De stem van mijn overgrootvader

Deze week worstel ik me door een stapel brieven die mijn oma in de oorlog van haar vader uit Duitsland heeft ontvangen. Het zijn bij elkaar een kleine vijfhonderd kantjes. Brieven, tekeningen, ansichtkaarten, allen verrijkt met griezelige stempels met adelaars en hakenkruizen. Zo leer ik dus nu,  een 75 jaar na dato, via zijn brieven, de formele, autoritaire stem van mijn overgrootvader Hans kennen. Ik weet niet of ik hem mag, deze man, al geniet ik van zijn prachtige, ellenlange, Duitse zinnen, en al hou ik natuurlijk sowieso van hem, alleen al omdat mijn oma met zoveel liefde over hem sprak. De brieven die zij aan haar vader schreef, zijn niet bewaard gebleven, aangezien hij de oorlog niet heeft overleefd. Tijdens het lezen probeer ik me dus een beeld te vormen van wat mijn oma hem moet hebben geschreven. Het ene na het andere raadsel doemt op.

Zo was ik in de veronderstelling dat mijn oma door haar vader naar Amsterdam werd gestuurd. Maar uit de brieven blijkt dat ene Helmut, waarmee mijn oma zich kennelijk verloofd had, haar heeft “meegelokt” naar Amsterdam, met als doel om door te reizen naar Amerika. Haar vader ziet geen heil in deze onderneming (Waarom zo ver? Wat moet je daar dan? Huisvrouw worden, dat is toch beneden je stand?). En haar vader heeft geen goed woord over voor haar verloofde (nergens goed voor, “zo’n onbetrouwbaar joods type” – een eigenaardige typering uit de mond van een jood). De reis naar Amerika heeft mijn oma nooit gemaakt, en ook met deze Helmut is ze nooit getrouwd, dus hoe deze geschiedenis afloopt zal naar verwachting verderop in de Korrespondenz blijken.

Mijn oma’s vader is eigenlijk onophoudelijk boos de eerste twee jaar van zijn brieven. Boos op mijn oma. Ze haalt hem het bloed onder de nagels vandaan, schrijft hij keer op keer. En dat terwijl hij schrijft over geldzorgen, over verveling. Hij was werkloos, als jood mocht hij zijn beroep, arts, niet meer uitoefenen (al schrijft hij eind 41 hoopvol over een kans op een aanstelling als arts in het joodse ghetto van Keulen). Hij zal daarnaast vreselijk bezorgd zijn geweest om zijn jongste dochter, die te vroeg het nest verliet, met een, naar zijn mening, foute man. De uiting van die zorgen is, zacht gezegd, onprettig te noemen. Brief na brief noemt hij mijn oma dom, naief, onzeker. Haar beslissingen vindt hij waardeloos, haar plannen Quatsch! De problemen, die ze hem soms toevertrouwt, zag hij van mijlenver aankomen. En op het moment dat ik er niet meer tegen kan, is ook mijn oma vermoed ik in opstand gekomen. Want opeens volgt een brief met een andere toon. Bijna tegen het vriendelijke aan. Maar met een enigszins zwartgallig beeld van de wereld, zo vlak aan het begin van het uitbreken van een oorlog die, van deze familie, alleen mijn oma zou overleven. Ik heb hem voor het gemak even omgezet (is dat een germanisme?) naar het Nederlands.

Keulen, 11 oktober 1939

IMG_4069Lieve Helga, Engelchen,

Jouw ontroerende analyse van mijn laatste brief (je schrijft dat hij om te huilen is) is voor mij aanleiding om eens iets algemeens te zeggen over onze briefwisseling. Ook ik vond mijn laatste brief, nu ik hem weer eens doorlas, ontroerend slecht. Het simpele feit dat ik de opsteller was, en niet de ontvanger, maakte dat ik niet in de droevige stemming raakte, die jij zo overtuigend bij jezelf beschrijft. Ik denk dat ik een vergelijkbare denkfout maakte als de lieve God, toen die zijn schepping bekeek en dacht dat die goed was. Ach, wat moet de man trots zijn geweest (en ach, wat vergiste hij zich!). Net zo ben ik, stumper, tevreden geweest met een werkje dat me was gelukt. Jouw kritiek is daarvan het bewijs.

Dat gezegd hebbende wil ik even van de gelegenheid gebruik maken om ook jouw brieven eens grondig te bekritiseren. Ze zijn geweldig, lieve kind. Je laatste nog de beste van allen. Het is een kleine, maar door mij niet minder gewaardeerde, kunst goede brieven te schrijven. Bij jou heb ik daarin, sinds je vertrek uit Keulen, in toenemende mate een ontwikkeling mogen waarnemen. Zou ik daarop enige invloed hebben gehad, dan ben ik zeer vereerd. (…) Wat ben ik trots je vader te zijn, wat mag Helmut trots zijn om zich straks jouw man te noemen. Wat heeft de natuur, en wellicht ook de invloed van ons, je goedbedoelende ouders, een wezen geschapen dat zo trouw is, en zo inlevend. Het bemoedigt mijn oude hart dat je schrijft dat je het jezelf toewenst dat je mij op een dag zal kunnen helpen. En wat klinkt dat anders dan de (ik dacht: holle) frasen die je uitte bij je vertrek. Dit is wat we vast moeten houden in de wellicht barre tijden die voor ons liggen. We moeten de moed en de kracht opbrengen om vol te houden, wat er ook kome mag. Want ieder mens, ook jij, weet wat hem te doen staat. Ieder mens kan zijn lot wezenlijk beïnvloeden door de beslissingen die hij neemt, en met de daden die hij stelt.

Alsjeblieft, accepteer mijn hartelijke groet en idem kus,
Je liefhebbende Vati

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.