Woezel en Pip

Het begon vanochtend, toen ik met Nadim op Youtube filmpjes van Woezel en Pip aan het kijken was. In een van de filmpjes ontdekte Pip dat alles aan hem opeens veel groter leek. Gelukkig kon zijn beste vriend Woezel hem eraan herinneren dat hij jarig was, en hem een extra grote verjaardagsknuffel geven.

‘Dáárom is het’, zei Pip. ‘Dáárom ben ik groter geworden.’

‘Birre’, zei ik.

Achter me, in de keuken, sputterden onze eitjes in Birres pan. ‘Wat, lief?’

‘Ik zit te janken bij Woezel en Pip.’

Birre schoof de pan aan de kant en kwam me een extra grote knuffel geven.

‘Mis je je vriend?’ zei ze.

Grappig – of juist niet grappig – hoe je tegelijk zó sterk kunt hopen dat iemand een bepaalde vraag stelt, en ook dat ze hem niet stelt. Als ik een lezer was die de Telegraafstrip Liefde is…* mocht invullen (zoals tijdens de vakantie van de maker wel eens gebeurt) dan zou ik kiezen voor: Elkaar de juiste vragen stellen

Een bijkomend voordeel is dat als iemand de juiste vragen stelt, je de meest pathetische dingen niet zelf hoeft te zeggen. Birres tweede vraag was dan ook: ‘Je mist hem héél erg hè?’ 

Ik hoefde alleen maar te knikken en nog meer te janken.

Dat was vanochtend. Het was heel even. Daarna was er weer de catering die ik voor vandaag had aangenomen. Ik zette Nadim op de mat met zijn doos met speelgoed, gooide mijn koffie achterover, haalde Otis de Hond uit zijn mand en fietste naar de markt om vis te kopen.

Jacob en Henk van de viskraam waren blij om me te zien, en ik moest heel hard binnensmonds Godverdomme zeggen om niet wéér te gaan huilen. Wat was er toch met me aan de hand?

De vis was prachtig. Ik kocht alles. Er waren kneiterverse langoustines uit de Noordzee, die veel te duur waren. Ik kocht en kocht en kocht als een Russische bruid met haar eerste creditcard, en werd maar niet gelukkiger.

‘Sorry, vriend’, zei Jacob, ‘dat laatste verstond ik niet.’

‘Anders niets’, zei ik. ‘Gdvrdmme.’

Op weg naar huis bedacht ik dat Birre gelijk had. Sinds de dood van mijn vriend had ik geen moment stil kunnen staan. In één jaar verloor ik Gijs, werd ik vader, werd mijn bundel uitgegeven en zowel extatisch als schoorvoetend ontvangen, nam ik een bedrijf over met klanten als de Rechtbank, dat psychologische rapportage verzorgt die van levensbelang is voor de onderzochte, en tikte ik in geen enkele nacht ook maar zijdelings een REM-slaap aan. En had ik al gezegd dat ons huis verbouwd wordt?

Ik was écht, voor het eerst in mijn leven, uitermate zielig. Ik was óók vergeten eieren te kopen, en dus moest ik met al mijn tassen langs de Jumbo, waar het op zaterdag drukker is dan in een Dresdener schuilkelder in februari ’45. Ik Godverdomde Birre’s fiets op slot (de mijne is vorige week gejat) en aaide Otis de Hond, die al braaf naast de hondenwachtkrul was gaan zitten, zijn ogen als de zwarte knoopjes op een knuffelberenporem.

‘Lief’, zei ik. ‘Godverdomme.’

Met in mijn armen de eieren en nog veel meer dingen die ik in het voorbijlopen van de schappen vergeten bleek, slalomde ik tussen de winkelende mensen door, toen mijn aandacht getrokken werd door een snerpend gepiep. Ik keek om en zag een donkere vrouw van mijn leeftijd, die met haar dochtertje van een jaar of vier aan het winkelen was. De vrouw had een rond gezicht en een mond die klaar leek om te lachen. Ze neuriede; babbelde onzin tegen haar dochter. Toen ze me voorbijliepen, zag ik dat de vrouw een sleepmandje achter zich aan trok, waarvan de wieltjes overbelast waren. Dat kwam omdat haar jongste dochter in het mandje zat, haar handjes om de rand geklemd. Een zak paprikachips was als een groot donzig kussen achter haar hoofd gestoken.

Ergens achter mijn borstbeen sloeg een libelle haar vleugels uit. De lucht, die door haar vleugelslagen opwaarts gestuwd werd, verplaatste zich door mijn longen en verzamelde momentum in mijn luchtpijp, waar hij mijn stembanden passeerde op weg naar buiten.

‘Ha!’ kwam er uit mijn mond. ‘Ha! Ha!’

De vrouw keek om en volgde mijn blik. ‘Slaapt ze?’

Ik schudde mijn hoofd; vroeg of ik een foto van haar dochter mocht maken.

‘Ja hoor’, zei de vrouw, die haar mandje losliet en naar de broodafdeling liep. Ik maakte een foto met mijn telefoon en stuurde die aan Birre. Zo zou ze weten dat er ook leuke dingen waren gebeurd, vandaag. Misschien zou ze straks, als ik thuiskwam van mijn catering, vragen: En, heb je een beetje een leuk dagje gehad?

 

            

 * Staan die er nog in, die blote kinderpoppetjes met hun manga-ogen? Als je geen tv kijkt en niet van voetbal houdt, blijven er weinig redenen over om een Telegraaf te kopen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.