So far, so very good

Afgelopen zaterdag waren we in Laren. Laren is afgrijselijk, maar ik kan onze reis erheen uitleggen op een manier die iedereen begrijpt: midden in het dorp, op een bomig plein met vijver dat natuurlijk de Brink heet, staat de beste poffertjeskraam van Nederland. Nadim zou er zijn eerste poffer gaan eten.

Bij mij op schoot, handjes op de met plastic overtrokken tafel, wachtte het blonde bolleke geduldig. Kennelijk voelde het aan dat er iets Groots te gebeuren stond. Nauwlettend volgde het de obers in de witte jassen, hun geroepen bestellingen* en de bewegingen van de koks achter het zilveren poffertjesorgel. De geboetseerde boterberg had in het bijzonder Nadims interesse. 

Om niet de hele tijd naar de poedersuikerman te staren (iemand die kennelijk als enige taak heeft alle bestellingen van poedersuiker te voorzien), keek ik ook wat naar de mensen om ons heen. Er waren veel blonde mannen van mijn leeftijd in poloshirts met polospelertjes erop, die wafels en poffers voor hun mooie vrouwen en nog mooiere kinderen kochten met scherpe biljetten uit Castelijn en Beerens portemonnees. De lijven van de mannen leken hun babyzachtheid nooit te hebben afgeschud. Hun handen waren bleek en glimmend als die van Nadim; de vingers schijnbaar knokkelloos. 

In haar autobiografische laatste boek The Mistress’s Daughter schrijft A.M. Homes: “Did I ever say how precariously positioned I feel – on the edge of the earth, as though my permit could be revoked at any second?” Ik heb die zin overgetikt, geprint en uitgeknipt. Al jaren hangt hij boven mijn bureau, waar dat ook staat. 

Onze poffertjes kwamen. Nadim, die geboren lijkt met het arbeidsethos van zijn moeder, maakte er korte metten mee en wilde toen ook de mijne wel proberen (die hadden extra aandacht van de poedersuikerman gekregen). Het kostte nogal wat moeite de kleine gozer uit te leggen dat hij de komende twee jaar nog geen suiker zou mogen. We dronken appelsap, en Birre probeerde Nadim te leren hoe je een rietje gebruikt. Het meest belangrijke onderdeel van rietjesgebruik – het zuigen – kreeg ze niet overgebracht. Nadim bleef steken bij op het plastic bijten en moeilijk kijken. 

‘Die mannen’, zei ik tegen Birre, mijn hand half voor mijn mond zodat de mensen aan het tafeltje naast ons het niet zouden horen, ‘denk je dat ze wel eens slecht slapen?’

Birre liet haar rietje zakken en keek om zich heen. Daarna trok ze haar schouders op. ‘Wat bedoel je?’

‘Ze lijken zo op hun gemak te zijn. Alsof ze niet weten dat alles elk moment heel gruwelijk verkeerd kan gaan. Als kinderen. Als hele grote baby’s.’

Nadim werkte zich uit mijn armen, greep mijn lege poffertjesbordje vast en keerde het om. Een wolk poedersuiker kwam tussen Birre en mij in te hangen. Twee seconden van onze levens verstreken, waarin niemand doodging of voorgoed verloren raakte.

Het was de zomer van 2012. We moesten heel erg lachen. Birre was jong en mooi en Nadim had net zijn eerste poffertjes gegeten. Zolang we hier in Laren bleven kon er – getuige de ontspanning van de mannen om ons heen – niets gebeuren. In ieder geval zou ons de tijd gegund zijn om nog een portie wafels te bestellen. 

 

 

* Hoe werk dat systeem in die kramen? Zit er een oma in de boterberg die alles netjes invoert? 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.