Cahiers van een klein verstand

Op de achterflap wordt Plantage Muidergracht (1988) van Adriaan Morriën (1912-2002) ‘een egotistisch geschrift in optima forma’ genoemd. Niet iedereen was even enthousiast over die insteek, ontdekte ik al snel. De vorige lezer van het exemplaar dat ik nietsvermoedend bij De Slegte kocht had zijn ongenoegen bepaald niet voor zich gehouden. ‘Clown!,’ staat er met pen in de kantlijn gekrast. En verderop: ‘zeikerd’, ‘wat lul je dan’, ‘nou nou! opzienbarend’ en ‘wat een weerzinwekkend infantiel gezwam.’ Eén paragraaf uit de afdeling ‘Lasterpraat’ is integraal onleesbaar gemaakt: ‘schei toch uit!’ is in kapitalen over de tekst gekalkt. Om een iets neutralere leeservaring mogelijk te maken, besloot ik maar een nieuw exemplaar te kopen.

Kort daarna mocht ik zelf ontdekken dat deze bundelingen grotendeels eerder gepubliceerde autobiografische teksten inderdaad redelijk merkwaardig is. Plantage Muidergracht is een ratjetoe van verschillende genres (jeugdherinneringen, reisverslagen, notities, korte verhalen) dat ontdaan is van een lijn, chronologie of logische ordening. Een eenheid vormt het boek niet, maar wel geeft het een vrij eenduidig beeld van de mens Morriën. In meerdere teksten zien we hoe hij zich losmaakte uit een benepen religieus milieu, bijna geveld werd door tuberculose, en daarna het volle leven ontdekte. Dogmatisme wisselde hij resoluut in voor hedonisme. Volgens zichzelf beschikte Morriën over een ‘klein verstand’, maar dat weerhield hem er niet van om op jonge leeftijd als dichter te debuteren in Forum, en zich daarna afwisselend als schrijver, criticus, journalist, vertaler, literair adviseur en docent voortreffelijk op de been te houden.

Geamuseerd kijkt Morriën in deze bundel naar de literaire wereld die hem decennialang van een levensinvulling heeft voorzien. Plantage Muidergracht bevat verslagen van belangrijke gebeurtenissen in de republiek der letteren van toen, zoals prijsuitreikingen, schrijversbegrafenissen en feesten, en ook een geweldige hoeveelheid literaire roddels en anekdotes. Zo komen er fraaie portretten van de jonge Willem Frederik Hermans en de oude J.C. Bloem voorbij, net als ontmoetingen met W.H. Auden, Martinus Nijhoff en Francis Ponge. Terloops wordt gesuggereerd dat Vasalis tijdens haar studie goed bevriend was met de koningin. Morriëns verteltrant is steeds warm en innemend. Ook de kleinere interacties weet hij glans te geven:

‘In de schouwburg, tijdens de gala-avond komen wij met Hans en H[ui]kje Gomperts en met Jeannet en Adriaan [van der Veen, LV] op één rij te zitten. Wij hebben elkaar lange tijd niet gezien. Adriaan (de andere) zegt op zijn geaffecteerde toon: “Ik ben er zo van overtuigd dat wij allemaal in het paradijs zullen komen, dat wij elkaar op aarde niet hoeven te zien.”’

De mooiste delen van dit boek, ‘Cryptogram’, ‘Lasterpraat’ en ‘Plantage Muidergracht’, bestaan uit korte notities. Qua vorm zijn ze duidelijk geïnspireerd op Du Perrons fenomenale Cahiers van een lezer (1928-1929). Morriën laat het persoonlijke en het literaire, het hoge en het lage, het gewichtige en het banale nonchalant door elkaar lopen, en dat levert – toepasselijk – zowel vrij goede als heel slechte stukken op. Hij staat zich bijvoorbeeld te veel erotomane meligheden toe, die meestal zelfs de suggestie van originaliteit of diepzinnigheid ontberen. Het dieptepunt, dat vooralsnog helaas in mijn geheugen is blijven hangen, luidt als volgt: ‘Als ik een vrouw of een meisje zie die het topje van haar wijsvinger in hansaplast heeft verpakt, denk ik wel eens: “Zou zij soms een vlijmscherpe clitoris hebben?”’ 

Maar de soms vermoeiende lichtzinnigheid wordt ruimschoots gecompenseerd door de vele verrassende reflecties die in deze stortvloed van invallen te vinden zijn: 

‘De beste manier van schrijven lijkt altijd op een manier van spreken, zonder dat de echte spreektaal wordt nagebootst: Nietzsche, Multatuli, Léautaud, Sei Shonagon. Het besef gelezen te worden, zorgt er, als het goed is, voor dat een schrijver zijn spreken beteugelt, het instinctief maar tegelijk ook bewust afstemt op een kritisch oor dat zowel het zijne is als dat van de onbekende lezer aan wie hij denkt en die hij op die manier in zijn werkzaamheid betrekt, zonder hem te willen behagen, maar ook zonder hem niet te willen behagen.’ 

Hiermee geeft hij nog een uitstekend argument voor de stelling dat het vroege werk van Céline superieur is aan zijn zogenaamd spreektalige late schrijven, maar dat is een onderwerp voor een ander essay. 

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.