Gezichtsverlies

 

Laatst kwam ik iemand tegen die ooit mijn beste vriend was.

We hadden elkaar jaren niet gezien, misschien wel een decennium niet meer. ‘Je bent niets veranderd’, zei hij en ik maakte een raar geluid omdat ik niets te zeggen wist. Ik heb het soort gezicht waarmee ik nog geregeld om mijn legitimatie word gevraagd wanneer ik probeer om een fles wijn te kopen, terwijl lezers de gedachten die ik opschrijf juist vaak weer te oud voor mijn leeftijd vinden. Nog altijd kan ik me verbazen over het gezicht dat ik ’s ochtends in de spiegel zie; lange tijd had ik er moeite mee mijzelf op foto’s te herkennen.

Omdat ik niets zei dacht mijn vriend – of wie hij tien jaar later dan nog was – dat hij me had beledigd en om dat op te lossen zei ik dat ook hij niets was veranderd. Dat was waar, maar nog terwijl ik het zei vroeg ik me af of hij hetzelfde dacht als ik, of het voorbijgaan van tien jaar iemand niet kon hebben veranderd, wat er mis was met mijn ogen, wat ik niet zag.

Wie lijdt aan het syndroom van Capgras is ervan overtuigd dat een of meerdere mensen om hem heen vervangen zijn door identieke anderen; dubbelgangers die zich voordoen als de verloren gegane echte geliefden en daarom wel kwaadwillend moeten zijn. Mogelijk treedt dat verschijnsel op doordat de patiënt het gezicht van de ander weliswaar verstandelijk herkent, maar niet meer de emotie ervaart die daarbij doorgaans onbewust optreedt, die aan de huid valt af te meten. Bij gebrek daaraan vallen uiterlijk en innerlijk uiteen; er is wel dat gezicht, maar niet meer de herinnering, niet langer de gevoelens die een relatie, vriendschap kenmerken.

Wat overblijft is het unheimliche: het zeer bekende dat plotseling volkomen onbekend, vreemd blijkt te zijn.

 

IMG_0499Wytske Versteeg werkt aan haar derde roman, die deze herfst zal verschijnen. Met Boy won ze de BNG Literatuurprijs.

Drowned by time – Perdu

De klok boven de zaaldeur van Perdu stond nog op wintertijd. Op de display van mijn telefoon was het 16.15 uur toen de presentatie van Tirade 458 begon. Zestig minuten later – na een welkomstwoord van Tirade-collega Marko, een prozalezing door Darja Menkveld, woorden van Maria Vlaar en voordrachten van dichters Jan-Willem Anker, Robert Anker, Jan Baeke, Jan Kuijper, K. Michel, Neeltje Maria Min – was het volgens de klok boven de zaaldeur nog steeds kwart over vier.  Alsof er een uur was buitgemaakt op de eeuwigheid.

Na afloop van de presentatie raakte ik in gesprek met Daphne Huisden, die ooit tegelijk met Erik Menkveld was genomineerd voor de Academia Literatuurprijs. We spraken, misschien wel in de geest van Menkveld, over auteurs die we bewonderen. En we bleken een favoriet te delen: David Foster Wallace.

In de trein naar huis dacht ik, natuurlijk, aan sterfelijkheid en aan de opdracht je daar zo waardig mogelijk toe te verhouden. David Foster Wallace, in A Supposedly Fun Thing I’ll Never Do Again (1996; p.267/68):

I am now 33 years old, and it feels like much time has passed and is passing faster and faster every day. Day to day I have to make all sorts of choices about what is good and important and fun, and then I have to live with the forfeiture of all the other options those choices foreclose. And I’m starting to see how as time gains momentum my choices will narrow and their foreclosures multiply exponentially until I arrive at some point on some branch of all life’s sumptuous branching complexity at which I am finally locked in and stuck on one path and time speeds me through stages of stasis and atrophy and decay until I go down for the third time all struggle for naught, drowned by time. It is dreadful. But since it’s my own choices that’ll lock me in, it seems unavoidable — if l want to be any kind of grownup, I have to make choices and regret foreclosures and try to live with them.’

Ook met ‘foreclosures’ die je niet zelf hebt gekozen moet je leren leven, natuurlijk. En misschien is dat nog wel moeilijker.

——–

Volgende week (echt): Lente.

Voorplat: Meulenhoff. De Nederlandse uitgave bevat alleen de vertaling (door Iannis Goerlandt) van het titelessay uit ‘A Supposedly Fun etc.’. Evengoed een mooie introductie op het oeuvre van DFW.

Ode aan het schreeuwen

Als kind hebben we allemaal geleerd dat we ons moeten gedragen. Nou, ik niet eigenlijk. Mijn moeder vond de strijd met de puber die ik was namelijk van begin af aan een verloren strijd en op mijn dertiende stuurde ze me naar een internaat. Voor(goed) een betere toekomst. En daar, op mijn internaat, heb ik geleerd om… te schreeuwen. Ik bedoel: wat ik geleerd heb is dat als niemand jouw waarheid hoort of wil horen, je deze waarheid moet schreeuwen van het dak.

Toen de Roemeense Revolutie uitbrak, zat ik in mijn internaat. We waren met z’n tweehonderden, allemaal meisjes, en we hoorden dat er ergens in het westen van het land mensen aan het schreeuwen waren: ‘We hebben honger! Weg met Ceaușescu!’ Wij deden ook mee, op onze eigen manier: spandoeken aan de bomen op onze binnenplaats, met daarop de tekst: ‘Weg met de corrupte directeur! Weg met de beheerder die meisjes aanrandt!’

Ons geschreeuw werd gehoord, we kregen meer vrijheid en meer eten. Ik schreef mijn eerste boek, gedichten, als een geschreeuw van het dak, over alles wat ik niet begreep – lichamelijke veranderingen, seksuele behoeften. Een gedurfd boek, ik was het eens met de kritiek!

Jaren later, tijdens mijn scheiding, debuteerde ik opnieuw, in het Nederlands. Ik had met het boek (of met de scheiding) een wond geopend. Ik hoorde dat mijn schoonmoeder mijn boek maar ordinair vond. Dat kan. De waarheid is vaak meer dan ordinair. En ik was weer aan het schreeuwen. Diplomatie is niet mijn ding. Maar er zijn waarheden die je niet sotto voce kunt noemen. Verkrachtingen, schendingen van de mensenrechten, genocide, terreur. In zulke gevallen heb je niets aan stille diplomatie, je moet een dak vinden waarvan je al die gruwelijke dingen kunt schreeuwen. Journalisten doen dat ook, internationale organisaties doen het ook. Ook slachtoffers moeten de kracht hebben om op het dak te klimmen. Ik doe het ook wanneer ik niet meer kan. Wanneer het mij allemaal te veel wordt. Wanneer de gehoopte dialoog een monoloog blijkt te zijn. Dan schreeuw ik van het dak. Op het bekende schilderij van Munch mis ik het wolkje met het geschreeuw, zoals in strips. Ik wil het horen! Door het stille geschreeuw raak ik in paniek. Ik zie zijn pijn, maar ik hoor hem niet.

De afgelopen week was ik weer aan het schreeuwen. Zoals lang geleden. Ik ben er niet trots op, maar schamen doe ik me ook niet. En hoewel ik niet weet wat ik duidelijk heb gemaakt bij degene die mijn gehoor vormde, heb ik iets duidelijk gemaakt voor mezelf. Wat precies? Iets wat zelfs een kind weet, maar wat volwassenen afleren: als iets pijn doet, schreeuw je: Au!

Mira Feticu (1973) debuteerde in 2012 in het Nederlands met Lief kind van mij, in 2013 gevolgd door De ziekte van Kortjakje Beide boeken gaan over een onder Ceausescu opgegroeide Roemeense immigrante die niet kan aarden in Nederland maar opbloeit als ze afstand neemt van haar echtgenoot. Mira is in maart de zondagse gastblogger, haar laatste bijdrage aan Tirade vind je in nummer 457.

Tirade 458: Meester en leerling

‘Meester en leerling’ is het thema van Tirade 458, dat is opgedragen aan dichter en schrijver Erik Menkveld (1959-2014). Zowel in zijn roman Het grote zwijgen als in zijn gedichten speelt de verhouding tussen meester en leerling een belangrijke rol. Dit Tirade-nummer biedt een verzameling gedichten, verhalen en essays die op uiteenlopende wijze aansluiten bij het thema. Met speciaal geschreven bijdragen van onder anderen Willem Jan Otten, Marjoleine de Vos, K. Schippers, Anneke Brassinga, Neeltje Maria Min, en het eerste gedeelte van Erik Menkvelds onvoltooide roman Aline. Met tekeningen van Katja Stam. Maria Vlaar en Emilia Menkveld treden op als gastredacteuren.

Bestellen: klik hier.

Het nummer wordt gepresenteerd in Perdu, aanstaande zondag om 16.00 uur.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Birdman: Carver met andere middelen

Het is natuurlijk niet netjes toch naar een film te gaan als collega-blogger Martijn Knol je dat afgeraden heeft. Het gaat om zijn korte ‘in een noot’ bespreking van Oscarwinnaar Birdman: ‘Het is pseudo-kunst, een schijnheilige, ongevaarlijke, commerciële aanval op de commercie.’

Ik geloof niet dat deze film daarover ging. Maar de bespreker geeft altijd zichzelf prijs, Knol is misschien in gevecht met de commercie. Mijn Birdman gaat over de vraag wat je met je leven aan moet. De voormalig actieheld hoort de stem van zijn succespersonage in zijn hoofd, een van woede vervulde stem die hem zegt dat zijn huidige omgeving, theatertje, armoede, gedonder, hem niet waardig is. Hij moet kunnen vliegen en vechten tegen monsters, maar Riggan ruziet met zijn ex en zijn dochter, en de sterauteur die hij ingehuurd heeft. Ik zag in de film vier dingen die ik heel goed vond en die je niet zo vaak in commerciële film ziet:

De hoofdpersoon zijn gedachten over zijn eigen situatie zijn het hoofdthema van de film, daarmee is de film introspectief, de hoofdpersoon stelt de kijker in staat om hem te lachen zonder hem geheel af te kammen, je ziet Riggan Thomson in zijn kwaliteiten en met zijn beperkingen. Daarmee is Riggan een redelijk echt mens. Mislukt, maar vol hoop, bezig zijn leven vorm te geven terwijl hij het idee heeft dat het mooiste achter hem ligt. Het is een beetje: ‘in het midden van mijn leven aangekomen bevond ik mij in een donker bos.’

De regisseur González Iñárritu heeft het zichzelf waanzinnig moeilijk gemaakt door de film op te bouwen uit heel weinig heel lange shots.  (vergelijk bijvoorbeeld Russian Ark) Dat betekent, zonder dat je dat van de daken schreeuwt, dat je eigenlijk gedeeltelijk toneel aan het maken bent. Intense voorbereiding is daarvoor nodig, heel veel meer werk dan monteren van heel veel camerastandpunten. Het resultaat is een grotere intimiteit tussen de hoofdpersonen en de kijker, je bent aanwezig, daar, omdat er maar 1 camera is. Het resultaat is ook dat de film al in zijn maakproces gaat over: acteren. Gaat over de technische kanten van filmmaken. En daarmee is de film een biografisch product van de filmmaker.

De film gaat over dromen. En de regisseur heeft de kans gegrepen dit te verhelderen door heel transparant te zijn in zijn gebruik van trucage: Riggan waant zich steeds een superheld, hij vliegt, kan dingen laten bewegen, maar de regisseur kiest er toch voor heel duidelijk te maken dat dit Riggans gedachten zijn. Daarmee wordt duidelijk dat zijn verleden een last is. Daarmee zitten we ook in dit aspect een goed deel van de film in het hoofd van Riggan.

Birdman is de manier waarop je een Raymond Carververhaal verfilmt in ultima forma: níet. González Iñárritu heeft een elementaire gedachte uit de beste verhalenbundel in de Amerikaanse literatuur (Raymond Carver What we talk about when we talk about love) als uitgangspunt genomen: hier zitten we dan, dit is ons leven. Daarom denk ik dat de reactie van de weduwe van Carver een hele mooie is: ze meent dat Carver erg gelachen zou hebben om de film. Wetende dat het geen verfilming is maar een voortzetting van het uitgangspunt met andere middelen.

——-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en van stations.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Gratis proza #9: Het meisje dat onder water kan ademen

Het meisje dat onder water kan ademen woont op nummer drie in onze straat. Het eerste wat iedereen vraagt, is hoe ik weet dat ze het kan. Dat betekent dat ze me niet geloven, terwijl ik nooit lieg. Nooit.

Op woensdagmiddag werken ik en Rudie naast het zwembad. In de pauze roken we dan bij de boom. Rudie heeft shag en ik heb sigaretten, omdat Rudies pauzes langer zijn dan die van mij.

Volgens mij wil het meisje niet dat mensen weten dat ze onder water ademt. Ze doet het alleen als niemand kijkt, behalve ik dan, maar ik kijk heel voorzichtig, zoals je hoort te kijken naar dingen die je mooi vindt. Ik mag trouwens nergens met mijn handen naar kijken.

Dus als je voorzichtig kijkt dan kun je zien dat ze heel lang onder blijft. Rudie zegt dat het meisje wél boven komt om adem te halen, omdat iederéén moet ademen, zelfs vissen. Maar die doen het onder water, en dat is nou precies wat ik bedoel.

Vorige week ben ik van dichtbij wezen kijken, met mijn neus tegen de ruit. Het meisje klom op de kant en zwaaide naar me, maar misschien ook naar haar vader, die met zijn rug tegen het raam zat. Ik zwaaide terug en stak mijn duimen op en daarna riep ik, zo van: ‘Meisje! Hé, meisje!’

Tot de badmeester naar buiten kwam om te vragen of ik weg wilde gaan, en dat wilde ik niet, maar het moest toch.

Het meisje heeft een blauw badpak en een muts en een onderwaterbril met elastiek tegen de rode ogen van de chloor. Verder lijkt ze helemaal niet op een vis. Rudie zegt dat je kieuwen nodig hebt om onder water te ademen, en in mijn boek, dat Ans van de Bieb voor me besteld heeft, staat dat dat zo is.

Het boek gaat over de zee en nu weet ik alles over onderwaterdieren. Bijna, dan: ik ga het verlengen omdat ik nog niks over onderwatermeisjes heb gevonden.

Ik weet niet of het meisje kieuwen heeft. Misschien heeft ze wel hele kleine. In mijn boek staat dat je kieuwen achter je kaken zitten. Dat is bij alle vissen zo, of je moet een dolfijn zijn. Dan heb je een luchtgaatje, boven op je hoofd, maar dat heeft ze zeker niet. Dan zou ze stikken door haar badmuts.

Om twee uur, als de zwemles afgelopen is, gaat het meisje dat onder water kan ademen bij haar vader achterop de fiets over het laantje. Dan zingt haar vader, en je kunt ze nakijken tot aan het hek van haar achtertuin.

Ans van de Bieb zegt dat het meisje een zeemeermin moet zijn, maar die bestaan niet. En bovendien hebben ze een vissenstaart en tieten en blauwe ogen, en dat heeft het meisje allemaal niet. Morgen is het woensdag. Ik weet wat ik ga doen.

In de pauze loop ik langs de hele heg tot aan de ingang en dan laat ik daar mijn pasje zien. Door de kleedkamers ga ik naar het zwembad, en dan zó naar het meisje toe, om te vertellen dat ik weet dat ze het kan: onder water ademen. En ik ga zeggen dat ze niet bang moet zijn, omdat ik goed geheimen kan bewaren.

_________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Een bord vol rozen

Film/docu: Sergio Herman, Fucking Perfect (2015).

Regie: Willemiek Kluijfhout.

Verhaal: één van de allerbeste chefs ter wereld besluit zijn restaurant in Sluis te sluiten om… een nieuw, groter restaurant te openen in Antwerpen.

Koken is communicatie, een topchef een conceptueel kunstenaar. Sergio Herman drukt zijn indrukken, dromen en herinneringen uit in duintuinen en zeeschappen ter grootte van een bord. Fucking Perfect is een case study naar artistieke obsessie, A Portrait of the Artist as a Bezeten Topchef.

Een ijzersterke sequentie registreert hoe Herman en een assistent ’s nachts nadenken over de presentatie van één van de gangen die ze willen serveren op het afscheidsdiner van Oud Sluis. Je ziet een ontevreden Herman idee na idee afwijzen – hij wil iets met een duif doen, de symboliek van ‘honkvast’ combineren met ‘doorgaan’ en ‘vleugels uitslaan’ – tot hij een visioen krijgt: midden op ieder bord een poederige pootafdruk! Een latere scène toont hoe mooi en poëtisch het idee is uitgevoerd.

Herman is een uitmuntend vormgever en stylist. Als hij (blauwe broek, groen jasje) aan zee zilte plantjes verzamelt, dan schikt hij die keurig op soort. Of hoe hij, met pincet, bietenplakjes verandert in rozen!

Terwijl er een tatoeage op zijn bovenarm wordt gezet, staart Herman voor zich uit: ‘Weet je… als ik niet werk, dan is ‘t net of ik een beetje aan het dromen ben… En als ik dan in Oud Sluis de keuken in loop, word ik pas weer wakker.’ Een kunstenaar leeft alleen als ie aan ’t werk is.

herman zeeIn recensies en andere berichtgeving rond SHFP wordt steeds beweerd dat de film toont welke ‘offers’ je moet brengen om je te handhaven aan de top. Je kan ook zeggen: wat een autoritaire bullebak je moet kunnen zijn. Sergio schreeuwt en scheldt tegen de piepjonge jongens die bij hem achter de kachel staan en hij beukt net een tikje te hard tegen hun schouders. Ondernemen: schelden op je personeel, slijmen tegen je klanten.

Wat Martijn Knol ook opviel is dat Sergio Herman af en toe in de derde persoon over zichzelf spreekt. Voor wie nog aarzelde om de sticker ‘narcist’ op zijn (Hermans) voorhoofd te plakken.

Prachtig is de verhaallijn over Sergio’s dementerende vader. De ziekte toonde haar lege ogen toen de oude Herman – van wie Sergio het koken heeft geleerd – zijn zoon om het recept van vissoep moest vragen, een gerecht dat hij al een leven lang bereidde. SHFP laat zien dat het leven vergankelijker is dan de kunst: fotografie en receptenboeken maken gerechten herhaalbaar. De maaltijd verdwijnt, het gerecht blijft. Individuen dementeren en sterven, tradities worden voortgezet door nieuwe individuen.

Herman vertelt met warmte over zijn kinder- en jeugdjaren. Het radiootje in de keuken tijdens EK’s en WK’s, zijn vader die in schort de trap opstormde, richting TV, als het Nederlands elftal leek te gaan scoren. Sergio’s eigen gezinsleven stelt geen flikker voor. De wezenloze scènes over zijn huwelijk hadden uit mededogen met mevrouw Herman – en met de kijker – misschien zelfs beter weggesneden kunnen worden.  ‘Trouw nooit met een kok,’ zegt Ellemieke Vermolen-Herman. Dat zou in haar geval inderdaad beter zijn geweest.

‘Ik wil niet de klagende vrouw zijn’… toch is dat precies waarnaar we zitten te kijken op de momenten dat mevrouw Herman in beeld wordt gebracht. Eenzaamheid overgoten met pseudo-spirituele, populair-psychologische kitsch. Voor een voormalig model heeft ze ook best dikke bovenarmen, trouwens.

Afijn, in artistiek opzicht verzadigt de documentaire beslist: ik zag ’m bijna een week geleden en heb sindsdien nog geen dag de behoefte gevoeld een andere film te gaan zien. Na afloop van SHFP krijg je vooral zin om stillevens te gaan bekijken in een museum of om lange strandwandelingen te gaan maken.

Eindoordeel: fijne docu, drie veldjes met in de zilte zeewind rillende klaprozen (3/5).

——-

‘En nu zou Martijn godverdomme wel een espresso lusten. Wat sta je daar nou te staan, jongen? Dacht je dat iemand anders die espresso voor jou ging halen en dat jij ’m dan alleen nog maar op m’n bureau hoefde te zetten? Verantwoordelijkheid nemen, jongen! Hup! Leveren!’

‘Ik ren al!’

Volgende week: Lente, een liefdesverhaal.

————–

Portret Martijn Knol (foto Koos Hageraats) webMartijn Knol (1973) is schrijver en Tirade-redacteur. De duiker (2003), Aphinar (2007), Alles kan kapot (2011), Elders (2014). Verder: korte verhalen, essays, besprekingen, blogposts.

 

Primum vivere, deinde philosophari

Gisteren was een dagje Efteling, zoals we in het Nederlands zeggen. Het was meer dan dat, want mijn dochter vierde daar samen met haar vriendinnen haar verjaardag. En omdat ze nog te klein zijn om er alleen naartoe te reizen, maar ook te groot om daar begeleid te worden, ging ik wel mee, maar bleef de vraag wat ik er moest doen. Ik houd niet van pretparken en ik ben claustrofobisch. Maar met een boek in mijn tas wordt alles makkelijk, zelfs de Efteling. En het was ook niet zomaar een boek, maar Manifestaties van de intellectueel van Edward W. Said. Dus daar zat ik dan, in een enorme zaal, als een stationshal, Said te lezen, aan een tafeltje met nog één stoel vrij, in een enorm drukke omgeving: geschreeuw van moeders (“frikadel of kroket?”), gehuil van baby’s, onmacht van vaders (“ik zei toch pannenkoek!”). Tegenover mij de enige vrije stoel van de zaal. Mensen kwamen en gingen, anderen wachtten geduldig tot er tafels vrijkwamen, niemand kwam naast me zitten. De rij voor de wc reikte tot aan de vrije stoel bij mijn tafel. Ik dacht wat ik vaak denk als ik aan het poetsen of koken ben of andere huishoudelijke dingen doe: Primum vivere, deinde philosophari. Ik voelde dat ik deed alsof ik aan het “vivere” was, maar ik was aan het “philosophari”. Said zegt dat we te lang doen over de definitie van een intellectueel. Dat we te passief zijn. Dat alles politiek is.

Zelfs in de Efteling. In de rij om water te kopen, wil ik net afrekenen als de vriendinnen van mijn dochter zich bij mij voegen om andere dingen te kopen: achter ons maakt een mevrouw zo’n geluid met haar lippen dat ik wel moet begrijpen dat ze op één persoon voor haar had gerekend, niet op vijf. Zo te horen vormen de moeders en de vaders van alle bewegingen in de wereld niet zo’n buitengewoon kleine, uiterst selectieve groep, zoals Said denkt. De intellectueel moet zich laten horen, hoewel hij geen gemakkelijke taak heeft: hij bevindt zich altijd tussen eenzaamheid en conformisme.

Ik heb het boek van Said nog niet uit. Op het moment dat ik dit schrijf begraven mijn dochter en haar vriendinnen een tijdcapsule in de tuin. Ik weet niet precies wat er in de ijzeren doos zit, maar ik heb wel gezien dat elk meisje een brief over zichzelf en over hoe ze de wereld zien – nu en over twintig jaar – in de doos heeft gestopt. En hoewel ik niet zonder “philosophari ” kan, geef ik toe, na een drukke dag Efteling, dat “vivere” ook mooi kan zijn.

Mira Feticu (1973) debuteerde in 2012 in het Nederlands met Lief kind van mij, in 2013 gevolgd door De ziekte van Kortjakje Beide boeken gaan over een onder Ceausescu opgegroeide Roemeense immigrante die niet kan aarden in Nederland maar opbloeit als ze afstand neemt van haar echtgenoot. Mira is in maart de zondagse gastblogger, haar laatste bijdrage aan Tirade vind je in nummer 457.

Wytske Versteeg toegetreden tot de Tirade-redactie

Wytske Versteeg herfstWe zijn weer compleet.

Vandaag is, tot onze blijdschap, toegetreden tot de redactie van Tirade:  Wytske Versteeg.

Wytske neemt de plek in van Lieke Marsman die de redactie bij de verschijning van Tirade 457 heeft verlaten om zich helemaal op haar studie filosofie en op nieuwe literaire projecten te kunnen richten. Lieke, dank voor alle vrolijke, inspirerende uren die we sinds Tirade 447 met je hebben doorgebracht. We blijven je lezen, we blijven samenwerken.

Lezers van Tirade en van dit Tirade blog zijn al bekend met Wytske Versteeg de auteur, wetenschapster, blogger. Binnen de redactie van Tirade zal zij zich, net als iedereen, bezighouden met poëzie, verhalend proza en essayistiek. Iedere dinsdag publiceert zij een nieuwe blogpost op deze site.

Wytske, van harte welkom in de redactie!

Tirade – nieuwe tijden, nieuwe teksten.

Over Wytske Versteeg

Wytske Versteeg (1983) studeerde in 2005 cum laude af in de politicologie en werkt momenteel aan een promotieonderzoek op het gebied van wetenschapscommunicatie aan de Universiteit Twente. Behalve de romans De wezenlozen (2012) en Boy (2013) publiceerde Versteeg het non-fictie boek Dit is geen dakloze (2008) dat gebaseerd is op haar ervaringen als vrijwilliger in een crisisopvang. Versteeg won, onder andere, de Serge Heederik Prijs voor filosofisch schrijftalent en de Kwakoe Literatuurprijs. In 2014 zette zij bovendien de BNG Nieuwe Literatuurprijs op haar naam. Deze herfst publiceert ze een nieuwe roman.

De redactie van Tirade, per heden: Martijn Knol, Gilles van der Loo, Wytske Versteeg, Marko van der Wal.

Portret Wytske Versteeg: Eline Spek.

De Kift en Russen

Met ‘Nederlandstalige muziek’ heb ik helemaal niets, maar voor De Kift maak ik een uitzondering. Mijn eerste kennismaking met deze rock- en fanfareband in een was hun album 7, dat ik jaren geleden op de goeie gok had gekocht (in de tijd dat je nog cd’s kocht), omdat het hoesje een mysterieuze, opgevouwen lichtbruine enveloppe was. Wat voor muziek, geen idee, misschien had ik er iets over gelezen in de Oor.

7 is gevuld met nummers op teksten van de grote Russische dichters, van Anna Achmatova tot Daniil Charms en van Boris Ryzji tot Marina Tsvetajeva. ‘Een cd die staat als een huis, als een boerenhoeve, een huurkazerne, een strohut, als een galerijflat van 13 verdiepingen opgemetseld vanuit de kruipruimte van De Kift,’ al zeggen ze het zelf. En dat was ook wat ik er in eerste instantie in hoorde, want ik had niet in de gaten dat het allemaal oorspronkelijk Russische poëzie was (of dat ik daar later mee te maken zou krijgen). Indruk maakte vooral het nummer ‘De dis’, naar het titelloze gedicht van Tsvetajeva, in de vertaling van Marko Fondse. Een klokkenspel met een ijl trompetgeluid, en dan de raadselachtige tekst:

Aldoor herhaal ik ”t eerste vers
En heb het aldoor weer verbeterd:
“Ik heb vandaag gedekt voor zes…”
Was je de zevende vergeten?

Het was haar allerlaatste gedicht, uit 1941, het jaar waarin Rusland bij de Tweede Wereldoorlog betrokken raakte en Tsvetajeva zelfmoord pleegde. Al met al riep het nummer een diep underdog-gevoel bij mij op, over iemand die zich altijd wegcijfert maar daar op een moment schoon genoeg van krijgt. Ook de andere nummers van het album zijn door hun weemoedigheid blijven hangen, ook al verloor ik De Kift uit het oog.

Totdat ik eergisteren in het Maagdenhuis (hoofdstedelijk bezet gebied) stond, waar De Kift optrad. Van 7 speelde de band in ieder geval ‘De reiziger’ (naar ‘Troika’ van Pjotr Vjazemski). En blijkbaar, zonder dat ik het wist, kende ik de hele tekst nog. Bijvoorbeeld een fraaie beschrijving als, die kwam vloeiend uit mijn mond:

De maan komt plots tevoorschijn
Tot hij rond aan de hemel staat,
En strooit zijn zilveren weerschijn
De reiziger in het gelaat.

Ik ontdekte die avond nog meer, zoals een waarschijnlijk misverstaan ‘pleidooi voor bloeiende brem’, geen idee hoe of wat maar ik zat nu eenmaal in een poëtische high. Er zeilde een opzwepend nummer binnen die ook van een Rus bleek te zijn, van Ivan Boenin. Terwijl ik dacht aan matroesjkapoppetjes, Petronius, Oguz Atay en Lorca, zong de band ‘Filet de perche‘:

Men neme een olijf. Die olijf gaat in een vijgensnip,
de snip in een ortolaan, de ortolaan in een leeuwerik,
de leeuwerik in een lijster, de lijster in een kwartel, de
kwartel in een kievit, de kievit in een goudpluvier, de
goudpluvier in een patrijs, de patrijs in een houtsnip,
de houtsnip in een taling, de taling in een parelhoen, de
parelhoen in een kip, de kip in een fazant, de fazant in
een kalkoen, en dat allemaal in een trapgans.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds twee jaar blogt hij wekelijks voor tirade.nu. Hij ziet er overigens anders uit dan hij eruitziet.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Slapen en meten met twee maten

Zo’n boek ligt daar dan dus

Ze schieten als zwammen uit de aarde: noeste en peperdure nichewinkels met artikelen die basaal uit hout, koper, leer, touw, papier en ijzer bestaan, koophutten met hebbedingen voor mannen. Opgezette vogels, vlinders, scheergerei dat je alleen daar kopen kunt, messen uit Japan, sandelhouten scheerzeephouders, boeken met kleurenfoto’s uit 1900, vintage pennen, bijlen, thermoskannen van Stanley. Mannelijk. Duurzaam. En toch.

Bij mij in de buurt, in ‘de leukste winkelstraat van 2013’ zijn nu twee van dit soort winkels. De eerste keer is een blijde verrassing, wat mooi allemaal, hoewel erg duur. De tweede keer een vreemde sensatie: ik pas in een niche. Als je alles in een winkel mooi vindt en wel wilt hebben dan is droevigheid je deel: het besef volledig marketable te zijn geworden, samen te vallen met je demografische omschrijving van leeftijd, geslacht, inkomen, woonplaats. En dat iemand precies heeft ingeschat wat je dan wel leuk zult vinden. Dit is de Google-bubble maar dan real life. Het is niet erg overeenkomstige voorkeuren te hebben. Het is verdacht dat je in een winkel alles wel mee naar huis wilt nemen, ik voel dan verzet opkomen. Maar een mens wil slapen en meten met twee maten. Voorzichtigheid en passende oplossingen zijn het moto.

Que le monde sommeille
Par manque d’imprudence

Ik moest dit mijmerend, denken aan Jojo van Jacques Brel en dan vooral de schitterende  en bij nader inzien steeds droeviger wordende  uitvoering van Jeroen Willems:

Brel zingt een lied over zijn chauffeur die dood is. Jeroen Wilems gaf denk ik de beste interpretatie van het lied en soms met een heel mooie vertaling, hoe vrij ook…

Jojo,
Ce soir comme chaque soir
Nous refaisons nos guerres
Tu reprends Saint-Nazaire
Je refais l’Olympia
Au fond du cimetière Jojo,
Nous parlons en silence
D’une jeunesse vieille
Nous savons tous les deux
Que le monde sommeille
Par manque d’imprudence

Six pieds sous terre Jojo tu espères encore
Six pieds sous terre tu n’es pas mort

Wordt bij Willems

Jojo,

Wij knokken deze nacht als elke nacht tevoren
jij rijdt het land weer door, ik bespeel een volle bak
dit graf is het decor, Jojo,
wij liggen hier te praten van jeugd die plots voorbij was
wij weten al te goed een mens wil slapend leven
en meten met twee maten.

Al lig je diep Jojo, je hoop wordt gehoord
al lig je diep, je leeft nog voort

‘Nous savons tous les deux, que le monde sommeille par manque d’imprudence’ echoot vreemd lang na in een op maat gemaakte wereld waarin voorzichtigheid de meeste kansen biedt.

Hier die van Brel

——-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en van stations.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Gratis proza #8: Freddy’s

 

 

 

 

 

 

 

Ik parkeer op mijn vaste plek naast de afvalcontainers. Meteen als ik uit de auto stap slaat de stank me in het gezicht. Een vuilniszak bovenaan de stapel lekt barbecuesaus en visvet; over de flank van de container loopt een glimmendbruine streep, en op het asfalt ligt een plas waar vliegen rondhangen als safariwild bij een waterpoel. Met mijn elleboog duw ik de zak verder de container in.

‘Fuck,’ zeg ik. ‘Maurice. Hoe moeilijk kan het zijn?’

Ik haal het hangslot van de deur en stap naar binnen, wacht tot de tl-balken aanspringen voor ik het alarm uitschakel. De code komt niet vanzelf in me op, en ik heb bijna de volle dertig tellen nodig om hem goed in te voeren.

Op een paar vette vegen na is de keuken redelijk schoon. De binnenkant van de oven plakt nog – wat niet echt een verrassing is – en het oude brood is niet weggegooid, maar veel meer te zeuren heb ik niet. Ik trek de deur van de koeling open, doe het licht aan en staar naar de rijpende rib-eyes, de T-bones en varkenskoteletten. Onder al het vlees zijn schone bakken geplaatst en de lijst is netjes bijgehouden. Goed zo, jongens.

Door de klapdeuren loop ik de zaal in, waar het naar bleek ruikt en de stoelen op de tafels staan. Mager ochtendlicht glipt door de ramen naar binnen. Ik haal de stoelen van tafel 14 en pak de klapper met bestellijsten en facturen achter de bar. Dan zet ik koffie en kies een cd uit: John Coltrane en Johnny Hartman.

Aan tafel, met mijn ellebogen op het hout en een rode pen in mijn hand, staar ik een tijdje uit het raam. Koplampen komen en achterlichten gaan over de kustweg, waarboven een vloedgolf van mist is blijven hangen. Een man zou in zijn auto kunnen stappen, die mist in rijden en verdwijnen; er aan de andere kant van de wereld weer uit komen, misschien wel in een heel andere tijd. Hartman zingt:

They say that falling in love is wonderful,

so wonderful,

so they say…

Over een half uur zal de laatste mist opgetrokken zijn. De straten zullen weer lopen waar ze altijd lopen, tussen de kustweg en de bergen; alfabetisch oplopende dwarsstraten zullen die straten weer verbinden. Het raamwerk staat geen dromen toe. Klik, doet mijn pen. Klikklik.

De facturen kloppen. Ik vink en onderstreep en onderteken tot ik kramp krijg. Schrijven met links valt niet mee, hoewel de letters nu al meer beginnen te lijken op de letters die ik met rechts maakte. Na de facturen pak ik het rooster erbij. Daniels vakantie komt eraan, en als ik volgende week nog niet kan koken hebben we een probleem. Ik maak een vuist, de huid van mijn handpalm trekt alsof er tape overheen geplakt zit. Als ik mijn vingers bij de verwarming houd bijt de warmte door het verband heen in het nieuwe vlees waar ooit mijn vingerafdrukken zaten.

‘Doet het nog pijn, Chef?’

Freddy doet zijn jas uit, steekt een vinger door het lusje in de kraag en laat het over een haak van de kapstok glijden. In de tijd dat ik niet heb kunnen werken lijkt hij grijzer geworden, zijn armen hangen langs zijn zij alsof hij het nauwelijks meer kan opbrengen ze te tillen. Op de foto boven de bar, om het allemaal nog in te wrijven, stralen de Freddy en Paul als twintigers me tegemoet, met het net gestarte Freddy’s op de achtergrond.

‘Wanneer ga je die foto weghalen?’

Hij kijkt omhoog. ‘Nooit meer, denk ik. Dat had ik dan veel eerder moeten doen. Na de begrafenis, of zo.’

‘Het deprimeert je niet om hem daar te hebben hangen? Jullie samen?’

Sloffend komt hij naar me toe. Hij haalt zijn bril uit zijn borstzak, gaat zitten en rolt de mouwen van zijn overhemd op. ‘Ik weet niet of die foto iets uitmaakt. En Paul heeft hier een plek verdiend. Het was ook zijn zaak.’

‘Maar hij ging bij je weg toen hij al ziek was?’

‘Dat is zo.’

‘En hij is overleden bij die ander?’

Weer knikt hij. Een glimlach als een oorlogsmonument. ‘Jonathan.’

‘Was je niet boos?’

Een tienwieler raast voorbij, mist aan flarden scheurend. Vlak voor de bocht gaan zijn remlichten aan: helle drakenogen verdwijnen achter de wand van Petersen’s Cliff.

Er komt kleur in Freddys wangen. Hij kijkt naar buiten en veegt met een trillende vinger achter zijn brilleglazen. ‘Ik heb hem gehaat.’

‘Nu ben ik in de war.’

Hij richt zijn blik weer op mij, de ogen van een oude jachthond die even een konijn geroken heeft. ‘We waren jong, Chef. We hadden lief en we vochten en neukten. Elke nacht was onze laatste, elke dag het begin van grootse dingen. Toen Paul wegging was het alsof mijn hart uit mijn borst gerukt werd. Hoe kan ik daar niet met plezier aan terugdenken?’

Coltrane en Hartman beginnen aan Autumn Serenade. Als ik opkijk heeft Freddy zijn ogen gesloten. Hij neuriet mee en zet gelijk in met de donkere stem die door het lege restaurant galmt. Om ons heen staan de stoelen op hun tafels; verse ijsblokjes maken een val in het reservoir van de machine. Naast de keukendeur, in een stalen doos waaruit een blauw schijnsel lekt, worden vliegen en muggen met dorre zakelijkheid geëlectrocuteerd.

 

 

 

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van zijn hand verschenen bij Uitgeverij Van Oorschot in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Charon

 

Charon (1)

Waarhee-een leidt de weg die wij moe-oeten gaan? Waahaartoe zijhijn wij o-op aard? Zo komen ze meestal hier aan; zingend, hand in hand, nog dronken van hun eigen uitvaart. Dat komt door de toespraken.

Van koffie en cake raak je niet beneveld, maar van die toespraken.

Over de doden niets dan goeds, die kunnen toch niet meer naast hun schoenen gaan lopen. Nee, de sprekers hebben er geen last meer van, maar ik zit dus daarna met al die doden, postuum eindelijk bevestigd in wat ze stiekem altijd al over zichzelf hadden gedacht. Dronken, brallend komen ze hier aan, en dat wordt alleen maar erger. “Ik wil geen tranen op mijn begrafenis, het moet een feestje worden, wat zeg ik, een féést!”

Laat de bitterballen aanrukken.

Vroeger was dat natuurlijk anders. Toen werden er nog bestraffende toespraken gehouden, de dode in zijn kist streng ondervraagd. Of hij wel goed genoeg geleefd had om ook maar te durven hopen op een hiernamaals. Toen was er angstig zwijgen in het bijzijn van de dood, toen namen ze hun hoed nog voor me af.

Op de één of andere manier voelde dat beter.

Nu worden ze gewoon nooit meer volwassen, gaan ze als pubers dood. En dan moeten ze wel even in hun eentje van daar naar hier zien te komen, en dat is natuurlijk koud en donker, dat ontnuchtert wel een beetje. Maar het is toch nooit koud en nooit donker genoeg om hen volledig te ontnuchteren, en dan komen ze weer hier aan met die feestmuts op één oor.

Dan zien ze mij.

Ja.

Dan zien ze plotseling mij.

Dat hadden ze niet verwacht, zoiets.

En ik zeg niets. Ik steek alleen mijn hand uit. Ze maken nooit de fout om die te willen pakken. En als ze eenmaal in mijn boot zijn, als ik hen uiteindelijk dan toch heb laten instappen, dan blijven ze maar ratelen. Vooral de atheïsten, degenen die er altijd zo van overtuigd waren dat er niets was na de dood, alsof ze bang zijn dat ik ze er uitgooi als ze niet blijven praten. Ik heb wel vaak die neiging.  Ze eruit te gooien. Maar het zijn pubers. Ze zitten nu eenmaal in een overgangsfase.

Dus roei ik. Dus trek ik mijn boot door het water dat zwart is, dat zich niet eens de maan meer herinnert. Ik roei mijzelf tandenknarsend de stilte in, mijzelf en mijn passagiers, mijn voorbijgaande zielen

Ik hoef niet lang te wachten.

Nog voordat ik de andere oever bereikt heb zijn ze al lichter, al bijna verdwenen.

Wytske Versteeg schreef De Wezenlozen en Boy (BNG Literatuurprijs 2014). Haar 3e roman verschijnt deze herfst.

Rook

Je moet in ’t leven kijken naar wat je wél kan en wat je wél hebt, vindt Ann, niet naar wat je níet kan en wat je níet hebt… Denk je nou echt dat je gelukkiger zou zijn als je met één hand ’n shagje kon draaien?… Ja, dat denk ik, ja.

’t Gaat om de eer… Of hoe zeg je dat?… De voldoening. Net zoals vroeger, als je met schepjes en emmertjes ’n zandkasteel bouwde… Of dat je net zo lang over ’t strand heen en weer rende tot je vlieger klapperend opsteeg en superstrak in de lucht bleef hangen…

Ik kan met ’n heftruck rijden, ik weet hoe je ’n kleine hijskraan bedient en volgens die meiden van ’t uitzendbureau ben ik de snelste metselaar van Midden Nederland… ’n Fikse kauwgumbel, keihard op m’n vingers fluiten: echt geen probleem. Maar met twee handen een shagje draaien – ’t lukt me goddomme gewoon niet…

Maakt niet uit joh, zeggen m’n maten, jij kan weer andere dingen – patat halen, bier koud zetten. Maar ’t zijn van die dingen die aan je vreten, hè?… ’t Is een strijd met jezelf… Bedrijven die op de fles gaan of kindertjes in Afrika die doodgaan van de honger, dat is in principe veel erger, maar dat kloterige gekloot met die vloeipapiertjes, dáár lig ík nachten wakker van, serieus…

Zit niet zo te zeiken man, zegt Ann dan, je hebt ’r gewoon de poten niet voor…  Wat geeft dat nou? Koop dan filtersigaretten… Ja, dag. Kun je net zo goed meteen op kantoor gaan werken… Igor kan ’n shagie draaien terwijl ie met z’n ogen dicht staat te zonnen… En Achmed zit iedere vrijdagmiddag ’n uur met z’n vrouw te bellen* terwijl ie met z’n ene hand z’n telefoon tien centimeter van z’n oor houdt en met de andere vast zo’n giga blow-toeter voor ’t weekeinde draait… Die gozer kan shag rollen met z’n blote voeten, ik zweer ’t je.

Maar bij mij is ’t altijd geduvel… de ene keer laat ik ’n dot tabak in m’n koffie plonzen, de andere keer maken m’n vingers zulke leipe bewegingen dat de vloei doormidden scheurt en de slierten shag in m’n wimpers hangen… echt kutzooi…

Maar ja, wat ik zeg… Ann maalt ’r niet om… die heeft tien jaar shagjes gedraaid voor d’r vader… Ann kon al shagjes rollen voordat ze d’r eigen veters kon strikken, serieus… Maar als we straks kinderen hebben, dan doe ik ’t niet meer voor je, zegt ze… Ik wil niet dat die de hele dag in de stinkrook zitten… Maar daar gaat ’t niet om. Een echte man draait z’n eigen shag, dáár gaat ’t om…

Volgende maand een weekje naar Tunesië, Ann en ik… Net als vorig jaar… Cocktails, disco. Beetje over ’t strand sjokken… Als we dan ’n stuk de zee in zijn gelopen, dan til ik ’r met twee handen boven m’n hoofd en dan gooi ik ’r zo drie, vier golven van me vandaan… En als ze dan weer naar me toe is gezwommen, dan trek ik dat spekgladde poppenlijfje van d’r stevig tegen me aan en dan zou ik ’r ’t liefst nooit meer loslaten…

Ligstoel, parasol. Zodra Ann in ’n tijdschrift ligt te lezen of d’r iPod aanzet, haal ik m’n pakje Drum tevoorschijn. Vloeipapier, pluk tabak. Shagie draaien. Nou ja. Proberen.

——-

‘Ja, alles goed en wel… maar eigenlijk had ik gehoopt dat je vandaag verder ging met dat verhaal over Dickie.’
‘Haha, wat grappig! Het toeval wil dat ik inderdaad een vervolg heb geschreven. Maar ja… de ruimte is beperkt. Misschien een andere keer.’

Noot

*Over bellen gesproken. Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence, de nieuwe film – een handvol los samenhangende sketches – van Roy Andersson draait. ‘Fijn om te horen dat het goed met jullie gaat,’ is het refrein van de film, in de helft van de scènes worden telefoongesprekken gevoerd. Des te grappiger, dat refrein, omdat het met geen van de personages goed gaat. De film is kritisch (over oorlog, kolonialisme, kapitalisme, vervreemding), poëtisch, absurdistisch. APSOABROE is Monty Python op valium. Statisch camerawerk, dynamische film. Wel jammer – want flauw – dat de belangrijkste personages vertegenwoordigers in feestartikelen zijn. Eindoordeel: vier mosterdgele, in de hoek van een dansstudio opgestapelde stoelen (4/5). Na deze film kun  je nooit meer een bejaarde een fles wijn zien opentrekken zonder je schrap te zetten voor de hartstilstand. Kostelijk.

Soundtrack: Gabriel Rios, Broad Daylight.

Volgende week: Sergio Herman, Fucking Perfect. En meer.

Foto: M.K. ’11.

Herta Müller

Vandaag geef ik in Rotterdam een lezing over Herta Müller. In haar boeken laat zij de wereld zien waar ik vandaan kom. De dictatuur. “Moeilijke boeken,” zei iemand vorige week tegen me. “Zo’n groot publiek heeft ze ook niet.”

De toekenning van de Nobelprijs aan Müller was een verrassing voor iedereen. Ik las dat de boekhandelaren in Duitsland nog het meest verrast waren; hun etalages lagen vol Rushdie en Llosa. Nadat Herta Müller de Nobelprijs had gewonnen, werd zij omarmd door Duitsland, dat destijds echt moeilijk had gedaan over haar asielaanvraag, en herinnerde ook Roemenië zich ineens dat Herta Müller toch bestond. Collaborateurs van de geheime dienst Securitate afkomstig uit de gelederen van de Duitse minderheid in Roemenië hadden de roddel verspreid dat Müller zelf collaborateur van de beruchte organisatie was. Ze stuurden haar brieven met teksten als: “Uw boeken moeten worden verbrand. Blijf waar u bent!” en “We willen u niet in Duitsland. Het is een schande om zo over de Banaat te schrijven.” Helemaal Duits voelt Müller zich niet, Roemeens is ze evenmin. Ik ken het gevoel. “Mijn Duits is een geleende taal en Roemeens is ook een geleende taal.” Ik las dat ze nog steeds ‘Oeps!’ op z’n Roemeens zegt als ze iets laat vallen. Ze schrijft over individuen wier leven in de kern is verwoest. Geen gezellige boeken. Maar wel boeken die de waarheid vertellen. En was de waarheid ooit gezellig? De oud-officier van de Securitate die haar destijds had gevolgd en verhoord en microfoons in haar appartement had geplaatst, heeft meerdere interviews gegeven aan The Guardian en Al Jazeera en daarin verkondigde hij dat hij Müllers boeken heeft gelezen en dat hij ze maar niets vond. Het viel me op dat hij niet zei dat ze niet eens waar zijn. Haar boeken gaan namelijk over hem en anderen zoals hij.

De vraag is: Wat doen wij met de waarheid? Helpt de waarheid om wonden te genezen? En: Wat doet een schrijver met de waarheid? Wat doen wij met de waarheid van Herta Müller? Wie heeft de waarheid nodig?

Ik.

Omdat ik, net als zij, niet geloof dat het einde van een dictatuur samenvalt met het einde van de pijn die ze heeft aangericht. “Alles wat de vernietiging van de mens betreft duurt voort.” Wat we in geschiedenisboeken lezen gaat maar al te vaak niet over mensen. Het gaat om feiten: oorlogen, revoluties, traktaten. Maar literatuur gaat wel om mensen. Mensen zoals u en ik, zoals iedereen, zoals mensen in Roemenië of Afghanistan. En Herta Müller is veel meer dan een schrijver van boeken. Ze is een schrijver van de waarheid. En de waarheid moet gehoord worden, omdat het de waarheid is.

De wereld wacht nog op een Herta Müller van Syrië, van Somalië, van Afghanistan.

De waarheid heeft Herta Müller nodig.
 

Mira Feticu (1973) debuteerde in 2012 in het Nederlands met Lief kind van mij, in 2013 gevolgd door De ziekte van Kortjakje Beide boeken gaan over een onder Ceausescu opgegroeide Roemeense immigrante die niet kan aarden in Nederland maar opbloeit als ze afstand neemt van haar echtgenoot. Mira is in maart de zondagse gastblogger, haar laatste bijdrage aan Tirade vind je in nummer 457.

Angst binnens- en buitenshuis

Het boekenweekessay van dit jaar, ‘Waanzin in de wereldliteratuur’ van Pieter Steinz, bestaat uit een fraaie opsomming van literaire krankzinnigheden. Op een zwaan-kleef-aanachtige manier bespreekt hij waanzin in overbekende meesterwerken, aangevuld met grootheden van eigen bodem. Aan het eind komt de interessante vraag boven tafel of niet elke roman eigenlijk ‘over gekte gaat’.* Steinz neemt de proef op som en werkt zijn favoriete-boeken-aller-tijdenlijstje van Biblion af: ‘alleen de boeken van Jane Austen scoren laag op de waanzinmeter’. Lijstjesfetisjist als hij is sluit hij het boek af met nog meer lijstjes; hij ordent daarin thematisch enkele aandoeningen, personages en schrijvers. Hieronder geef ik een aantal die mij te binnen schoten.

(1) Raskolnikov, uit Dostojevski’s Misdaad en straf, lijdt volgens Steinz’ diagnose aan grootsheidswaan. Op de eerste pagina van het boek komt daarentegen juist een soort mensenangst naar voren. Raskolnikov passeert op de trap de woning van zijn hospita: ‘En elke keer dat hij er langs kwam maakte een haast ziekelijke bangigheid zich van de jonge man meester’. En verderop: ‘Niet dat hij laf en zonder weerstand was, geheel in tegendeel; maar sinds enige tijd was hij in een geprikkelde en gespannen stemming, die veel weg had van hypochondrie. Hij was zozeer in zichzelf gekeerd en vereenzaamd, dat hij iedere ontmoeting vreesde, niet alleen die met zijn hospita.’ Raskolnikov is aan het begin van het boek ziekelijk bang voor de wereld om hem heen, zo lijkt het, alleen zou Dostojevski niet Dostojevski zijn als dat niet in twijfel werd getrokken en uiteindelijk omslaat in megalomanie.

(2) Levensangst overvalt ook de hoofdpersoon van de roman Een bijna volmaakte vriendschap van Milena Michiko Flasar. Hij en een klasgenoot bezwijken, net als de andere figuren in het boek, onder de in Japans allesoverheersende prestatiedruk. De klasgenoot besluit op een goed moment een druk kruispunt op te lopen om zich te laten overrijden, omdat ‘hij wist dat hij niet kon inlossen wat hij zijn voorvaderen verschuldigd was’.  Taguchi zelf trekt zich terug in zijn kamer, spreekt zijn ouders niet meer en wordt een zogenaamde hikikomori. In hedendaags Japan is dat niet alleen een veelvoorkomend fenomeen – jongeren die zich opsluiten – maar ook een schande. De ouders proberen de situatie voor de buitenwacht angstvallig verborgen te houden.

(3) Het deed mij denken aan het meesterwerkje De duif van Patrick Süskind. Alleen al het begin is zo onheilspellende dat de rest van de novelle wel krankzinnig moet zijn: ‘Toen het voorval met de duif, dat zijn bestaan van de ene dag op de andere uit het lood sloeg, hem overkwam was Jonathan Noel als meer dan vijftig jaar’. Hij leeft in eenzaamheid omdat hij al op jonge leeftijd de conclusie heeft getrokken ‘dat de mensen niet te vertrouwen waren en dat je alleen in rust en vrede kon leven als je ze ver van je afhield’. Zodra hij op een dag een duif aantreft in de gang voor zijn woning, valt Jonathan Noel ten prooi aan paranoïde gedachten – maar vooral levensangst. Hij sluit zich eerst op in zijn kamer, probeert vervolgens te vluchten.

(*) Er zal niet snel een roman zijn waarin waanzin geen rol heeft. Ik zou graag lezen hoe het komt dat dit zo is, maar een essay daarover schrijven is op zichzelf al een krankzinnige onderneming.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds twee jaar blogt hij wekelijks voor tirade.nu. Hij ziet er overigens anders uit dan hij eruitziet.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Het nulnummer, die nieuwe Eco

Het eerste woord van de nieuwe roman van Umberto Eco Het nulnummer is ‘Vanochtend’ en het laatste woord is ‘zon’. Daartussenin staan minder woorden dan hij ooit in een roman schreef. Sinds De naam van de roos lees ik alles van Eco. Er zijn een paar van die schrijvers: Daniel Kehlmann, Ian McEwan, Julian Barnes, Umberto Eco, Sandro Veronesi. Ze behoren in eenzelfde categorie ook: ze schrijven nu, ze publiceren veel maar niet met de frequentie van een Brusselmans, hun boeken zijn goed maar niet altijd steengoed. Je kunt er dus een mindere tussen hebben. Misschien is een andere redelijk opvallende eigenschap dat ze steeds een heel ander boek schrijven.

Het is dus voortdurend zeer ongewis wat er komen gaat. En dus is je appreciatie van het boek bepaald niet op voorhand vaststaand. Na Il nome della rosa, De naam van de roos, in 1980, een ongelofelijk internationaal succes, middeleeuwen, monniken, misdaad, het oerboek van dit genre, verscheen Il pendolo di Foucault, De slinger van Foucault, het Eco-boek dat mij het liefst is, een toch wat overintellectuele avonturenroman in de wereld van de rozenkruisers en ander mystieke sekten.

Dan in 1988, L’isola del giorno prima, Het eiland van de vorige dag, 1994, een wat mij betreft volstrekt mislukt boek over een poging de datumgrens vast te stellen, althans dat is wat ik mij herinner. Baudolino, 2000, is een heel vreemd avatar-achtige maar op middeleeuwse bronnen geïnspireerde fantasy over een wereld die bevolkt is met hoe reizigers in de middeleeuwen vreemde wezens typeerden, mensen met een voet zo groot als een parasol, vreemde beesten etc. Aardig. La misteriosa fiamma della regina Loana, De mysterieuze vlam van koningin Loana, 2004, is onderschat, het is echt een heel leuk boek waarin het stripverleden van de hoofdpersoon in woord en beeld aanwezig is, een mooi wat recenter tijdsbeeld. Il cimitero di Praga, De begraafplaats van Praag, 2010. Aardig, maar na de lange jaren van wachten een lichte teleursteling.

Dan Het nulnummer. De vader van de historische roman stapt uit het verre verleden en plaats zijn nieuwe verhaal in Milaan, 1992. Dat is toch wel heel avontuurlijk van Umberto Eco. Ik moet nog beginnen hoor.

Umberto Eco schreef ook veel non-fictie: over hoe je en scriptie moet schrijven, over de queestestructuur in de James Bond films. Over schoonheid, lelijkheid, over interpretatie, iets wat ik heel interessant vond in 1992 maar nu niet zo goed meer weet te plaatsen. Over de poëtica van Joyce, over hoe je moet reizen met een zalm. Eco combineert een enorme belezenheid met een heel alledaagse boerenslimheid. Die creativiteit blijft aantrekkelijk in een goede, maar ook in een slechte Eco. Een Eco eigenlijk is altijd verrassend.

Toen een journalist hem na het succes vroeg hoe zijn fortuin zijn leven veranderd had antwoordde Eco: ‘Ik neem wat vaker de taxi.’

——-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en van stations.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Gratis proza #7: Frank

 

 

 

 

 

 

 

In het bakstenen gebouwtje van Martins Minimarket stal Frank kauwgom voor zichzelf en een Snickers voor mij, terwijl ik met knikkende knieën op de uitkijk stond naast het krantenrek. Bij het afrekenen van zijn andere boodschappen glimlachte hij naar Martin, die al een leven achter de kassa stond en toch ook niet gek kon zijn, maar de oude man gooide mijn haar in de war en bood ons lolly’s aan.

‘Nee dank u,’ zei Frank. ‘Mijn moeder wil niet dat ik snoep.’

‘Heel verstandig.’ Ook mijn lolly werd ingetrokken. ‘Doe je haar de groeten?’

Franks blik verhardde, maar zijn glimlach bleef. ‘Zeker, meneer.’

‘Zeg toch Martin tegen me.’ Terwijl hij omhoogreikte om de pot lolly’s terug in de kast te zetten, was het elastiek van zijn witte onderbroek te zien. Ik keek weg, voorbij het einde van de toonbank, waar achter een halfopen harmonicadeur de doorgezakte stretcher stond waarop Martin zijn uiltjes knapte.

Met een knikje schoof hij de ingepakte boodschappen naar Frank toe, die zijn armen om de tas sloeg en ermee naar buiten liep. Midden voor de ingang – de tas tussen zijn benen geklemd – verdeelde hij de buit.

‘Goed werk,’ zei Frank. ‘Nu weet ik dat ik je kan vertrouwen.’

Hij liet de tas staan, pakte mijn fiets en begon ermee te lopen. Zonder na te denken tilde ik de boodschappen van de grond en volgde hem. Een tot op dat moment ongebruikt deel van mijn hersenen leek in Martins winkel te zijn ontwaakt, een oeroud en vergeten noodsysteem dat ervoor zorgde dat ik Frank Johnsten altijd in mijn zicht zou willen houden.

Al na een paar dagen kon zijn afwezigheid me het gevoel geven stuurloos te zijn, een kleine astronaut die van zijn capsule wegdrijft in een dode hoek van het heelal.

 

 

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van zijn hand verschenen bij Uitgeverij Van Oorschot in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Wenspad

Ieder verhaal is een pad door de tijd.

De verteller neemt ons bij de hand met er was eens en hoopt dat we onderweg niet verdwalen of afslaan voordat we het eindpunt hebben bereikt, ze leefden nog lang en gelukkig. Na dat eindpunt komt er nog veel meer tijd, maar die is niet meer van belang of niet voor dit verhaal, hier stopt het pad. Plot is een ander woord voor verhaal, maar het is ook een afgebakend stukje grond. We volgen het plot als een pad door de tijd en terwijl we dat doen blijven we binnen de omheining die de verteller voor ons heeft uitgezet, we grazen in de wei van het verhaal.

Het Engelse woord desire path is een poëtische naam voor dat wat we allemaal kennen, het kale stukje grond op de hoek van het grasveld, daar waar iedereen de bocht net iets te krap neemt. Het wenspad is het pad naast het asfalt, de weg die er niet was maar die iedereen neemt. Er zijn landen waar de ontwerpers van parken wachten tot de eerste sneeuw gevallen is, om in die sneeuw de sporen van voetstappen te volgen en hun ontwerp daarop te kunnen aanpassen. Het pad wordt pas zichtbaar wanneer het door sneeuw is verborgen.

Ons woord verhalen, vertellen is ontstaan uit verhalen, verslag doen zoals dat in de rechtbank gebeurt, zoals we iets op de verzekering verhalen. Wie verhaalt, haalt genoegdoening. Wie verhaalt, haalt terug in woorden. Sommige verhalen leggen we vast in boeken, maar veel meer verhalen vertellen we zomaar tussendoor, verhalen over wat we hebben meegemaakt, wat we hebben ervaren. Ervaren komt van irfaran, doorheen reizen. Wie door een streek reist leert die kennen, wordt gewaar, maakt iets mee.

Ieder pad is een verhaal door de tijd.

 

IMG_0499 Wytske Versteeg schreef De Wezenlozen en Boy (BNG Literatuurprijs 2014). Haar 3e roman verschijnt deze herfst.

Zoet

Dickie mocht dan in Almere wonen, ze ging mooi wel naar Het Boekenbal. En Madelon en Sabrina niet. Ze hadden met elkaar gestudeerd in Groningen, droomden er in die tijd alle drie al van iets in de literatuur te gaan doen. Madelon (Utrecht) verkocht tegenwoordig televisiedocumentaires aan het buitenland, Sabrina (Middelburg) vertaalde bedrijfsjournalistieke producties (FR-NL, ENG-NL). En Dickie was Hoofd Publiciteit bij Uitgeverij De Boekenreus die weliswaar voornamelijk literaire thrillers, romantische romans en andere commercial fiction* uitbracht, maar toch, net als de meeste uitgeverijen, was gevestigd aan één van de Amsterdamse grachten.

Na hun afstuderen was het contact tussen Madelon, Sabrina en Dickie wat verwaterd. Sabrina kreeg als eerste een kind (‘een soort van ongelukje’), Dickie trouwde en kocht een huis. Sinds de begrafenis van Joris – de vriend van Madelon, die was omgekomen toen hij met een paar andere milieuactivisten het dak van het hoofdkantoor van een olieconcern betrad om een beschilderd laken over het reusachtige bedrijfslogo te spannen, maar zichzelf tijdens het abseilen langs de voorgevel aan een vlaggenstok spietste* – waren ze weer heel close.

Hoewel Dickie en Sabrina Joris altijd een geitenwollen zeikerd hadden gevonden, trokken ze zich Madelons verdriet erg aan. De drie gingen weer regelmatig met elkaar naar de kroeg en naar de bioscoop. Nu en dan probeerden Dickie en Sabrina een mannelijke kennis aan Madelon op te dringen, zonder resultaat. Ze kwamen wekelijks bij elkaar over de vloer. Hoewel Dickie tegen de twee anderen nooit iets losliet over haar vreet- en vomeerbuien, waren Madelon en Sabrina wel de eersten aan wie ze vertelde dat Ralf en zij uit elkaar gingen. De drie vrouwen deelden vrijwel alles met elkaar, net als vroeger, toen ze nog bij elkaar in huis woonden.

In januari begon Dickie al te klagen dat ze haar hardroze galajurk weer moest laten vermaken, dit keer omdat ze zo abnormaal veel was afgevallen. ‘Nou ja, het hoeft alleen als ik weer kaartjes krijg, natuurlijk. Dat wordt ieder jaar moeilijker.’ Het lukte. Al was het maar omdat de uitgeefster van De Boekenreus zelf nooit naar het bal ging (‘net een schoolfeest’) en Dickie zo ongeveer in haar eentje mocht bepalen wie er kaarten kregen en wie niet.

Glimlachend liep ze over de rode loper, glimlachend gaf ze haar jas af* en glimlachend liep ze met collega’s door de gangen van de schouwburg. Ze herkende Ilja Leonard Pfeijffer, Susan Smit, Franca Treur, Maxim Februari, Gustaaf Peek, Sacha de Boer, Maartje Wortel, Sander Kollaard. Toen Dickie op het balkon haar jaarlijkse sigaretten stond te roken, had ze twee keer oogcontact met een Franse of Italiaanse jongen met een staart* die stond te praten met Lieke Marsman en Gerbrand Bakker.

Trappen op, trappen af. Een dansje, een drankje. Het was heet, het was druk – maar Dickie was erbij. Ze verdrong de aanvechting om ergens in een rustige hoek even een berichtje te sturen aan de oppas om te checken of de meisjes zoet lagen te slapen. Vanavond was ze helemaal hier! Ze danste drie kwartier met een kale bureauredacteur en twee minuten met een sportjournalist die soms op televisie was. Een columniste bood haar coke aan, de vertegenwoordiger van digitale geschiedenisboeken (kunstgebit, bril) legde zijn hand op haar kont.

Dansen, lachen, kletsen: ijl suikerspinsel om het stokje van Dickies eenzaamheid. Ze hoopte dat Madelon en Sabrina voor de televisie zaten – achter Facebook en Twitter – en dat ze van haar glimlach minstens een glimp opvingen.

——-

Soundtrack (geïnspireerd door de Drie vroege verhalen van J.D. Salinger*): Bessie Smith, I need a little sugar in my bowl.

Noten

*Trouwens, als je eens de tijd nam die boeken écht te lezen, dan merkte je hoe goed die geschreven waren. Die hele discussie over wat literair was en wat niet, was zóóó gedateerd.

* Zijn ingewanden spatten als koeienflatsen op het natuurstenen trottoir in de diepte.

*Het is jammer dat Dickie nooit naar kleine zaal-producties ging, anders had ze in de jongen die in de foyer zo soepel en vriendelijk haar jas aannam de acteur herkend die vorig jaar schitterde in ‘Breuk’, een voorstelling waarin hoogtepunten uit de modernistische canon tot één slimme vertelling waren gemonteerd.

* De Staart? Nee, hoor, ik was ’t gewoon zelf! Ik heb me drie weken geleden weliswaar vrijwillig – nou ja: onder druk van familie en vrienden – laten opnemen in de Jan Arends Kliniek te Hilversum, maar ik had verlof gekregen, zodat ik met mijn favoriete collega meekon naar Het Boekenbal. Toen mijn behandelend arts gisteren hoorde hoe goed – probleemloos – alles was gegaan in Amsterdam en opperde dat ik per april wel weer permanent naar huis zou kunnen, beet ik haar in ’t gezicht, spuugde d’r halve neus en een lap wang op d’r bureau en schreeuwde dat ik godverdomme zelf wel uitmaak wanneer ik weer goed bij m’n hoofd ben. Waanzin is a writer’s goldmine, die laat ik me echt niet zomaar afnemen.

* Salinger. Drie vroege verhalen. Geestige, vederlichte lectuur waar ik verder niks (on)zinnigs over te melden heb. Prima materiaal om op schrijfopleidingen of met schrijfvrienden te bespreken, vooral omdat de teksten – gewoon charmante scènes eigenlijk – verre van volmaakt zijn. Let bijvoorbeeld op ’t literaire gezwoeg waarmee de verhalen openen. In elk van de successieve teksten sta je tijdens de eerste alinea te kijken naar een auteur die met donkere plekken onder de oksels van z’n witte overhemd de motor van z’n T-Ford staat aan te zwengelen, terwijl veel van Salingers latere verhalen juist automobielen zijn die, zodra je het portier opent (de titel hebt gelezen) om plaats te nemen op de bijrijdersstoel, de maximaal toegestane snelheid al ruimschoots blijken te hebben overschreden. In elk van de drie vroege verhalen wordt gerookt, trouwens.

‘Ja? Was dit ’t? Moet je niet nog een paar… beletseltekens toevoegen?’

‘Nee, hoor, die gebruik ik alleen als ’t echt nodig is.’

‘Oké, nou… tot slot dan: heb je nog een boekenweekthemagerelateerde leestip voor ons?’

‘Zeker. Mag het een boek van een vrouw zijn?’

‘Liever niet. Maar als ’t echt niet anders kan…’

‘Patricia Duncker: Hallucinating Foucault (1996).’

———–

???????????????????????????????Martijn Knol (1973) is schrijver. En niet alleen van dit stukje. De schaarse biografische informatie over hem (wielrenner? cardiovasculair risicomanager?, hoogleraar te Rome?) is volslagen apocrief. Vermoedelijk is hij ‘t verzinsel van één van z’n personages.

 

Rothko in de tuin

Ik ben waarschijnlijk de enige die Rothko in het Gemeentemuseum niet gezien heeft.

Een vriend mailde me afgelopen zaterdag dat hij de volgende dag eerst naar Rothko zou gaan, omdat het de laatste dag met Rothko was, en dat hij daarna bij mij zou langskomen. Klonk goed! Ik had hem kunnen terugmailen en zeggen dat ik mee zou gaan, immers: hoe durfde ik Rothko aan me voorbij te laten gaan? Maar voor zondagochtend had ik al plannen. Het was de tweede zondag op rij in de tuin, waar ik eigen paars, rood, groen aan het maken was.

Maar waarom ik niet ging? Omdat ik angstig ben voor dingen die iedereen groot vindt, omdat de norm mij altijd op afstand houdt (en andersom). Omdat wat door iedereen geliefd is, in mijn door mijn eigen geschiedenis gesensibiliseerde neusgaten, riekt naar… dictatuur.

Wanneer iedereen gaat, ga ik niet. Als iedereen zegt: “Dat moet je lezen!” denk ik: Dáág! Vanuit de tram had ik ongeveer een jaar lang, twee keer per dag, ter hoogte van de Haagse Bierkade, de grote poster van Rothko gezien. Bruin met paars. Mensen barsten voor zijn schilderijen in tranen uit, hoorde ik. “Ik heb dat tot nu toe niet gehad, maar die kleuren blijven je volgen,” nam een collega mij in vertrouwen. Grote schilderijen. En op het laatst ineens kleine schilderijen, omdat hij van de dokter geen grote meer mocht maken. Iets met zijn hart. Depressie. Hij wilde de kleur uit zijn schilderijen elimineren. Geen kleur meer, maanlandschappen. En later zelfmoord. Ik had ergens een interview met hem gelezen.

Mijn vriend was heel enthousiast. Minder enthousiast over de bezoekers overigens, die niet zozeer aan het kijken, maar vooral aan het fotograferen waren. Fotograferen wat ze niet hadden bekeken. Alle schilderijen op de foto. Mijn vriend had er zelf ook een paar gemaakt. Hij liet mij zijn favoriete zien. Toch was het anders, de foto was het schilderij niet, zei hij. Hij keek op zijn horloge. 17:00 uur. “Als ik nu wegga, kan ik Rothko nog een keer zien. En de zaal die ik nog niet gezien heb.” Hij had een stempel op zijn hand zoals kinderen bij het speelparadijs van Ikea krijgen. Op de Kamasutrabeurs had ik ook veel mannen gezien met zo’n stempel op hun hand, waaruit ik concludeerde dat ze daar de hele dag bleven: buiten roken en gauw weer terug naar het halfduister van de zaal.

De vriend van mij ging terug naar Rothko. Het laatste uur Rothko. Ik ging terug naar de tuin. Hoeveel van de viooltjes die ik geplant heb moet je bij elkaar brengen om dat paars van Rothko te krijgen? Want het bruin had ik al, ik stond daar in de tuin, midden in het bruin, te verlangen naar paars.

 

Mira Feticu (1973) debuteerde in 2012 in het Nederlands met Lief kind van mij, in 2013 gevolgd door De ziekte van Kortjakje Beide boeken gaan over een onder Ceausescu opgegroeide Roemeense immigrante die niet kan aarden in Nederland maar opbloeit als ze afstand neemt van haar echtgenoot. Mira is in maart de zondagse gastblogger, haar laatste bijdrage aan Tirade vind je in nummer 457.

Twee dingen

Gisteren kwam mij deze prent van Melle onder ogen, gepubliceerd in De Baanbreker (30 juli 1945), en ik dacht: die zou vandaag zo weer ik de krant kunnen. Kijk naar Rusland, kijk naar het Kalifaat. Om van het aanverwante antisemitisme maar te zwijgen…

Iets heel anders. Ik had tot vandaag nooit van ‘Reve’s vermoeden’ gehoord. Door Karel van het Reve als volgt gemunt: ‘de stelling dat de zogenaamde “uitzonderingen” in een taal geen toevallige Schönheitsfehler en ongelukjes zijn maar om een lelijk woord te gebruiken tot het wezen van de taal behoren. Anders geformuleerd: mijn theorie beweert dat er geen talen zijn zonder uitzonderingen. Of nog anders geformuleerd: een taal kan niet functioneren zonder uitzonderingen.’

Ik loop de hele tijd mensen te verbeteren die zinsneden uitscheiden zoals ‘Wie wilt er wijn?’ of ‘Iedereen wilt een kat’. Dat valt niet altijd in goede aarde. Taalfascist.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Drie boeken die elkaar raken…

‘Dat is het mooiste boek van de kraam.’

Omdat ik de man nog niet eerder op een charmanterie had kunnen betrappen moest het in zijn ogen wel waar zijn. Ik stond met Pig Earth in handen van John Berger.

Het was me veel eerder aangeraden door een man die ik gisteren toevallig hoorde spreken over het Franse platteland. Kleine agrarische samenlevingen verdwijnen. Heel soms kan het tij gekeerd worden door een oude Franse wet, bijvoorbeeld éen die regelt dat een aankoop van land gepareerd kan worden door de lokale gemeenschap, wanneer zij met net zoveel geld, en een beter plan komt. Bosbouw bijvoorbeeld boven plezierjacht. Ik tuimelde rechtstreeks in het boek waar deze korte lijn begon. Hij eindigt straks bij Geert Mak.

Het begon met Pierre Bergounioux. In De komst van de tijd beschrijft deze weinig bekende Franse meester een boerderij in Frankrijk, een boerengezin met 4 kinderen. Ik heb met stijgende bewondering gezien hoe Bergounioux dit aanpakte. Bergounioux is waarschijnlijk getrouwd met een kleindochter, hij houdt dit in het boek redelijk vaag. Hij bouwt  heel zorgvuldig aan de hand van familiegeschiedenissen het verhaal op.

miette2Een echtpaar, 4 kinderen, we leren heel veel over het boerenbedrijf aldaar, bosbouw met name, maar ook de mislukte poging van een zus te ontsnappen naar een ander leven. Het is een zwaar bestaan, wat vreugdeloos lijkt het soms, maar de stijl, de manier waarop Bergounioux dit doet is ongeëvenaard goed. Ik had nog nooit zoiets gelezen. Het lijkt me heel zinnig als je zou willen leren te schrijven dit boek te lezen.

Hoeveel mensen moeten wel niet betreuren dat hun opa geen adellijke verzetsheld was, want dan heb je wat om over te schrijven. Bergounioux toont hoe waardevol goed kijken en goed formuleren is. Hij maakt wereldliteratuur van een levensverhaal dat vermoedelijk voor heel erg veel voorouders opgaat: het langzaam ingehaald worden door een andere tijd.

De held van dit verhaal is Baptiste, een man die in zich zelf vloekend in de streektaal: ‘Bougre, bougresse‘ strijd voert met heel zijn wezen, met opschietende twijgen, rotsen, bomen. Een werker. De taal van dit boek is toegesneden op deze figuur, het is gedrongen, sterk, precies, zonder opsmuk, zonder heroïek, maar dampend van aarde en overdekt met twijgjes, geurend naar grond. De vertaling van Marianne Kaas kan niet niet anders dan geweldig zijn, deze Nederlandse tekst is althans van een een onuitwisselbare schoonheid. Lees het.

De man die over het Franse platteland vertelde, zei me ook  dat als je Bergounioux waardeert, dat je dan zeker John Berger moet lezen. Daar liep ik dus vorige week zaterdag tegenaan op de Lindengrachtmarkt. De marktkoopman lichtte zijn voorkeur nog toe met de aanbeveling dat Geert Mak heel erg van dit boek hield, sterker nog dat zijn Hoe God verdween uit Jorwerd geïnspireerd is door Berger’s Pig Earth.

Ik moet nog een paar dagen wachten, maar dan mag ik. De eerste zin vast: ‘Over the cows brow the son places a black leather mask and ties it to the horns. The leather has become black through usage. The cow can see nothing. For the first time a sudden night has been fitted to her eyes. It will be removed in less than a minute when the cow is dead. During one year the leather mask provides, for the walk of ten paces between fasting-stable and slaughterhouse, twenty hours of night.’

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Gratis proza #6: A Pear Shaped Cherry

 

 

 

 

 

 

 

 

When we moved out here it was just me, Marie, and the ice-floes. The rest a whiteness so dense, you wouldn’t know which way was up or down if you fell on your ass. I remember running – screaming – out into the nothingness of it, windmilling my arms as though I was already falling.

And then it snowed and there really was no direction to things, except that the snow probably wouldn’t go up. It was like static on the radio: wherever you turned the dial, there would be this white noise hovering before your eyes and you’d just be lost. And then the snow would let up and you’d find you were only a couple of yards from your own front door.

And there Marie would be, standing in the doorway like a pear shaped cherry on a whipped-cream cake, waving at you like you were an idiot. Next thing, you’d be inside, holding your palms up to the stove and shaking all over with the delicious pain of feeling returning to your fingers. And you’d be damn sure which way was up, because that’s where the ends of Marie’s smile were pointing.

She’d make hot cocoa, which I’ve always hated. I drank the gunk down because it seemed fitting, including the skin on top. And I considered that loving her came easy up here; that love comes easy when no one’s watching. How I envied the blind then, forever stuck in this kids’ game of becoming invisible by closing your eyes. I decided that the whiteness was a kind of innocence found, if only because there were no trees or lamp posts to hang a camera from.

 

Foto: Johannes Verwoerd

 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Stilte

Drie planken vol dagboeken erfde de Amerikaanse schrijfster Terry Tempest Williams van haar moeder, vierenvijftig in totaal. Ze kreeg de dagboeken een week voordat haar moeder zou sterven, met de nadrukkelijke eis dat ze de boeken pas daarna mocht inkijken. Toen Tempest Williams dat uiteindelijk deed bleken de dagboeken leeg te zijn.

Allemaal.

Stuk voor stuk, alle vierenvijftig, van omslag tot omslag onbeschreven. Een raadsel, want waarom zou je stilte zo nadrukkelijk aan iemand nalaten?

Een van de dodelijkste woorden uit de recente geschiedenis is het Japanse mokusatsu. Ik beheers geen Japans en moet dus afgaan op de woordenboekeOLYMPUS DIGITAL CAMERAn, maar mokusatsu betekent zoiets als negeren door de stilte te bewaren. Het woord kan verwijzen naar een toestand van wijze inactiviteit, maar ook aanduiden dat iets of iemand met stille verachting behandeld wordt. Eind juli 1945 kwamen de geallieerde regeringsleiders met de Verklaring van Potsdam, waarin de voorwaarden waren vastgelegd voor een Japanse overgave. In de verklaring werd vermeld dat elk negatief antwoord zou leiden tot prompte en totale vernietiging van Japan. Toen journalisten in Tokyo de toenmalige premier Kantaro Suzuki vroegen naar zijn reactie op deze verklaring, reageerde Suzuki met het woord mokusatsu.

Hoogstwaarschijnlijk was Suzuki’s antwoord niets meer dan die overbekende reactie van politici overal ter wereld; ‘geen commentaar’. In de internationale pers werd het woord anders, naar de letter eveneens correct vertaald: de verklaring zou Suzuki’s commentaar niet waardig zijn. Waarop de geallieerden zich, volgens Secretary of War Henry L. Stimson, genoodzaakt voelden om te laten zien dat hun dreigement wel degelijk serieus moest worden genomen. Begin augustus vielen de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, en doodden tenminste 129.000 mensen.

Ik lees over deze vertaalfout in een unclassified document op de website van de NSA. De tekst waarschuwt voor de veronderstelling dat woorden een op een kunnen worden overgezet van de ene taal naar de andere. (Het Engelse translate komt van transferre, overdragen; alsof je de woorden in je armen over de kloof heen kunt tillen). Blijkbaar bestaat er een Spaanse term, niet genoemd in het artikel, die zowel kan verwijzen naar het plaatsen van een bom, als naar het installeren van een pomp, dus het is te hopen dat de NSA het artikel ter harte neemt. De auteur – cryptisch aangeduid als (b) (3)-P.L. 86-36 – drukt ons ook op het hart om de wollige, betekenisloze woorden te vermijden, al die vage termen waarin haast iedereen zich af en toe graag hult, vooral wanneer we niets te zeggen hebben.

De stilte als geschenk. Diane Dixon Tempest moet een wijze vrouw geweest zijn.

‘Get that smile off your face – it’s freaking me out.’

Fira & Siart

Siart liep in zijn wielrentenue de tuin in. In de zon was het net warm genoeg om buiten te zitten. Fira, haar winterjas als een dekentje over haar bovenbenen, zat te lezen. Ze zag lijkbleek.
‘Wat is er aan de hand?’
‘Niks. Hoezo?’
‘Je bent helemaal wit.’
‘Ik zit weer in dat kauwenboek* te lezen… Wist je dat kauwen monogaam zijn? Sommige kauwenpaartjes blijven hun hele leven samen… kauwen die hun geliefde verliezen, sterven soms van verdriet.’
‘…’
‘Opeens bedacht ik hoe zielig het voor jou zou zijn als mij iets zou overkomen. Ga je fietsen?’
‘Yep.’ Siart grijnsde om de abrupte overgang.
‘…’
‘Als iemand voorzichtig en verstandig is, dan ben jij ‘t wel. Volgens mij hoef ik me nergens zorgen om te maken. Goed kauwen voordat je je eten doorslikt, dan kan je niks overkomen.’

Siart kuste Fira op haar hoofd en verdween in de schuur. Fira hoorde het gerammel van de kettingen waarmee de racefiets na het toeren altijd aan het plafond werd getakeld.

Ze staarde over haar boek naar de donkerblauwe theemuts die helemaal strak stond van de porseleinen pot die eronder schuilging. Sinds vanmorgen wist Fira dat ze zwanger was. Straks ging ze het vertellen aan haar zus. En vanavond, als het bezoek weg was, aan Siart.

Daar was hij weer. Racefiets aan de hand, zwarte valhelm op. In zijn gele wielertruitje leek zijn buik twee keer groter dan wanneer hij een pak droeg.

‘Doe je voorzichtig?’
‘Altijd.’
‘…’
‘Kauw van jou.’

Het voelde belachelijk, maar ondanks zichzelf kwam Fira overeind en liep van het zonneterras over het gazon naar het tuinpad om Siart een kus te geven. Ze keek toe hoe hij zich in zijn wielrenschoenen wurmde en op z’n fiets klom. Het zadel stond te hoog. Maar volgens Siart hoorde dat zo. Fira hield het tuinhek voor hem open.

‘Tot straks. Groetjes aan de mannen.’
‘Doei!,’ riep hij over zijn schouder. Het tuinhek viel achter hem dicht. Twee, drie, vier slagen en fietsen werd vliegen.

Fira las een paar pagina’s en schonk nog een kopje thee in. Ze keek naar de lichtblauwe hemel. Haar blik volgde duiven, mezen, vinkjes, een ekster. In de verte klonken sirenes. Politieauto’s, ambulances. Even later ging de telefoon.

———–

Noot

Ik vermoed dat Fira ‘De kauw’ zat te lezen. De conclusie van Birdman* – je stijgt pas werkelijk tot grote hoogten als je erkent dat mensen geen vleugels hebben – is het vertrekpunt voor het populair wetenschappelijke boek van Achilles Cools. In stilistisch en compositorisch opzicht is het boek een curiosum – het is redundant, soms zweverig (woordspeling!), wijdlopig en vaak gewoon… onhandig – maar die vorm past bij de inhoud. Cools weigert zijn kauwen in een wetenschappelijk/biologisch model te dwingen. Hij wil zélf waarnemen – en zijn bevindingen op zijn eigen manier delen. Cools identificeert zich met de dieren waarover hij schrijft en deelt zijn verwondering over hun emoties en slimheid in een vloed van anekdotes en waarnemingen. Zo vertelt hij hoe een kauw genaamd Kemel leert vissen als hij (Kemel) bij de vijver stukjes brood zit te eten: ‘Op een keer kreeg hij bij de oever hongerige visjes rondom een broodkorst in de gaten. Hij wipte er voorzichtig naartoe. Met een uitval als een wouwaapje greep hij er een beet. Zelfs vliegend schept hij als een meeuw visjes uit het water. (…) Op den duur werd hij nog bedrevener in het vissen en probeerde hij andere mogelijkheden uit. Hij trok een van zijn borstveertjes uit en gebruikte dat als aas. Voorzichtig liet hij het veertje op het water drijven, tot nieuwsgierige prooivisjes dichterbij kwamen. Terwijl ze argeloos onderzochten of het eetbaar was en eraan zogen, sloeg de kauw toe.’ (2014;p.63). Ik laat me al jaren amuseren door de kolonie kauwen die in mijn eigen straat woont. Dankzij het boek van Cools kan ik de dieren beter ‘lezen’ en begrijpen. De volgevreten aandeelhouders van Veen, Bosch & Keuning B.V. kunnen de champagne vast opentrekken: ook de andere deeltjes van hun Gevleugelde Bibliotheek zullen aanstonds van de zelfstandige boekhandel naar mijn huisadres vliegen.

Noot bij de noot

birdmanBirdman! Birdman: Or The Unexpected Virtue of Ignorance. Gesjeesde actieheld bewerkt een verhaal van Carver voor het toneel en dwingt zo respect af bij de theater-elite van NYC. Minder bombastisch dan Alejandro González Iñárritu’s eerdere picturen – toch: ik weet niet wat een ‘Oscar’ precies representeert, maar wat mij betreft mag AGI zijn kitscherige beeldje weer inleveren. Het zou overdreven zijn om te beweren dat ik via de kassa (geld terug!) de bios uit ben gelopen, maar cinema met een kapitale hoofdletter C is B beslist niet. Het is pseudo-kunst, een schijnheilige, ongevaarlijke, commerciële aanval op de commercie. Eindoordeel: twee van de dakrand van een theater naar beneden getufte en aldaar op het kale hoofd van een voetganger (‘hey!’) uiteen gespatte spuugklodders (2/5). De titel van dit stukje is overigens een citaat uit de film. Protagonist Riggan Thomson grijnst als hij acteur Mike (Edward Norton) heeft gecontracteerd – en met reden, want Mike is de onhandelbare, onmogelijke, inspirerende Echte Kunstenaar die de thermiek veroorzaakt waardoor stervelingen als Riggan boven zichzelf kunnen uitstijgen. Na die deal doet Riggans producent of agent of whatever de hier aangehaalde uitspraak. Goed. Nou. Om de cirkel nog ff rond te borduren breien: zelf zat ik tijdens het lezen van De kauw ook aanhoudend blij te grijzen. Het boek is beter dan de film. En peren zijn sappiger dan appels. En zoeter.

Tirade – geeft je vleugels.

Soundtrack: Bist du bei mir. Bach/Kathleen Ferrier.

Volgende week: boekenbal 2015. Plus: Salinger.