De eeuwigheid in 2000 bytes

Het is moeilijk om over geluk te schrijven. Schrijven over verlies, dreigend verlies of lang verloren geluk is veel makkelijker. Dat heeft waarschijnlijk met afstand te maken, met het vermogen je beschouwend op te stellen. 

Wat mij betreft is een belangrijk kenmerk van gelukkige momenten de onmiddellijkheid ervan. Het ervaren van intens geluk laat weinig ruimte voor andere gewaarwordingen. Ons beschouwend vermogen valt weg, en daarmee de mogelijkheid het geluk te beschrijven, behalve in de meest afgrijselijke termen als allesverzengend, tot in het diepst van mijn ziel snijdend, bijzonder en transcendent.

Fuck transcendentie, denk ik dan. Een beetje man ervaart al allesverzengendheid als hij zit te kakken. 

Geluk is sowieso moeilijk voor iemand als ik, die altijd het vochtig verval achter de gevels ruikt en in een pasgeboren kind de grijnzende schedel al kan zien. Bij het horen van kleuterstemmen op het plein achter ons huis stel ik me vast voor hoe zangerig en nasaal ze zullen klinken als die stroopbesmeerde kinnetjes straks tien centimeter lager hangen.

Toch ben ik geen ongelukkige man. De neiging het einde in alle begin te zien, maakt ook dat ik me steeds bewust ben van de kostbaarheid van mijn momenten, dat ik ze vast wil kunnen houden. Misschien is het waarom ik schrijf.

Iemand vertelde me laatst dat een foto die op internet geplaatst is altijd ergens terug te vinden blijft. Dat is een vorm van onsterfelijkheid die vroeger alleen door de allergrootste kunst gehaald werd. Mocht het echt zo zijn, mag ik dan de linksbovenstaande 2000 bytes de eeuwigheid toewensen?

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

So far, so very good

Afgelopen zaterdag waren we in Laren. Laren is afgrijselijk, maar ik kan onze reis erheen uitleggen op een manier die iedereen begrijpt: midden in het dorp, op een bomig plein met vijver dat natuurlijk de Brink heet, staat de beste poffertjeskraam van Nederland. Nadim zou er zijn eerste poffer gaan eten.

Bij mij op schoot, handjes op de met plastic overtrokken tafel, wachtte het blonde bolleke geduldig. Kennelijk voelde het aan dat er iets Groots te gebeuren stond. Nauwlettend volgde het de obers in de witte jassen, hun geroepen bestellingen* en de bewegingen van de koks achter het zilveren poffertjesorgel. De geboetseerde boterberg had in het bijzonder Nadims interesse. 

Om niet de hele tijd naar de poedersuikerman te staren (iemand die kennelijk als enige taak heeft alle bestellingen van poedersuiker te voorzien), keek ik ook wat naar de mensen om ons heen. Er waren veel blonde mannen van mijn leeftijd in poloshirts met polospelertjes erop, die wafels en poffers voor hun mooie vrouwen en nog mooiere kinderen kochten met scherpe biljetten uit Castelijn en Beerens portemonnees. De lijven van de mannen leken hun babyzachtheid nooit te hebben afgeschud. Hun handen waren bleek en glimmend als die van Nadim; de vingers schijnbaar knokkelloos. 

In haar autobiografische laatste boek The Mistress’s Daughter schrijft A.M. Homes: “Did I ever say how precariously positioned I feel – on the edge of the earth, as though my permit could be revoked at any second?” Ik heb die zin overgetikt, geprint en uitgeknipt. Al jaren hangt hij boven mijn bureau, waar dat ook staat. 

Onze poffertjes kwamen. Nadim, die geboren lijkt met het arbeidsethos van zijn moeder, maakte er korte metten mee en wilde toen ook de mijne wel proberen (die hadden extra aandacht van de poedersuikerman gekregen). Het kostte nogal wat moeite de kleine gozer uit te leggen dat hij de komende twee jaar nog geen suiker zou mogen. We dronken appelsap, en Birre probeerde Nadim te leren hoe je een rietje gebruikt. Het meest belangrijke onderdeel van rietjesgebruik – het zuigen – kreeg ze niet overgebracht. Nadim bleef steken bij op het plastic bijten en moeilijk kijken. 

‘Die mannen’, zei ik tegen Birre, mijn hand half voor mijn mond zodat de mensen aan het tafeltje naast ons het niet zouden horen, ‘denk je dat ze wel eens slecht slapen?’

Birre liet haar rietje zakken en keek om zich heen. Daarna trok ze haar schouders op. ‘Wat bedoel je?’

‘Ze lijken zo op hun gemak te zijn. Alsof ze niet weten dat alles elk moment heel gruwelijk verkeerd kan gaan. Als kinderen. Als hele grote baby’s.’

Nadim werkte zich uit mijn armen, greep mijn lege poffertjesbordje vast en keerde het om. Een wolk poedersuiker kwam tussen Birre en mij in te hangen. Twee seconden van onze levens verstreken, waarin niemand doodging of voorgoed verloren raakte.

Het was de zomer van 2012. We moesten heel erg lachen. Birre was jong en mooi en Nadim had net zijn eerste poffertjes gegeten. Zolang we hier in Laren bleven kon er – getuige de ontspanning van de mannen om ons heen – niets gebeuren. In ieder geval zou ons de tijd gegund zijn om nog een portie wafels te bestellen. 

 

 

* Hoe werk dat systeem in die kramen? Zit er een oma in de boterberg die alles netjes invoert? 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Een ochtend in Palladina

Al mijn verhalen spelen zich op imaginaire plekken af. Ook al staat er Palermo boven een tekst: het is niet meer dan een sfeerindicatie, een woord dat het decor helpt bouwen. Een tijdje terug vroeg iemand me (ik geloof Kenneth van Zijl) waarom dat was; of de werkelijkheid voor mij misschien tekortschoot. 

Ik antwoordde – zoals meestal – zonder eerst na te denken, en kwam er gedurende mijn antwoord achter dat de werkelijkheid me te beklemmend was. Te beperkend. Over mijn eigen stad zou ik nooit een verhaal kunnen schrijven omdat ik Amsterdam te goed kende.

Ik zou geen magisch theater of kruidenierszaak kunnen beschrijven tussen de patatwinkels op het Rokin, omdat ik weet dat die er er niet zijn. Als ik schrijf heb ik absolute vrijheid nodig, en die krijg ik niet van plekken die te helder op mijn netvlies staan.

Als ik over het bovenstaande nadenk (kennelijk schrijf ik ook al zonder na te denken) is het best raar. Die ruimte om alles uit mijn duim te zuigen… Hoezo zou ik niet een Amsterdam kunnen maken dat op een aantal punten afwijkt van de stad zelf?

De bundel waaraan ik nu werk gaat uit vier of vijf verhalen bestaan die zich in dezelfde stad afspelen en elkaar in de tijd opvolgen. De stad, Palladina, is een verstilde kruising tussen Venetië en ParamariboGisteren hield ik op met werken toen de zon opkwam boven het massief van Altea en mijn hoofdpersoon Gustavo in de haven zijn beste vriend had uitgezwaaid.

Dit was de tweede keer dat een man waarvan hij hield Gustavo’s leven verliet. Hij staarde over het brakke water van de baai: alles was donker en lelijk. Onderweg naar huis sloeg hij in een opwelling af op San Iseo, een kanaal dat de suikerrietvelden met de haven verbindt. In onbruik geraakte trekschuiten lagen weg te rotten tegen de kadewanden. Het water was zo rimpelloos dat onder en boven niet meer te onderscheiden waren, en Gustavo vroeg zich af bij welke wereld hij nu hoorde. Wie nou wiens spiegelbeeld was.  

Vanochtend heel vroeg liep ik een rondje door mijn buurt. Ik had Nadim op mijn schouders, Otis de hond was ook mee en alledrie zagen we het: hoe de Brouwersgracht een kort moment het kanaal van San Iseo werd. Nadim babbelde er gewoon doorheen, maar Otis moest erg blaffen en grommen. Dat was, denk ik, omdat hij net als ik naar het water gekeken had en zich afvroeg wie nou wiens spiegelbeeld was.   

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Het was de zomer van 2012

Het was de zomer van 2012 en je was net oud genoeg om in het fietsstoeltje te mogen. 

De regel was dat je zelf rechtop moest kunnen gaan zitten, en als ik je op een heel precieze plek op het kleed legde, daar waar de bank een hoek maakte en de vloer het steilste afliep, kon je dat ook.  

Op de fiets was alles anders en prachtig en nieuw en zo de moeite waard.

Handjes omhoog bij het beklimmen van bruggen en joelend de bruggen weer af.

Wijzen naar mensen en honden en auto’s en fietsen en brommers en huizen en wolken en hondendrollen en steeds maar babbelen en lachen en

volgens mij vond jij het ook heel leuk. 

 

 

 

 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Literatuur aan de muur

Birre was al naar bed toen ik in het donker mijn lijm mengde: ik haalde twee lepels poeder uit het pakje en voegde een halve liter water toe. Makkelijk was het niet, maar met de lichten aan zou het allemaal veel minder clandestien worden. Otis de Hond liep onrustig rondjes; zijn nagels tikten als knikkers op de warme keukentegels. 

Uit de geheime tupperwaredoos in de bestekkast pakte ik een van de rollen papier die er omwonden met elastiekjes op hun beurt wachten. Niemand zou ze daar ooit vinden, tussen de Limoncelloflessen, het briefpapier en Birre’s ongebruikte Carcassonspel. Met de rol in mijn zak en de lijmemmer-met-kwast zo naturel mogelijk in mijn hand, liep ik even later in de richting van de Noordermarkt. Otis, onder wiens verantwoordelijkheid de achterhoede viel, pieste tegen gevels alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, onderwijl een vlijmscherp oog in het zeil houdend.

Op de beoogde plaats delict zette ik de lijmemmer in een raamkozijn. Eerst liep ik een rondje om de Noorderkerk om er zeker van te zijn dat er geen smerissen in de buurt waren. Daarna ging de kap van mijn hoodie* op en pakte ik de lijmkwast. In minder dan een minuut was het gedaan: Literatuur aan de muur**. Eenmaal aan de overkant van de straat haalde ik mijn telefoon uit mijn zak om een foto te maken. 

Toen ik de telefooncamera liet zakken, zag ik pas de wetsdienaar die Otis aan het aaien was. Mijn brother in arms lag op zijn rug te kronkelen van genot. Er waren vluchtwegen te over, maar Otis had mijn telefoonnummer op zijn penning. Hooguit een half uur, zou ik hebben, voor de juten me vonden. 

Otis stond op en kwam kwispelend mijn kant op. Nu viel het oog van de glimmerik op mij. Zijn vriendelijke gezicht was natuurlijk maar een masker, hij zou valse veiligheid bieden en me daarna in de boeien slaan. 

‘Mooie hond, heeft u’, zei de wout.

‘Vindt u?’

Dichter en dichterbij kwam de klabak, tot hij voor me stond. ‘Is het een Stabij?’ Zijn grijns was breed onder zijn snor, die zoveel voller en borsteliger was dan de mijne. ‘Zelf’, zei de pandoer, ‘heb ik een Cocker spaniël.’

Omdat al het andere verkeerd zou gaan (wat voor een woord, in godsnaam, is Cocker?), knikte ik maar. 

‘Mag ik u nou eens wat vragen’, zei de sjouter.  

Ik knikte en deed een stapje terug, maar vond de muur van de Noorderkerk in mijn rug. Fucking protestanten, geen millimeter meegeven ook.

‘Wat u daar aanplakt, wat bedoelt u daar nou mee?’

Het was een strikvraag. ‘Dat heb ik helemaal niet aangeplakt.’

‘Maakt u zich geen zorgen. Voor plakken op een bouwschutting ga ik heus geen bon uitschrijven. Ik ben gewoon benieuwd.’

Mij zouden ze niet krijgen, de flikken. Ik tuinde er niet in. ‘Otisssss’, zei ik. ‘Hier.’

En Otis kwam. Hij leek me schuldbewust genoeg. Ik wenste de kip goedenavond en liet hem hoofdschuddend achter. Morgen zou er zeker een stille bij de Noorderkerk staan posten, dus de lijmpot waren we kwijt, maar zo lang ik steeds bij andere winkels mijn lijm kocht, zou het spoor al heel snel doodlopen. 

 

* capuchontrui

** www.facebook.com/literatuuraandemuur

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Vakantiemannen

Gisteren schreef ik een column die Vakantie heette, waarin ik vertelde dat ik de maand augustus in Amsterdam zou doorbrengen en tot niets zinnigs zou komen. Er kwamen veel reacties op. Een klein leger thuisblijvers meldde zich om er dan maar samen het beste van te maken. De meeste waren mannen met baby’s zoals ik. Soms waren het mannen die best baby’s zouden willen en in een enkel geval was het gewoon een man, zoals mijn broer Pim.

Overal waar ik kom zitten ze, de vakantiemannen. Ze hebben hun karren in een kringetje naast hun terrastafel gezet en bestellen tonic terwijl ze wachten tot het drie uur wordt om bier te kunnen bestellen. Soms blowen ze alvast, zoals de Ghetto Dons op de hoek van de Limburg Stirumstraat: stoere leden van de hip-hopgeneratie met tatoeages, gouden tanden en 2Pac-shirts, die dreumesen in wandelwagens rustighouden door ze op de beat van Jay-z’s 99 Problems heen en weer te duwen: 

If you’re having girl problems 

I feel bad for you, son

I got 99 problems, but a bitch ain’t one. *

‘Leuk, maar gelul’, zegt mijn steeds denkbeeldigere lezer. De mannen die niet op vakantie zijn, moeten natuurlijk gewoon werken.’ 

Ik ken ze niet, die werkers. Misschien zitten ze wel achter hun bureaus, maar niemand verwacht echt dat ze op dit soort dagen tot iets komen. In ieder geval hun baas niet, want die zit aan het tafeltje naast me zijn reis naar Bali te boeken op zijn Ipad terwijl zijn kleuter sigarettenpeuken van de stoep eet. 

Toen ik nog in de Italiaanse horeca werkte was het een gegeven dat je rond ferragosto** niet moest verwachten iets uit het moederland geleverd te krijgen. Wij noorderlingen vonden dat – met name als de huiswijn op dreigde te raken – een tergend voorbeeld van inefficiëntie en alles wat er mis was met de bananenrepubblica***.

In Nederland liggen de dingen anders. Hier zou je in alle lente- en zomermaanden bij temperaturen boven de drieëntwintig graden kunnen spreken van een lamlegging van de bedrijvigheid ten gevolge van een natuurverschijnsel. Mijn broer Pim, die zelf een natuurverschijnsel is, lijkt er nog het minste last van te hebben. Maar ja, die is dan ook zevenentwintig. En geen vader. 

 

* Hier geciteerd omdat ik vermoed dat de gemiddelde Tiradelezer een benedengemiddelde hip-hopbasiskennis heeft.

** De landelijke Italiaanse zomervakantie beslaat de hele maand augustus. Het enige wat dan nog draait zijn plafondventilatoren. 

*** Waarom toch die dubbel-b in repubblica? Iemand? Dames? 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Vakantie

Aangezien mijn schoonouders op wereldreis zijn, de crèche heeft laten weten dat Nadim pas in November (op de verkeerde dagen) welkom is, en onze vaste oppas Marianne-uit-Harderwijk op vakantie is met alle andere blonde meiden die eventueel zouden kunnen oppassen, lijkt het erop dat elke dag van de komende maand papadag zal zijn. 

Om niet ongelukkig te worden van het feit dat ik weinig op papier zal kunnen krijgen in augustus, heb ik besloten het maar los te laten. Het is ook waanzinnig, om met je kleine manneke aan het fietsen te zijn en je de hele tijd af te vragen of je in dit tempo nog ooit een boek af gaat krijgen. Aan het eind van mijn leven zal ik me niet mijn bejubelde tweede bundel herinneren, maar juist dat blonde koppie, die plakkerige handjes op het stuur en de stroom van gebabbel die als stripmuzieknoten langs mijn oren golfde om kolkend achter me op te stijgen in de zomermiddaglucht. 

Nadim lult net zoveel als mijn vader als we samen onderweg zijn, maar omdat ik  hem (nog) niet versta kan ik er  geen genoeg van krijgen. Plus dat hij bij het afsuizen van bruggetjes zijn handjes in de lucht steekt en giechelt, wat ik mijn vader nooit heb zien doen. Op mijn werk na zijn er dus alleen maar winnaars, en een van de grootste winnaars is Otis de Hond. Waar hij vorige zomer (bij het afronden van Hier sneeuwt het nooit) hele dagen eerst verwijtend en daarna afgestompt lag te staren vanuit zijn mand, is nu elke dag een feestje. We sjouwen de hele stad door en onze avondwandelingen – als het manneke eindelijk slaapt – zijn twee keer zo lang geworden omdat hij tegenwoordig de wacht houdt als ik ergens aanplak voor Literatuur aan de muur* 

Ook Birre heeft het beter. Als ze thuiskomt kom ik meestal ook net aan. Haar kind en hond en man zijn ontspannen, en er wordt weer met liefde voor haar gekookt. Eigenlijk ben ik helemaal niet leuk als ik schrijf: ik word er maar gestrest van, ongeduldig en opgejaagd. Het lijkt wel werk. Maar goed dat ik een maand vakantie heb genomen. 

 Foto: Pablo van Wetten

*www.facebook.com/Literatuuraandemuur

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Fuck you, muscle memory

Vrijdagavond was het feest. Vijf van onze vrienden werden veertig en dat schreeuwde om tweehonderd man in een bunker met lauw bier en een Ramonesachtig bandje. Birre en ik hadden Nadim voor het eerst uit logeren gestuurd en begonnen de avond op het terras van ‘t Blaauwhooft. Daarna besloten we bij Toscanini te eten. Natuurlijk hadden we daar geen geld voor, maar dat deed er op dat moment al niet meer toe.

Ergens in de nog redelijk vroege avond moet er een keuzemoment zijn geweest: proberen een klein deel van de slaap in te halen die we over de laatste negen maanden zijn misgelopen, of het op een keihard zuipen zetten. Birre en ik nipten van onze koffies en draaiden onze grappaglaasjes wat onrustig rond tussen onze vingers. Ik dacht aan alle doorwaakte nachten, aan de wrede en koude ochtenden. Aan Birre’s geluk, als ze morgenmiddag zou wakkerworden uit een helende, reinigende, zalvende slaap. Hoe heerlijk zou ze zich uitrekken en tegen me aan kruipen om nog heel even verder te soezen, voor we volledig uitgerust Nadim gingen halen bij mijn schoonouders. 

Ik heb een heel slecht geheugen, maar mijn muscle memory raakt aan het geniale. Het functioneert volledig autonoom en kan de meest exacte en veeleisende handelingen inzetten zonder mijn bewustzijn te verstoren. Wat het vrijdagavond deed, was een aantal motorneuronen op hun staarten trappen waardoor mijn hand zich om mijn grappaglas sloot, mijn bicep aanspande en het glas naar mijn mond bewoog. Daar kantelde mijn pols het glas, waarna mijn ogen zich sloten en mijn slikrespons geactiveerd werd. Het neerzetten van mijn lege grappaglas deed ik zelf. 

Verbouwereerd staarden Birre en ik naar het glas. Als door een poltergeist aangedreven schoof nu ook haar grappa over het tafellinnen mijn kant op. Weer werd mijn spiergeheugen getriggerd, en weer gebeurde hetzelfde. Wat volgde weet ik niet meer precies, behalve dan wat stroboscopische plaatjes van de betonnen bunker (hij was groot en angstaanjagend), het Ramonesachtige bandje (ik háát punk), en het feit dat ik steeds niet mocht betalen bij de bar (!) Om een lang verhaal kort te maken: mijn laatste heldere beeld van de avond was dat mijn spiergeheugen een spa rood bestelde, wat heel erg slim, of heel erg wanhopig is voor een spiergeheugen.   

Toen ik de volgende dag mijn ogen opendeed, waren we te laat om Nadim op te halen. Birre moest huilen van moeheid. 

En ik, ik had het allemaal gedaan.

‘Maar’, zei ik. ‘Dat was ik niet zelf, het was mijn muscle memory.’

Birre kreunde en schudde haar hoofd, dat er klein en verschrompeld uitzag. Ze wreef in haar ogen en probeerde haar rug te rechten. Toen knikte ze; langzaam kwam haar bloeddoorlopen blik op mij te rusten. Met wat een bovenmenselijke krachtsinspanning moest zijn, tilde ze haar wenkbrauwen op en zei : ‘Ik wil scones.’

Hier was mijn rehabilitatie, mijn kans op genade. ‘Natuurlijk, lief. Natuurlijk maak ik scones.’ 

‘En een sappie’, zei Birre. ‘En koffie met melk.’

Ik riep dat ik al op weg was, en hobbelde de trap af. Scones, sap, caffe latte. Ik had lang genoeg in de horeca gewerkt om dat allemaal op mijn spiergeheugen af te kunnen schuiven. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Kamer 6.01

Ik wachtte tot de regen klaar was, zocht mijn sleutels en verzekeringspapieren. Het vizier van mijn helm was vet en stoffig tegelijk en het duurde lang voor ik mijn handschoenen onder de verwarming vandaan had. Toen er een vaagblauw gat in de wolken verscheen, stapte ik voor het eerst in maanden op de motor. Hij startte. Door de leeggespoelde stad reed ik naar de RAI.

Eenmaal onder de ring door, op de Europaboulevard, begon me iets te dagen: die flats aan de rechterkant, het park links, en dan opeens die stille rotonde… Ik was hier eerder geweest. Het kaartje dat ik thuis in mijn hoofd had opgeslagen zei me rechts te gaan, en ook dat klopte. Daarna was er weer een rechts en nog een rechts, en parkeerde ik de motor op de stoep van het verzorgingshuis op nummer 2. 

De balie verwees me naar de zesde verdieping, kamer 01. Ik nam een lift waarin al drie witgejaste Oost-Europese vrouwen wachtten, horloges door hun knoopsgaten. Een van de dames had een karretje bij zich met een bak spuiten erop en een gele BIOHAZARD-naaldenemmer. Ik deed een stapje teug, maar werd tegengehouden door de liftwand, die teveel meegaf voor een liftwand. Een voor een verloor ik mijn reisgezellen aan lagere verdiepingen.

In de gang op de zesde verdieping was ik in mijn eentje met de herinnering aan mijn oudtante Theresa, die in kamer 6.01 van ditzelfde verzorgingshuis alleen en paranoïde overleden was. De ene dag had ze nog sissend aan me toevertrouwd dat ZE (de zwarte zusters) alles van haar jatten; de volgende ochtend kreeg ik het je-weet-weltelefoontje. In mijn oudtantes verdediging: ze had er wel aan toegevoegd dat ZE niet allemaal slecht waren. (Maar ja, ZE waren natuurlijk wel ánders.)

Ik drukte voor de tweede keer in een kort leven op de bel van 6.01 (die in het midden van de deur hing) en hoorde een droge ratel aan de andere kant van het hout. De schel moest recht achter de knop hangen. Kennelijk had iemand bedacht dat een deurbel het autonomiegevoel en de privacy van volledig afhankelijke patiënten zou versterken. Toen er niet werd opengedaan klopte ik op de deur. Jen zou dat hele deurbelgelul natuurlijk net zo belachelijk vinden als ik. 

Na drie keer kloppen en twee keer best lang wachten besloot ik haar te bellen. Ik luisterde naar Jens voicemailboodschap en sprak in dat ze open moest doen. Er ging iets verkeerd, want Jens buurvrouw (van kamer 6.03) deed open. In de negentig moest ze toch zeker wel zijn. Misschien dacht ze dat ik de dood was, die haar eindelijk kwam halen. Het zou wel door de nogal extreme schouders van mijn motorjack komen. 

‘Goedemiddag’, zei ik.

‘Wat zegt u, dokter?’

Ik glimlachte zo zoet ik kon; Jens buurvrouw zou weten dat ik in ieder geval de dood niet was. Ik liep terug naar de lift, drukte op de knop en wachtte. Achter me, in de gang, stond de vrouw nog steeds in haar deuropening. Ik wist dat omdat ik haar oude ogen verbazingwekkend scherp in mijn rug voelde prikken. Waarom ging ik niet bij háár langs, als Jen er toch niet was? Wat was vier uur van mijn tijd, eigenlijk? Had ik niet altijd gewild dat ik die laatste dag langer bij mijn oudtante gebleven was? 

Natuurlijk stapte ik de lift in. Natuurlijk draaide ik me pas om toen ik wist dat de deuren gesloten waren. En natuurlijk bleef ik de rest van de dag Jens buurvrouw voor me zien. Jen zelf vond ik aan de balie op de begane grond, waar ze informeerde of er misschien bezoek voor haar was. Ik wachtte even voor ik haar beetpakte en vroeg me af hoe je het beste iemand beetpakt die net twee openhartoperaties achter de rug heeft. Uiteindelijk ging ik voor haar arm. 

‘Hier ben ik’, zei ik. 

Jen lachte. Kleine ogen straalden vanachter dikke, wat vette brillenglazen. ‘Kom. We moeten nodig naar buiten.’ 

We liepen door het park en praatten over Gijs, die haar zoon en mijn beste vriend was geweest. Jen praatte over hem in de tegenwoordige tijd en ik begon in het verleden, maar deed al snel met haar mee. Het kostte me moeite haar bril niet van haar gezicht te pakken en hem schoon te maken. 

‘Hier waren vroeger drie zeeleeuwen’, zei Jen toen we langs een leegstaand bassin liepen. ‘Daar wilden Gijs en Fransje altijd heen.’

Ik dacht aan afgelopen donderdag, aan hoe Nadim met zijn enorme ogen de zwemmende zeeleeuwen in Artis had gevolgd. Aan hoe ik tegen Birre gezegd had dat ik onze jongen zo graag op een Artisdagje met zijn ome Gijs had zien gaan. Ik dacht aan de toevalligheid van een verzorgingshuis en een kamernummer. Aan de symboliek van het overlijden van een zoon, gevolgd door een tweemaal falende hartklep.

Het regende weer. We liepen hand in hand zonder dat ik me kon herinneren Jens hand gepakt te hebben. Daarna dronken we thee bij een kiosk en zeiden we best lang niets, tot het tijd was om terug te gaan naar het verzorgingshuis.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Get Rich or Die Tryin’

Het dieptepunt van de crisis moet in zicht zijn: vandaag was ik fotomodel. Het was allemaal de schuld van Matthijs Immink, fotograaf en all-round sympathiekeling, die me belde om te zeggen dat ik ergens perfect voor zou zijn. Aangezien ik dat maar zelden ben, spitste ik mijn oren. 

Al na een aantal woorden wilde ik ‘nee’ zeggen. Ik ben te vaak die ene blanke jongen geweest die nog werd gezocht voor een leuke multi-etnische kledingreclame. Uiteindelijk zitten er op zo’n shoot altijd dertig andere jongens Cola Light te drinken, die leuker en blanker zijn dan ik. Alleen mijn blinde vertrouwen in Matthijs maakte dat ik hem uit liet praten. Dat, en de 400 euro die ik voor mijn modellenwerk zou krijgen. 

Voor de poort van een betonnen loods in een van de weinige doodlopende garagestraten die Amsterdam nog kent, fantaseerde ik over roestende vrieskisten vol kattenlijken en spoorloze verdwijningen van rijzende sterren aan het Nederlands literair firmament. Een huilende Birre en krijsende Nadim zouden in de regen aan een leeg graf staan. In het Parool zou Arie Storm zeggen dat ik een vakkundig schrijver geweest was, maar niet meer dan dat. Dat mijn verhalen over de hele linie te geforceerd; te krampachtig geconstrueerd waren. Ik vroeg me af hoe het voelde om in beton gegoten te worden, hoe het spul zou smaken voordat het zette en alleen maar naar beton smaakte. 

Had ik wel ooit beton geproefd?

Ik stak mijn tong uit en drukte hem tegen de gevel, naast het (natuurlijk roestende) huisnummer van de loods. 

De poort ging open. Een heel erg vriendelijke styliste zei tegen me dat ik er was. Ik trok mijn tong in, veegde met mijn mouw over de natte plek op de gevel en zei dat het er inderdaad alle schijn van had.  

Binnen was het droog en warm en er waren macarons en minichocoladecroissants. Er was zelfs iemand die warme melk in mijn koffie deed. In anderhalf uur stond ik weer buiten met 400 euro in mijn hand. Niets is ook ooit wat het lijkt.  

 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Go the Fuck to Sleep**

Slaapdeprivatie is een wonderlijke martelmethode. De eerste dagen kun je je erg moe voelen, maar werken en bier drinken gaan eigenlijk nog best.

Bij mij is het zelfs zo dat een beetje slaaptekort mijn humeur ten goede komt. Zie het als werken in de tropen: je accepteert dat de omstandigheden je ertoe dwingen heel langzaam te bewegen. Het onthaast. Gewoon lopen, ademen en een beetje op tijd antwoorden als iemand je iets vraagt is al heel netjes. 

Na een aantal weken wen je er zelfs aan steeds maar moe te zijn. Autorijden en het bedienen van een kettingzaag laat je gewoon aan anderen over. En na acht maanden is het zoals Hubert Koundé zo mooi zei in de film La Haine (Mathieu Kassovitz, 1995):

C’est l’histoire d’un homme qui tombe d’un immeuble de cinquante étages. 

Le mec, au fur et à mesure de sa chute, se répète sans cesse pour se rassurer:

Jusqu’ici tout va bien, jusqu’ici tout va bien, jusqu’ici tout va bien.

Mais l’important c’est pas la chute, c’est l’atterrissage.

Gisterenavond liep ik een rondje met Otis de Hond. Toen ik thuiskwam en de voordeur opendeed vond ik Otis op de mat. Hij had wel heel graag mee gewild.

Ik liet Otis nog een keer uit – nu mét Otis – en ontdekte halverwege de wandeling dankzij een stapel vuilniszakken dat ik met mijn ogen dicht aan het lopen was. Het werd tijd dat Nadim een nachtje doorsliep. Het werd heel erg tijd.

 

* Gozer dondert van een hoge flat en onder het vallen blijft hij maar zeggen dat alles tot nog toe eigenlijk verrassend goed gaat. 

** http://www.youtube.com/watch?v=CseO1XRYs9I

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Blogger des Vaderlands

Het was ochtend – het lijkt niets anders te zijn de laatste tijd – en ik volgde Otis de Hond op wat hij dacht dat zijn ochtendwandeling ging worden. Na de nacht en de vele dagen regen waren de stoeptegels koud onder mijn slippers, en de aarde in de voegen oogde zwart; rijp als bosgrond. Op de hoek van onze straat hield Otis stil om aan een Amsterdammertje te ruiken. Hij liep met de klok mee om het paaltje heen, en daarna tegen de klok in.

‘Oot’, zei ik. ‘Tempo.’

Otis lichtte zijn poot, deed twee (of is het bij honden vier?) stappen en ging weer terug om aan zijn eigen pies te ruiken. Je kon het hem niet kwalijk nemen: nul tijdsbesef. Ik, die wist dat het al twee voor negen was, haalde de bij wijze van hoge uitzondering meegenomen riem uit mijn zak. Voor Otis in de gaten kreeg wat er aan de hand was zat hij al vast.

We rondden de hoek van onze straat en liepen de zon in. Het was lang geleden dat we de zon gezien hadden. Door mijn wimpers tuurde ik in de richting van de tweede Goudsbloemdwarsstraat. Er was niets aan te doen: ook zonder oponthoud zouden we te laat komen.

Zoals altijd als ik me druk maak om kleine dingen speelde ik het Einde-van-je-levenspel. Het spel is simpel en de naam zegt eigenlijk alles. Het enige wat je hoeft te doen is bedenken of hetgeen er aan de hand is erger is dan doodgaan. Uiteindelijk zijn er maar een paar ergere situaties denkbaar, en die komen bijna niet voor. Deze bestrijding van dwangmatig zorgenmaken is al minstens sinds mijn vaders kindertijd in onze familie. Toen hadden ze het Met-honderd-jaar-heeft-niemand-het-er-meer-over-spel. Dat kon toen nog, omdat er maar zo weinig mensen honderd werden. 

Ik sleurde Otis over straat en vroeg me af of ik een nieuwe afspraak zou moeten maken. Of ons telaatkomen geld zou gaan kosten en hoe ik dat geld bij elkaar zou krijgen, gezien het feit dat Birre nu ook rood stond. Daarna dacht ik aan de scheuren in de zijgevel van ons huis. Als er nu iets verzakte – want alles in Amsterdam zal ooit verzakken – dan zouden we nevernooitgeen herfundering kunnen betalen. We zouden ons huis moeten verkopen met een gruwelijk verlies en een veel te duur veel kleiner huis moeten terugkopen. Misschien lag Amsterdam dan wel buiten ons bereik. Nieuw Vennep was bijvoorbeeld een plek waar veel gebouwd werd voor mensen die een stapje terug moesten doen of gewoon geen stapje voorwaarts gezet kregen. En er was ook een lichtpuntje: we zouden voortaan dichtbij de Skodagarage wonen (zie blog 13-07, Nieuw Vennep in de regen).  

Eindelijk liepen we de tweede Goudsbloemdwarsstraat in. Voordat Otis de Hond doorhad waar we heen gingen stonden we al binnen bij Dierenartsenpraktijk De Jordaan. We konden doorlopen naar de spreekkamer, en niemand zei iets over onze telaatheid of daaraan verbonden boetes. Otis kreeg neusspray tegen kennelhoest en twee prikken voor iets anders, en mocht weer van de tafel af. De koekjes die de dierenarts hem aanbood moest hij niet.

De dierenarts, die iets goed te maken had, aaide hem over zijn bol en zei dat Otis een knappe hond was, daarbij de juiste snaar rakend. De aanzet van een kwispel volgde, maar daarna wilde Oot toch liever weer naar buiten. Binnensmonds vloekend tikte ik 82 euro af bij de assistente. Ik vroeg me af waar onze hypotheek deze maand vandaan moest komen, weigerde een bonnetje uit passieve agressie en stapte weer de straat op.

Ons rondje maakten we nog, maar het was duidelijk dat de sprankel er wel af was voor vandaag. Otis had een bobbel op de plek waar hij geïnjecteerd was, en zijn linker neusgat lekte. Waarschijnlijk zouden we allemaal spoedig dakloos worden. 

Ik hoop dat niemand deze blog leest.

Ik hoop dat niemand hem zo goed vindt dat hij hem doorpost aan al zijn vrienden.

Ik hoop al helemaal niet dat ik na een door deze blog ontstane mediastorm Blogger des Vaderlands word, en dat mijn blogs na het omverwerpen van de monarchie in de kalkstenen gevel van het paleis op de dam gebeiteld worden. Dat zou het namelijk heel onwaarschijnlijk maken dat niemand het er over honderd jaar nog over heeft. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Regentijd

De regentijd begon, en overal in de oude stad trokken de mensen zich op hun veranda’s terug. Zware druppels sloegen de oranje dakpannen aan alsof het xylofoontegels waren; overal was muziek. De honden blaften niet meer en nergens huilde een kind. Wie niet was bij wie hij het liefst was, was bij wiens deur opengestaan had toen de wind stilviel en de eerste druppels neerkwamen.

Dagen gingen voorbij. Weken. Het riool liep over en stroompjes meanderden over de straten, momentum verzamelend tot ze rivieren werden. Huizen werden schepen en dreven op het bruine water, wachtend op een eerste streepje land aan de horizon.

De gek die aan het begin van onze straat woonde bouwde een vlot en peddelde heen en weer tussen de hoge linden. Hij werd al snel aangemoedigd door zelfs de kleinste kinderen, tot de electriciteit uitviel en ook de volwassenen zich verdrongen om hem te zien varen. Toen het saai werd gooiden de mensen hun verdronken televisies naar het vlot in de hoop dat het zinken zou, maar ze veroorzaakten een golf die de gek voortstuwde in de richting van de houten kerk. De gek meerde aan, beklom de klokkentoren en ging zitten in een van de kloksgaten, vanwaar hij uitzag op de ondergelopen stad. 

Toen de vis kwam, haar rugvin als een geheven kromzwaard door het modderwater trekkend, was de gek de eerste die haar zag. 

‘Aieeee’, schreeuwde hij. ‘Aieeee!’

Maar de mensen waren op hem uitgekeken. Ze waren in een ledig staren vervallen en zelfs de kinderen leken zijn gejammer niet te horen. De honden, die de stad altijd voor onheil gewaarschuwd hadden, waren opgegeten, hun pelzen aaneengenaaid tot regenschermen.  

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Nieuw Vennep in de regen

Om kwart over zeven vanochtend was ik op weg naar autobedrijf Langenberg en van der Steen te Nieuw-Vennep. Onze Skoda was toe aan een kleine beurt, en omdat ik Amsterdamse garagehouders niet vertrouw heb ik me geschikt in de halfjaarlijkse rit naar een bedrijventerrein op een kleine dertig kilometer afstand.
 
Regen beukte op de voorruit. De ruitenwissers piepten en ik had in alle haast het audiokabeltje voor mijn iphone niet kunnen vinden, waardoor ik Sky-radio luisteren moest. Mr. Big deed To Be With You, en daarna kwam Aswad met hun versie van Wild World
 
‘You say you wanna start something new’, zong ik. ‘And it’s breaking my heart to leave you. Baby I’m grieving.’ 
 
Schiphol sloop voorbij. Een vliegtuig steeg op en verdween vrijwel meteen in de laaghangende wolken. Het viel me op dat er alleen vrachtwagens en busjes om me heen reden. Voor de gewone forens was ik te vroeg. In een grijze Berlingo naast me zat een blonde man van mijn leeftijd te zingen. Ik gaf een beetje gas bij om te zien of hij inderdaad: ‘Take good care, I hope you find a lot of new friends out there’, zou playbacken. 
 
Het was zo. Ik vroeg me af hoeveel mannen in busjes er op dit moment meezongen met Aswad, begon te hoofdrekenen, en reed bijna mijn voorligger aan. Met een bonzend hart nam ik gas terug. Het was tijd om uit te voegen voor Nieuw Vennep. De regen deed er nog een schepje bovenop: zelfs met de wissers voluit was het alsof ik mijn vaders leesbril had opgezet.

Het grijze bestelwagentje gleed me links voorbij terwijl ik vaart minderde, en ik dacht aan de blonde zingende man. Hij zou op zijn klus (in Leiderdorp) aankomen, daar de radio aanzetten en verderzingen. In de middag zou hij meegenomen boterhammen eten met zijn trommel op schoot terwijl het bouwstof op hem neerdaalde. Tegen de avond zou hij zijn vrouw bellen met een mobieltje in een plastic stofhoesje om te melden dat het wat later werd. Dan de file, terug naar huis. Meezingen met Hello.  

Ik trok de handrem aan op het terrein van Langenberg en van der Steen, haalde de sleutel uit het contact (daarbij I Think We’re Alone Now van Tiffany afbrekend) en luisterde naar het ruisen van de regen op het autodak. Nog heel even deed ik mijn ogen dicht om te zien hoe de blonde man thuiskwam. Zijn straat, helder als een vleesgeworden bouwtekening: de huizen in het gelid, het zijne met een zelfgebouwde dakkapel waaronder de ouderslaapkamer schuilde.

De man zou de kinderen naar bed brengen en tv-kijken met zijn vrouw, die zoals elke avond rond tienen de lampen uitdeed. Morgenochtend moest er weer een nieuwe trommel gevuld. Ik hoopte dat de blonde man een groot geheim had, misschien een onmogelijke liefde, waaraan hij elke avond voor hij zelf naar boven ging heel even dacht. Misschien kwamen er dan flarden Sky-radio in hem op, zo van: I’ve been alone with you inside my mind. And in my dreams I’ve kissed your lips, a thousand times…’ 

Het rolluik van de garage ging open. Ik startte de motor om de Skoda naar binnen te rijden en bedacht dat ik maar te gast was in het leven van de blonde man. Dat ik me te gedragen had. De radio sloeg aan met Pat Benetars Love is a Battlefield.  
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Everybody loves the sunshine

Iedereen sliep nog toen ik de trap afdaalde. Op mijn tenen liep ik naar de keuken, waar ik het koffieapparaat en de oven aanzette; deeg voor scones begon te maken. Ik waste fruit, maakte aardbeien schoon en schepte zure room in het mooie schaaltje dat van mijn oudtante geweest is. De eierwekker was ik drie seconden voor: terwijl ik met mijn linkerhand de laatste sinaasappels perste hield ik met rechts de eieren onder de koude kraan.

Toen de tafel gedekt was en de kaarsen aangestoken, waren de scones klaar. Het was handig om een tijdje in de horeca gewerkt te hebben. De bodem van mijn bordje dampende scones raakte de tafel iets te hard, waardoor Otis de Hond gapend uit zijn mand kwam.

‘Hé’, zei ik. ‘Dag jongen. Ga je mee naar buiten?’

Ik deed de voordeur open en samen staarden we naar het aquarium dat onze straat geworden was.

‘Ga dan’, zei ik.

Otis de Hond ging – net buiten het bereik van de opspattende regen – zitten.

‘Ook niet even piesen?’

Het was duidelijk dat ik het goede voorbeeld zou moeten geven. Met een zucht stapte ik door de waterval, maar toen ik na een aantal passen omkeek, was ik de enige op straat. Otis zat zelfs niet meer in de gang. Ik veegde mijn drijfnatte haar uit mijn gezicht en liep terug naar binnen. In mijn hoofd had iemand D’Angelo’s versie van Everybody Loves the Sunshine opgezet, en terwijl ik de volgezogen Volkskrant van de mat scheurde, begon ik ook nog mee te zingen. Misschien was ik zo langzamerhand wel een rare man aan het worden. Het was de schuld van al dat schrijven.

Met de krant en de kadootjes veilig en droog opgestapeld naast Birre’s bord, was het tijd geworden om naar boven te gaan. Achter de deur van de slaapkamer bereidden Otis de Hond en ik ons voor. ‘Je haar’, zei ik tegen hem. ‘Je ziet er niet uit.’

Otis probeerde me een poot te geven.

‘Weet je wat? Laat maar. Een, twee, drie!’

Ik gooide de deur open en zong Lang zal je leven, terwijl Otis uit alle macht Birres voeten likte. Bij hiep hiep hoera! begon Nadim te huilen, en viel mijn oog op de lekkage naast het bed, die nu duidelijk erger geworden was.

‘In de gloria’, zei ik. ‘En sorry, van het weer.’

‘Als we maar wél naar de dierentuin gaan’, zei Birre.

Ik dacht aan samen door de zeikende regen langs de lege hokken lopen. Aan modderstroompjes met daarop dobberende apenkak; een jengelende Nadim, die na twee ondertanden nu ook een joekel van een boventand aan het kweken was.

‘Niks liever’, zei ik, en ontdekte dat het waar was. ‘Kom je een ontbijtje eten?’

 

 

 

 

 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

In academia

De broer van Birre – die nu ook mijn broer is – vroeg me zijn scriptie te lezen. Omdat Pim na jarenlang experimenteren geleerd heeft dat dingen op het laatste moment doen toch het beste werkt, kreeg ik weinig tijd om zijn thesis door te lichten. Ik zeg thesis, omdat de jeugd van tegenwoordig haar scriptie in het Engels schrijven moet, wat ik niet onlogisch vind, maar wel wonderlijk. In de tijd dat ik afstudeerde hadden mijn medestudenten al moeite genoeg met correct Nederlands schrijven. 

Ikzelf had natuurlijk nooit moeite met Nederlands. Het was meer dat het academisch jargon me paste als een paardenharen onderbroek in een hittegolf. Ik herinner me de gesprekken met Theo Hoitink, mijn scriptiebegeleider. Theo had al lang gezien dat ik geen wetenschapper zou worden, en was bereid me met een zesje door te laten, maar hij vond wel dat ik er iets van leren moest.

‘Schrijf jij toevallig?’ vroeg hij. Een glimlach bevrijdde zich uit zijn rommelige ringbaardje. ‘Ik bedoel: verhalen, proza?’

Ik dacht aan de tweede roman die ik niet afgemaakt had, schimmelend ergens in het achteruithollende geheugen van mijn tweedehands Toshiba.

‘Ik ben bezig met een roman’, zei ik. ‘Het is een verhaal over mensen die uit de lucht komen vallen. Zomaar opeens, op een dag, beginnen er mensen uit de lucht te vallen, en daarna gebeurt het zo vaak dat niemand er meer van opkijkt. Het wordt alleen wel steeds duurder om de motorkap en het dak van je auto te verzekeren…’

Theo’s grijns werd breder. Hij zakte nog verder onderuit in zijn stoel en legde zijn handen op de bolling van zijn buik. Ik staarde naar de vele psychedelische patronen van zijn grofgebreide trui en ratelde aan één stuk door tot ik bij het einde van mijn boek kwam, waarover ik toe moest geven dat het er nog niet helemaal was. Mijn begeleider keek op de klok boven de deur. Het was drie munten voor iets.

‘Nog even over je scriptie’, zei hij. ‘Daar moet je geen roman van maken. Je onderwerp en onderzoek zijn oké, maar schrijf het nou eens netjes op.’  

In de maanden die volgden zou ik mijn taal steeds verder in het academisch keurslijf dwingen, tot ik uiteindelijk iets had afgeleverd wat door de beugel kon, en wat voor mijn eigen gevoel volkomen onleesbaar was.

Nu, dertien jaar later, weet ik hoe dat komt. Academici zijn gedeformeerd: ze kunnen de dingen niet meer gewoon opschrijven. Wil je begrijpen wat zo’n zin betekent, dan moet je eerst woord voor woord hun code kraken, waarna er in je hoofd weer Nederlands van te maken is. Waarom toch? Zijn de heren professoren bang (ik voel een kleine Wilders opkomen) ontmaskerd te worden als het volk ze volgen kan? 

Een tweede reden waarom academische taal zo hermetisch is, ligt volgens mij in het gebrek aan narratief. Ik denk dat (aspirant)wetenschappers een verhaallijn schuwen, omdat dat kinderachtig zou zijn. Het grappige is dat als ze hun onderzoek live moeten uitleggen in de collegezaal, of aan een kennis op een feestje, ze onmiddellijk gebruikmaken van een narratief om er zeker van te zijn dat ze te volgen blijven. ‘Oké, dus dat neuronale netwerk moet je zien als een kratje met allemaal flesjes erin. Als je er ééntje uit haalt dan… Wil jij nog bier?’ 

Ik staarde naar de eerste bladzijde van mijn broeders scriptie, tot ik zelfs de letters niet meer herkende. 

‘Birre’, riep ik.

‘Ja, lief?’

‘Waarom denken mensen dat ik slim genoeg ben om dit soort dingen te lezen?’

‘Omdat je heel slim lijkt.’

Belofte maakte schuld. Zuchtend telde ik de bladzijden. Achtenveertig. Ik zou het leeswerk – net als toen ik nog studeerde – over vier dagen verdelen. Met twaalf per dag zou ik op tijd klaar zijn. Gelukkig waren de laatste vier bladzijden gereserveerd voor de literatuurlijst. Vandaag hoefde ik er dus maar acht te doen.   

 

 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Wachten op Boris

De ramen staan tegen elkaar open om de avondwarmte in beweging te houden. Aan de keukentafel wacht ik op Boris, terwijl ergens op de Lindengracht een terrasbandje voor de derde keer Garota d’Ipanema speelt. Otis de hond, wiens gehoor veel beter is dan het mijne, kreunt in zijn mand. 

Het is langzaam donker aan het worden en omdat ik geen licht heb aangedaan, sluit de avond zich als een net rond het schermpje van mijn laptop. Zoals zo vaak vind ik het jammer dat ik niet meer rook.  

Vroeger wachtte ik samen met Arie en Gijs op Boris, maar vanavond wacht ik alleen. Dat is omdat Arie North Sea Jazz aan het opnemen is voor zijn werk, en omdat Gijs dood is.

Tot twee keer toe denk ik Boris in mijn ooghoek te zien aankomen: een lange man met elpeezwart haar, een grote neus en mond. Boris’ mond is beroemd, omdat hij er een vaasje bier in kan laten zakken (bodem eerst) en zijn lippen rond de rand van het glas kan sluiten zonder te morsen.

Als er uiteindelijk wordt aangeklopt schrik ik. Ik sla mijn laptop dicht en graai mijn tas van de leuning van mijn stoel; stuiter met Otis op mijn hielen de trap af.

Ik hou van dat moment vlak voor het opendoen. Als je al weet dat je vriend er zal staan, zijn fietssleutels in zijn hand. Ook mannen van veertig halen je thuis op alsof ze eerst aan je moeder moeten vragen of je mee mag. Bij voor de deur staan hoort een kwetsbaarheid die voortkomt uit jarenlang hopen dat je vriendje thuis zal zijn. Met de komst van het kindermobieltje zal dat allemaal anders zijn geworden. 

Ik krijg een zoen van Boris, en dan lopen we samen de Lindengracht op. Het is fijn om een vriend te hebben die langer is dan ik. Zo hoop ik ook dat Nadim langer dan ik zal worden. Ik moet nog bedenken waarom ik dat eigenlijk vind en hoop. Als Boris vraagt hoe het me me gaat, zeg ik wat we sinds Gijs’ dood altijd tegen elkaar zeggen.

‘Oh. Oké. Jij?’

‘Oké.’ Boris haalt zijn schouders op en veegt zijn haar uit zijn gezicht, dat meteen weer terugvalt. ‘Het is alsof overal een grijze deken overheen ligt.’

We komen langs Toscanini, waar we handen geven en vragen hoe het met mensen gaat. Dan lopen we verder, langs drukke café’s waar we vroeger druk kwamen doen. Langs oudemannencafé’s waar we nog niet heen willen. Uiteindelijk wordt het Papeneiland, misschien omdat we er niemand kennen. 

Boris haalt bier. We staan buiten en proosten op niets. Otis de hond rolt zich midden op straat op tot een lage zwart-witte poef en valt in slaap. Taxi’s en fietsen rijden in een boogje om hem heen. Er zijn mooie meisjes met weinig aan, en we kijken wel, maar het is meer professionele interesse. Ik vertel Boris dat ik mijn eigen leven vaak niet herken. Dat het wel op mijn eigen leven lijkt, maar op een aantal fronten niet meer klopt. 

‘Truman Show’, zegt Boris. 

‘Ja’, zeg ik.

Ik pak Otis op en verleg hem een paar meter. Mensen lachen. 

‘Zullen we nog even ergens anders een biertje drinken?’ vraag ik. Boris vindt het goed. Hij brengt onze glazen naar binnen en dan lopen we de Prinsengracht op, mijn vriend en ik, om te gaan zien hoe de nacht ons opvangt. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

De rouille et d’os

Birre en ik gingen voor het eerst naar de film. We waren al voor het eerst uit eten geweest en voor het eerst naar een feestje, maar sinds de geboorte van Nadim was de bioscoop nog niet gelukt. De babysit kwam op tijd, Birre sprong (na een ellenlange uitleg over alles) veel te laat achterop, en weg waren we: een stelletje op een omafiets, alsof er niets aan de hand was.

Een beetje onwennig ging het wel. Zo was Birre angstig achterop, en bleef ze in de rij voor de kassa steeds haar telefoon checken. Ik maakte me veel minder druk. De mijne stond op trillen, dus als de babysit me nodig had dan zou ik het vanzelf voelen. Achter Birres rug controleerde ik alleen een keer of drie of mijn batterij niet in het rood stond. 

Ik was vergeten dat Birre altijd wil overleggen over waar we gaan zitten. Dat hele ongeplaceerde vind ik een vergissing van die filmhuizen. Je moet de mensen niet teveel keus geven. Dat gaat altijd mis, en uiteindelijk staat iedereen dan in het gangpad het beslissingsproces van zijn vrouw af te wachten terwijl de trailers al beginnen. Ik had lang genoeg op vrouwen en baby’s gewacht, koos een rij met twee vrije stoelen en ging zitten. Birre volgde maar.

De film was De rouille et d’os

Twee uur later, toen de aftiteling het plafond in scrollde en de mensen op begonnen te staan, bleven Birre en ik verpletterd aan onze stoelen plakken. Ik ga er niet teveel over vertellen, maar er zijn scènes met kleine blonde jongens die onder het ijs verdwijnen en vaders met bebloede vuisten, die pas op het allerlaatst ‘Ik hou van je’ zeggen. En elke fucking scène is helemaal fucking raak.

‘Jeezes’, zei ik.

‘Ja.’

In stilte fietsten we terug, en ik merkte dat Birre niet bang meer was terwijl ik de vele slingerende tramsporen van het Limburg Stirumplein kruiste. Hoe kon ze ook, na wat we net mee hadden gemaakt? Eigenlijk had ik een bergtop nodig, een eenzame plek met eindeloos uitzicht, om De rouille et d’os eens rustig te verwerken, maar toen we onze straat in reden kwam boven alle stadsgeluid één enkel heel hoog jengelstemmetje uit. Misschien gingen we weer een slapeloze nacht in met zijn drieën. Misschien zouden we wel nooit meer slapen.

Ach, dacht ik terwijl ik de fiets op slot zette. Uiteindelijk is het goed te doen.  

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Mannenavond

Het was mannenavond. Samen met Otis de Hond wachtte ik op Arie en Boris. Zoals altijd waren we te vroeg in het café. Ik bestelde een kopstoot en goot wat bier op een schoteltje voor Otis. Het bier ging snel op omdat we dorstige mannen waren, en het was goed om vroeg te zijn. Zo konden we nog even in stilte naast elkaar zitten. 
 
Een groepje toeristen kwam binnen en wilde weten wat er van de tap was. Toen de barman al zijn speciaalbieren had opgesomd bestelde het Heineken, wat er niet was, om te eindigen met een fluitje Amstel. Otis likte zijn schoteltje nog eens af. Ik nipte jenever, keek naar het drankenbord en vroeg me af waarom je jenever met een g zou schrijven. Je schreef toch ook niet geneverbes?  
 
Een van de toeristen, een vrouw van een jaar of dertig, liet haar oog op Otis vallen en maakte de geluiden die Amerikaanse vrouwen maken als ze knappe honden zien. Otis ging verzitten en keek om zich heen. Met een beetje goeie wil zou hij wel onder mijn stoel passen. De vrouw zette haar doodgeslagen bier neer en liep onze kant op.
 
‘Oot’, zei ik. ‘Blijf.’
 
Otis draaide een rondje op zijn stoel en probeerde zijn kop zo ver mogelijk onder tafel te krijgen, maar het was te laat.
 
‘OH. MY. GOD’, zei de vrouw. ‘I just LOVE your dog. What’s her name?’
 
‘His name’s…’
 
‘Can I pet her?’
 
‘I wouldn’t do that, if I were…’
 
‘Oh, you are just the CUTEST thing, aren’t you girl?’
 
‘Actually, he’s…’
 
Ik weet dat we er teveel in lezen, in het gedrag van onze huisdieren. Het zit natuurlijk allemaal tussen mensenoren, maar wat mij betreft was er niets mis te verstaan aan de blik die Otis de Hond me toewierp: de blik van de jongen die met het lelijke meisje moet, omdat zijn maat een oogje op haar mooie vriendin heeft. De mooie vriendin in kwestie was een veertiger die Arie heette, en net binnenkwam. Buiten zag ik Boris zijn fiets vastmaken. Otis sprong blaffend van zijn stoel, omzeilde de grijpende handen van de Amerikaanse en kegelde Arie bijna weer het café uit.
 
‘Wat zit jij daar te drinken?’ zei Arie. Ik kreeg een kus.
 
‘Een kopstoot.’
 
‘Alcoholist.’
 
Ik knikte. ‘Wil je ook?’
 
‘Bruine rum met ginger ale voor ome Arie. Misschien doet die lange wel met je mee.’
 
De Amerikaanse liep terug naar haar vrienden om vandaar naar Otis te loeren. Ik pakte zijn stoel beet en draaide hem met zijn rug naar haar toe. Weer kon er geen twijfel over zijn blik bestaan: nu was het pas écht mannenavond, en Otis de Hond was – in ieder geval voorlopig – gered. 
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

I love you, Eva

Het is heel erg vroeg en iedereen slaapt behalve ik. Aan de keukentafel rijg ik zinnen aan elkaar voor mijn nieuwe bundel, die Een been om op te staan moet heten. Dat kan ik hier best opschrijven, omdat al mijn titels tot dusver werktitels zijn gebleken. 

De laatste jaren ben ik het nodig gaan hebben om te schrijven. Ik voel me het meest op mijn plek als ik werk, en alleen na een tweetal goede bladzijden kan ik de rest van de dag tevreden doorlopen.

Ernest Hemingway schreef (volgens mij in A Moveable Feast) dat hij elke dag stopte met schrijven als hij nog momentum had. Hij vond dat je nooit moest doorwerken tot je leeg was, maar iets moest overlaten om de volgende dag mee te beginnen. Ik merk dat ik hetzelfde doe (en verder durf ik me niet met Hem te vergelijken).

De hoofdpersoon van het verhaal waaraan ik nu werk, is een zwakbegaafd meisje met een plan. Ik zag haar in een eerder verhaal voorbijkomen, en werd er steeds zekerder van dat zij, Eva, als volgende zou beginnen te praten. Ik weet dat het voor veel mensen belachelijk klinkt, maar in mijn beleving vertelt Eva haar verhaal zélf. Maar heel zelden gebeurt het dat ik een personage bewust een bepaalde kant op stuur. Ik kijk door Eva’s ogen en beschrijf wat ze ziet in haar eigen woorden. Zo ontstaat haar wereld, haar verhaal. 

Afgelopen woensdag schreef Hassan Bahara in de Groene Amsterdammer een heerlijke recensie over Hier sneeuwt het nooit, die hij Alles is liefde kopte. De grote lijn van zijn stuk is dat ik teveel van mijn personages houd om ze iets vreselijks te laten overkomen. Natuurlijk kan ik drie verhalen in mijn debuut aanvoeren waar dat juist wél gebeurt, maar daar gaat het even niet om. Ik kan namelijk niet ontkennen dat ik (op de radio en dus onomkeerbaar) heb gezegd dat ik het heel leuk zou vinden als mijn personages op mijn verjaardag kwamen. 

Zo houd ik mijn hart vast voor Eva: ze ziet het hele plaatje niet, en haar plan zou haar best eens boven het hoofd kunnen groeien. We zullen moeten afwachten, Eva en ik, en op het beste hopen. Vandaag stop ik met werken als ze op haar geheime plek in het suikerrietveld wacht op Leo de monteur. Eva en ik zijn hoopvol, maar het riet is droog, en ik weet niet of ze haar kaarsen goed genoeg heeft vastgezet in de dorre grond. Toen Eva met haar koffertje het riet in liep, liet ze een spoor van omgetrokken stengels achter, dat iedereen zou kunnen volgen. 

De vogels beginnen te fluiten als ik op command+s druk. Hemingway zei dat je bij het niet-schrijven nooit aan je verhaal moest denken. Dan alleen kon je de volgende dag ongehinderd door allerlei vooropgezette constructies de draad oppakken. Ik ga daar erg mijn best op doen, maar kan niets beloven.  

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Sander Kollaard

Sander Kollaard was langs. Ik weet niet waarom ik Sander Kollaard altijd Sander Kollaard noem en niet gewoon Sander. Birre doet het ook. Misschien omdat we hem als schrijver van Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde kenden voordat we hem leerden kennen als Sander (Kollaard).

Ik wist niet hoezeer ik het nodig had eens met iemand te praten die de laatste twee jaar bijna hetzelfde meegemaakt heeft, tot Sander Kollaard aanschoof aan onze eettafel en meteen losbarstte over de bijzondere afdeling van de hel die literaire kritiek heet. 

Sander Kollaard en ik praatten over overleden beste vrienden (ieder één), over Italië (houden we van), en over wonen in Scandinavië (ik deed het en hij doet het nog steeds). Wat me het meest bijstaat is ons gesprek over de ontroering.

We dronken bier en hadden het over geraakt worden door kleine dingen. Over momenten die je heel erg wilt kunnen bewaren. Sommige mensen houden die momenten vast door er boeken aan te wijden (zie: Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde). 

Zoals F. Alice Johnson schreef in haar meesterwerk My Front Door: “Happiness is a period in one’s life when a feeling of being blessed occurred often enough to – in retrospect – appear omnipresent.” 

F. Alice zei “blessed” omdat ze Amerikaanse was, maar toch begrijp ik het wel. Er zit iets van dankbaarheid aan die ontroering vast. Ik ervaar hetzelfde als ik na lange tijd weer in Castello (Venetië) aankom, of als ik Birre zie thuiskomen van haar werk. Als ons zoontje Nadim hardop lacht, merk ik het ook. En als er een streepje zon precies over mijn krant valt in de vroege ochtend van een koude dag. Eigenlijk overkomt het me bijna dagelijks.

Misschien zal ik over een tijdje moeten concluderen dat ik nu heel erg gelukkig was. 

 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.