Blauwe egels

Ein Fragment muß gleich einem kleinen Kunstwerke von der umgebenden Welt ganz abgesondert und in sich selbst vollendet sein, wie ein Igel.

Dit is één van de 451 korte, fragmentarische teksten die Friedrich Schlegel in het door hem en zijn broer opgerichte tijdschrift Athenaeum publiceerde. De egel moet volgens mij een verwijzing zijn naar een fragment van de Griekse dichter Archilochos: ‘De vos weet vele dingen, maar de egel weet één groot ding.’ In de versie van Schlegel is het fragment zelf de egel geworden: opgerold, afgerond en in zichzelf gekeerd heeft het alleen maar kennis van zijn eigen inhoud. Door zich op deze manier van de buitenwereld af te sluiten kan een korte tekst volmaakt zijn: er is simpelweg geen plaats voor nuance, twijfel of meerstemmigheid.

Wanneer je 451 stekelige, weerbarstige egels probeert op te sluiten in een kleine ruimte – in een tijdschrift bijvoorbeeld – ontstaat er echter een probleem. Korte teksten worden bijna altijd in groepsverband uitgegeven, aangezien het nu eenmaal lastig is om post-its en papyrussnippers los in je boekenkast te bewaren. Maar hoe moet een lezer omgaan met een serie fragmenten die geen onderlinge verbanden willen leggen en stuk voor stuk hun eigen volledige waarheid in zich hebben opgerold?

Omdat het samenlevingsverbond binnen een fragmentenbundel altijd ongemakkelijk is, slaan de samenstellers van deze bundels vaak een apologetische toon aan. Sorry voor de verwarring, sorry voor het gebrek aan coherentie, sorry voor de willekeurige volgorde. Mijn favoriete verontschuldiging komt uit het voorwoord van Wittgensteins Philosophische Untersuchungen: ‘Ich hätte gerne ein gutes Buch hervorgebracht. Es ist nicht so ausgefallen.’

Iets dergelijks is aan de hand in Maggie Nelsons Bluets (2009), een lyrische reeks bespiegelingen over verdriet, verliefdheid en de kleur blauw. Nelson vertelt hoe ze jarenlang met het idee voor het boek rondliep, haar vrienden erover vertelde, de titel al bedacht had. ‘On my CV it says that I am currently working on a book about the color blue.’ Maar het boek komt er niet, of krijgt althans niet de vorm die Nelson voor ogen had. Na jarenlang met het onderwerp te hebben geworsteld, presenteert ze op verontschuldigende wijze een dun bundeltje van korte genummerde tekstsnippers. Ze noemt ze, in verwijzing naar Wittgenstein, ‘propositions’.

Tegen het einde van zijn leven schreef Wittgenstein zelf ook een reeks stellingen over kleur, postuum gepubliceerd als Bemerkungen über die Farben. Een van de centrale kwesties die hem in dit werk bezighoudt is het feit dat één plek in je gezichtsveld nooit door twee kleuren tegelijk gevuld kan worden. We zijn in staat om geluiden en geuren gemengd en gelaagd te ervaren, maar het visuele veld heeft een structuur die zulke meerstemmigheid niet toelaat. Een geluid kan zacht of hard zijn, en daardoor meer of minder andere geluiden toelaten, maar de ervaring van een kleur is altijd absoluut. Als je iets ziet, betekent dit dat je iets anders niet ziet. Niets is zo stellig als een kleur.

Bluets gaat over deze absolute stelligheid, over de manier waarop we onszelf volledig in een bepaalde waarheid kunnen verliezen. Als je verliefd bent is het bijna onmogelijk om je voor te stellen dat het ooit zal eindigen; als je door verdriet overrompeld wordt kun je nauwelijks bedenken dat je je later anders zult voelen. ‘The difficulty is that our moods don’t believe in each other.’ Maar natuurlijk worden ervaringen toch door andere ervaringen opgevolgd: hoe stellig een kleur ook is, er zal altijd een andere kleur na komen. Dat is wat een bundel blauwe egels tonen kan.

Kyrke Otto

Kyrke Otto (1995) studeerde filosofie en klassieke talen aan de Universiteit van Amsterdam. Momenteel volgt ze een onderzoeksmaster in geschiedenis van de filosofie aan de Radboud. Ze interesseert zich voor kwesties van genre, stijl en methode en werkt aan een promotievoorstel over het aforisme als filosofische vorm.

Los

De afgelopen dagen denk ik veel aan een verhaal dat in mijn debuutbundel stond. Het speelt zich af in de vroege jaren ’70, toen ik even oud was als mijn Ada nu is.

Beloof me dat het altijd zo zal blijven loopt verschrikkelijk af, maar ik doel hier op de eerste zinnen. De vader die in stilte naar huis rijdt in zijn nieuwe Commodore, een man aan het begin van bijna alles.

Een nieuwe auto, een eigen huis om naar terug te gaan aan het einde van een warme werkdag. Een vrouw en een jong kind dat in de tuin speelt.

In deze tijd zou de man uit mijn verhaal onder het rijden nog met een collega bellen. Voor het uitstappen zou hij zijn socials checken terwijl de motor tikkend afkoelde. Hij zou op gedachten worden gebracht die niet voortkwamen uit zijn eigen dag.

In de jaren ’70 stopte het werk wanneer je in je auto stapte, de reis wanneer je thuiskwam, de buitenwereld bij het sluiten van de poort naar je tuin. Natuurlijk dacht je wel aan afspraken en begrotingen, maar nieuwe informatie kwam er tot de volgende ochtend niet meer binnen.

Wie op vakantie kon liet bij het aanrijden alles achter zich, om de draad drie weken later op te pakken. Een brand, een volksopstand, een overlijden in de familie: je kwam er bij terugkomst achter.

Mobiele telefoons redden met regelmaat levens, maar zorgen er óók voor dat de levenden er maar ten dele zijn en dat is een groot verlies.

Hoewel het geen directe invloed op me had en niemand op het juryoordeel nog invloed kon uitoefenen, werd ik gisteren een paar uur in beslag genomen door de Libris-discussie. Door reacties op reacties op reacties.

Ik stond naast een trampoline op het strand en scrolde Facebook door terwijl mijn dochter sprong en lachte.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Zo was het niet

Het diepste leed kan nooit volledig worden uitgedrukt. Gediscrimineerden, uitgeslotenen, slachtoffers van seksueel geweld: ze worden steeds weer om hun verhaal gevraagd, maar hoeveel of hoevaak ze ook vertellen, het moment van wederzijds begrip is nog altijd niet bereikt. Keer op keer ontschiet de ervaring de taal, zonder dat we kunnen stoppen met vertellen en luisteren.

In Hiroshima mon amour (1959) van Alain Resnais en Marguerite Duras spreken een Franse actrice en een Japanse architect over het atoombombardement op Hiroshima. Zij heeft de foto’s gezien, de krantenberichten gelezen, de educatieve films bekeken en het museum bezocht, maar begrijpen kan ze het volgens hem niet. 

De eerste shots. De twee liggen verstrengeld op bed. Haar vingers drukken in zijn schouderblad, roffelen over zijn rug.

‘Je hebt niets gezien in Hiroshima. Niets.’

‘Het ziekenhuis, bijvoorbeeld, dat zag ik. Ik weet het zeker. Er is een ziekenhuis in Hiroshima.’

‘Je zag geen ziekenhuis in Hiroshima. Je zag niets in Hiroshima.’ 

Deze stugge, repetitieve dialoog, overduidelijk het werk van Duras, vormt de rode draad van de film. Naast een fragmentarische documentaire is dit ook een essayistisch werk over trauma. Over het Japanse trauma, dat zowel door zij die het bombardement hebben ervaren als zij die ontkwamen gevoeld wordt. Maar wanneer het koppel verder praat in een tearoom komt daar een tweede gebeurtenis bij. De actrice had tijdens de oorlog een noodlottige verhouding met een Duitse soldaat. Hij stierf in haar armen, zij werd kaalgeschoren, vernederd en opgesloten in een kelder. 

De architect en de actrice blijven maar praten over hun ervaringen, trachtend om hun eenzaamheid op te heffen. Maar ze kunnen elkaar alleen via metaforen en vergelijkingen, en dus indirect, begrijpen. Hij verbeeldt zich hoe het bericht van de vernietiging van Hiroshima haar euforisch maakte; de bevrijding ging samen met wraak. Zij spreekt haar Japanse minnaar aan alsof hij haar Duitse geliefde is, waardoor de rollen van slachtoffer en dader weer gehusseld worden. Steeds corrigeren ze elkaar: nee, zo was het niet, ik zal het nog eens uitleggen.

Een paar dagen nadat ik dit meesterwerk weer zag in een halfvolle maar wel degelijk uitverkochte Uitkijk, las ik Peru (1986), een roman van de legendarische schrijver, docent en redacteur Gordon Lish. Ook dit werk thematiseert de onmogelijkheid om sommige ervaringen in woorden te vatten. Het is een monoloog van een fictionele Gordon Lish, die probeert uit te leggen waarom hij als zesjarige een leeftijdsgenoot om het leven bracht in een zandbak. 

Net als in zijn andere teksten draait het in deze roman niet om plot of beweging, maar om taal en stem. Het drama wordt in de eerste paragraaf al uitgelegd, en dan volgen tweehonderd pagina’s aan herinneringen, overwegingen, details, uitbarstingen en gesoebat. Je wordt verleid om te blijven lezen en luisteren, om je te verdiepen in de beweegredenen van een moordenaar, en het formidabele proza van Lish zorgde ervoor dat ik daaraan toegaf. Maar bij het einde aangekomen, merk je dat de waarheid buiten beeld blijft. De verteller denkt en vertelt almaar in cirkels, zonder de gruwelijke scène daadwerkelijk op te helderen. De taal bijt zichzelf in de staart, het trauma blijft zich eraan onttrekken, maar toch begint men er steeds weer over te spreken. 

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Collectief Oblomowisme

door Michiel Knol

Oblomow – de protagonist van Ivan Gontsjarovs gelijknamige roman uit 1859 – is na ruim anderhalve eeuw nog steeds een tot de verbeelding sprekend personage. Maar ook een veelal onbegrepen personage. Oblomow wordt vaak getypeerd als een luie, vadsige en vrijwel altijd in apathische toestand verkerende persoon. Dat is niet direct een goed uitgangspunt voor een spannende en onderhoudende roman zou je denken. Toch verdient niet alleen het idee over Oblomows karaktertrekken een flinke nuancering, de roman zelf blijkt ook verrassend grappig én een interessante leeservaring in tijden van Corona.

Oké, toegegeven, Oblomow is inderdaad lui en vadsig en hij ligt een aanzienlijk deel van de roman op zijn bed en divan. Volledig apathisch is hij echter niet. Hij is een romanticus die vooral in zijn hoofd leeft en teert op zijn herinneringen aan een gelukkige en zorgeloze jeugd op Oblomowka, het landgoed van zijn ouders. De realiteit buiten zijn eigen belevingswereld en de alledaagse werkelijkheid buiten zijn huis vindt hij beangstigend en die sluit hij dan ook liever buiten. Brieven die met de post worden bezorgd zijn boodschappers van de boze buitenwereld en zo lang je deze ongeopend laat, word je niet geconfronteerd met de werkelijkheid. Oblomow denkt liever na over de mogelijkheid van het herstellen van het verloren paradijs uit zijn jeugd, een utopie waarin geen plaats is voor oorlog, economische belangen en ratraces. 

Hij lijdt – volgens zijn dierbaarste vriend Stolz – aan Oblomowisme. Vermoedelijk kent iedereen in meer of mindere mate momenten van Oblomowisme: vervelende dingen uitstellen, je kop in het zand steken, cognitieve dissonantie, of even niet willen denken aan vervelende ontwikkelingen in de wereld. Maar ik wil stellen dat er ook zoiets als collectief Oblomowisme bestaat. De manier waarop we als westerse wereld omgaan met onze planeet – waarbij economische korte termijnbelangen het altijd lijken te winnen van ecologische belangen en die van de generaties na ons – is hier een goed voorbeeld van.

Hetzelfde geldt voor de aanpak van bijvoorbeeld institutioneel racisme. We steken liever collectief ons kop in het zand dan dat we worden geconfronteerd met deze zaken. Wanneer dat door een crisis tóch gebeurt dan schuiven we een oplossing van het structurele probleem op de lange baan. Eerst zorgen dat de crisissituatie wordt opgelost, dan kunnen we daarna wellicht de structurele problemen onder ogen komen. Of niet…

Juist in deze quarantainetijd, waarin steeds meer mensen opstaan om op te roepen onze kop uit het zand te halen om eindelijk de eerder genoemde structurele problemen onder ogen te komen, zouden we een einde moeten maken aan ons collectief Oblomowisme. In plaats daarvan moeten we meer naar die andere karaktertrek van Oblomow kijken: het nadenken over een ideale wereld. Het mag echter geen Oblomow-utopie worden, het moet niet bij dagdromerij vanaf een divan blijven. Actie is vereist.

(Michiel Knol, 1978) studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde , Geschiedenis en Cultuurgeschiedenis. Is werkzaam voor een groot telecombedrijf en afdelingsbestuurder bij de Partij voor de Dieren. Knol schreef dit naar aanleiding van de Van Oorschot Leesclub over Oblomov van Ivan Gontsjarov

Vera Lynn

met dank aan B.

De Britse nachtegaal overleed op 103-jarige leeftijd en met haar de stem van We’ll meet again, het iconische lied dat de verwijdering van geliefden in de Tweede Wereldoorlog klank gaf en het verlangen een melodie.

Ik moest denken aan A notable woman. The Romantic Journals of Jean Lucey Pratt. Dit is een wonderlijk boek dat uit de dagboeken van deze vrouw bestaat, bijeengebracht en geredigeerd door Simon Garfield. Een gewoon leven. Of gewoon? Welk leven is dat? Iets opmerkelijks aan het boek is dat de jonge vrouw, niet per se onbemiddeld, in de oorlog in een cottage woont, alleen en dat haar dagboeken dan steeds over mislukte liefdes gaan, rotkerels op het werk die wel wat flirten en zoenen maar verder niets willen. Een paar dagen later ziet ze dan dat ze zich verloven met een andere collega. En Lucey wordt steeds onzekerder. En het uitblijven van liefde maakt de liefde het belangrijkst in haar leven.

De cottage moet verduisterd worden tijdens de blitz. Ze werkt onder meer aan promotiefilms die de Britten moeten sterken in hun wilskracht. Maar haar wilskracht is tanende: had ze maar een lief, desnoods daar op het continent. We’ll meet again. Roerend is dan zoals dat in wel menig dagboek gaat: het wereldtoneel verdwijnt volledig naar de achtergrond ten gunste van het eigen klein leed. Wij zien door de kieren van de verduisteringstape geen buitenwereld meer: alleen maar de kamer in de cottage, met Lucey, alleen, monter doend alsof dat prima is. Wij zijn bijna nooit het nieuws, totaal andere zaken houden ons bezig dan wat de kranten vult.

De lezer juicht bijna als Lucey op 31-jarige leeftijd toch voor het eerst met een man naar bed gaat. Ik was in tijden niet zo opgelucht geweest! Dit was Lucey’s oorlog. Niet de prins op het witte paard kwam op p. 200 voorbij, maar Lucey is desalniettemin dolblij. Eindelijk. Een bevrijding midden in de oorlog. Zoals menig niet-patiënt de laatste maanden de meeste vrijheid ervoer op de toppen van Corona: Lock down, maar ruimte op alle gebieden! Het wereldtoneel is meestal maar decor, we zijn in de coulissen met heel andere zaken bezig. Met elkaar bijvoorbeeld.

So will you please say hello
To the folks that I know
Tell them I won’t be long
They’ll be happy to know
That as you saw me go
I was singin’ this song

De meest voor de hand liggende associatie die ik nu kan hebben met we’ll meet again is een klein kroonvormig virusje. Corona,

We’ll meet again
Don’t know where
Don’t know when
But I know we’ll meet again some sunny day

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

The Free

Goddank heb ik een aantal schrijversvrienden die ik tot diep in de nacht kan appen voor een leestip. We kennen elkaars werk en hebben samen genoeg over boeken gepraat om te weten wat de ander goed zal vinden.

Een tijdje dacht ik dat de site Goodreads uitkomst kon brengen, maar hun algoritme bleek te basaal om van een lijst met gewaardeerde boeken te komen tot goede suggesties. Het platvorm suggereerde – als een niet al te getalenteerde boekenwinkelmedewerker – steeds dezelfde romans.

E-bookverkoper Rakuten-Kobo, waarvan ik klant werd omdat Suriname maar één (matige) boekwinkel heeft, bleek ondanks al het geld waarover ze moeten beschikken niet in staat een betere suggestiemotor te bouwen. Zij raden me vooral bestsellers aan.

Ik houd van échte boekhandels zoals ik van musea houd: geweldig dat ze bestaan, maar ik kom er niet zo vaak. Naar de boekhandel ga ik voor mijn kinderen, voor boeken die ik anderen cadeau wil doen.

Eigenlijk geloof ik dat het fijne papieren boek over een jaar of twintig een luxeproduct zal zijn dat je op bestelling kunt krijgen. De koper mag dan aangeven hoe hij het uitgevoerd wil hebben. Letter, bladspiegel, papier, omslag. Aficionado’s met voldoende middelen zullen hun meest geliefde titels in papier bezitten.

Lezen is voor mij zowel een liefde als een vorm van automedicatie. Als ik niet kan lezen dan kom ik niet in slaap of blijf ik hele nachten malen; met mijn ereader kan ik ook in de vroegste, meest ellendige ochtend een hele wereld bij.

Bizarre gewaarwording trouwens, om een hele wereld bij te kunnen zonder te weten wat je moet lezen.

Qua leestips heb ik veel aan Jan van Mersbergen omdat we dezelfde smaak lijken te hebben. Mijn uitgever Menno Hartman blijkt heel goed te weten wat ik nodig heb, net als Rob Waumans en Ivo Victoria.

Rob Waumans hielp me aan Willy Vlautin, van wie ik de afgelopen weken alles heb gelezen.

Vlautins verhalen hebben geen uitweg. Het komt nooit goed. De ene na de andere loodzware wereld roept hij op, maar het zwaarst en mooist vond ik die van The Free, overigens voor Meulenhoff vertaald als Vrij door Dirk-Jan Arensman.

Vlautin portretteert the working poor, Amerikanen die ondanks hun twee banen gedoemd zijn af te glijden, onverzekerd en tot aan de kieuwen beleend. De goeiige dikkerd Freddy – bij Vlautin lijken alleen drugsverslaafden slank – werkt ‘s nachts in een groepshuis voor veteranen en houdt overdag de verfhandel van een nietsnut draaiend. Ondanks het feit dat zijn vrouw en dochters met een andere man vertrokken zijn lost hij nog steeds hun ziekenhuisrekeningen af, en wordt mede daardoor gedwongen zijn ouderlijk huis te verkopen.

Als Freddies ex belt om te vragen of hij zijn dochters terug kan nemen rijdt hij een enorme afstand in een ten dode opgeschreven onverzekerde auto om de meiden op te halen. Hij vertelt ze dat het huis verkocht gaat worden en dat hij een klein appartement gevonden heeft. Zijn dochters mogen de enige slaapkamer hebben en zelf slaapt hij wel op de bank. Freddy zegt zijn kinderen dat alles goed zal komen. Dat doen we in Nederland natuurlijk ook, maar hier lijkt dat toch aanzienlijk vaker waar.

Vlautin maakt het bankroet van Amerika voelbaar, beukt dat feit erin met elke kansloze stap die zijn personages zetten. Er zou een woord moeten zijn dat gruwelijk en schitterend combineert.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Een fantastisch jaar

Tweeduizendtwintig wordt fantastisch. Als we elkaar tegenkomen dan zul je merken hoezeer ik me daarvoor inspan. Ik ga je bier geven, je omhelzen en alles wat je me aanbiedt opdrinken. Ik zal niet te vroeg naar huis gaan, en ga genieten van de vrijheid die we hebben, het leven dat we hebben.

Bovenstaande blogde ik hier op 7 januari. Wie ooit nog tegen me begint over het voorvoelen van de toekomst kan de corona krijgen.

Wat zou er nu nog moeten gebeuren om van tweeduizendtwintig een fantastisch jaar te maken?

Het jaar van het basisinkomen?

Het jaar waarin we klimaatdoelen haalden en besloten dat dit tóch zwaarder woog dan omzet maken?

Het einde van het massatoerisme?

Mwa.

Alleen met het jaar dat het einde van de discriminatie inluidde zouden we er komen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Cahiers van een klein verstand

Op de achterflap wordt Plantage Muidergracht (1988) van Adriaan Morriën (1912-2002) ‘een egotistisch geschrift in optima forma’ genoemd. Niet iedereen was even enthousiast over die insteek, ontdekte ik al snel. De vorige lezer van het exemplaar dat ik nietsvermoedend bij De Slegte kocht had zijn ongenoegen bepaald niet voor zich gehouden. ‘Clown!,’ staat er met pen in de kantlijn gekrast. En verderop: ‘zeikerd’, ‘wat lul je dan’, ‘nou nou! opzienbarend’ en ‘wat een weerzinwekkend infantiel gezwam.’ Eén paragraaf uit de afdeling ‘Lasterpraat’ is integraal onleesbaar gemaakt: ‘schei toch uit!’ is in kapitalen over de tekst gekalkt. Om een iets neutralere leeservaring mogelijk te maken, besloot ik maar een nieuw exemplaar te kopen.

Kort daarna mocht ik zelf ontdekken dat deze bundelingen grotendeels eerder gepubliceerde autobiografische teksten inderdaad redelijk merkwaardig is. Plantage Muidergracht is een ratjetoe van verschillende genres (jeugdherinneringen, reisverslagen, notities, korte verhalen) dat ontdaan is van een lijn, chronologie of logische ordening. Een eenheid vormt het boek niet, maar wel geeft het een vrij eenduidig beeld van de mens Morriën. In meerdere teksten zien we hoe hij zich losmaakte uit een benepen religieus milieu, bijna geveld werd door tuberculose, en daarna het volle leven ontdekte. Dogmatisme wisselde hij resoluut in voor hedonisme. Volgens zichzelf beschikte Morriën over een ‘klein verstand’, maar dat weerhield hem er niet van om op jonge leeftijd als dichter te debuteren in Forum, en zich daarna afwisselend als schrijver, criticus, journalist, vertaler, literair adviseur en docent voortreffelijk op de been te houden.

Geamuseerd kijkt Morriën in deze bundel naar de literaire wereld die hem decennialang van een levensinvulling heeft voorzien. Plantage Muidergracht bevat verslagen van belangrijke gebeurtenissen in de republiek der letteren van toen, zoals prijsuitreikingen, schrijversbegrafenissen en feesten, en ook een geweldige hoeveelheid literaire roddels en anekdotes. Zo komen er fraaie portretten van de jonge Willem Frederik Hermans en de oude J.C. Bloem voorbij, net als ontmoetingen met W.H. Auden, Martinus Nijhoff en Francis Ponge. Terloops wordt gesuggereerd dat Vasalis tijdens haar studie goed bevriend was met de koningin. Morriëns verteltrant is steeds warm en innemend. Ook de kleinere interacties weet hij glans te geven:

‘In de schouwburg, tijdens de gala-avond komen wij met Hans en H[ui]kje Gomperts en met Jeannet en Adriaan [van der Veen, LV] op één rij te zitten. Wij hebben elkaar lange tijd niet gezien. Adriaan (de andere) zegt op zijn geaffecteerde toon: “Ik ben er zo van overtuigd dat wij allemaal in het paradijs zullen komen, dat wij elkaar op aarde niet hoeven te zien.”’

De mooiste delen van dit boek, ‘Cryptogram’, ‘Lasterpraat’ en ‘Plantage Muidergracht’, bestaan uit korte notities. Qua vorm zijn ze duidelijk geïnspireerd op Du Perrons fenomenale Cahiers van een lezer (1928-1929). Morriën laat het persoonlijke en het literaire, het hoge en het lage, het gewichtige en het banale nonchalant door elkaar lopen, en dat levert – toepasselijk – zowel vrij goede als heel slechte stukken op. Hij staat zich bijvoorbeeld te veel erotomane meligheden toe, die meestal zelfs de suggestie van originaliteit of diepzinnigheid ontberen. Het dieptepunt, dat vooralsnog helaas in mijn geheugen is blijven hangen, luidt als volgt: ‘Als ik een vrouw of een meisje zie die het topje van haar wijsvinger in hansaplast heeft verpakt, denk ik wel eens: “Zou zij soms een vlijmscherpe clitoris hebben?”’ 

Maar de soms vermoeiende lichtzinnigheid wordt ruimschoots gecompenseerd door de vele verrassende reflecties die in deze stortvloed van invallen te vinden zijn: 

‘De beste manier van schrijven lijkt altijd op een manier van spreken, zonder dat de echte spreektaal wordt nagebootst: Nietzsche, Multatuli, Léautaud, Sei Shonagon. Het besef gelezen te worden, zorgt er, als het goed is, voor dat een schrijver zijn spreken beteugelt, het instinctief maar tegelijk ook bewust afstemt op een kritisch oor dat zowel het zijne is als dat van de onbekende lezer aan wie hij denkt en die hij op die manier in zijn werkzaamheid betrekt, zonder hem te willen behagen, maar ook zonder hem niet te willen behagen.’ 

Hiermee geeft hij nog een uitstekend argument voor de stelling dat het vroege werk van Céline superieur is aan zijn zogenaamd spreektalige late schrijven, maar dat is een onderwerp voor een ander essay. 

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Elders

Ik word wakker tegen zessen, kom voorzichtig overeind om mijn jongen door te laten slapen. Otis de Hond wacht onderaan de kleine trap en hoewel het nog nevelig is, met van die lucht die kil kleeft aan je huid, besluit ik hem meteen maar uit te laten.

Ik neem mijn telefoon mee omdat ik weet hoe mooi de ochtenden zijn. Zoals altijd zal ik een foto voor dit stukje maken. Het licht hoeft zelden bijgesteld.

Toen ik op onze eerste avond hier naar bed ging trof ik Nadim in diepe slaap aan met zijn hoofd op mijn kussen. Zijn eigen bed in de kamer met de pluchen beren leek hij niet eens geprobeerd te hebben.

Hoewel het meestal een recept is voor gebroken nachten, passen we nu prima in één bed. Nadim slaapt diep en kalm, voor mij weegt vooral het besef dat hij straks negen wordt en niet lang meer bij me zal willen slapen.

De pinksterdagen waren we vrij. We lazen onze boeken op strandstoelen in de tuin en Nadim maakte salades voor de lunch, een klusje dat hij zich zonder mijn bemoeienis eigen heeft gemaakt. Van tomaat, komkommer en appel hakt hij grove stukken, maar zijn dressings zijn op smaak en er zit goed veel olie in.

We liepen door de duinen. Groeven naar schelpen aan de vloedlijn, die ik kookte voor het avondeten. Ik maakte een selfie van ons in het licht van een lage zon en Nadim trok geen gekke bekken. Voor het eerst in jaren liet hij een tevreden glimlach vastleggen, zijn donkere sproeten als strooigoed rond zijn smalle neus.

We hebben coronahaar en ik geloof ook dat we stinken. De zee is nog te koud.

Al lijkt het in deze stukjes misschien niet vaak zo: mijn bestaan heeft nadelen. Schrijvers leven in financiële onzekerheid en krijgen nooit voldoende erkenning voor hun werk, maar terwijl Otis voor me uit draaft in deze nevel die van bosjes verre bergen maakt, besef ik dat ik bijna alle dagen van mijn jongens leven zelf heb meegemaakt.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Kokende kots

Op aanraden van mijn mede-redacteur Marko las ik Het hout (2014) van Jeroen Brouwers (1940). In een gesprek over diens laatste roman Cliënt E. Busken (2020), waar ik een essay over schreef voor Hollands Maandblad, prees hij het boek als het toonbeeld van Brouwers’ Spätstil

Edward Said (1935-2003) wijdde zijn laatste boek, On Late Style. Music and Literature Against the Grain (2006) aan kunstenaars die hun stijl in de slotfase van hun leven radicaliseerden, en schreef daarover het volgende: ‘I’d like to explore the experience of late style that involves a nonharmonious, nonserene tension, and above all, a sort of deliberately unproductive productiveness going against…’

Al op de tweede bladzijde van deze roman trof ik zo’n non-harmonieuze, explosieve beschrijving, die duidelijk verwant is aan de (nog latere) zintuigelijke wildheid van Cliënt E. Busken:

‘Nauwelijks lente en het is al etmalen zo agressief heet alsof mijnheer broeder zon woede uitbraakt. Vlammende hitte als kokende kots, die overal doorheen dringt, zelfs door de muren van de gewoonlijk koele, zelfs kille kapel.’ 

Het hout is het koortsige relaas van Eldert Haman, een zesentwintigjarige leraar Duits die schijnbaar argeloos de Franciscanen is ingerold. Eerst reed hij op een racefiets en las hij boeken (‘Heinrich Böll. F. Scott Fitzgerald en William Faulkner. Albert Camus. Simon van het Reve.’), maar nu slijt hij zijn dagen onwillig in een corrupte Limburgse kostschool: ‘Van seconde naar seconde. Volgende seconde. Weer een volgende. Weer een. Wat ben ik met mijn leven aan het doen.’ 

De broederorde lijkt buiten de geschiedenis te staan, maar op basis van enkele opmerkingen over de Watersnoodramp kun je vaststellen wanneer het verhaal precies speelt. Ook referenties aan Dick Bos en Snip en Snap helpen de lezer op weg. Een van de flashbacks valt zelfs te dateren aan de hand van een literaire verwijzing: Eldert heeft op dat moment de recent verschenen debuutroman van Willem Frederik Hermans (1921-1995) in handen, Conserve (1947). Een sympathiek saluut aan een bewonderde voorganger.

Het centrale thema van dit boek is lafheid. Eldert en zijn medebroeders zijn op de hoogte van het vuige kindermisbruik dat in het internaat geschiedt, maar niemand durft er iets van te zeggen. Als een van de mishandelde kinderen met een vriend een pact sluit om te vluchten, mislukt de poging omdat de ander toch niet durft. Eldert leert buiten, in het dorp, de liefde kennen, maar kan maar niet besluiten of hij de orde werkelijk verlaten wil. 

De euforische slotpassages, waarin Eldert zijn habijt afwerpt en de orde met een stoet kinderen verlaat, ervoer ik dan ook als een weldaad. Laat of niet, Jeroen Brouwers blijft hiermee geheel in stijl: via de taal vertrapt hij heilige huisjes, en sloopt hij de muren die het individu indammen. 

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.