Jordaanvader

Hiske Versprille wachtte op me op het terras van een café op de Lindengracht, waar we samen wat gerechtjes voor een catering zouden bedenken. Ik was te laat omdat Nadim zijn Snoopysokken niet aan had gewild. Ikzelf droeg een Hema T-shirt (omdat ik de Hemaprijs voor witte T-shirts de enige acceptabele prijs voor witte T-shirts vind) en een Levi’s spijkerbroek uit San Francisco, die ik gekocht had omdat mijn oude Levi’s niet meer lekker zaten. Ik droeg teenslippers uit Paramaribo, die ik voor 12 SRD (3 euro 50) bij een winkel op de Dr. Sophie Redmondstraat gehaald had, en waarvan ik nooit afstand zal kunnen doen. Omdat ik niet graag naar de kapper ga en onze douche al een half jaar lekt, stond mijn haar als een wollige motorhelm om mijn hoofd.

De bovenstaande paragraaf is de laatste die ik ooit zal wijden aan mijn eigen uiterlijk. Ik vind mode een belachelijk iets om mee bezig te zijn, en hoe ik eruitzie berust ten allen tijde op een samenloop van omstandigheden. 

Ik verontschuldigde me niet voor mijn te laat zijn omdat het tenslotte mijn schuld niet was, ging zitten en bestelde wat te drinken voor ons. Hiske glimlachte naar Nadim en sloeg een notitieblokje open. Ze klikte haar pen open en dicht. Toen zei ze: ‘Je ziet eruit als een echte Jordaanvader.’ 

U moet weten dat ik Hiske Versprille heb leren kennen als een behoorlijk scherp observator (zie bijvoorbeeld haar stukken in het Parool en op de site Hard Hoofd). Ieder ander had ik om die opmerking een eikel genoemd en tegen zijn enkel geschopt, maar omdat het Hiske was, besloot ik haar woorden even te parkeren om er later nog eens rustig over na te denken. Later is nu. 

Er zijn twee mogelijke uitgangspunten: 1) Ik zie er echt uit als een Jordaanvader en ben er dus ook een; 2) Ik ben een absoluut uniek individu, dat weliswaar in een bepaalde context leeft (de Jordaan) en ook nageslacht heeft en ook mannelijk is, maar dat eruitziet als geen enkel ander individu (en zéker geen genre). 

Het antwoord ligt meteen voor de hand. Uitgangspunt 1 kan niet anders dan het juiste zijn. Maar hoe? Wat aan mij, behalve mijn slonzigheid en het feit dat ik een kind bij me had, maakte me specifiek Jordaanvader? Andere vaders in mijn buurt kan ik alleen betrappen op dezelfde zonnebril (Persol, mijn enige prijzige accessoire). Is de mal voor Jordaanvaders dan zo breed dat hij bijna alle kledingstijlen omvat? Wat maakt de mannengroep waartoe ik kennelijk behoor dan zo overduidelijk Jordaanvaders? 

Na een boterham met pindakaas en een espresso begon me iets te dagen. Had het niet met afstand te maken? Als mijn oudtante vroeger een zwarte man zag lopen dan zei ze: ‘Kijk, een neger.’ (Eindhoven, 1978). Als een zwarte oudtante dezelfde zwarte man zag lopen, dan had ze waarschijnlijk ‘Hoi Rudolf’ tegen hem gezegd. Was mijn Jordaanvaderschap niet het gevolg van hoe oppervlakkig Hiske me op dit moment nog kende? 

Ja, besloot ik. Dat moest het zijn. Ik zou ervoor zorgen dat Hiske me beter leerde kennen, en daardoor zou ik de brede mal van Jordaanvaderschap overstijgen, om voortaan te worden beschreven als schrijvende huisvader (op Surinaamse slippers). En als het me gegund was, dan zou ik zulke goede vrienden met Hiske worden dat ze uiteindelijk (als we onze vijftigste verjaardagen samen vierden) in haar toespraak zou zeggen: ‘Gilles, jij bent echt volstrekt uniek. Je ziet eruit als geen enkel ander individu.’

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Pressure drop

Afgelopen zondag, midden op de Prinsengracht, viel me iets vreselijks in. Iets echt afgrijselijks. Ik durfde – of zal ik dorst gebruiken? Nee, mensen die dat nu nog schrijven doen het expres en zijn dus eikels. Ik ben eigenlijk al een eikel omdat ik het overweeg – ik durfde het dus bijna niet tegen Birre te zeggen. Bijna.

‘Weet je’, zei ik. ‘Wat ik net bedenk?’

Het duurde even voor Birre opkeek, omdat ze net Ozewiezewozewiezewallakristalla voor Nadim aan het zingen was, die op de rand van slaap hing. Na een laatste up-tempo zewiezewies-wies-wies! sloeg mijn vrouw haar ogen op om aan te geven dat ik aan de beurt was. 

‘Ik weet niet meer wanneer ik voor het laatst niets gedaan heb, zonder daardoor meteen ook iets niet te doen’, zei ik.

Birre stopte met lopen. Ze keek me aan en knipperde met haar ogen, die groot en blauw waren. ‘Jij bent zeker schrijver?’

‘Toevallig wel.’ 

‘Mooi gevonden, hoor.’

‘Dank je. Maar is het niet vreselijk?’

Behendig wipte ze Nadims kar een stoepje op. Er volgde een kleine slalom waarbij een fietser, een hond – niet Otis – en een tweetal paaltjes moesten worden ontweken. Onze zoon sliep en bleef slapen. Toen we weer naast elkaar konden lopen, haalde ze haar schouders op. ‘Misschien is dat gewoon even zo.’

‘Hoezo is dat gewoon even zo? Wat nou als het nooit meer overgaat? Dat is toch heel erg erg?’

‘Erg erg?’

Een man in een rolstoel moest erdoor. We stapten uit elkaar. We stapten weer naast elkaar. Een belachelijk klein wolkje hing in zijn eentje boven de Elandsgracht. Misschien, dacht ik, moet ik iets met Mindfulness doen. Maar Mindfulness was zo middle management, zo Lease Plan. Woody Allen was ook niet Mindful. Je moest van huis uit al een beetje simpel zijn om het écht goed te kunnen. Opeens werd ik een beetje misselijk van het woord. Mijn handen voelden klam. Wat nou als het maar door en door ging, met dat denken van me. Als het nooit meer op zou houden?

‘Ik denk dat ik een paniekaanval ga krijgen’, zei ik.

‘Lul niet’, zei Birre. ‘Jij hébt geen paniekaanvallen.’

En dat was ook weer zo. We staken de Elandsgracht over. Het viel me op dat het belachelijk kleine wolkje ons volgde. Steeds als ik omhoog keek was het er, kiekeboe spelend vanachter de daken van de huizen aan de Prinsengracht. Misschien moest ik gelovig worden, dan kon ik denken dat God (wiens naam ik dan ook met een hoofdletter zou schrijven, wat heel vet was) me altijd en overal zag. God zou me rust geven. Ik zou om kunnen gaan met de dood van vrienden, die van mijn ouders en van Birre en mezelf. Zelfs de dood van Otis de Hond over een jaar of tien zou wel te doen zijn als ik God had. Ik keek naar het einde van de riem in mijn rechterhand, en daar was mijn hondje, blij als altijd.

‘Ik moet je waarschuwen’, zei ik tegen Birre. ‘Het kan zijn dat ik op iets latere leeftijd een heel naïef geloof zal moeten aanhangen. Gewoon om ermee om te gaan dat alles maar doodgaat en zo.’

‘Kijk nou eens’, zei ze. ‘Hoe lekker ons mannetje slaapt.’

En ik keek. En het was zo. En het was maar goed dat Nadim mij had, die er zo lang mogelijk voor zou zorgen dat hij niets – of maar één ding tegelijk – zou hoeven doen. En als dat betekende dat mijn eigen nietsdoen voorgoed voorbij zou zijn… Ach. Later, wachtend op het oordeel van mijn vrij recente God, zou ik kunnen zeggen dat ik tenminste één ding goed gedaan had.   

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Leren, lezen

 

 

 

 

 

 

In mijn hoekje van de bank las ik de laatste regels van Gustaaf Peeks Ik was Amerika. Ik sloeg het boek dicht en liet mijn handen op de kaft rusten, die plakte aan de kringels op mijn vingers. Daaronder gonsden de duizenden opgestapelde zinnen nog na. Ik wist dat het er duizenden waren omdat ik ze één voor één gelezen had.  

‘Kut’, zei ik.

Birre trok haar benen op en liet Arjen Lubachs Magnus zakken.

‘Cijfer?’

Zonder na te denken zei ik: ‘Tien.’

‘Echt?’

Ik knikte. ‘Het is een geweldig boek. Net toen ik dacht: Dat einde is een beetje een anticlimax, als hij zijn vriend eindelijk vindt, toen vond ik het óók meteen zoveel mooier dan dat het een echte climax was geweest, omdat het zoveel échter is dat het loopt zoals het nu loopt…’

‘Gil.’

‘Wat?’

‘Ik moet ‘m nog lezen.’

‘O. Oké. Sorry.’

Ze legde Magnus neer en liet haar voeten over de rand van de bank zakken, waar ze blind als mollen de openingen van haar sloffen vonden. Op weg naar de wc vroeg ze: ‘Nummer hoeveel was dit nou?’

‘Dertien, denk ik.’

‘Heb je ’t wel opgeschreven?’

Birre is een fervent lijstjesmaakster. Als klein kind schreef ze al schriften vol toptienen van al het denkbare. Het mag dan ook geen wonder heten dat het Gillesch Nederlandsch Leeschoffensief haar idee was.

Zolang ik me herinner las ik uitsluitend Amerikaanse en Engelse fictie. In het Engels. Al op de Schrijversvakschool leverde dit problemen op, maar toen ik begon met publiceren werd het alleen maar erger. Je moet toch op zijn minst een drietal Nederlandse Helden hebben, als Nederlandse schrijver? Ik wilde niet worden zoals onze groentenman Wim, die bij bijna al zijn groenten kan toelichten dat hij ze zelf nooit eten zou.

‘Daar moet je wat aan doen’, had Birre gezegd.

Maar ik dacht dat ik in het Nederlands niet kon vinden waar ik het meest van hield. Dat mijn soort verhalen hier niet bestonden.

‘Dat kan niet’, zei Birre. ‘En je zal het ook nooit weten als je het niet probeert.’

Ik wilde daar graag iets tegenin brengen, maar niet alleen heeft Birre bijna altijd gelijk, ze wéét het als ik weet dat ze gelijk heeft.

‘Goed’, zei ik. ‘Wat stel je voor?’

‘Ik stel voor dat de komende twintig boeken die je leest Nederlandse zijn.’

‘Allemaal? Je bedoelt een soort Nederlandsch Leeschoffensief?’

‘Ja. Waarom slis je?’

Op dit moment lees ik boek nummer 14: Jan van Akens Het fluwelen labyrint. Tot nog toe is het gemiddelde van de cijfers die ik uitdeelde als indicatie van mijn leesplezier een 7,1. De laagste score was een 2,5 en de hoogste punten gingen dus naar Gustaaf Peek. Verder zal ik geen namen noemen, omdat wij schrijvers al genoeg lijden onder mensen die cijfers aan hun eigen smaak verbinden. Het moge in ieder geval duidelijk zijn dat het Nederlandse boek – met nog 6 stuks te gaan – vér boven mijn verwachting zal gaan scoren. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Dingen maken

Mijn catering van afgelopen zaterdag was een private dining. Het verschil is dat je bij private dining voor de mensen gaat koken met hun eigen pannen, waarover ze altijd van tevoren waarschuwen dat die niets voorstellen. Om er zeker van te zijn dat je ter plekke toch een mooi visje kunt bakken, sleep je dan je zware pannen mee, en zo kom je uiteindelijk hijgend aan in een keuken waar de meeste professionele koks alleen van kunnen dromen. Het begint erop te lijken dat mensen die aan private dining doen hun keukens met het oog daarop outilleren.

Meestal kom ik rond een uur of drie met mijn boodschappen aanzetten om de keuken te verkennen, alle laatjes open en dicht te doen en ruimte te maken in de koelkast. Dan vind ik het espresso-apparaat (iedereen die private dinet heeft er een), zet een Nespresso voor mezelf bij gebrek aan anything else en ga aan de slag.

Een kok die in je moeders keuken staat moet een magisch iets zijn. Er moet een onweerstaanbare aantrekkingskracht vanuit gaan. Op geen andere manier kan ik verklaren hoe kinderen tussen de leeftijden twee en dertien het opbrengen om een hele dag lang elke twee minuten naar iemand te komen kijken die bijvoorbeeld uien fruit, en vragen te stellen als:

Is dat mes heel scherp?

Ben jij wel een hele goeie kok?

Is die pan heel heet?

Ooo, mag jij dat wel zeggen?

Naarmate de dag vordert worden steeds meer kinderen uit de steeds wijdere omgeving gewaar (het moet een soort sonar zijn) dat er in het huis op nummer 3 een heuse kok te zien valt, en zo’n beetje op het drukst van je mis en place staat er een leger dreumessen aan het aanrecht geplakt, dat met hun tere witte anemoonvingertjes steeds dichter bij precies de heetste pannen kruipt. Deze fase in de voorbereiding is meestal ook de fase waarin de kok-aan-huis ontdekt wat hij vergeten is.

Er is altijd iets vergeten. Zaterdag was het de sepia.

Het was de schuld van Jacob, van viskraam Schilder op de Albert Cuijp. Dat is die vaste kraam, die stalen kar in het midden, waar het altijd zo druk is. Jacob is die kale met dat ringbaardje. Ik veegde een rits anemoonvingers van het aanrecht, sloot mijn ogen, en telde tot tien.

‘Jacob’, zei ik. ‘Lul.’

Ik was in Loenen. De visboer daar zou niet weten wat sepia was. Eventuele vongole zouden vrijwel zeker uit de vriezer komen. Er zou – door mij – moeten worden geïmproviseerd.

Inmiddels ben ik niet meer bang voor improvisatie, omdat ik geleerd heb dat daardoor de beste gerechten ontstaan. Als ik mijn zeekat had gehad, dan zou ik fluitend linguine al nero di sepia gemaakt hebben, maar nu zou ik niet in staat zijn de materie naar mijn voorgenomen hand te zetten. Ik zou heel goed moeten blijven denken, zoeken, proeven. Gebruikmaken van wat ik kon vinden. Ik zou aandachtig moeten volgen wat er in mijn pan gebeurde, zodat ik daarop kon reageren, en zoals zo vaak als ik iets aandacht en liefde gaf, zou ik uiteindelijk breed grijnzen om het eindresultaat.

Ik groef in mijn tas en vond een homp botarga en een bol knoflook. De heer des huizes – die eigenlijk alleen maar een biertje uit zijn koelkast kwam halen – zond ik erop uit om tomaten te scoren, wat hij onverwijld deed omdat hij een goeie gozer was en omdat zijn dochter van twaalf het weigerde te doen.

Iets moois maken is wat mij betreft veertig procent controle en zestig procent vrijheid. Iets laten groeien, en alleen bijsturen als het de verkeerde kant op dreigt te gaan. In de interviews waaraan ik sinds Hier sneeuwt het nooit ben onderworpen, zeg ik steeds hetzelfde, maar niemand lijkt het op te pikken. De mensen gaan er vanuit dat ik mijn verhalen bedacht heb; woordje voor woordje in elkaar heb gezet. Kees ’t Hart vroeg me naar de maatschappijkritiek die hij erin meende te zien. Arie Storm vond mijn werk te geconstrueerd. Ik begrijp daar niets van, omdat ik zo niet werk.

Toen ik afscheid nam van de familie waar ik een hele zaterdag een beetje bijgehoord had, kwam de vader naar me toe. Hij leek me niet kwalijk te nemen dat ik hem die middag op pad gestuurd had. Hij legde zelfs een hand op mijn schouder.

‘Ik vond alles lekker’, zei hij. ‘Maar die pasta met tomaatjes en botarga…’

Tenminste iemand die het begrijpt, dacht ik, terwijl ik mijn ongebruikte pannen terug in de auto zette

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Woezel en Pip

Het begon vanochtend, toen ik met Nadim op Youtube filmpjes van Woezel en Pip aan het kijken was. In een van de filmpjes ontdekte Pip dat alles aan hem opeens veel groter leek. Gelukkig kon zijn beste vriend Woezel hem eraan herinneren dat hij jarig was, en hem een extra grote verjaardagsknuffel geven.

‘Dáárom is het’, zei Pip. ‘Dáárom ben ik groter geworden.’

‘Birre’, zei ik.

Achter me, in de keuken, sputterden onze eitjes in Birres pan. ‘Wat, lief?’

‘Ik zit te janken bij Woezel en Pip.’

Birre schoof de pan aan de kant en kwam me een extra grote knuffel geven.

‘Mis je je vriend?’ zei ze.

Grappig – of juist niet grappig – hoe je tegelijk zó sterk kunt hopen dat iemand een bepaalde vraag stelt, en ook dat ze hem niet stelt. Als ik een lezer was die de Telegraafstrip Liefde is…* mocht invullen (zoals tijdens de vakantie van de maker wel eens gebeurt) dan zou ik kiezen voor: Elkaar de juiste vragen stellen

Een bijkomend voordeel is dat als iemand de juiste vragen stelt, je de meest pathetische dingen niet zelf hoeft te zeggen. Birres tweede vraag was dan ook: ‘Je mist hem héél erg hè?’ 

Ik hoefde alleen maar te knikken en nog meer te janken.

Dat was vanochtend. Het was heel even. Daarna was er weer de catering die ik voor vandaag had aangenomen. Ik zette Nadim op de mat met zijn doos met speelgoed, gooide mijn koffie achterover, haalde Otis de Hond uit zijn mand en fietste naar de markt om vis te kopen.

Jacob en Henk van de viskraam waren blij om me te zien, en ik moest heel hard binnensmonds Godverdomme zeggen om niet wéér te gaan huilen. Wat was er toch met me aan de hand?

De vis was prachtig. Ik kocht alles. Er waren kneiterverse langoustines uit de Noordzee, die veel te duur waren. Ik kocht en kocht en kocht als een Russische bruid met haar eerste creditcard, en werd maar niet gelukkiger.

‘Sorry, vriend’, zei Jacob, ‘dat laatste verstond ik niet.’

‘Anders niets’, zei ik. ‘Gdvrdmme.’

Op weg naar huis bedacht ik dat Birre gelijk had. Sinds de dood van mijn vriend had ik geen moment stil kunnen staan. In één jaar verloor ik Gijs, werd ik vader, werd mijn bundel uitgegeven en zowel extatisch als schoorvoetend ontvangen, nam ik een bedrijf over met klanten als de Rechtbank, dat psychologische rapportage verzorgt die van levensbelang is voor de onderzochte, en tikte ik in geen enkele nacht ook maar zijdelings een REM-slaap aan. En had ik al gezegd dat ons huis verbouwd wordt?

Ik was écht, voor het eerst in mijn leven, uitermate zielig. Ik was óók vergeten eieren te kopen, en dus moest ik met al mijn tassen langs de Jumbo, waar het op zaterdag drukker is dan in een Dresdener schuilkelder in februari ’45. Ik Godverdomde Birre’s fiets op slot (de mijne is vorige week gejat) en aaide Otis de Hond, die al braaf naast de hondenwachtkrul was gaan zitten, zijn ogen als de zwarte knoopjes op een knuffelberenporem.

‘Lief’, zei ik. ‘Godverdomme.’

Met in mijn armen de eieren en nog veel meer dingen die ik in het voorbijlopen van de schappen vergeten bleek, slalomde ik tussen de winkelende mensen door, toen mijn aandacht getrokken werd door een snerpend gepiep. Ik keek om en zag een donkere vrouw van mijn leeftijd, die met haar dochtertje van een jaar of vier aan het winkelen was. De vrouw had een rond gezicht en een mond die klaar leek om te lachen. Ze neuriede; babbelde onzin tegen haar dochter. Toen ze me voorbijliepen, zag ik dat de vrouw een sleepmandje achter zich aan trok, waarvan de wieltjes overbelast waren. Dat kwam omdat haar jongste dochter in het mandje zat, haar handjes om de rand geklemd. Een zak paprikachips was als een groot donzig kussen achter haar hoofd gestoken.

Ergens achter mijn borstbeen sloeg een libelle haar vleugels uit. De lucht, die door haar vleugelslagen opwaarts gestuwd werd, verplaatste zich door mijn longen en verzamelde momentum in mijn luchtpijp, waar hij mijn stembanden passeerde op weg naar buiten.

‘Ha!’ kwam er uit mijn mond. ‘Ha! Ha!’

De vrouw keek om en volgde mijn blik. ‘Slaapt ze?’

Ik schudde mijn hoofd; vroeg of ik een foto van haar dochter mocht maken.

‘Ja hoor’, zei de vrouw, die haar mandje losliet en naar de broodafdeling liep. Ik maakte een foto met mijn telefoon en stuurde die aan Birre. Zo zou ze weten dat er ook leuke dingen waren gebeurd, vandaag. Misschien zou ze straks, als ik thuiskwam van mijn catering, vragen: En, heb je een beetje een leuk dagje gehad?

 

            

 * Staan die er nog in, die blote kinderpoppetjes met hun manga-ogen? Als je geen tv kijkt en niet van voetbal houdt, blijven er weinig redenen over om een Telegraaf te kopen.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Darryl Hunt

 

In de heel erg vroege ochtend haalde ik onze auto op uit de verre parkeerkelder waar hij al vier jaar een vergunning afwacht, en laadde Nadim en Otis de Hond in. Ik kuste Birre – die op haar fiets sprong om naar haar werk te gaan – keek haar na tot ze de straat uit was, en reed aan. 

Nadim dommelde wat. Otis de Hond zuchtte en rolde om op de achterbank. Toen ik de forenzenstroom op de Prins Hendrikkade getrotseerd had, dook ik de Piet Heintunnel in en niet lang daarna zaten we op de snelweg, waar ik liedjes begon te zingen voor Nadim, die daar een beetje verstoord bij keek. Toen ik in het refrein van Man in the Mirror een of twee hoge noten miste, fronste hij vanuit zijn babystoel.

‘En jij dan’, zei ik. ‘Met je kinderachtige speen.’ 

Ik zette iets lager in en begon aan Always, van Atlantic Starr. Nadim klaarde zienderogen op, maar ikzelf werd geraakt door de herinnering aan Meneer Kappers, die Nederlands gaf op mijn middelbare school.

Omdat er nog geen maatschappijleer bestond, viel het meneer Kappers ten deel zijn leerlingen elk jaar een documentaire te laten zien over Darryl Hunt, een negentienjarige wat onnozel ogende Afroamerikaanse jongen uit Huntsville Texas, die in 1984 door een blanke jury ten onrechte ter dood werd veroordeeld voor de verkrachting van, en moord op de blanke journaliste Deborah Sykes.

Op de avond voor zijn executie stond de gevangenisdirecteur Darryls zussen en broers toe hem te bezoeken, waarbij de jongen snikkend luisterde hoe zijn familie het nummer van Atlantic Starr voor hem zong.

Pas na de executie van Darryl, die tot het laatste moment hoopte op gratie van de gouverneur, zou een getuige naar voren komen die hem een postuum, maar spijkerhard alibi verschafte.

Wat bedremmeld zette ik de auto stil in de oprit van mijn ouderlijk huis. Ik laadde de inmiddels slapende Nadim uit en drukte hem in mijn moeders armen om zelf onder meer en ongestoord aan de slag te gaan met deze blog. 

Natuurlijk herinnerde ik me een aantal details van de documentaire niet meer zo heel helder (het moet 1989 geweest zijn), en dus besloot ik op het onfeilbare internet even mijn geheugen op te frissen. Darryl Hunt was gauw gevonden. 

Hij is nu een oude man. Hunt is in 1984 niet ter dood, maar tot levenslang veroordeeld, waarvan hij meer dan 19 jaar uitzat tot DNA-bewijs hem in 2003 vrijpleitte. Nu wordt aangenomen dat Ene Willard E. Brown Sykes’ moordenaar en verkrachter was. Darryl Hunt is sinds zijn vrijlating het gezicht van een stichting die zich inzet voor ten onrechte veroordeelde gevangenen. 

Ik at een banaan. Ik zette koffie. 

Nu is het nu. Ik deel een wat stoffige madeleine met Otis de Hond. 

In de psychologie (wat ik tenslotte ooit studeerde) is veel onderzoek verricht naar de falsificeerbaarheid van herinneringen. Ik kan dat onderzoek het best samenvatten door te zeggen: Herinneringen zijn zelden zo waar als je denkt dat ze zijn, en hoe verder de herinnerde gebeurtenis in het verleden ligt, hoe ieler de band met de feiten. 

Maar toch: ik heb zulke kristalheldere herinneringen aan die documentaire. Ik zie de kaarsen van de mensen die zich buiten de gevangenismuren verzamelden om Darryl Hunt bij te staan op de avond van zijn executie, en zelfs de papieren ringen die om de kaarsen zaten tegen het druipende kaarsvet, waarvan ik dacht dat het gezien de omstandigheden wat kleinzerig was… 

Na Hunts dood (die gelukkig niet in beeld gebracht werd) verscheen de tekst over zijn bewezen onschuld op het scherm. Barry zat naast me te snotteren als een bij met hooikoorts. In het bankje voor ons jankten Kirsten en Annabel hun machteloze woede eruit in elkaars armen. Ik herinner me zelfs mijn vluchtige fantasie over hoe dat janken zoenen zou worden en mijn schaamte over die fantasie, wederom gezien de omstandigheden. 

Heb ik daar wel op school gezeten?

Is dan alles fictie?  

Wie ben ik, en hoe lang heb ik al een parkeervergunning?

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Oud Nieuws

Gisteren was mijn vriend Gijs op het Nieuws. Andere vrienden belden me. Ze zeiden: ‘Zet je tv aan.’ Maar ik was op straat, dus dat ging niet. Toen ik langs Toscanini liep kwam ik Kelly tegen, die me zijn iphone voorhield.

‘Moet je kijken’, zei Kelly, en drukte op play.

Het journaal van die dag: een stukje over de economie, met beelden van de Dam, de Bijenkorf. De draaideur van de Bijenkorf draaide en mensen liepen in en uit. Iets in mijn hersenen herkende Gijs voordat ik hem bewust waarnam. Ik weet nog dat ik schrok, mijn focus iets verzette, en daar stond hij: bellend, leunend tegen een van de kolommen bij de ingang.

Allemaal niet zo heel bijzonder. Ware het niet dat Gijs gisteren meer dan een jaar en drie maanden dood was. Hij kwam om het leven door een belachelijk ongeluk, terwijl hij een man was die een eervoller dood verdiende. Hij was een ouderwetse mannenman, die in een loopgraaf niet misstaan zou hebben. Explosies. Rook & vuur. Schreeuwende gewonden. Een snelle sigaret en dan de ladder op, borst vooruit om de roestige bajonet van de tegenpartij mee te vangen.

Het Nieuws was te lui geweest om nieuwe beeldvulling te maken, en had een stagiair gevraagd wat archiefbeelden op te halen. Iets met winkelende mensen op een herkenbare plek. Ongetwijfeld woonde de stagiair in Amsterdam. Alle stagiairs die bij het nieuws werken wonen namelijk in Amsterdam, omdat daar het meest gebeurt. Amsterdam + winkel + herkenbaar = de Bijenkorf.

Gijs stond te bellen, zijn benen gekruist. Zijn brede soldatenschouders, de smalle heupen waar zo goed een munitiegordel omheen gekund zou hebben. Nu vond ik het opeens heel belangrijk te weten wie hij daar aan het bellen was. Misschien was ik het wel. Dat ik opnam, zo van: Gozer!

En hij: Goos. Ik bedenk net dat ik binnenkort jarig ben. 

Weet ik. En nu vraag je je af wat ik die dag ga doen?

De meeste mensen vieren mijn verjaardag thuis, dit jaar. 

Dat was ik ook van plan. TV aan, Otis de Hond met een feestmuts…

Ik denk erover om iets met mijn vrienden te eten. Misschien wel zonder hond.

O. Ok. Zal ik even in mijn agenda kijken?

Doe jij dat maar even.

Gijs, in mijn agenda staat dat ik kan. Je zult het zelf aan Otis uit moeten leggen.

Thuis keek ik het filmpje nog eens op Uitzendinggemist. De gemakszucht van de medewerkers van het Nieuws stak me. Wie wist hoeveel dode mensen er rondliepen in beeldmateriaal dat als actueel gepresenteerd werd? Ik vond dat Sasha de Boer had moeten zeggen: ‘Het nu volgende archiefmateriaal kan beelden bevatten van inmiddels overleden mensen. Het zien van telefonerende doden kan schokkend zijn voor jonge of anderszins betrokken kijkers.’

De crisis, dacht ik, zou nog wel even duren. Er zouden nog vaak beelden van winkelende mensen moeten worden geplakt onder monoloogjes van Sasha de Boer over de teruglopende koopkracht. Het was de moeite van een mailtje waard.

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Vuurvliegjes

 

 

 

 

 

 

 

We waren in Italië. Het was donker. Otis de Hond liep voor ons op het pad en keek om de zoveel meter achterom. De stilte kwam door het landschap, maar ook doordat we Nadim in zijn reisbedje hadden gestopt, waar hij eindelijk in slaap gevallen was.

‘Ga maar, jongen’, zei ik tegen Otis de Hond. ‘Het is goed.’

‘Ik vraag me af waarom ze glimmen’, zei Birre. ‘Vraag jij je dat niet af? En glimmen ze altijd, of alleen maar als ze samen zijn?’

Vuurvliegjes verlichtten de struiken aan weerszijden van het pad alsof het kerstmis was. Soms besloot er eentje toch aan de andere kant van het pad te willen zitten, en dwarrelde er een vonkje voor onze neuzen langs.

‘Ik vind het geen erg sfeervol licht’, zei ik.

‘Hoezo niet? Het is toch juist fantastisch mooi?’

‘Ik bedoel dat hun lichtjes meer LED-lampjes lijken dan gloeilampjes.’

Waarom zei ik dit soort dingen? Wat voor man die met zijn vrouw en hond ging wandelen in de zwoele Marchigiaanse nacht en daarbij verrast werd door een haag van levende lichtjes, vond het nodig om over Light Emitting Diodes te beginnen? Iets, diep in de kern van mij, zat scheef, en zou ook nooit meer recht komen.

Birre pakte mijn arm. ‘Ik vind je lief.’

‘Hoezo dat nou weer?’

‘Omdat je van die dingen zegt terwijl ik eigenlijk wel weet dat je de vuurvliegjes ook heel mooi vindt, net als ik, en dat je hartje ook opzwelt van geluk als je ze ziet. Omdat het toch voelt alsof ze daar speciaal voor ons aan het gloeien zijn.’

Ik dacht eraan dat mensen samenleven met het beeld dat ze van de ander hebben; zo’n beeld is een verhaal dat iemand zichzelf vertelt, dat groeit – verdiept – naarmate de jaren verstrijken. Birres verhaal over mij was bij verre te verkiezen boven het beeld dat ik van mezelf had. En misschien, als ze het heel goed vertelde, zou ik er met het verstrijken van de jaren zelf in gaan geloven.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Een wit konijn

 

 

 

 

 

 

 

Met deze blog zwaai ik af als blogger in residence. Ik vond het heel feestelijk. Ik voelde me vaak als een schilder die naar buiten gaat en schetsjes maakt van wat hij tegen het lijf loopt. Hup, een paar lijnen, een beetje kleur, klaar, volgende. Zo ging het ook met die stukjes. Ideetje, paar zinnen, beetje uitwerken, klaar. Heerlijk.

Nu terug naar de roman in wording. Dat is andere koek. Van de voorjaarstuin naar het administratiekantoor. Laatst vroeg iemand mij waarom schrijvers door de bank genomen zo lelijk zijn. Nou ja, dat is dus omdat ze de hele dag in dat muffe kantoor zitten. En maar tikken. En maar lezen. En maar nadenken. Daar word je niet mooier van. Er zijn uitzonderingen, dat wel, zoals Heleen van Royen. En Maartje ‘t Hart natuurlijk.

Ik draag het stokje over aan Gilles van der Loo. We zijn min of meer gelijktijdig literair ontmaagd, eerst door Van Oorschot, toen door de recensenten en vervolgens door lezers uit alle windstreken. Drievuldig ontmaagd: onze literaire openingen gloeien er nog van na.

Lotgenoten dus maar toch hebben we elkaar pas een paar weken geleden ontmoet, op een terras in Amsterdam. Gilles had een wit konijn bij zich dat Geert heette. Naar Geert van Oorschot? Ja, zei hij, ruik maar. Ik snuffelde en inderdaad: het dier rook naar sigaren. Maf.

Ik moest meteen denken aan Het tuurtouw van Jeroen Brouwers, waarin hij Geert van Oorschot herdenkt. Hij herinnert zich daarin dat hij als jongeling zo goed wilde schrijven dat zijn boeken ooit bij Van Oorschot zouden verschijnen. Kijk, dacht ik, dat is Gilles en mij toch maar mooi gelukt. Ik kneep eens tegen de zon, nam een bitterbal en toen een slok koud bier. Soms is het leven angstaanjagend prettig.

Hij leek ook wel een beetje op de fameuze uitgever, dat konijn van Gilles. Ik vroeg hem waarom hij het dier naar Van Oorschot had vernoemd, maar dat wist hij niet. Het was een inval. En hoe kan een konijn naar sigaren ruiken? Nu keek Gilles me aan alsof ik simpel was. Omdat het sigaren rookt natuurlijk.

Nou moe!

Heeft u Hier sneeuwt het nooit al gelezen? Nee? Nou, dat moet u dan als de donder maar eens doen.

Ik wens u een onvergetelijke zomer.

Leve de Kunst!

Kerkgang

 

 

 

 

 

 Philip Larkin (1922 – 1985)

Zo nu en dan loop ik vanaf het huis de heuvel op om over het kerkhof te dwalen. Altijd goed voor het humeur. Praktisch ook, zo’n kerkhof naast de deur. Als ik in dit huis sterf hoeven ze mijn lichaam slechts in een stevige kruiwagen te leggen, een voetbalveldlengte naar boven te rijden, en in een graf te kieperen. Klaar was Sander.

Kumla Kyrka. Kumlaa Sjuurkaa. Soms is het kerkje open en als ik zeker weet dat er niets gaande is ga ik naar binnen. De deur valt met een plof dicht. Loopmatten, banken, steen. Stapels met psalmboeken. Bosjes bloemen, gesneden voor de zondag, verwelkt nu.

Once I am sure there’s nothing going on
I step inside, letting the door thud shut.
Another church: matting, seats, and stone,
And little books; sprawlings of flowers, cut
For Sunday, brownish now.

Ik beklim het kansel, lees een paar grootgeletterde verzen, en declameer ‘Hier eindigt’ veel luider dan ik bedoelde. De echo’s grinniken even.

Mounting the lectern, I peruse a few
Hectoring large-scale verses, and pronounce
‘Here endeth’ much more loudly than I’d meant.
The echoes snigger briefly.

Hoelang houden kerken nog stand? Zullen mijn kinderen ooit begrijpen wat ik begrijp zonder dat ik ze dat kan uitleggen – hooguit door ze mee te nemen? En als dat lukt, zal hun begrip dan deze gebouwen redden? Misschien, misschien niet. Ik kan me deze kerk gemakkelijk voorstellen als een vorm die met de week vervaagt, de bedoeling steeds onduidelijker.

A shape less recognisable each week,
A purpose more obscure.

Wie zal de laatste zijn die hier nog komt omdat het een kerk is? Een architectuurliefhebber? Een of andere liefhebber van kerstfeestkitsch? Of toch iemand zoals ik die, in het besef dat het geestelijk specie is verkruimeld, toch zoekt naar deze kruisvormige plattegrond, omdat het zo lang en kalm bijeenhield wat sindsdien slechts los wordt aangetroffen – huwelijk, en geboorte, en dood, en gedachten daarover -, waar dit omhulsel voor is gebouwd?

Or will he be my representative,
Bored, uninformed, knowing the ghostly silt
Dispersed, yet tending to this cross of ground
Through suburb scrub because it held unspilt
So long and equably what since is found
Only in separation – marriage, and birth,
And death, and thoughts of these – for which was built
This special shell?
 
Kumla Kyrka: ik geloof in geen enkele god, maar ben hier op mijn gemak. Een ernstig huis op ernstige grond, dat is het, waar in verschaalde lucht alles wat onontkoombaar is samenkomt, herkend wordt en als lot getooid. En dat kan in elk geval nooit verloren gaan, want er zal altijd iemand zijn die zichzelf verrast met een verlangen naar ernst, en daarmee naar deze plek dwaalt, die zich goed leent, heeft hij wel eens gehoord, om wijsheid te vergaren, al was het maar omdat er zoveel doden liggen.

A serious house on serious earth it is,
In whose blent air all our compulsions meet,
Are recognized, and robed as destinies.
And that much never can be obsolete,
Since someone will forever be surprising
A hunger in himself to be more serious,
And gravitating with it to this ground,
Which, he once heard, was proper to grow wise in,
If only that so many dead lie round.

Henk van den Idsert

 

 

 

 

 

 

 

Waarom is dit toch zo weergaloos mooi? Ik heb die vraag vaak gesteld, over gedichten, muziek, theater enzovoort, zonder ooit een bevredigend antwoord te vinden. Je vliegt al snel uit de bocht met te lange zinnen die de schoonheid beschrijven maar niet verklaren. Ze blijft raadselachtig: evident maar onverklaarbaar.

Dat maakt het ook lastig om over schoonheid te praten. Ik heb al ik weet niet hoe vaak mijn kop gestoten omdat ik iemand een muziekstuk, boek of film onder de aandacht bracht, in de heilige overtuiging dat mijn oordeel meteen gedeeld zou worden. Niet dus: krankzinnig genoeg bleken geregeld zelfs mijn beste vrienden een andere mening toegedaan. En dat liet zich niet corrigeren, al praatte ik als Brugman.

Ik ervaar schoonheid dus ongeveer zoals gelovige mensen hun god. Ze is direct herkenbaar maar tallozen zien haar niet. Ze is troostrijk maar droogt lang niet ieders tranen. En ondanks het evidente tegendeel blijf ik koppig volhouden dat ze universeel is. Het ongelukkige gevolg is dat ik mensen die niet met stomheid worden geslagen bij het zien van Goya’s portret van de Hertogin van Chinchón (die in het Uffizi), het beluisteren van Dylan’s Simple twist of fate of het lezen van Pessoa’s Wanneer de lente komt, beschouw als stakkers die zo snel mogelijk tot inkeer moeten worden gebracht.

De hierboven afgebeelde aquarel is van de Bergense schilder en beeldhouwer Henk van den Idsert (1921 – 1993). Van den Idsert is wat mij betreft een van de grootste Nederlandse kunstenaars van de tweede helft van de vorige eeuw, maar bekend is hij niet, misschien omdat de publieke aandacht uitging naar abstract expressionisme, Cobra, Pop Art, Op Art, conceptuele kunst, performances, mediakunst en nog zo wat.

Idsert – zo ondertekende hij zijn werk – was van een ander slag. Hij was een lyrisch kunstenaar – iemand van de schoonheid, intuïtief en emotioneel. Bij hem geen konsepten of eksperimenten maar een verbluffende ambachtelijke beheersing. Kleur, vorm, compositie: het is altijd trefzeker. Ik stel me voor dat hij zich, in de zekerheid van zijn vakmanschap, kon veroorloven elk werk te beginnen zonder te weten waar het hem zou brengen. Zijn vakmanschap gaf hem ruimte: je ziet dat bij veel grote kunstenaars.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat uiteindelijk de aandacht trekt is de emotionele lading van het werk, zoals in dit zelfportret. Eerst zie je de trefzekerheid van kleur, vorm en compositie – prachtig, die trui en sjaal, en daarachter dat bijna Mondriaanachtige atelier -, maar je blijft ten slotte hangen bij de blik van de schilder. Wat zie we nou eigenlijk? Een man in de kracht van zijn leven, sterk, vol zelfvertrouwen. Maar we zien ook iemand die niet helemaal aanwezig is, die in gedachten verzonken is, de aandacht bij een herinnering die kennelijk iets beklemmends heeft – dat leid ik af aan de spanning op zijn gezicht, die opgetrokken wenkbrauw, de samengeknepen lippen. Wat is er aan de hand? En: hoe heeft hij zichzelf zo kunnen zien? Hoe betrap je jezelf op een moment dat je in gedachten verzonken bent en een of ander verdriet door je gezichtstrekken schemert?

Zo vergaat het me vaak bij het werk van Van den Idsert. Ik kijk ernaar, en dan nog eens, en nog eens, aangedaan, piekerend over wat er nou eigenlijk gaande is, en bevangen door iets dat zich niet laat uitleggen – dat zal dus wel schoonheid zijn.

NB
Voor wie meer wil weten en zien: er is een boek over Van den Idserts werk gemaakt. Idsert. Beweging en bewogenheid (Alkmaar, 1997). Het bevat een biografische schets, een essay over zijn werk en vooral veel foto’s van dat werk, schilderijen en beeldhouwwerk, maar ook schetsjes en aanzetjes. Ik weet niet of het nog verkrijgbaar is via een gewone boekhandel, maar zag het wel tweedehands, onder meer bij boekwinkeltjes.nl.

De gemummificeerde klauw van een klein roofdier

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik wilde het nog over het Augsburgse kunstkabinet hebben. In het kort: een overdadig versierd meubel met ik weet niet hoeveel kastjes, schapjes, laadjes, nisjes, hoekjes en kiertjes, dat meer dan duizend voorwerpen bevatte die halverwege de zeventiende eeuw state of the art waren op het gebied van ambacht en wetenschap.

Het kabinet speelt een rol in de roman in wording. Vandaar het veldonderzoek. Het staat in het Museum Gustavianum in Uppsala, in een schemerige sprookjeszaal waar alleen de voorwerpen in de vitrines zijn verlicht: een electromagneet, een camera obscura en een circulatiefontein; kaarten, plattegronden en anatomische platen; op sterk water gezette salamanders, wolvenembryo’s en menselijke foetussen; kistjes met opgespelde vlinders; opgezette vossen, fazanten, kaketoes en marters. Ook de voorwerpen uit het kabinet zijn in vitrines tentoongesteld: een loden kikker, gegoten naar de natuur; het beeldje van een naakte man, in contrapposto; een vogelkooi met twee vogels van was, veren en hout; een koperen ring met episoden uit de evangeliën; een zakfles van leer en zijde met rood-op-rood borduursel; de gemummificeerde klauw van een klein roofdier; het gedroogde jong van een Nijlkrokodil; fophandschoenen van hertenleer; een bevallingsriem van mensenhuid.

In het midden van de zaal prijkt het kabinet zelf, als een oude koning, vermoeid maar nog altijd indrukwekkend. Het is een vrijstaande kast waarvan de laden en deurtjes zijn versierd met patronen van verschillende soorten hout, guirlandes en miniatuurschilderingen. De bekroning is een ingewikkeld bouwwerk van schelpen, koraal en mineralen dat een schuimende zee suggereert want er rijst een zilveren Neptunus uit op die op zijn beurt een vaartuig torst, gemaakt van een met zilverbeslag versierde Seychellennoot en een uit roze koraal vervaardigd zeil, bestuurd door de schone Venus.

In de roman dient het kabinet als metafoor – niet al te ernstig: in een gesprek waarin doorgedronken wordt – van de mens. Stukje bij beetje wordt dat opgebouwd. De laatjes, nissen, holtes en ruimten van het kabinet staan voor de kwabben, schorsen, lobben en ventrikels van onze hersenen. De ogenschijnlijk chaotische verzameling voorwerpen die het kabinet bevat staat voor de al net zo zonderlinge verzameling van mentale voorwerpen die de hersenen bevatten: herinneringen, feiten, namen, liefdes, plattegronden, verdriet, inzichten, fantasieën, plannen, frustraties, ontroering, schaamtes, geheimen.

Het is een vruchtbare metafoor. Steeds valt me weer iets nieuws in. Ook dit keer. Als ik eindelijk, via omwegen, dwalend van vitrine naar vitrine, bij het kabinet sta, dringt tot me door dat de buitenkant door de overdadige, pronkzuchtige decoratie nauwelijks aanknopingspunten biedt voor wat het bevat. Het is zowel archief als rommelzolder. De systematiek is die van een labyrint: een orde die dwingt tot dwalen.

Zo is het toch ook met ons, lijkt me: de hersenen zowel opslagplaats als vergeteloord, het geheugen een labyrintische orde, ons innerlijk leven nauwelijks zichtbaar – behendig verschanst achter acteerwerk, schone schijn en bekkentrekkerij.

Toscane

 

 

 

 

 

 

 

Weer in Italië. Toscane dit keer. Het huis ligt tussen beboste heuvels en hellingen met olijfbomen en wijngaarden. In de tuin groeien kersen, peren, pruimen, abrikozen, druiven en vijgen. Naast een struik salie staat een perk met rozemarijn. Her en der liggen moestuintjes met tomaten, courgettes, bonen, snijbiet, peultjes, selderij en artisjokken. Ik loop de hele tijd al die luchtjes op te snuiven.

Halverwege mijn verblijf drentel ik rond het middaguur het weggetje af, op zoek naar verlossing van een kater die het resultaat is van een uitbundig avondje – gloeiend gas in de schedel, een zure binnenzee die rond de ingewanden klotst. De berm staat vol met klaprozen, margrieten en wilde venkel. Ik ga links een helling met olijfbomen op en loop over de rode aarde. Hitte. Krekels natuurlijk. Zo nu en dan komen er kleine straaljagerformaties met gierzwaluwen over. Ten slotte kom ik op een punt dat uitzicht biedt. Rondom deinen de heuvels. Bossen, olijfbomen, wijngaarden, een boerenhoeve met cipressen. In de verte worden de heuvelrijen blauwig. Boven dat alles een wolkenloze hemel.

Het is de schoonheid van een jonge vrouw uit een oud geslacht. En zo behandelt ze me ook. Ze laat zich zonder gêne bewonderen maar gunt mij niet meer dan een vluchtige blik. Haar oordeel is loepzuiver: een bleke man, zweet op bovenlip en voorhoofd en bij vlagen misselijk, maar desondanks idioot gelukkig – dankzij haar.

Wentelen in eigen geil

 

 

 

 

Geachte heer Kollaard,

Sinds u in uw blog bent begonnen over mij te schrijven, stromen de e-mails binnen. Verzoeken van boekhandelaren, uitgevers, leesclubs, bibliotheken, noem maar op. Het is om gek van te worden. Zou u alstublieft niet meer over mij willen schrijven?

U suggereert dat ik indertijd ben gestopt met schrijven bij gebrek aan succes. U tekent een man die zich verbitterd terugtrok op Malta. Dat is unfair. Ik ben gestopt met schrijven omdat ik mijn werk beneden de maat vond. U lijkt daar anders over te denken, maar mijn oordeel staat nog altijd vast: wat ik heb geschreven, had ik nooit mogen publiceren. Het was rommel. Ik was een ijdele jongeling, verliefd op aandacht en roem, dromend van eeuwigheidwaarde. Uiteindelijk kwam ik tot inkeer, nogal laat, ik geef het grif toe, maar laten we wel wezen: heel wat schrijvers blijven wentelen in hun eigen geil, tot de dood volgt.

Ik niet. Dus nogmaals: zou u alstublieft willen ophouden over mij te schrijven?

Maria was inderdaad erg mooi. Ze is dood, al zeven jaar, kanker. Kennelijk wist u dat nog niet. Ze is bijgezet in het familiegraf (links op de foto). Ik zoek haar elke zondag op en leg dan een roos neer. Dat zeg ik niet om uw medelijden of sympathie te wekken maar omdat het geen poëzie is: het is een feit. Daar wil ik het graag bij houden.

Ik heb uw debuut overigens met plezier gelezen. Mooie titel. Wel bent u een tikje geobsedeerd met het levenseinde. Dat maakt uw proza hier en daar krampachtig: echt grote schrijvers, meneer Kollaard, blijven dansen met hun onderwerp, al houdt het ze bij de strot.

Ik groet u.

Joh. Saaymans