niet van hem. Omdat ze een kind wilde. Op zoek naar ‘levensinhoud, moedergeluk en plicht’.

Zwei Menschen gehn durch kahlen, kalten Hain;
der Mond läuft mit, sie schaun hinein.
Der Mond läuft über hohe Eichen;
kein Wölkchen trübt das Himmelslicht,
in das die schwarzen Zacken reichen.
Die Stimme eines Weibes spricht:

Ich trag ein Kind, und nit von Dir,
ich geh in Sünde neben Dir.
Ich hab mich schwer an mir vergangen.
Ich glaubte nicht mehr an ein Glück
und hatte doch ein schwer Verlangen
nach Lebensinhalt, nach Mutterglück
und Pflicht; da hab ich mich erfrecht,
da ließ ich schaudernd mein Geschlecht
von einem fremden Mann umfangen,
und hab mich noch dafür gesegnet.
Nun hat das Leben sich gerächt:
nun bin ich Dir, o Dir, begegnet.

Sie geht mit ungelenkem Schritt.
Sie schaut empor; der Mond läuft mit.
Ihr dunkler Blick ertrinkt in Licht.
Die Stimme eines Mannes spricht:

Das Kind, das Du empfangen hast,
sei Deiner Seele keine Last,
o sieh, wie klar das Weltall schimmert!
Es ist ein Glanz um alles her;
Du treibst mit mir auf kaltem Meer,
doch eine eigne Wärme flimmert
von Dir in mich, von mir in Dich.
Die wird das fremde Kind verklären,
Du wirst es mir, von mir gebären;
Du hast den Glanz in mich gebracht,
Du hast mich selbst zum Kind gemacht.

Er faßt sie um die starken Hüften.
Ihr Atem küßt sich in den Lüften.
Zwei Menschen gehn durch hohe, helle Nacht.

De enige, nu en hier wellicht wat gebruikelijker bijzonderheid, is dat de man het kind aanneemt. Zij spreekt, hij spreekt, de maan loopt mee.
Drie jaar later componeert Arnold Schönberg ‘Verklärte Nacht’ een stuk voor zes strijkers. Hij was geïnspireerd geraakt door het gedicht van Dehmel. Wat een mooi stuk! Een lange intense compositie die vanuit de romantische traditie heel andere mogelijkheden zoekt, zich loswrikt uit de geformaliseerde afspraken zoals de man en de vrouw uit Dehmels gedicht dat doen. Een romantische setting met een ondertoon van verzet. Luister hier het stuk. Het was een bende bij de eerste uitvoering wil het verhaal. Maar dat wil het verhaal altijd.

Het was rustiger maandag in het Concertgebouw waar het Nederlands Kamerorkest het stuk speelde. Hoewel.Ongeveer 23 mensen hadden moeten besluiten thuis te blijven omdat ze last van hoest hadden. Daar is gelukkig onderzoek naar gedaan: mensen kuchen twee keer meer in een concertzaal dan ze erbuiten doen.

“It is the more modern pieces of 20th century classical music, it is the more quiet and slow movements that are interrupted by coughs. It is also non-random, in that coughing sometimes appears to occur in sort of avalanches or cascades through the audience so there are some patterns.”

En “My feeling is that because everyday life is so noisy, there’s so much noise around us all the time that when you go into something like a concert hall where you feel a lot of people are actually relishing the silence and looking forward to hearing those acoustic instruments played at a natural level, some people love that silence but some people feel tense.”

Verderop staat dan nog dat mensen misschien eigenlijk reageren op de muziek met de enige expressievorm die in een concertzaal min of meer toegestaan is: kuchen.

Oei. Had ik er maar beter naar geluisterd.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Het leven op de krag

Surinaamse wolken zijn anders dan Nederlandse, die als dotten aan de hemel hangen of als een grijs systeemplafond de stookkosten helpen drukken. Hier lijken ze uit de aarde zelf te worden opgestuwd; soms waan ik me op een krag*, waaronder het water met bulderende gasbranders aan de kook gebracht is. Ja, het is regentijd.

De Times of Suriname kopte vandaag dat er een voodoopop gevonden is in een slootje naast het huis van de president. Uit het artikel bleek dat nog niet was achterhaald wie de pop (een blanke imitatieBarbie) daar had geplaatst en wie het beoogde slachtoffer was.

Op de grote foto was duidelijk te zien dat een lange glimmende naald met een roodplastic knopje uit Barbies buik omhoogstak. Ik herkende zowel de pop als de naald: beide zijn bij elke Chinese supermarkt voor een totaal van 18 SRD te vinden, en dan heb je ook nog 19 naalden over voor de meer alledaagse doeleinden. Nee, dacht ik, het waren eerder de huidskleur en het geslacht van de pop die het onderzoek zouden vergemakkelijken.

Daarna kwam ik – eigenlijk tijdens het werk – via het internet Onderhuids tegen, een onlinetest waarmee je kan ontdekken of je een onwenselijke voorkeur voor een bepaald type uiterlijk hebt. Deze met plakkerige vingers in elkaar geflanste lulkoek ontlokte me de eerste methodologische kritiek sinds het jaar dat ik mijn bul mocht ophalen en aansluitend in mijn fietskratje vergat. Het regende overigens, die dag.

 

Drijvend eilandje.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Handleiding bij Tirade 456

tirade 456 voorplatTer inleiding van Tirade 456 (en het correcte gebruik ervan)

Gefeliciteerd ware lezer! U bent de gelukkige bezitter van het 456ste nummer van Tirade, ogenschijnlijk een klein onschuldig boekwerkje, maar in werkelijkheid een welhaast onuitputtelijke bron van Nederlandse en buitenlandse literatuur. Binnen vindt u verhalen, gedichten, essays en besprekingen, reportages en betogen. Tirade is direct klaar voor gebruik, draadloos, draagbaar en gemakkelijk mee te nemen op reis. Doordat het nummer nooit hoeft te worden opgeladen kunt u Tirade overal waar u maar wilt gebruiken: thuis, onderweg, stiekem op kantoor of in de collegebank. Volgt u de korte instructies hieronder voor het correcte gebruik van uw Tirade en ontdek dat de mogelijkheden eindeloos zijn.

1. Alleen lezen. Zorg dat u alleen bent of zo goed als alleen (of waan u alleen). Neem de Tirade ter hand en begin met lezen. Als wij van Tirade u een suggestie mogen doen: u kunt beginnen met het lezen van de poëzie, zo ontdekt u de verstilde gedichten van Branko Van, een ruim aantal gloednieuwe gedichten van Daan Doesborgh, het bijtende parlando van Raymond Carver en de heftige toon van Luna Miguel. Alleen lezen doet u in stilte of hardop. Pauzeren is mogelijk dankzij het kosteloos bijgeleverde ezelsoor.

2. Samen lezen. (a) Met meerdere gebruikers leest u het gemakkelijkst afzonderlijk van elkaar. U kunt dan op een later tijdstip samen praten over wat u heeft gelezen. Vonden u en uw medelezer Juan José Hoyos’ reportage ‘Weekend bij Escobar’ beiden zo onthutsend? Maak de andere lezers beslist ook attent op het schitterende verhaal ‘Het dorp van de Ismails’ van Kazim Cumert. Mocht het contact met andere gebruikers u niet bevallen kijk dan onder optie 1 hoe u uw Tirade voor uzelf kunt houden.

(b) Door voor te lezen creëert u de illusie dat anderen tegelijk met u lezen. Let op: deze mogelijkheid is bedoeld voor de ervaren gebruiker. Geschikt voor dit doeleinde is bijvoorbeeld het fragment uit Arno Camenisch’ roman Fred en Franz, waarbij u de lachers eenvoudig op uw hand krijgt door stemmetjes te doen. Hetzelfde effect kunt u bereiken door voorlezing van het korte verhaal van Pieter Kranenborg, ‘Goeree-Overflakkee Fraternité’, waarmee hij debuteert. Of u leeft zich uit met de ergernissen in ‘Dagje China’ van Hans Boland, die onlangs de Russische Poesjkinmedaille weigerde ‘uit protest tegen “gedrag en denkwijze” van Vladimir Poetin’. Succes verzekerd. Het is niet aanbevolen uw voorlezen zomaar te pauzeren door middel van het ezelsoor.

(c) Als variant kunt u overwegen op een zeepkist in de openbare ruimte plaats te nemen, alwaar u de vlammende tirade van Roman Helinski declameert. Mocht het contact met toehoorders u niet bevallen kijk dan onder optie 1 hoe u uw Tirade voor uzelf kunt houden.

3. Educatief lezen. Het is u van harte aanbevolen het educatieve traject van het nummer te volgen. Zo leert u gemakkelijk en snel waarom u zich zou moeten verdiepen in de Japanse poëzie, door lezing van het artikel van Gustaaf Peek. Wilt u zich handvatten verwerven tot het lezen van de poëzie van Jeroen Mettes, dan leest u de vakkundige persoonlijke duiding van Daniël Rovers. Of steek u licht op bij Carel Peeters’ heldere bespreking van de debuutroman van Bregje Hofstede, die u al of niet gelezen heeft. Het educatieve gedeelte kunt u naar believen alleen of samen lezen.

4. Niet lezen. (a) Focust u zich op de illustraties van Suzanne van der Aa. Zij ver zorgde niet alleen het omslagbeeld maar u vindt haar tekeningen ook her en der in het nummer, die samen een compleet beeld geven van haar ironische tekenstijl. Deze optie is warm aanbevolen in combinatie met mogelijkheden 1, 2 en 3.

(b) Geef Tirade cadeau aan een vriend, vriendin, willekeurig persoon of familielid. Hiermee zorgt u voor een uitbreiding van het aantal gebruikers en laat u een ander de ongekende mogelijkheden van Tirade ontdekken.

(c) Gevarieerde neventoepassing die niet worden aangeraden door de makers, waaronder gebruik als onderzetter, als object van verdrinking of verbrandingen als voer voor de shredder.

Algemene waarschuwing. Het nummer van Tirade is niet geschikt voor lezers met een voorkeur voor themanummers. Lezing geschiedt op eigen risico.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

‘Niemand op deze aardbol kan ons van elkaar scheiden’

Liefde met een lok haar (1967) is het door Paul Bowles (1910-1999) opgetekende romandebuut van beeldend kunstenaar en verhalenverteller Mohammed Mrabet (1936) . In de media – en op de sociale media – maken Asis Aynan (1980), Abdelkader Benali (1975) en Said El Haji (1976) zich zo sterk voor dit boek dat ik de indruk kreeg iets te missen als ik LMELH ongelezen liet. Een vermoeden dat inmiddels is bewaarheid: Liefde met een lok haar is een prachtige roman. Een zwart, hard sprookje over lust, liefde, familie en (bij)geloof.

De roman vertelt het verhaal van de zeventienjarige Mohammed die al vier jaar als schandknaap en barman bij een Engelse hoteleigenaar woont als hij (Mohammed) verliefd wordt op Mina, het overbuurmeisje van zijn vader. Mohammed gaat met haar naar de bioscoop, wordt daar handtastelijk en weet Mina pas voor zich terug te winnen nadat hij haar met hulp van een heks heeft betoverd.

‘Er stonden een paar bloempotten bij het raam. Mina verdween naar binnen. Even later verscheen ze weer in het raam, met een schaar in haar hand. Ze knipte een witte anjer van een van de planten, kuste de bloem en gooide hem naar Mohammed. Hij ving hem en hield hem tegen zijn lippen.’

Mina en Mohammed beginnen te daten. Ze gaan naar cafés – in Tanger, where we lay our scene – en naar zee: ‘Ze stonden op en renden over het strand achter elkaar aan. Hij gaf haar een voorsprong, zodat hij naar haar kon kijken.’ Mohammed ontmaagdt Mina en moet dan met haar trouwen, eerst weigert hij – op last van zijn vader -,  maar een slopend verblijf in de gevangenis verandert zijn nee in een ja. De liefde tussen Mina en Mohammed lijkt dan eigenlijk al kapot.

De twee krijgen een baby – Driss – waarna hun relatie  verder verslechtert. Niet in de laatste plaats door Mohammeds drankgebruik. Als Mina een week nadat ze is bevallen niet met Mohammed naar bed wil, verkracht hij haar en bij een latere ruzie – hij verdenkt Mina van overspel – slaat hij haar: ‘Hij gaf haar zo’n harde klap dat het bloed uit haar neus kwam.’ Kort daarop lezen we: ‘Toen hij naar Mina keek, bedacht hij hoe fijn het zou zijn om haar te wurgen.’

De gewelddadige bejegeningen zijn overigens wederzijds. De eerste fysieke klap in het boek wordt uitgedeeld door Mina, en wel als Mohammed stomdronken thuiskomt en haar probeert te kussen. Baf: ‘Bloed drupte op zijn kin.’

Sympathiek zijn Mohammed en Mina niet. Ze zijn allebei grillig, berekenend, materialistisch en wreed – mensen van vlees en bloed, zeg maar. Dat hun huwelijk door iedereen wordt afgekeurd maakt hun liefdesleven natuurlijk niet eenvoudiger: zijn vader is tegen hun relatie, haar moeder, zijn werkgever/minnaar Mr. David*, zijn vrienden.

De grote kracht van LMELH is de tegenstelling tussen het filmische, mondaine decor (taxi’s, pijnbomen, bioscopen, markten met levensmiddelen, dakterrassen, palmbomen, de zee) en de protagonisten die er maar niet in slagen in dat decor gelukkig te worden.

LMELH lijkt zo’n verhaal dat je niet moet navertellen omdat de bewegingen en schijnbewegingen van de handeling zo’n belangrijk deel uit lijken te maken van het leesplezier. Maar ik doe het toch. In de literatuur is het hoe altijd belangrijker dan het wat.

Als Mina en Mohammed uit elkaar zijn, krijgt hij een relatie met Melika, een straatprostituee en vriendin van Mina die eigenlijk van plan was hem voor haar (Mina) te vergiftigen. Voor Mohammed is Melika het surrogaat dat hem moet laten vergeten hoe Mina ooit was: ‘Hij ging op haar liggen en duwde zich in haar vlees, zich voorstellend dat ze echt Mina was.’

Mohammed wordt alsnog vergiftigd door een andere vrouw. Na zijn herstel besluit hij Melika te verlaten omdat zij hem teveel aan Mina doet denken. In een hartverscheurende scène laat hij de huilende Melika achter op een bankje met uitzicht op de haven.

Omdat Mrabet terughoudend is met uitleg, beschrijvingen en gedachten, krijgt zijn boek ongelooflijk veel vaart, terwijl het je tegelijkertijd dwingt om mee te denken over de gevoels- en gedachtewerelden achter de handeling. Dat is erg enerverend. Net als een paar echte actiescènes trouwens. Zo maken Mohammed en Mr. David bijvoorbeeld plezier: ‘Toen ze het café verlieten, liepen ze omarmd en zingend naar buiten. Ook achter het stuur ging Mohammed door met zingen. Op twee wielen vlogen ze door de bochten bij Cap Spartel.’

LMELH bevat prachtige scènes op dakterrassen, er wordt telkens vlees, vruchten en andere levensmiddelen ingeslagen op de markt en overal in de roman vind je mooie metaforen – ‘Als de golven van de zee gingen de kussen tussen hen heen en weer.’ – of puntige natuurbeschrijvingen: ‘Hij deed de voordeur achter zich dicht en liep de Avenida Espana uit. De wind blies onstuimig door de palmen.’

Allah is groot. Maar Mohammed Mrabet is ook geen kleine jongen. Met het bittere, bikkelharde slothoofdstuk van zijn debuut bewijst hij een echte, meedogenloze schrijver te zijn. Liefde met een lok haar is net zo wreed als het leven zelf.

Tiradeyouyouyouyou!

Soundtrack: Farid el Atrache, Hikayat Gharami.

Liefde met een lok haar, vertaald uit het Engels door Hester Tollenaar, met een voorwoord van Asis Aynan, is verschenen bij Uitgeverij Jurgen Maas (2014).

Volgende week: De Voorstraat, Utrecht. Mohammed Mrabet, Strandcafé. En meer.

*Noot

Nu en dan mengen de werelden van Marokkanen en buitenlanders in Tanger zich. Maar de belangstelling van de Nazareners (‘Christenen’: Europeanen en Amerikanen) voor hun gastland lijkt niet erg diep te gaan. Over de Engelse Mr David – dan al jaren de minnaar van Mohammed – lezen we: ‘De moslimcultuur maakte hem altijd aan het lachen, omdat hij er niets vanaf wist.’