Nieuwe broek

Terwijl ik met Ada (4) op mijn stang over de Bilderdijkstraat fietste, besefte ik dat we voor het eerst in twee jaar samen naar een kledingwinkel gingen. Zo lang geleden was het, dat de zingende kleuter tussen mijn armen het niet eens meer wist. Die laatste keer was ook bij Leg-Inc, en Aad koos toen een legging met een knallende graffitiprint, die ze daarna bijna dagelijks droeg. Toch moet hij de eerste slijtplek of verkleuring nog vertonen.

‘Zijn ze wel zeker weten open?’ vroeg ze terwijl ik haar van de stang tilde, losliet op de stoep.

‘Loop maar naar binnen,’ zei ik.

Van de eigenaren ken ik er één, die er vandaag gelukkig was. Ada draaide pirouetten en deed poses voor een hoge spiegel terwijl ik met Saskia praatte; op de schaal tussen verlegen en extravert scoort mijn dochter Gordon Heuckeroth. Ik liet mijn blik over het rek met voorbeeldleggings gaan en wist meteen welke ze zou kiezen.

Er moest gepast worden en daarom moesten er schoenen, sokken en een broek uit. Mijn dochters blote roze pootjes, twee kleine lege sokken op een harde vloer. De leggings hadden een brede zwarte band die om haar buikje spande, je kon ze optrekken tot bijna in haar oksels. Ada bekeek zichzelf van alle kanten in de spiegel, spreidde haar armen en straalde. Met zulke ogen, dacht ik, heb ik nog nooit naar mezelf gekeken.

Hoewel ze hetzelfde model en dezelfde maat hadden, werden er leggings afgewezen omdat ze niet lekker zaten. Na een minuut of tien was er een absolute winnaar, en wel de door mij voorspelde zebravariant met gouden vlekjes. Je kunt het meisje uit de Jordaan halen, maar de safariprint niet uit het meisje. Dat zonnebankbruin meldt zich geloof ik later pas.

De legging bleef aan, Aads oude broek moest in mijn rugtas mee. Ik rekende af en we bedankten Saskia. Omdat het al tegen vijven liep was het best druk op straat, en onderweg wees Ada andere weggebruikers op haar nieuwe broek.

‘Deze heb ik van mijn papa gekregen,’ zei ze. ‘Het is een panter.’

Ook kenmerkend voor de Jordanees is dat hij om het even welke dierenvlek een panterstreep noemt.

‘Een zebra,’ verbeterde ik steeds. ‘Zébrastrepen, zijn het.’

Een wat versleten man met grijze dreadlocks stak zijn duim op, een jongen met een grote koptelefoon en getatoeëerde handen glimlachte.

‘Meid!’ zei een gelooide snorfietsdame met zuurstokroze lippen. Ze knipoogde naar mij en gaf wat meer gas om ons bij te kunnen houden. ‘Jij hebt vast een héle lieve papa.’

‘Papa zegt dat het zebra is.’

De vrouw keek nog eens goed naar Ada’s legging, leek een afweging te maken onder haar matgroene helm.

‘Nou,’ zei ze met wat nog het meest op medelijden leek. ‘Ik vind hem in ieder geval práchtig.’

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).

Tunneltjes

Ik moest laatst aan mijn vorige onderbuurvrouw denken. Ik weet niet meer waarom, maar ik weet wel nog dat ik me afvroeg of het de laatste keer zou zijn. Of ze nog een keer in mijn gedachten zou bovendrijven – en zo ja, wanneer weer?

Toen ze nog onder ons woonde spraken we elkaar hoogstens eens per maand, meestal om ergens over te klagen. Eerst klaagde zij over onze stampvoeten en dwong zo een nieuwe vloerbedekking af bij onze huisbaas. Daarna klaagden we samen over het lawaai van onze bovenburen (haar boven-bovenburen) en de sigarettenstompjes die tijdens hun drukbezochte karaokefeesten op ons neerdwarrelden. Verder het gebruikelijke: pakketjes aannemen, de deur openhouden, een betekenisvol knikje tijdens het ophangen van de was. Ze hielp ons toen onze binnenkat eens was weggelopen, maar dat was het dan ook wel. Hechter zijn we nooit geworden.

Dat was natuurlijk niet zo gek. Wij waren studenten en zij een middelbare vrouw met twee tienerdochters, bijna-studenten, waarmee ze regelmatig gehorige discussies voerde. Onze nieuwe vloerbedekking hielp er slecht tegen. Over die schreeuwruzies wilden mijn huisgenoten en ik soms wel eens klagen, ware het niet dat we er eigenlijk helemaal geen last van hadden. Integendeel, we vonden het mateloos interessant. Zodra een van de dochters haar stem verhief, kwam iedereen uit zijn of haar kamer en zochten we naar de plek waar we het beste konden meeluisteren. Daar legden we onze oren op de vloer om van de verwensingen te smullen. Misschien hoopten we haar zo beter te leren kennen.

Vier maanden geleden hing er een opeens verhuisbord op haar raam. Ze had ons niks verteld. Niet dat we dat hadden verwacht. Bij ons was de afgelopen jaren een hoop verloop geweest en ik geloof niet dat we haar ooit vooraf van een wisseling op de hoogte hadden gebracht. Uit nieuwsgierigheid naar de inrichting zochten we haar huis op Funda op. We klikten eerst een beetje door de kamers, opgeruimd en gladgestreken door makelaarshanden, en zagen de potentie die in ons identieke appartement schuilging.

Daarna zagen we de vraagprijs. We schrokken ervan, zo’n brutaal hoge prijs. We zaten nog wel even aan haar vast, dachten we – maar het huis was binnen drie weken verkocht. Ik overwoog nog om langs te gaan voor een afscheidspraatje, maar voordat ik een besluit kon nemen was ze vertrokken en stonden in haar achtertuin twee twintigers met een aqua-blauwe barbecue en een hippe lounge-set. Ik miste haar plastic tuinmeubilair en het eeuwige pakje JPS op het tafelblad. Ik miste haar.

Ik zal vast nog eens aan haar denken, maar steeds minder natuurlijk, en met steeds grote intervallen. Misschien is de eerstvolgende keer over drie maanden, dan over een jaar, twee jaar en dan pas weer in 2036, als ik eindelijk mijn eerste peperdure stadsappartement kan kopen.

Het brein is ontzettend goed in het onthouden van mensen. Ze blijven een stuk langer hangen dan dieren, dingen of gebeurtenissen. Wie je na je kindertijd leert kennen, verdwijnt waarschijnlijk nooit meer uit je geheugen. Al raken ze wel steeds meer eigenschappen kwijt; iemand die je niet meer ziet wordt steeds vlakker, leger. Hersentunneltjes die lang niet worden gebruikt, worden langzaam gesloten. Maar hoe lang totdat zo’n tunneltje is afgesloten? En hoe weet je zeker dat hij voorgoed dicht zit? Tot wanneer kan iets wat je ziet, ruikt of hoort nog door de wand heen prikken en een ‘vergeten’ kamer blootleggen?

Het tunnelstelsel van het brein is niet feilloos, zeker niet als je wat ouder wordt. Laatst vertelde mijn huisgenoot over een gesprek dat hij had met onze schuin-onderbuurvrouw, de ex-buurman van mijn ex-onderbuurvrouw (snap je het nog?). In dat gesprek begon de buurman over ene Joost. Toen mijn huisgenoot vroeg wie hij daarmee bedoelde, had hij het over een jongen met witgeverfd haar. Ik dus. Waarom Joost, vroeg ik me af. Ik kon mezelf niet weerhouden van een binnenpretje: de gedachte dat Joost, net als ik, anders geaard is. De buurman dacht zelfs dat Joost (ik dus) uit het pand verhuisd was. In de drie jaar dat we hetzelfde appartementencomplex delen heb ik niet alleen geen volwaardig tunneltje in het hoofd van mijn buurman – zijn geheugen is het halfbakken tunneltje zelfs al aan het dichtmetselen.

Thom Wijenberg

Thom Wijenberg (1996) schrijft poëzie en proza. Hij werkt als redacteur en programmamaker en studeert aan de Schrijversvakschool. Zijn werk verscheen onder andere op Notulen van het Onzichtbare, Tijdschrift Ei en in de Seizoenszine.

Auteursfoto: Gaby Jongenelen

Ze moeten wel

Een regenachtige zomer betekent vooral veel tijd om te lezen. Eindelijk had ik tijd voor Onbehagen: Nieuw licht op de beschaafde mens (2016) van Bas Heijne, waarin hij schetst hoe hij opgroeide ‘in een tijd van vertrouwen en verwachtingen – verwachtingen over groei en gelijkheid’. Het verlichte mensbeeld dus, waarbij het optimisme twee zaken betrof: de in het vooruitzicht gestelde winstmaximalisatie en het idee dat de mensheid steeds beschaafder zou worden. 

Nu weten we dat dit wereldbeeld op z’n einde loopt. De huidige jongeren weten dat de wereld verrot is. Zij voelen in hun botten dat dit winstmodel slechts welvaart oplevert voor enkelen, en niet zonder de uitbuiting en uitputting van anderenkan. De jongste generaties zitten opgescheept met de rotzooi die hun ouders weigeren onder ogen te zien, laat staan op te ruimen. Tieners en twintigers van nu verwachten niet langer dat alles mooier, beter en meer wordt. Zij hopen slechts te kunnen overleven.

Heijne vraagt zich af: ‘Is oprecht optimisme mogelijk in een door pessimisme gekleurd wereldbeeld?’ Dat lijkt me precies de kernvraag van de huidige tijd. Want ik zie om mij heen dat juist de jongste generaties vaak een wonderlijke vorm van vertrouwen hebben. Hun ‘verlichtingsideaal’ is donker, erg donker. Op het depressieve af, eigenlijk. Voor de mensen die nu aan hun zelfstandige leven beginnen gaat het niet langer over progressief verbeteren – lineair dus – maar over verbeteren in de breedte. Zij zeggen eerder een cirkel te zienof ze denken op zijn minst horizontaler. Vooruitgang lijkt voor hen meer dan ooit te zijn: wat is zinvol samenleven?

In mijn tweede roman Zwerm (Van Oorschot, augustus 2021)leest de jongste van de drie hoofdpersonages, een puber van 15, online een pamflet. Daarin staat: ‘De wereld is te heet geworden, de nieuwste generatie moet op zoek naar het ventiel. De orde van de machthebbers moet kapot, het bestaan zoals we dat kennen moet kapot en pas dan kan er iets nieuws worden gebouwd.’ En zij realiseert zich: als we niets doen, zal de aardbol exploderen. ‘Als een lappenpop zal ze worden weggeslingerd, de ruimte in. Naar een plaats die nog niemand kent, en daar zal ze opnieuw beginnen. Soms verlangt ze daar hevig naar: opnieuw beginnen in het verse niets.

Is zij degene die het ventiel zal vinden? In het pamflet staat dat het pijn zal doen. Veel tranen misschien – maar de toekomst is onvermijdelijk. Er moet beweging komen. Eén voet voor de andere zetten. Alles is beter dan stilstand.’

Om daadwerkelijk in actie te komen, moet je geloven dat je het verschil kunt maken. Psychologen spreken ook wel van de internal locus of control, het gevoel dat je je leven zelf in dehand hebt. Jongeren lijken dat meer te geloven dan hun ouders of grootouders, die momenteel aan de macht zijn. Ze moeten wel. 

The future is darkwhich is the best thing the future can be, I think,’ schreef Virginia Woolf in haar dagboek op 18 januari 1915. De Eerste Wereldoorlog zou nog vier jaar voortduren. Niemand wist nog dat er een Tweede zou volgen en zeer weinig mensen spraken over een ophanden zijnde klimaatoorlog.

Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

Samen doen

Hoewel ik toen best vriendjes had, herinner ik me van mijn vroege jeugd vooral de vele uren dat ik rondspeelde in mijn hoofd, al dan niet bijgestaan door huisdieren, knuffels of opstellingen van mijn Playmobil.

Enig kind, was ik, en als er mensen kwamen spelen dan was dat leuk, maar kwamen ze niet, dan was het ook oké. Op de middelbare school werd de binnenkant van mijn hoofd steeds belangrijker. Mijn vrienden waren op één hand te tellen, en bleven jarenlang dezelfde vingers. Ik hield van die vrienden, maar als ze er niet waren dan was dat ook oké.

Wat, zou je zeggen, heeft zo-iemand in de horeca te zoeken?

Soms, zoals ook voor de beste vrienden geldt, geeft het leven je niet wat je denkt te willen, maar wat je nodig hebt.

Mocht ik ooit gedwongen worden te emigreren, dan zal ik – ook op mijn achtenzestigste – een baantje in de bediening zoeken. Binnen drie werkdagen heb je een vriendenkring, binnen een maand een netwerk, binnen een jaar de sleutels tot de stad.

Achter de bar ontdekte ik dat de meeste mensen wél op me zaten te wachten; dat het me weinig moeite kostte om soepel om te gaan met advocaten, muzikanten, toeristen, marktkoopmannen en krakers. Bovenal ontdekte ik een versie van mezelf die geen genoeg kon krijgen van de lichtjes, de drankjes, het tollen van de stad. Omdat het café waar ik werkte een poflijst had, leerde ik om bij een eerste contact meteen de naam van mensen te onthouden. Een vriendenkring, een netwerk, een loper volgde.

Na vijftien jaar achter de bar en in de bediening kwam ik in de keuken terecht, een werkplek waar je op een bijna fysiek niveau met je collega’s vergroeit. Jouw hand is mijn hand is de hare, als dat voorgerecht voor tafel twaalf er maar binnen drie minuten staat. Mijn besluit om schrijver te worden betekende het einde van samen koken, en ik mis het elke dag.

Het zintuiglijke, de manier waarop overzichtelijke taken me volledig in beslag namen, het aanraken en worden aangeraakt. Die lome leegte als de adrenaline na een lange dienst was uitgewerkt. De smaak van bier, op zo’n moment. Hoe vrij mijn vrije dagen voelden.

Dat schrijven, om met vriend-schrijver Richard de Nooy te spreken, is maar alleen. Na tien jaar wilde ik verder groeien in de literatuur, maar dan wél in samenwerking met anderen.

De eerste die ik belde was Wytske, daarna volgden Roos en Richard. Inmiddels hebben we er twee samenkomsten op zitten, en het is de bedoeling dat we elkaar maandelijks blijven zien. Natuurlijk kunnen we onze teksten ook mailen voor feedback, maar het samen zitten met ons werk voelt minstens zo belangrijk.

Wat ik misschien geleerd heb sinds mijn kinderjaren, is dat iets pas echt gaat leven als je het deelt.

Beeld: Koken met Olle, Nathalie Girard

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).

Mijn Indonesische jaren: De literaire salons

Van de Indonesische deelnemers aan de literaire salon kan ik behalve Toeti Heraty, die haar gedichten in vertaling voorlas, ook Wiratmo Soekito (1929-2001) en Gerson Poyk (1931-2017) noemen. De eerste was actief geweest als theaterdocent, omroeper, journalist, tijdschriftleider, essayist en schrijver, maar zijn grootste bekendheid verwierf hij als opsteller van het Cultureel Manifest dat in mei 1964 werd getroffen door een verbod van Soekarno.

Er waren in totaal negentien schrijvers die het manifest hebben ondertekend, waaronder ook Gerson Poyk, een markante man met een ascetisch voorkomen. Hij werd geboren op Roti, het zuidelijkste eiland van Indonesië, en was een productief auteur van romans en verhalen met een humoristische toets. Zijn verhaal ‘Matias Akankari’, over een Papua die uit het steentijdperk in het moderne Jakarta wordt geworpen, met alle absurde verwikkelingen van dien, verscheen in het Indonesië-nummer van het tijdschrift De Tweede Ronde (Lente 1988). Aan dit tijdschrift hebben allerlei Indonesische en Nederlandse auteurs bijgedragen.

Een van de Indonesische dichters in dat nummer was Joke Moeljono (1925-1998), die werkzaam was als arts in het Borromeus Ziekenhuis in Bandung. Zijn broer Anton (1929-2011) was hoogleraar linguïstiek aan de Universitas Indonesia en directeur van het Indonesische Taalcentrum. Waar Anton Moeljono een ernstige academicus was, had Joke meer weg van een bohemien. Tussen 1946 en 1958 woonde hij in Nederland en sindsdien was hij voorgoed een man van twee werelden, een ontheemde. Hij was een van de weinige Indonesiërs die in het Nederlands schreef. Het volgende gedicht uit 1948 geeft een goed beeld van zijn denkwereld:

Europa zal ik eens verlaten
haar angsten zijn niet de mijne
maar ik zal haar nimmer haten:

Ook ben ik door haar pijnen
vrijgemaakt en heb uit haar wonden
verloren heimwee weergevonden.

In maart 1987 vond de literaire salon plaats bij Toeti Heraty thuis. Op die avond verschenen ook de vooraanstaande dichter en tijdschriftleider Taufiq Ismail (*1935), ook een van de ondertekenaars van het Cultureel Manifest; en Joke Moeljono, die speciaal voor deze avond met zijn auto uit Bandung was gekomen, maar wel met zijn chauffeur. Dat was maar goed ook. Moeljono maakte een geobsedeerde indruk. Hij las enkele eigen verzen voor en dronk gedurende de avond stevig door uit een meegenomen fles 7 Pied Pipers. Dat was een in Bogor gebottelde Schotse whisky, die toen nog volop in de supermarkt te verkrijgen was. Sindsdien is er wat de verkrijgbaarheid van alcohol betreft het een en ander veranderd in Indonesië.

In het najaar van 1987 werd de literaire salon als het ware verplaatst naar het Erasmus Huis: hier organiseerde ik een literaire avond die volgde op het congres ‘Nederlandse Studiën in Indonesië’. Uit Nederland namen deel: Remco Campert, Rudy Kousbroek, Leo Vroman, zijn vrouw Georgine (‘Tineke’) Sanders en Hugo Brandt Corstius. Zij werden aangevuld met Jacob Vredenbregt, zes Indonesische schrijvers – onder wie Rendra en Toeti Heraty – en de vooraanstaande Maleisische dichter Muhammad Haji Salleh (*1942), die ik had leren kennen aan de University of Michigan in Ann Arbor.

Op de avond werd een tweetalig boekje gepresenteerd met alle bijdragen. Ik had mijn bediende de uitgetikte bijdragen meegegeven om die bij een van de vele copy shops te laten vermenigvuldigen en tot een boekje te laten maken. Hugo Brandt Corstius las op die avond een van zijn Piet Grijs-achtige columns voor, maar hij kwam tevens met een pas geschreven gedicht dat niet in het boekje stond, met de telkens terugkerende regel: ‘Het is koud in Indonesië’. Later begreep ik dat die regel was ingegeven door het recente overlijden van zijn vrouw.

In 1988 waren er weer twee literaire salons bij mij thuis, onder meer bijgewoond door Bibsy Soenharjo (1928-2017), de jongste dochter van de staatsman Haji Agus Salim (1884-1954) en voormalig medewerkster van een Australisch radiostation. Zij schreef light verse: puntige gedichten in het Engels, Nederlands en Indonesisch. Een voorbeeld uit 1967:

My heart is like a cobble-stone
Heavy and out of place;
Its only function is to keep
My restless soul in place—

The way a paperweight holds down
A fluttering, empty piece
Of paper, that would fly and leave
At just a little sigh of breeze.

Op 5 juni 1989 stelde de Nederlandse diplomaat Margriet Bot, die werkte bij de afdeling Pers en Culturele Zaken, haar huis beschikbaar. Dat was een ruim, modern huis met een zwembad in de wijk Kemang, waar veel expats woonden. Hierna is er in februari 1990 nog een literaire salon bij mij thuis gehouden, maar dat was meteen de laatste. Ik werkte toen hard aan mijn proefschrift over de Indische jaren van E. du Perron, waarop ik in april van dat jaar promoveerde; in augustus liep mijn contract af en keerde ik terug naar Nederland. In februari 1992 kreeg ik een aanstelling als lector Nederlands aan de University of Auckland in Nieuw-Zeeland.  

De literaire salon werd nog een aantal jaren in een andere vorm voortgezet, met literaire avonden van het na mijn vertrek opgerichte Walraven Genootschap die plaatsvonden in het Erasmus Huis. Jacob Vredenbregt, gestaag bouwend aan zijn oeuvre van romans en verhalen, speelde een belangrijke rol als aanjager van die avonden.  

Een trouwe gast van mijn literaire salon was de weduwe van de eerste premier van Indonesië: Siti Wahjunah Sjahrir (1920-1999), roepnaam Poppy. Zij was een intellectuele vrouw die indruk maakte door haar rustige en elegante uitstraling. Op de avond in Kemang zei ze op een gegeven moment, op het terras aan de rand van het zwembad, dat zij nog diverse ongepubliceerde geschriften had van Sjahrir, maar dat de tijd er nog niet rijp voor was. Ik had er toen nog geen idee van dat ik ooit Sjahrirs brieven aan zijn eerste, Nederlandse vrouw zou uitgeven.

Sinds de Reformasi, die werd ingezet na het gedwongen aftreden van Soeharto, is de tijd meer dan rijp. In augustus verscheen bij Van Oorschot het door mij verzorgde Wissel op de toekomst. Brieven van de Indonesische nationalist aan zijn Hollandse geliefde. Die brieven worden gevolgd door mijn biografische schets van Sjahrir. Habent sua fata libelli.

Kees Snoek

Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

 

Thuiswerken

‘Kun je garanderen dat er geen extremisten bij zijn?’

De vraag verscheen als titel van een e-mail op hun computerschermen. Ze zaten tegenover elkaar aan de eettafel. Martha keek uit op de muur met foto’s van hun gezin, Bas op het wandtapijt dat ze tien jaar geleden in Kenia hadden gekocht. Tussen hun schermen stonden een pot thee en een gedeukte koektrommel.

‘Kunnen we dat?’ vroeg Bas.

‘Daar moeten we achter komen,’ zei Martha zakelijk. Dat was een van de vreemdste elementen van thuiswerken vanwege de coronamaatregelen: de werktoon die ze voor het ministerie reserveerden klonk nu opeens aan de eettafel.

Ze typten zoektermen in databases en openden een gezamenlijke map voor rapporten en artikelen.

‘Ik ga even krentenbollen smeren,’ zei Bas, ‘voor als de kinderen zo thuiskomen.’

‘Hmm,’ zei Martha. Ze was verdiept in een rapport over rekrutering van extremisten in asielzoekerscentra.

Bas smeerde acht krentenbollen, legde ze op de grote broodplank die ze van hun vrienden hadden gekregen toen ze tien jaar waren getrouwd en nam weer plaats tegenover Martha.

‘Zou jij nog wat journalistieke stukken willen zoeken?’ vroeg ze.

Bas ging aan de slag. Hij bladerde door Nederlandse kranten, door internationale kranten, zocht overzichten van televisiereportages en tijdschriftartikelen.

‘Wat komt erbij jou uit?’ vroeg hij aan Martha.

‘Hetzelfde als bij jou denk ik, je kunt niets garanderen.’

‘Kun je de kans verkleinen?’

‘Je kunt de kans wel verkleinen,’ zei Martha beslist, ‘maar niet als je haast hebt en het overal chaos is. Als je duizend mensen hiernaartoe laat komen, kan er zomaar een tussen zitten die oorlogsmisdaden op zijn geweten heeft of die in Europa een aanslag wil plegen.’

‘En als je er tien toelaat?’ vroeg Bas.

‘`Dan kun je die kans tot bijna nul reduceren?’

‘Vijftig?’

‘Ook, bijna nul.’

‘Tweehonderdvijftig?’

‘Dat is zo’n beetje de grens.’

‘Dan moet ons advies zijn dat we het tot tweehonderdvijftig mensen kunnen garanderen?’

‘Ja.’

Hun kinderen kwamen binnen. Ze renden af op de krentenbollen en maakten ruzie over de televisie en de tablets.

‘Je moet even ingrijpen,’ zei Bas tegen Martha.

Ze stond op: ‘Lily, Willemijn, klaarmaken voor hockey. Stef, jij gaat zo met je vader naar turnen. We kijken nu geen televisie.’

De kinderen renden naar hun kamers. Hun schaduwen vielen over het toetsenbord van Bas.

‘Ik schrijf nog even snel dat bericht voor de minister,’ riep hij tegen Martha.

Nu scheen de zon opeens op zijn scherm en schreef hij: ‘Bij 22250 Afghaanse vluchtelingen is de kans dat er extremisten bij zitten verwaarloosbaar.’

Hij verstuurde het bericht, klapte zijn scherm dicht en liep naar de gang om zijn schoenen te zoeken.

‘Bas!!’ riep Martha vanuit hun slaapkamer.

‘Ja?’

‘Er staat tweeëntwintigduizendtweehonderdvijftig?’

‘Wat?’

‘Je hebt twee tweeën te veel getypt.’

‘Oh, verdomme! Ik pas het aan.’

‘Wat?!’

‘Ik typ een nieuwe mail als ik daar ben, ik heb nu geen tijd meer!’

‘Hoeft niet,’ riep Martha, ‘heb ik al gedaan!’

En daarna riepen ze tegelijk. ‘Stef! Nu! Opschieten! We komen te laat!’

Stef kwam naar beneden, maakte een radslag in de gang en hief bij de voordeur zijn handen in de lucht.

‘Niet schieten,’ zei hij lachend. ‘Ik kom al mee.’


Foto: Mohammad Rahmani (Unsplash)

Menno van der Veen

Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.

Insel Hombroich

Rijk

Aan het lijstje van rijke weldoeners die kunst beschikbaar maken voor het volk voeg ik er zes toe: in Parijs zag ik de Collection Pinault, een prachtig op de kunst die het toont toegesneden oude graanbeurs die een formidabele collectie herbergt die zo schitterend samenvalt met zijn omgeving dat je er niet weg te slaan bent. Je ademt vrijer in een goed gebouw. In Duitsland net over de grens vind je er twee naast elkaar: het Insel Hombroich, een schitterend verwilderd park met wonderlijke bomen als de Anna Paulowna boom en de moerascypres waar in een tiental paviljoens prachtige werken bijeen zijn gebracht van heel wisselende afkomst, van Rembrandt tot Oceanische kunst. Je ademt nog beter in een goed park. Een kwartiertje onder vermoeid namiddaglicht over nazomers stoppelvelden sjokken daarvandaan de Langen Foundation, waar in en door Tadao Ando gebouwd museum een overzichtstentoonstelling over Daniel Spoerri te zien was.

Want het schone is niets
dan het juist nog door ons te verdragen begin der verschrikking,
en wij bewonderen het zo omdat het, onaangedaan, versmaadt
ons te vernietigen.

Het zal het ‘schuldig landschap’ waarover we liepen zijn geweest die deze associatie losbikte. De vierde is die waarop dit Rilke citaat uit de eerste Elegie van Duino (vert. W.J.M. Bronzwaer) ook zo op van toepassing lijkt te zijn, het is een boek: Brieven aan Camondo van Edmund de Waal, die in een helaas wat precieus en met teveel ontzag geformuleerde hoeveelheid brieven aan de naamgever van het museum in Parijs dat Camono ter ere van zijn vader en zoon oprichtte de lezer meeneemt naar de kunst en de rijkdom maar vooral ook de verschrikkingen in het leven van deze joodse familie.

Verzamelen. En dan tonen. Walter Benjamin wordt geciteerd in dit boek: ‘Het plezier van de verzamelaar, het plezier van de eenling: alleen zijn met de dingen. Is dat niet het geluksgevoel waarmee onze herinneringen zijn overgoten? Dat we daarbinnen alleen zijn met bepaalde dingen, die ons in hun stilte omringen, en dat dan zelfs de mensen die zeer aanwezig zijn in onze gedachten, deelnemen aan die onwrikbare, gezamenlijke stilte van de dingen. De verzamelaar brengt zijn lot tot stilstand. En dat betekent dat hij in de wereld van de herinnering verdwijnt. […]

En dat houdt sterk verband met de volgende verzameling die op zijn beurt een heel rijk boek vormt: Levensvormen van Lex ter Braak, zojuist verschenen, een verzameling verhalen en kunstwerken in een bezield verband bijeengebracht die je in de gelegenheid stellen – als elk van deze verzamelingen – alleen te zijn met de dingen en deel te nemen aan de gezamenlijke onwrikbare stilte ervan.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Heuvels

Gisterenochtend lag er een band bewolking zo laag in het oosten dat het een beboste heuvel leek. Misschien, dacht ik, konden we straks op onze stadsfiets die bossen in, boleetjes zoeken en dan op een omgevallen boomstam worst eten, waarvan ik met mijn zakmes plakken sneed. Ik riep B en de kinderen erbij, maar die leken alleen een lage wolk te zien.

Toen ik Ada en Nadim op school had afgezet, wist ik dat ik op deze dag niet meer zou werken. Niksen is nieuw voor me en ik moet er nog aan wennen, maar ik wil vaker dingen doen omdat die zich in me aandienen, minder vaak omdat ik of iemand anders vindt dat ze moeten gebeuren.

Met Gibraltar van Renske Jonkman zat ik een tijdje op het dak. De zon was donkergeel en warm en leek te kleven aan mijn huid. Renskes hoofdpersoon was zwanger; toen ik naar beneden ging om koffie te zetten, opende ik mijn laptop en zocht de oudste foto in mijn iCloud op. Het is er een die ik zelf maakte: Nadim (toen 5) zit naast B op bed in ons oude huis. B en ik zijn net thuisgekomen na de geboorte van zijn zus.

Ik herinnerde me dat mijn schoonouders hem afzetten, maar zelf nog even beneden bleven. Zijn lichte, trage stappen op de trap naar onze kamer. Hoe soepel hij het bed op klom.

Alles aan hem was voorzichtig, alsof wat daar in zijn moeders armen lag zomaar weer kon verdwijnen. Hij keek zoals je kijkt als iets na eindeloos wachten erg goed lijkt te gaan komen, als je iets prachtigs is voorspeld.

Met de laptop zette ik me aan tafel en scrollde door vijf jaar aan foto’s heen, weer eens beseffend dat een leven is wat je het met terugwerkende kracht noemt. Geluksgevoel blijft zelden langer hangen dan het moment waarop zo’n foto wordt gemaakt. Gelukkig zijn is het beschouwen van een periode en die bestempelen als gelukkig. Het is een besluit, het is welke beelden je besluit te houden.

Ik scrolde verder, wiste hier en daar een foto. Op bijna alle beelden stonden vrienden; zelf kwam ik er nauwelijks op voor. Ik keek naar de maanden voor corona, glimlachte om alle etentjes bij ons thuis. Een afgeladen tafel, vet glaswerk, vrienden huilend van het lachen. Sinds maart vorig jaar: veel foto’s van de lege stad, van kades en parkjes, de voorjaarszon die op verlaten straten valt.

De anderhalve meter gaat nu bijna overboord. Na eindeloos wachten lijkt het weer goed te komen, en het wordt een schitterende herfst in de nieuwe heuvels ten oosten van de stad.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).

Ongehoord

Afgelopen weekend was ik bij een protest aanwezig. Alhoewel ik er bij nader inzien niet trots op ben, was dat niet het woonprotest, maar ‘dat andere’: Unmute Us. Voordat ik de schrijfwereld betrad was ik muzikant. De laatste tijd maak ik niet veel muziek meer. Niet alleen omdat ik andere bezigheden heb, maar ook omdat het uitvoeren ervan erg moeilijk is gemaakt. Dus ik besloot om mee te lopen, uit protest: waarom arena’s wel vol zwetende voetballers en hun fans, maar niet vol spelende muzikanten en die van hen?

Er waren veel mensen. Maar ik kwam niemand tegen die ik verwacht had: mede-muzikanten, producers, creatievelingen die al een tijd niet hebben kunnen creëren. Wel: ongevaccineerden, corona-ontkenners, en twintigers die al een tijd niet hebben kunnen raven. Ik liep mee, probeerde de gele paraplu’s en vlaggen met doorgekraste injectiespuiten te vermijden. Op zondag was ik niet in voor nog een mars, maar misschien had ik toch moeten gaan. 

Schrijver, muzikant, maar eigenlijk op de eerste plaats Amsterdammer. Met weinig hoop op een woonruimte na mijn afstuderen in december. Een vriendin van mij (ook 27) heeft zich nog net voor een jongerenwoning kunnen inschrijven: na een wachttijd van bijna 10 jaar op Woningnet zat ze nog een half jaar onder de leeftijdsgrens voor zo’n appartement. Een andere kennis is opnieuw bij haar moeder gaan wonen: die woont in een grachtenpand, en hoewel dat een luxe is stipt het tegelijkertijd aan waar onze generatie sowieso géén kans op krijgt. Drie jaar terug woonde ik in een antikraakpand in Noord, waar mij en mijn toenmalige huisgenoot werd beloofd dat we er minimaal een jaar mochten zitten. Na drie maanden moesten we eruit: het werd gerenoveerd. Het huis ziet er, in ieder geval aan de buitenkant, nog hetzelfde uit.

In de tussentijd schieten er wel ontelbare, onbetaalbare high rises als paddestoelen uit de grond.

Ik heb Amsterdam nog nooit zo erg als een thuis beschouwd als nu. Nu ik er zo lang ‘vast’ heb gezeten en alle onbekende hoekjes en gaatjes onverstoord heb kunnen bezoeken. Nu er weer toeristen zijn die ik vanuit een fietsende machtspositie wel of niet over kan laten steken. Nu de kans groeit dat ik hier straks niet meer terecht kan. Ik wil graag geloven dat iedereen zich ergens op aarde genoeg thuis voelt om dit besef van privilege te herkennen. Maar hoe kan ik zoiets geloven na al dit nieuws, niet alleen over de woningnood van ons, de locals, maar ook die van de talloze vluchtelingen die hier heil zoeken? 

Ik gun iedereen het gevoel van ergernis wanneer er weer een verwarde toerist voor je wielen struikelt. Het gevoel van trots wanneer je vrienden en familie de weg naar de wc wijst in je eigen huis. Huis-, tuin- en keukenprivilege. Un-move us.

Fannah Palmer

Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

Afgemeten praterig

Afgelopen week lag het Verzameld werk van Carl Friedman naast mijn laptop. Het was mijn ‘pauzeboek’. Steeds als ik even afgeleid was, vastliep in een alinea of geen zin meer had om te werken, las ik er een stukje in. Nadat haar debuut Tralievader (1991) vorig jaar veel indruk op me maakte nam ik van de lente de prachtige roman Twee koffers vol (1993) ter hand, en nu begon ik maar aan de columnbundel met de nieuwsgierig makende titel Dostojevski’s paraplu (2001). Korte stukjes lenen zich natuurlijk goed voor het lezen tussen de bedrijven door, maar ik was ook benieuwd hoe deze verschillende genres zich binnen Friedmans oeuvre tot elkaar verhielden. Ook haar romans bestaan immers uit reeksen korte hoofdstukjes die de lengte van een column zelden overschrijden, dus wellicht was het cursiefje wel haar natuurvorm.

Het definitieve antwoord op die vraag heb ik nog niet, maar wel is me inmiddels duidelijk dat Carl Friedman een columnist van formaat was. De bonte stoet aan onderwerpen die in deze bundel voorbijkomt – eenden, onrechtvaardig vluchtelingenbeleid, Isaac Bashevis Singer, papegaaien, Vladimir Nabokov, historische voorbehoedsmiddelen, Wim Kok, de Rivierenbuurt, vrouwelijkheid, Rudyard Kipling en politieseries, om er maar een paar te noemen – wordt bijeengehouden door Friedmans kenmerkende informele, lenige stijl, die ik als ‘afgemeten praterig’ zou willen typeren. Op het papier is ze aanwezig maar bescheiden; ze presenteert haar vondsten nooit als vondsten, vestigt nooit bevallig de aandacht op haar briljante zinnen, hoewel die er wel degelijk zijn. Neem de opening van haar column over de Russische Bibliotheek, die van een prachtige eenvoud is: ‘Ik heb in mijn leven maar weinig verstandige dingen gedaan, en zelfs die deed ik zonder mijn verstand te gebruiken.’

In hetzelfde tekstje laat ze zich ook gelden als polemist; een kant van haar persoonlijkheid die in de romans niet naar voren kwam, maar in de columns alle ruimte krijgt. Hier moet Dostojevski het ontgelden:

‘Zijn romans zijn me te melodramatisch, te luidruchtig, te vroom. Het is Christus na en Christus vóór, met veel Christus tussendoor. Hoeveel godvrucht in één boek kan een lezer verdragen? Dostojevski was er op uit zijn publiek te verheffen. Daarmee is hij bij mij aan het verkeerde adres. Als ik me wil verheffen, sta ik gewoon uit mijn stoel op.’

Scherpheid gaat in deze tekstjes vaak samen met droge humor. Verreweg de grappigste column vond ik ‘Gerrit’, een Carmiggelt-waardig verslag van een poezenreddingsactie die ik iedereen zou aanraden als voorproefje.

Ook in Dostojevski’s paraplu komt Friedmansbuitengewone interesse voor het jodendom regelmatig aan het licht. Ze schrijft met veel gevoel en woede over de Shoa, over de kampervaringen van haar vader en over de familie van de joodse man. Haar belangstelling sloeg volgens velen om in onrechtmatige identificatie, al zal je haar in deze bundel nooit op toe-eigening betrappen.

Die merkwaardige evenwichtsact tussen sympathie en vereenzelviging lijkt me een centrale paradox in dit oeuvre en schrijversleven. Daar is al iets meer over gezegd door Wouter van Oorschot, wiens fraaie in memoriam wij publiceerden in Tirade, en door schrijver en oud-redacteur Mirjam van Hengel, die in De Groene Amsterdammer overtuigend pleitte voor de herwaardering van deze schrijver, maar ik hoop niet dat het daarbij blijft. Over het verscheurde karakter en het innemende schrijverschap van Carl Friedman is volgens mij nog veel meer te zeggen; er moet uitstekend materiaal klaarliggen voor een biografisch essay of een studie. Nu is het alleen nog wachten op de juiste kandidaat.

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Elders koffie drinken

Omdat het de daagjes wel geweest zijn, gaf mijn geliefde B me vrij. Ik ben nergens in dienst en beschik daarom over mijn eigen tijd, maar echt vrij geef ik mezelf nooit.

Met Nadim op de stang van mijn fiets – hij wordt daar echt te groot voor – trapte ik naar De Pijp, waar ik hem afleverde bij toneelles. Nu had ik bijna twee uur te doden.

Bij de ijverige meneer in het souterrain aan de Albert Cuijp kocht ik zoutvlees en cassave, bij de slager verderop haalde ik wat rund. Ik zette mijn tas neer, keek om me heen en krabde op mijn kop. Het merendeel van mijn vertrouwde plekken is inmiddels weg en op de terrassen van cafés waarmee ik niet ben opgegroeid zaten vooral Insta-twintigers. De nieuwe bewoners van de wijk kwamen wat verwend op me over.

De Pijp lijkt steeds minder Amsterdams, dacht ik, maar misschien hoorde ikzelf inmiddels bij een oude versie van de stad.

Tussen de conceptzaakjes aan de Eerste Van der Helst trof ik een wat stoffig Italiaans deli-barretje. Amaretti op goudkarton, gedroogde pasta, bleke gare rigatoni in tomatensaus. De recensent in me wilde rechtsomkeert maken, maar het samengeraapte interieur stond de echte Gilles aan. Ik stapte door naar binnen en nam plaats op een laag krukje voor het raam. Even later bracht een jonge vrouw met een opvallend grote bril een cappuccino zonder latte art.

Ik had net een paar bladzijden gelezen – Jaguarman, Raoul de Jong – toen een beweging op straat mijn aandacht trok. Een man van mijn leeftijd zette een duidelijk nieuwe racefiets tegen een struik voor het barretje en kwam naar binnen.

‘Vind je het erg als ik hier ga zitten?’

‘Zeker niet,’ zei ik, en schoof mijn boek van me af. De man nam plaats op het krukje naast me, en zat daardoor dichterbij dan een vreemde in lange tijd gezeten had.

‘Heb je jezelf een fijne fiets kado gedaan?’ vroeg ik.

‘Dat is een gewetensvraag,’ zei hij. ‘Ik fietste vroeger heel hard, maar dat gaat eigenlijk niet meer. Die fiets kocht ik om mezelf te helpen daar oké mee te zijn. Om desondanks van het fietsen te genieten.’

Ik keek naar zijn kalme, vriendelijke gezicht. Zijn ogen glommen en hij leek op de rand van tranen. ‘Mag ik vragen wat er met je is?’

Alleen zijn mond glimlachte. ‘Nierfalen,’ zei hij na even. ‘Bij het spinnen in de sportschool zie je de energie die je opwekt als je fietst, en dat wattage liep steeds verder terug. Zo kwam ik erachter.’

Ik wilde vragen of dit kort geleden was, maar wist het antwoord al.

‘Arme jongen,’ zei ik, en merkte dat het niet raar voelde zoiets te zeggen tegen een onbekende van mijn leeftijd.

De man kreeg ook een cappuccino en wilde daar net een slok van nemen toen er een vrouw naar binnen stapte. Ze had een rond gezicht en zachte bruine ogen. ‘Ik ben er hoor!’

‘Heb je je fiets niet bij je?’ vroeg de man. ‘Ik dacht dat we zouden gaan fietsen.’

‘Ik wil hem nu wel halen?’ zei ze, en keek naar mij. ‘Dan kun je nog even kletsen met je nieuwe vriend.’

Maar ze ging zitten, bestelde ook een koffie. Onder de opgeruimdheid waarmee ze hem bejegende klonk haar zorg om zijn gezondheid door. Ze hield van hem als van een broer, wist ik. Als van een hele oude vriend, zo iemand die je niet kunt missen.

Ik pakte mijn boek weer op en trok me erin terug totdat het tijd was om Nadim te halen. Toen ik de twee een fijne dag gewenst had stond ik op om over de markt terug te lopen naar mijn fiets.

Ik kwam Adriaan tegen, die al zijn hele leven op de Cuijp werkt, en we kletsten even. Hij was dikker geworden, had een bootje gekocht en zou daar zaterdag mee varen.

‘Dag gabber,’ zei hij toen het praatje klaar was.

Ik keek hem na, dacht aan mijn eerste jaren in de oude Pijp. Aan hoeveel indruk deze wijk toen op me maakte. De nieuwe bewoners zagen er vooral uit alsof niets nog indruk op ze maakte, maar misschien speelden ze dat beter dan ik het destijds spelen kon.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).

Weten in zwart-wit

(Klik hier voor deel 1 van deze blogserie)

Recent zag ik A German Life uit 2016 van Christian Krönes. Het is een sober gefilmde documentaire waarin Brunhilde Pomsel (1911-2017) vertelt over haar leven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij ziet zichzelf als een doodgewone Duitse vrouw die toevallig werkte voor een van de hoogste nazi’s (Joseph Goebbels, minister van Propaganda). Na de oorlog zat ze een gevangenisstraf van vijf jaar uit; vervolgens keerde ze terug naar het ‘normale Duitse leven’. Pas vlak voor haar dood gaf Pomsel voor het eerst een interview. Ze was 103 jaar oud.

Van zeer dichtbij, in zwart-wit gefilmd, kijkt Pomsel langs de camera. Ze zucht, frunnikt aan haar ketting, sluit haar ogen. Ze spreekt bedachtzaam, traag. De kijker krijgt alle ruimte om zelf een mening te vormen. Hoe schuldig is ze? Waarom toont ze geen berouw?

Brunhilde Pomsel zegt nooit geïnteresseerd te zijn geweest in politiek. ‘Dat was voor een vrouw niet nodig,’ zegt ze. Ze vindt zichzelf slechts een onbeduidende figuur in de geschiedenis. Maar is dat niet juist het probleem? Eigenlijk schetst zij zichzelf daarmee precies als ‘de banaliteit van het kwaad’ zoals Hannah Arendt dit omschreef.

In Wat maakt een verzetsheld (2021) schrijft Rutger Bregman: ‘Een gezonde samenleving met degelijke wetten en een goed werkende democratie van macht en tegenmacht heeft genoeg aan gewone mensen die gewoon hun best doen, gewoon doen wat van hen wordt verwacht. Maar wat als de samenleving niet gezond is? Wat als “doen wat van je wordt verwacht” precies het probleem is?’

Met gesloten ogen zegt Brunhilde Pomsel: ‘Es ist wie mit alle Dingen, auch das schöne hat Flecken, auch das schreckliche hat Sonnenstellen.’ Dan is het weer stil. Aarzelend zoekt ze naar woorden: ‘Es ist immer… Es ist nicht schwarz-weiss… Es gibt immer ein bischen Grau, in das Gute und in das Slechte.’ Maar wat als we toegeven dat sommige zaken wel degelijk zwart-wit zijn en we eigenlijk allang weten wat ons geweten ons vertelt?

Pomsel legt haar beide handen om haar hals, een gebaar dat het midden houdt tussen een verdediging en een zelfgefabriceerde strop. Dan kijkt ze plotseling recht de camera in: ‘Het is moeilijk (…) aan het einde van de dag denk je toch alleen aan jezelf.’ Is dat echt zo? Is dat wat de mens typeert?

Een van de zeldzame keren dat Pomsel zich opwindt is wanneer ze spreekt over Sophie en Hans Scholl, die pamfletten tegen het nationaalsocialisme verspreidden van verzetsbeweging Die Weiße Rose. Als secretaresse kreeg Pomsel het dossier onverzegeld op haar bureau. Ze veert omhoog, steekt een keurig gemanicuurde vinger in de lucht en zegt met luide stem: ‘Als ze hun mond hadden gehouden, hadden ze nu nog geleefd.’ En doelend op de pamfletten: ‘Alleen maar voor zo’n schijtpapier.’

Sophie Scholl werd geëxecuteerd en naar verluidt waren haar laatste woorden: ‘Hoe kunnen we verwachten dat gerechtigheid de overhand krijgt als er bijna niemand bereid is om zich individueel aan een rechtvaardige zaak over te geven? Zo’n fijne, zonnige dag, en ik moet gaan, maar wat doet mijn dood er toe, als door ons duizenden mensen worden gewekt en tot actie worden aangezet.’

Brunhilde Pomsel werd in elk geval nooit tot actie aangezet. En wij, zo veel jaren later? Hoe zullen wij ooit op ons eigen (niet) handelen terug kijken?

(Met dank aan Liliane Brakema)
Foto: NDSM-werf Amsterdam Noord

Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

De duivenkoning

De duiven op de Dam vroegen Moeder Natuur om een koning.

‘Als enigen in het dierrenrijk ontberen wij leiding,’ koerden ze tot vervelens toe. ‘Stuur ons een koning die bij ons past, waar we tegenop kunnen kijken.’

Dus Moeder Natuur, moe geworden van de aanhoudende ontevredenheid, vervulde hun wens. Ze schonk de duiven in haar oneindige genade een vorst.

Aan de achterzijde van het Paleis op de Dam zit hij. Een man met een muisgrijze baard in een lange jas die majesteitelijk rood kleurt. Met lenige, opgetrokken benen en de vingers in elkaar verstrengeld. Een ouwetje, met een tas waarvan de inhoud niet zichtbaar of bekend is, omringd door zijn koninklijke hofhouding van duiven. Het is een absurd gezicht. 

De duiven bezien hun leider met de nodige scepsis.

‘Z’n kop lijkt me leeg, zit er überhaupt iets van wijsheid in?’ vraagt de een zich hardop af.

‘Ik bedoel, die plastic Burger King-kroon geeft onze koning wel iets lulligs,’ fluistert de ander onopvallend.

‘Wat hebben we aan een meester die ons geen raad kan geven, geen inzicht kan verschaffen?’

‘Ik hoop dat er lekkernijen in die tas zitten. Stel je voor: broodkruimels in overvloed,’ jubelt een dikke duif. ‘Nooit meer bedelen op het plein.’  

‘Mensen zijn rovers,’ sneert een vrouwtje. ‘Inhalig als ratten. Let op mijn woorden, kameraad: nog geen kruimel krijgen we!’

‘Er verandert niets aan de kringloop van het leven. Eens bedelaars, altijd bedelaars,’ weet haar echtgenoot te vertellen.

De koning zegt intussen niets. Hij staart glazig voor zich uit en van enige beweging is geen sprake. Het gemor onder het gevogelte neemt toe.  

‘Net een standbeeld, verdomme.’

‘Als het zo doorgaat, kunnen we ’t wel laten.’

‘Verstaat-ie ons wel?’

‘Misschien verroert-ie zich als we op hem schijten.’

De duivenkoning blijft even roerloos als altijd, zittend op de stenen trappen en nagewezen door de voorbijgangers.

‘Volgens mij staan we ontzettend voor lul,’ jammert de duif met de kortste snavel.

‘We zijn de klos,’ concludeert de oudste duif. ‘Geef deze maar aan de meeuwen, die verdienen hem. De meeuw is een foute vogel.’

‘Die jatten altijd het lekkerste vuilnis!’

‘Schorem is het! Geteisem! Weg ermee!’

‘Juist! Naar de meeuwen met dit geraamte!’

‘Wij eisen brood!’  

‘Verwacht hij dat we hier de hele dag rond blijven hangen?’

‘Mooi niet, ik heb wel wat beters te doen.’

‘Ja zeg, het begint langzamerhand ridicuul te worden.’

‘Van het toeristenvolk krijg je meer reactie.’

‘Een stel Japanners heeft een halve hamburger naast de prullenbak gegooid.’ 

‘Ik vlieg ervandoor!’

‘Wacht! Wacht! Kameraden, wacht nou! Volgens mij gaat onze koning iets zeggen.’

En inderdaad, de droge kreukellippen barsten open en er verschijnt een vonkje in de pupillen. Spreek tot ons, nobele heer, spreek tot ons!

Met schorre stem zingt hij: ‘Mááárk… en Róóób… een clóóówn… en een harlekijn.’

Een onbekende en terecht vergeten smartlap op monotone wijze gezongen is waar de duiven het mee moeten doen. Ze vliegen gedesillusioneerd weg, richting de Dam. Daar is het weliswaar druk, maar daar worden ze tenminste gezien en gevoed; al is het door een grillige mensenmeute die het ene moment een vleiend kiekje maakt en etensresten rondstrooit, om het volgende ogenblik dwars door de duivengroep heen te banjeren of ze op een rotschop te trakteren.

De duiven prefereren aandacht boven géén aandacht.

Als mij gevraagd wordt waarom deze bijzondere man, met z’n Burger King-kroon en doffe ogen die niet meer meedoen, op deze merkwaardige plek zit, dan geef ik dit antwoord.

Een betere verklaring heb ik niet, ik ken ook niemand die mij er een kan geven, maar ik sta open voor elke aannemelijke suggestie.

Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

De grote vlucht naar buiten

Vakantie. Een wandeling onder een uitgestrekte hemel, een vervallen huis van gestapeld steen. Raamkozijnen waarvan het hout tot streepjes is weggerot en ingedroogd. Over al die heuvels kijken en denken: wat als vandaag de eerste dag was? Waarmee zou ik dan beginnen?

Het dak, misschien. Als eerste wil je toch een dak dat regen buitenhoudt. Dan verwarming, warm water, elektriciteit, kamers voor de kinderen, internet zodat ook hier gewerkt kan worden. Een bankje voor de deur om al dat uitzicht in je op te nemen.

Ik zou hier kalmer zijn, besef je. Een versie van mezelf waarmee het fijner leven is. Als ik dan op bezoek ging bij vrienden in de grote Nederlandse stad, zouden ze me stil vinden. Ik zou er goed uitzien, ongejaagd en bruin, maar ik zou steeds vroeg naar mijn hotel gaan en een dag eerder vertrekken dan ik had beloofd. Op weg terug in mijn Subaru Forester zou verdriet me overvallen, omdat ik wist dat ik een thuis verloren had.

De afgelopen dagen lees ik I am an Island van Tamsin Calidas. Wie het opzoekt ziet dat het een “waargebeurd verhaal is over het buitengewone vermogen van de natuur om, wanneer je alles verloren hebt, in je behoeften te voorzien. Een magnifiek boek over eenzaamheid, veerkracht en zelfontdekking”.

Ik kocht het omdat ik wilde weten wat nou precies verstaan wordt onder zo’n écht zomerboek, en ben nu halverwege. Dat “magnifieke” weet ik niet zo, want ik heb op de stijl wel wat aan te merken, maar I am an Island is in ieder geval een sloopkogel van een vertelling, die de psychische en fysieke ellende van de hoofdpersoon nauwelijks gefilterd bij de lezer binnenramt. Calidas en partner hoopten – of dit boek helemaal autobiografisch is betwijfel ik – op een ruig eilandparadijs, maar vonden tegenslag en harde buitensluiting.

Wat ik goed snap is de droom, die ik ken en heerlijk vind. Wat ik nauwelijks kan bevatten is de naïviteit die zichtbaar wordt in het volgen ervan. Je moet toch snappen dat je ook op dat eiland jezelf gaat zijn, maar dan onder zwaardere omstandigheden en zonder een sociaal netwerk?

Tot dusver las ik in I am an Island vrijwel niets over het verleden van Calidas. Slechts één keer komt haar broer op het eiland logeren, die al na een paar dagen vertrekt. Dat Calidas’ ouders het zwaar hebben – moeder is dementerende – blijkt tijdens één enkel bezoek, maar er moet nog zoveel meer aan de hand zijn en zijn geweest. Het schijnbare gebrek aan solide banden in Calidas’ verleden is op zijn zachtst gezegd opvallend.

De lezer blijft zitten met het gevoel dat het ‘eilandparadijs’ de hoofdpersoon niet gelokt heeft, maar dat ze er door haar verleden heen gedreven is. Dat ze erheen vluchtte, al voelde ze dat zelf niet.

De eilandbewoners die ze opvoert hebben vrijwel allemaal een hekel aan buitenstaanders. Hoe welkom kon deze plek tijdens haar eerste verkennende bezoek dan overkomen? Hoe komt een mens zo ongevoelig voor afwijzing dat ze besluit zich hier te vestigen? Is ze misschien afwijzing gewend en ervaart ze de houding van de eilanders als normaal?

De eilandmannen zijn seksueel intimiderend. Sinds Calidas’ partner haar op een avond vol huiselijk geweld met twee gebroken handen achter heeft gelaten, komt er zo nu en dan een dronken man langs, midden in de nacht. Calidas laat hem dan binnen en herhaalt een paar keer dat het nu écht te laat is, dat ze écht te moe is voor bezoek. Dit is het gedrag van een getraumatiseerd persoon, die eraan gewend is dat haar grenzen voor anderen niet bestaan.

Een hoofdpersoon als stopverf; deuk na deuk loopt ze op, zonder ooit een tegenbeweging te maken. Ze blijft maar, draagt maar. Het is masochistisch. Ik werd daar ongeduldig van, toen geloofde ik het verhaal niet langer maar bleef toch lezen, nu ben ik vooral boos. Stomme trut, denk ik al lezend. Jezus Christus. Doe normaal.

De woede die de hoofdpersoon moet voelen, gevoeld door de lezer. Ik wilde me in deze column afvragen of dit knap gedaan is van de schrijfster, of dat hier zuivere autobiografie aan de hand is, en het vooral verschrikkelijk is voor de schrijfster. Maar eigenlijk, bedacht ik vanochtend onder het hardlopen, doet dat er niet toe. Het effect is hetzelfde.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).