The Image as Burden

The Neighbour – goed of kwaad?

Marlene Dumas heeft enthousiaste aanhangers en minstens zo bevlogen tegenstanders. Haar huidige solotentoonstelling in het Stedelijk Museum, die een overzicht biedt van veertig jaar schilderen, brengt dat schisma weer boven. Missie geslaagd, zou ik zeggen, want iedere echt grote kunstenaar valt twee kampen ten deel. Over Van Gogh hoor je ook wel eens iemand zeggen dat hij ‘zwaar overschat’ is (en diegene bedoelt dan meestal dat de Zonnebloemen zijn/haar smaak niet zijn).

Zo’n teneur las ik ook in het stuk dat Sander van Walsum schreef over The Image as Burden. Hij behoort tot het kamp van de Dumasverfoeiers, en dat is prima als het zijn smaak niet is. Behalve dan dat hij zijn kritiek onderheit met een oneigenlijke fundering: het zou Dumas niet om schoonheid te doen zijn maar om de ‘worsteling’; ze schildert gewoon knipsels na op een ‘onaffe’ manier. Zijn artikel is een aaneenschakeling van zulke opmerkingen, die allemaal klinken als ‘dat kan mijn nichtje van tien ook’. Klap op de vuurpijl: ‘Bij haar kloppen de dingen per definitie.’ Alsof ze boven alles verheven is.

De veronderstelde worsteling van Dumas zie ik niet in haar werk. Er zullen ongetwijfeld pagina’s over vol zijn geschreven, om te verklaren dat ze met onderwerpen heeft moeten stoeien terwijl ze schilderde. Alleen blijkt die eventuele worsteling niet zonder meer uit haar werken maar uit uitleggerige kunsthistorische verhandelingen. Als ze al worstelde met een schilderij dan weet ze dat in the end wel te verbergen. Vergelijk het met een boek: worstelingen van de schrijver komen het eindresultaat meestal niet ten goede.

The Wall - onaf of aanklacht?
The Wall – onaf of aanklacht?

Het schetsmatige in de stijl van Dumas moet je volgens mij helemaal niet zien als het werk van een getormenteerd kunstenaar. Wie bij de overzichtstentoonstelling een beetje let op de jaartallen ziet dat die stijl zich heeft uitgekristalliseerd. Het gebruik van foto’s en krantenknipsels is weloverwogen, net als de onafheid van haar voorstellingen.Uiteindelijk heeft ze de middelen gevonden om te bereiken wat ze wil, en die past ze bewust toe.

Het kwaad is banaal - zelfportret of situatie?
Het kwaad is banaal – zelfportret of situatie?

In de introductie tot The Image as Burden staat dat de interpretatie van de toeschouwer bij Dumas onderdeel is van het kunstwerk. Een soort totaalkunst dus, maar dat lijkt me een beetje overdreven want in de praktijk zullen de kijkers zich niet onmiddellijk onderdeel voelen. Toch is het wel waar het werk van Dumas op aanstuurt: het gaat niet om haar, het gaat niet om het schilderij zelf. Het gaat om wat de kijker denkt. Ze doet nadenken over goed en kwaad, maatschappelijk relevante thema’s, schoonheid, pornografie.

Daarom kloppen de dingen bij Dumas per definitie niet. In elk schilderij is wel iets wat opzettelijk uit de toon valt, zodat je zelf moet gaan invullen. De ene keer is het het kleurenpalet dat niet bij de voorstelling past, de andere keer de anatomische weergave die op een kunstacademie allang was bestraft. Het zorgt ervoor dat je haar onderwerpen van letterlijk alle kanten kan bekijken, ieder voor zich op een verschillende manier. Het is als het lezen van de krant – een postmoderne wijsheid van mijn oma – iedereen haalt er iets anders uit. Het werk van Dumas roept essentiële vragen op, het is aan de kijker om er genuanceerde antwoorden bij te bedenken.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Samuel

Zaterdag. Ik zit in de VROUW, het magazine van onze collega’s van De Telegraaf, een interview met Dieuwertje Blok (57)* te lezen – je moet zo’n blogstukje toch érgens laten beginnen – als er aan de voordeur wordt geklepperd*.

Hè?! Wie kan dat nou zijn?! De enige manier om daarachter te komen: deur opendoen.

Het blijkt een knakker van de bezorgdienst. Ik heb de jongste roman van Richard Powers besteld, de auteur die ik sinds de dood van DFW beschouw als de grootste, levende Amerikaanse schrijver. Een pompeuze/aanmatigende kwalificatie trouwens, want wat weet ik nou eigenlijk van de VS-LIT? Twee boekwinkels in Utrecht hadden de roman van Powers in de kast staan, maar helaas niet in de uitvoering die ik wilde (mijn ogen gaan absoluut niet achteruit, ik lees de laatste tijd gewoon heel graag grootletterboeken).

Buiten scheur ik de doos open – ja, Powers. Als ik opkijk is de bezorgbus alweer vertrokken. Nu zie ik pas dat mijn buurjongetje, Samuel (5), op de BMW van een overbuurman zit. Armen over elkaar, benen op de motorkap, rug tegen de voorruit. Hij kijkt naar de wolken. De eigenaar van de BMW kennende heeft Samuel met deze zitplek een gewaagde – of naïeve – keuze gemaakt.

‘Hé Samuel,’ zeg ik, ‘hoe gaat ‘t?’

‘Met mij gaat ‘t goed.’

‘Mooi. Met mij ook. Wat ben je aan ’t doen?’

‘Niks.’

Daar heb ik niet van terug. Met het telefoonboek van Powers onder mijn arm loop ik het huis weer in.

———-

Volgende week: ‘Nou, graag ober… ik zeg altijd maar zo: alles gepeperd… behalve de rekening, hahaha!’ – Milan Kundera, Het feest der onbeduidendheid, Nuri Bilge Ceylan, Winter Sleep. En meer.

Noten

*Dieuwertje vertelt in het interview (met Jeroen Mei) dat ze na zeven jaar met ontbijt-tv stopte omdat iedere nacht om vier uur opstaan zijn tol ging eisen: ‘Ik kreeg allemaal kwaaltjes die met slaapachterstand te maken hadden.’ Oké… maar wát voor kwaaltjes dan? Dat willen we weten! Waarom worden de smakeloze details ons bespaard? Nu moet ik het zelf gaan uitzoeken op internet. Nog iets: eerder in het vraaggesprek bekent Dieuwertje – is het niet beter een vrouw van bijna zestig gewoon Dieuwer te noemen? – dat ze tussen haar 20e en 30e erg onzeker was en bijvoorbeeld ‘worstelde met haar figuur’. Goed, eerlijk, openhartig. Maar bedoelt ze dat haar gewicht erg schommelde in die periode – bijvoorbeeld doordat ze lijnde en weer aankwam? – of bedoelt ze dat ze moeite had om haar lichaam te accepteren? We willen meeleven, daarvoor hebben we specifieke informatie nodig! Nu speculeren we onszelf zowat het gekkenhuis in. En dát kan toch niet de bedoeling zijn!

*Ja, geklepperd. Nog steeds niet aan toe gekomen de bel te fiksen.

Kiekje: MK, levitas.

Stapels boeken

Al zolang ik schrijf hoor ik doemverhalen over de boekenwereld. Redacteuren worden ontslagen, uitgeverijen vallen om, auteurs worden aan de kant gezet. Eerlijk gezegd heb ik het nooit anders meegemaakt, voor mij zijn de pessimistische toekomstvoorspellingen en slinkende verkoopcijfers inherent aan het boekenvak. Die waren er al vanaf de eerste dag, alsof ik een trein ben gestapt die, zonder machinist, richting een nog niet helemaal gedefinieerd eindpunt rijdt.

Recent werd ik uitgenodigd om voor te lezen in een niet nader te noemen Nederlandse plaats.

De plaats was klein en overzichtelijk, maar midden in het centrum stond een enorme, pas geopende bibliotheek, die boven de omringende huizen uittorende.

In die bibliotheek werd ik geacht voor te lezen. Het gebouw scheen onverantwoord duur te zijn geweest. Volgens mijn vader – die mij voor de gelegenheid naar deze plaats reed – waren er zelfs bestuursleden van de stad ontslagen omdat dit project zo veel van het gemeentegeld had gekost.

De bibliotheek maakte een futuristische indruk. De deuren gingen van meters afstand vanzelf open, vrijwel alle muren waren van glas. En overal lagen stapels boeken, de meeste zo hoog dat je de bovenste niet kon aanraken. De medewerkster die mij een rondleiding gaf zei, met een onmiskenbare trots in haar stem: ‘Dat is precies de bedoeling. Uiteindelijk willen we boeken hier alleen nog als decor.’

Sindsdien zie ik de toekomst van het boekenvak zo voor me: een onbetaalbare ruimte vol stapels romans en kinderboeken die door niemand nog worden gelezen, die alleen maar dienen als decor.

Na afloop van mijn voorlezen kreeg ik een cadeau. Een boek, zo te zien. Omdat de medewerkster van de bibliotheek me zo hoopvol aankeek, pakte ik het ter plaatse uit. Het boek ging over de bibliotheek zelf en telde bijna zeshonderd pagina’s. ‘Dat is dik,’ zei ik.

‘Dit is ook een groot gebouw,’ zei zij.

Het boek gaf ik in de plaats zelf nog aan een toevallige voorbijganger.

’s Avonds laat, toen ik bij mijn voordeur stond, kwam ik een oud klasgenoot tegen. ‘Hoe gaat het met je?’ vroeg hij. En voor ik kon antwoorden zei hij: ‘Goed, hè? Ik ben je naam meermaals tegengekomen in de krant.’

Ik dacht aan onze middelbareschooltijd, nog niet eens zo lang geleden. Sommige klasgenoten waren voorgoed verhuisd naar het buitenland. Een ander was de politiek in gegaan. Weer iemand anders is onlangs getrouwd. Er is een oud-klasgenote overleden, een ander heeft in een pornofilm gespeeld, een derde werd onlangs moeder. Het is alsof we jaren bij elkaar zijn gehouden en toen in een keer werden losgelaten, dieren die plots hun plek moeten veroveren in de wereld en van schrik allemaal een andere kant uit hollen. Ik dacht aan de stapels onbereikbare boeken. Misschien zouden mijn boeken daar op een dag belanden, misschien was dat het eindpunt van de trein die ik jaren geleden ben ingestapt.

‘Ja,’ zei ik tegen mijn oud-klasgenoot. ‘Het gaat heel goed.’ En zonder een wedervraag te stellen stapte ik mijn huis in.

Jannah Loontjens Tirade‘s Zondagse Gastblogster oktober 2014

Jannah Loontjens: romancière, dichteres, critica, essayiste, filosofe. En, met ingang van zondag 5 oktober 2014, Tirade‘s Zondagse Gastblogster. Bereid je voor op haar blogschap door a) haar oeuvre te (her)lezen en/of b) haar website te bestuderen.

Jannah…. welkom! De Tirade redactie kijkt uit naar je Zondagse Gastblogs.

Straks plaatsen we de Laatste Zondagse Gastblog van Thomas Heerma van Voss – Thomas, dank voor alle plezier  die je hier vier weken hebt gebracht en tot ziens in de echte én in de virtuele wereld.

 

Zondagse Gastblog Oktober 2014 – wordt het saai, flauw, grauw, gewoontjens? Nee, nee, het wordt… Jannah Loontjens!

Auteursportret (gepikt van Twitter): Karoly Effenberger.

Boekpresentatie

Gisteren kwam mijn boek uit.

Mijn boek is uit.

De Val van Jakob Duikelman ligt in de etalages van minstens drie Amsterdamse boekwinkels.

Toen ik vanmiddag bij de Java Bookstore Wittgenstein’s Mistress bestelde en de verkoopster mijn naam vroeg, zei ze daarna: ‘Anne-Marieke Samson, die naam komt me bekend voor. Bestel je vaker bij ons?’ ‘Mijn boek ligt in jullie etalage’, zei ik zo nonchalant mogelijk. Alsof ik dat dat de normaalste zaak van de wereld vond. Ik vind namelijk dat ik dat vanzelfsprekend moet vinden. Ik wilde verder geen haarbreed toegeven dat ik inderdaad vaker boeken bij de Java Bookstore bestel.

Op de boekpresentatie in Athenaeum gisteren was ik dronken zonder dat ik daar veel bier voor hoefde te drinken. Ik was al enigszins bedwelmd door de zenuwen, en door de sloot bleekwater die mijn kapper kort daarvoor over mijn hoofd had gegoten. En vervolgens liet ik mij bedelven onder lovende woorden om daarna een stapel exemplaren te signeren terwijl ik af en toe om mee heen keek naar die zee van hoofden waarvan voorheen alleen ik wist dat sommige daarvan ergens een rol speelden in het verhaal. Opeens stonden mijn personages tegen elkaar te praten, geleund tegen een kast met Duitse boeken. Met op de achtergrond het gebrom van Jimi Hendrix op een volume dat acceptabel is in een boekwinkel. ‘Ik ben Jakob Duikelman maar ik ben niet gesteriliseerd’, hoorde ik Jakob tegen Rebecca zeggen. Ik ving op dat Mai aan Sander uitlegde hoe je loempia’s maakt. En ik zag de kale kop van Jeroen mijn kant op grijnzen. Dat soort dingen speelden zich voorheen af in mijn hoofd. En dat kijkje in mijn hoofd is nu te koop voor 19,95.

Radio 1 belde me. ‘Is je boek een blik achter de schermen van Justitie? Is je roman een aanklacht tegen de journalistiek?’, vroegen ze. Misschien had ik daar ja op moeten zeggen. Maar ik zei nee en daarom mocht ik vanochtend uitslapen. Geen nieuwswaarde. Al lijkt me dat eigenlijk alleen maar goed. ‘Wat wil je dat de lezer van je boek leert?’, vroeg literaire showmaster Maurice Seleky me tijdens de presentatie. ‘Niets, helemaal niets’, zei ik. Ik hoop echt van ganser harte dat niemand iets leert van mijn boek.

Nu, de volgende dag heb ik koppijn en een zeurende misselijkheid zwalkt door mijn maag. Ik blijf maar staren naar mijn scherm, maar in mijn hoofd is het stil. Want wat valt er nog te zeggen als je een boek hebt uitgebracht? Ik ben bang dat ik nu weer een nieuw boek moet schrijven.

Wittgenstein’s Mistress

Het is mij nog maar een paar keer overkomen, dat ik een boek las waar ik vervolgens bezeten door raakte, maar het is mij onlangs gebeurd met het boek Wittgenstein’s Mistress van David Markson. 

Ik zie het nu dan ook als mijn persoonlijke missie zoveel mogelijk mensen dit boek te laten lezen. Het is grappig: als je op internet zoekt, blijkt dat al veel meer mensen dit idee hebben gehad. Ann Beattie is bijvoorbeeld een fan. David Foster Wallace schreef ooit een geweldig essay over het boek. Iemand maakte een index met alle personen die in het boek voorkomen, wat een ongelofelijk karwei moet zijn geweest. En toch is David Markson niet een schrijver die heel veel gelezen wordt. Blijkbaar is het een boek waar je of nog nooit van hebt gehoord, of een boek waar je al je tijd aan wil wijden. 

Ik vind het heel moeilijk om uit te leggen waar Wittgenstein’s Mistress over gaat. Over eenzaamheid, misschien. Over wat er gebeurt als je de laatste persoon op aarde bent, of over wat er gebeurt als je gek bent. Over hoe isolatie je taalgebruik kan veranderen, over hoe diezelfde taal je controle over de wereld kan geven. Over hoe mensen je die controle vervolgens afnemen, waardoor jij op jouw beurt misschien de wereld de mensen moet afnemen door te doen alsof zij er niet zijn. Of is juist datgene aan de hand dat het ultieme verlies van controle behelst, namelijk het door de mensen verlaten te zijn? In ieder geval, in plaats van de tekst op de achterflap over te typen heb ik een stukje vertaald. Op den duur hoop ik er een toneelstuk van te maken.

 

In het begin liet ik soms berichten achter op straat.
Er woont iemand in het Louvre, stond er op de berichten. Of in the National Gallery.
Uiteraard stond dat er alleen als ik Parijs of in Londen was. Er woont iemand in het Metropolitan Museum was wat er stond toen ik nog in New York woonde.
Niemand kwam langs, natuurlijk. Uiteindelijk liet ik geen berichten meer achter.
Om eerlijk te zijn, misschien liet ik alles bij elkaar slechts drie of vier berichten achter.
Ik heb geen idee hoe lang geleden het is dat ik dat deed. Als ik moest raden, geloof ik dat ik tien jaar zou raden.
Misschien was het daarentegen een paar jaar langer geleden. En natuurlijk was ik destijds een tijdje behoorlijk de weg kwijt.
Ik weet niet precies voor hoe lang, maar voor een zekere periode.
Zoals toen ik naar dat afgelegen deel van Turkije reed, om het oude Troje te bezoeken.
En om een of andere reden vooral naar de rivier daar wilde kijken, waar ik ook over had gelezen, die langs de citadel naar de zee stroomde.
Ik ben de naam van de rivier vergeten, die in feite een modderig stroompje was.
En ik bedoel sowieso niet naar de zee, maar naar de Dardanellen, die vroeger de Hellespont heette.
De naam van Troje werd ook veranderd, natuurlijk. Hisarlik – de naam die het kreeg.
Mijn bezoek was op meerdere manieren een teleurstelling, aangezien de plaats ontzettend klein was. Zeg maar weinig meer dan het gemiddelde stratenblok en slechts een paar verdiepingen hoog, praktisch gezien.
Maar toch, vanaf de ruïnes kon je de berg Ida zien liggen, helemaal in de verte.
Zelfs aan het eind van de lente lag er sneeuw op de berg.
Daar is iemand naartoe gegaan om te sterven, geloof ik, in een van de verhalen. Paris, misschien.
Ik bedoel Paris die Helena’s geliefde was, uiteraard. En die gewond raakte helemaal aan het einde van die oorlog.
Om precies te zijn was het vooral Helena aan wie ik dacht, toen ik in Troje was.

(…)

Vanaf Hisarlik is het naar het water misschien een uur lopen.
Wat ik van plan was te doen was een roeiboot nemen het water over, en dan verder Europa inrijden, richting Joegoslavië.
Misschien bedoel ik Joegoslavië. In ieder geval zijn er aan die kant van de zeestraat monumenten voor de soldaten die daar in de Eerste Wereld Oorlog stierven.
Aan de kant van Troje kun je een monument bezoeken waar Achilles begraven werd, zoveel langer geleden.
Tenminste, ze zeggen dat Achilles daar begraven is.
Toch, ik vind het buitengewoon dat daar jonge mannen stierven in die oorlog lang geleden, en toen opnieuw op dezelfde plek drieduizend jaar later.

(…)

Waar ik nog serieuzer bijna alles voor zou geven, in alle eerlijkheid, zou zijn te begrijpen hoe mijn hoofd soms in staat is van de hak op de tak te springen zoals het van de hak op de tak springt.

The Unknown Unknown

(WEB)(OK)-1-Pirandello-Luig
Pirandello, auteur van de beste verhalen.

Het was een boekhandelaar die het in mijn handen drukte. The Unknown Unknown. Bookshops and the Delight of Not Getting What You Wanted van Mark Forsyth. Een niet zo best geschreven traktaatje dat bovendien het heldendom van het gereleveerde inzicht in de richting van de hier toch onverwachte Donald Rumsfeld schuift. De centrale gedachte is dat je in een goede boekwinkel dat vindt waarvan je niet wist dat je het niet kende. Wat we weten, weten we, wat we niet weten, weten we vaak ook wel, maar wat we niet weten dat we niet weten: daar moet men op gewezen worden en daartoe heb je aan Google weer weinig, want dat stuurt je vinden veel te veel.
MV5BMTU3MjkzMzI5OV5BMl5BanBnXkFtZTcwMDcyMzcxMQ@@._V1_SX214_AL_ In een goede winkel kom je dingen tegen die je echt niet wist. Net als in een goede boekwinkel, want er zijn ook boekwinkels die alleen maar inkopen waarvan ze weten dat ze het heel snel weer zullen verkopen. Een goede boekwinkel is derhalve een boekwinkel die inkoopt en behoudt wat hij weet dat hij niet snel zal verkopen, zodat iemand het ooit kan vinden. Het onbekende waarvan hij niet wist dat hij het zocht. De Tribune in Maastricht is zo’n boekwinkel. In drie zalen, links, rechts en een kelder staat de goede keuze van decennia verstandig en smaakvol inkoopbeleid die niet uitgaat van wat snel verkocht wordt, maar van wat goed genoeg is om ooit verkocht te worden. Het onbekende staat daar. En ik moet mijzelf om de diepte van deze mededeling wat meer kracht te geven even op de borst kloppen: ik ken best veel boeken, want ik koop al decennia maniakaal. Maar in de Tribune kom je boeken tegen, niet zomaar een of twee, maar op elke plank, die je niet kende. The Unknown Unknown bevindt zich in de Kapoenstraat in Maastricht. Het verdient een bedevaartsplaats te worden. Je moet er rondlopen om goed te kunnen ervaren hoe bijzonder het is in een boekwinkel uitgaven tegen te komen die niet nieuw zijn, maar uit 1987 stammen. Je moet rondlopen om er met een schok achter te komen hoe ongewoon het is meer smaakvolle boeken om je heen te hebben dan je in jaren meemaakte in een boekwinkel.

Een hele poos terug kocht ik daar een deel van de Novellen voor een jaar van Pirandello. Dat kende ik toen nog niet. Pas deze week begon ik in dat deeltje verhalen van de Italiaan en de eerste twee verhalen ‘De vlieg’ en ‘De ketterij der Katharen’ zijn onwaarschijnlijk goed. In kort bestek, geweldige personages, prachtige sfeer, een staalhard plot. Onverbeterlijk! We hebben hier een terechte Nobelprijswinnaar. Ik ga alle delen kopen en lezen. In de uitgave van nog zo’n atypische held: uitgeverij Coppens & Frenks.

Als u en ik vergeten zijn, kent men nog: Coppens & Frenks, Pirandello en De Tribune in de Kapoenstraat.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Combé

CombeIn mijn voorstelling van teruggaan naar Suriname zag ik mezelf altijd door de Louiselaan lopen in de richting van de grote Combémarkt om daar een tros kouseband te halen, een tas oker en bos ramboetans.

Vandaag was ik er weer, op zoek naar wat minder Sehnsucht-aanwakkerende artikelen als garnalenpasta, wc-papier en luiers.

Als je een (klein) kind hebt is er alleen nog ruimte voor vervoering die verband houdt met dat kind. Alle andere manieren waarop je in het hart geraakt kunt worden staan in de wacht totdat het kind oud genoeg is om zelf op vakantie te gaan.

Door nuchtere ogen* is een bezoek aan de Combé weinig minder dan een afdaling naar een van de minder heftige niveaus van de hel. Verdieping 3Kafka’s favorieten.

Er zijn vier soorten kassa’s in de grote Combémarkt, waar vier verschillende categorieën producten (vers, import, koud en cosmetica) moeten worden afgerekend (die vlak naast elkaar in dezelfde ruimte op schappen liggen). Zelfs voor mij als warenkenner is het in veel gevallen onmogelijk te voorvoelen welk product bij welke kassa hoort.

Bij elke kassa staan twee mensen: iemand die spullen uit je mand haalt en iemand die de producten aanslaat. Als alles aangeslagen is vallen de handelingen tijdelijk stil omdat er gewacht wordt op de controleur, die zonder uitzondering een hindoestaanse vrouw is. Alleen zij heeft het recht de boodschappen te tellen, de kassabon te ondertekenen en die aan je tasje te nieten. Daarna mag je in principe weg.

Vanochtend koos ik onder andere de rij bij een beginnende caissière, waardoor er wel vier personen achter de balie stonden**. De trainee was vergeten haar kassarol te vervangen, en ontdekte dit pas bij het uitslaan van mijn rekening (4.10 SRD, wat minder dan een euro is).

Alles viel stil. Onder mijn voeten begon de vloer te hellen in de richting van de medewerker-in-opleiding. Pallets met soya-olievaten schoven langzaam onze kant op. Een aantal korte tut-tutten ontsnapte aan een van de oudere dames die als taak had om de jonge vrouw te begeleiden. De dame straalde teleurstelling, vermoeidheid en veroordeling uit, maar vooral de overtuiging dat geen druppel van de blaam die op deze stupiditeit zou volgen aan haar zou blijven plakken.

Niemand zei iets tegen mij. En zo bleef het, wel drie minuten lang. Uiteindelijk werd er iemand bij geroepen., die ook tut-tutte.

‘Moet u nu meteen weg?’ vroeg de nieuwe dame. Een roodgeverfde streng ontsnapte aan haar gouden haarspeld.

‘Ja,’ zei ik.

Er werd gezucht, maar niet door de jonge caissière. Zij leek niet meer geademd te hebben sinds er geen bonnetje uit haar kassa kwam.

‘Ik stuur iemand met u mee,’ zei de nieuwe dame.

Even later liep ik met mijn dichtgeniete minizakje door de grote hal van de Combé, op de voet gevolgd door weer een andere dame. Het voelde alsof ik in mijn broek gepoept had en nu met mijn vuile onderbroek (de punten van de stof bijeengehouden tussen mijn duim en wijsvinger) naar de juf gestuurd werd om mijn straf te ontvangen.

Bij de hoofdkassa (die er ook nog bleek te zijn) leek niemand zich aan het echec van een junior caissière te willen branden.

Vanmiddag reed ik naar de dure supermarkt Tulip, die naar Nederlands model is opgezet in een drukke straat op nog geen drie minuten rijden van de Combé. Elke kassa had een caissière en bij elke kassa konden producten uit de hele winkel worden afgerekend. Het systeem werkte goed.

Voor ons vertrek uit Nederland vroeg iedereen waarom we voor Suriname kozen. Omdat “Het systeem werkte goed” geen verhaal is.

* De laatste keer dat ik hier was ben ik een groot deel van mijn verblijf ziek geweest – open TB, hoe old-school is dat? – waardoor ik wil toegeven dat er dingen langs me heen zijn gegaan.

** Twee senior controleurs per trainee.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

De poëtische singer-songwriter

Afgelopen weekend speelde Rufus Wainwright tijdens de Nacht van de Poëzie. Hij was de belangrijkste entr’acte van de avond. De publiekstrekker ook, want na zijn optreden was het op de vloer zichtbaar leger. Rufus wordt alom beschouwd als een groot en poëtisch singer-songwriter.

Hij zette het publiek een beetje narrig op het verkeerde literaire been door te beginnen met ‘Grey Gardens’. De eerste regel klinkt in elk geval dichterlijk: ‘Honey I’m a roller concrete clover’. Daarna richt de zanger zich tot een zekere Tadzio (in een soort refreintje: ‘Tadzio, Tadziooo!’). Misschien wordt daarmee die jongen uit Thomas Manns Der Tod in Venedig bedoeld, misschien de jongen die naast mij zat. Het is onduidelijk wat Tadzio met de rest van het lied van doen heeft. Op songmeanings.com beweert iemand dat hij een vriend van Rufus was, op wie hij ooit een oogje had. Ze keken toevallig samen naar de film Grey Gardens.

Gevoel voor ritme en rijm, daar draait Wainwright zijn hand niet voor om. In het nummer ‘Going To A Town’ pakt hij bijvoorbeeld op een scherpe manier Amerika aan:

Tell me, do you really think you go to hell for having loved?
Tell me, enough of thinking everything that you’ve done is good.
I really need to know, after soaking the body of Jesus Christ in blood.
I’m so tired of America.

Het is duidelijk dat Wainwright overtuigd is van de vergane glorie van het machtigste land op aarde. Toch zijn de meeste van zijn lyrics wel typisch Amerikaans. Zo ook het wrange ‘The Art Teacher’. Een schoolmeisje beschrijft daarin dat ze verliefd werd op haar leraar ckv en later vanwege hem een echte Turner aan de muur heeft hangen. Wainwright speelt een spelletje met woorden:

I looked at the Rubens and Rembrandts.
I liked the John Singer Sargents.
He told me he liked Turner.
Never have I turned since then.
No, never have I turned to any other man.

Zijn verslavingsgevoeligheden moeten eraan geloven in de eerste strofen van de addiction song ‘Cigarettes and Chocolate Milk’, het afsluitend nummer in Vredenburg. De laatste regels: ‘please be kind if I’m a mess / cigarettes and chocolate milk’.

Wainwright zei tussen de bedrijven door dat hij nooit op zo’n avond had opgetreden. Hij wilde graag bij het thema blijven en zong daarom een van de Shakespeare-sonnetten die hij ooit op de plaat zette. Nummer 20, ook wel bekend als ‘A Woman’s Face’, en meteen de mooiste van de drie die hij opnam. Een eenvoudige puls van akkoorden eronder, een gewaagde overgang op de volta van het gedicht – niets meer aan doen.

Met zijn uitvoering van ‘Hallelujah’ leende Wainwright handig van de dichter Leonard Cohen. Voordat de oorspronkelijke versie werd opgenomen schreef die laatste naar verluidt wel tachtig coupletten. Poëzie is, net als proza, een daad van schrappen. Wainwright bracht dat in devies ook in praktijk in zijn intieme pianoversie. Er durfde niemand mee te zingen.

Het lukte hem de zaal stil te krijgen, waar de meeste dichters niet in slaagden. Behalve Remco Campert. Wainwright mag dan geen dichter zijn, het raggende pianospel en zijn stem als een strijkinstrument deden heel veel goed. Voor veel mensen.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Ik bevestig dat ik leef

Of neem de branding. Stukgeslagen/ op de rotsen is zij niet werkelijk verslagen,/ maar herneemt zich en is daarin poëzie. Remco Campert, Poëzie is een daad*

1)  De nacht

In ‘t licht van etalages, buitenreclames en straatlantaarns gaan dichters en literatuurliefhebbers op in stappers, penoze en wachtende taxichauffeurs. Ik denk aan Roland en Marko en Barry en aan Tjitske (zwaai!) en aan Laurens Ham en zijn vriendin en aan Marjolijn en aan Kira en haar Tirade 454 gedicht en aan de genereuze aankondigingen van Piet Piryns en Ester Naomi Perquin… Maar vóór alles denk ik aan Remco Campert… dit zal voor altijd De Nacht van Campert blijven… Godsamme. Die voordracht, het applaus. Eigenlijk was het Camperts eerste postume optreden – de hemelvaart van een levende. Die broze kracht op dat podium: zo ziet onsterfelijkheid eruit.

‘En toch, en toch… En tóch…,’ zeg ik tegen mijn vriendin terwijl we zoeken onder welke plataan we mijn Jaguar onze fietsen ook alweer hadden geparkeerd, ‘ondanks alle prachtige poëzie… het mooiste gedicht van de avond: ben jij.’

‘Tyn, ‘t is drie uur geweest.’

‘MAAR IK MEEN HET!!’ mijn Bart-Chabot-doet-Simon-Vinkenoog-imitatie neigt net iets teveel naar Sjef van Oekel.

Tien minuutjes fietsen – slalommen tussen zwalkende studenten. Jammer dat The Kik Armand en Lucky Fonz III had thuisgelaten. Maar daar staat tegenover dat de schoenen van Remco Campert net zo kobaltblauw waren als die van mijn vriendin. Haar vest was dan weer iets donkerder kobalt, net als dat van Marjolijn van Heemstra trouwens.

Als we thuiskomen, blijkt mijn imaginaire dochter er nog niet te zijn. Ze heeft in de nacht van vrijdag op zaterdag gelogeerd bij een collega in Rotterdam en zou zaterdagavond zelf weer naar huis komen. Mijn vriendin gaat naar bed, ik pak een boek om de tijd te doden tot ik mijn collega kan bellen. ‘We niksen de klok rond en fiksen het gat in ons hoofd,’ declameerde Leonard Nolens een paar uur eerder.

2)  Brusselmans*

God, wat hebben we het toch gezellig met elkaar in de NED-LIT… babbeldebabbel, borrel de borrel, twitter de twit… we lijken godverdomme wel een stel ouwe wijven… Hoog tijd om es een collega helemaal kapot te maken… es even kijken… kom jij maar eens naar voren… Herman Brusselmans!… Met je grote bek. En je zelfingenomen smoel. En je lange haar. Laat maar es zien wat voor boekske je nou weer gebakken hebt… Zeik?! Oké, geinige titel… blader, blader, lees, lees… haha!… hahahaha!… Oké, haha… best lachen, geinig gedaan… Maar ‘t is ook wel pathologisch, die grappenmakerij van je… als je álles belachelijk maakt – het genre van de policier, de roman/fictie in ‘t algemeen, het dagelijks leven, staande uitdrukkingen, het kantoorleven, seks, mongolen – dan laad je vooral het vermoeden op je dat je de stress der ernst niet kunt verdragen, geen seconde… Of zie ik dat verkeerd? Mmm? En moet dit soort stand-up proza nou echt per se gedrukt en verspreid worden? Ik vind ‘t meer iets voor een blog of om in drievoud uit te printen en uit te delen aan je beste vrienden… Nee, niet gelijk kwaad worden… ik denk dat je werk veel interessanter wordt als je niet in iedere scène of iedere zin meteen op zoek gaat naar de komische ontsnapping… Wat jouw werk nu per saldo overdraagt is levensangst… Zeik is een kaassoufflé zonder kaas… knap dat je ’m zoveel smaak kunt geven, maar voeden doet ie voor geen meter… Zo. Tot ziens in de Blaffetuur.

3) Raadsels

Om half acht, zondagochtend, bel ik mijn Rotterdamse collega om te informeren waarom mijn dochter nog niet thuis is. Heb ik me vergist? Zou ze twee nachtjes blijven? ‘Er logeert hier helemaal niemand,’ antwoordt ze, ‘ik weet niet waar je ‘t over hebt. Wie ben jij eigenlijk? Nee, sorry, je naam zegt me helemaal niks… En nu ga ik ophangen, want ik sta een konijn te villen.’

Voor ik nog iets kan zeggen, verbreekt ze de verbinding. Ik schiet in de lach.

Wat een raar gesprek! Is dit een sadistische grap? Het machtsspel of de machinatie van een narciste? Een onleesbare poging om me te castreren of te vernederen? Of is dit toneelstukje bedoeld om me op te voeden? Wil ze me laten zien wat er kan gebeuren als je je puberdochter zomaar bij een collega laat logeren? Of… of is er iets afschuwelijks gebeurd? Een ongeluk, ontvoering, verdwijning – en is dit een onbeholpen manier om tijd te winnen?

4) LINDA en REMCO

We – de Tirade redactie – hadden het plan om allemaal de LINDA Questionnaire te beantwoorden die onze zaterdagse gastblogster, LA SAMSON, kreeg of krijgt voorgelegd. Maar het is me nog niet helemaal duidelijk uit welke vragen die bestaat. Mijn antwoorden houd je, geloof ik , dus nog tegoed. Maar… mocht LINDA willen weten wat mijn favoriete dichtregel/strofe is… REMCO CAMPERT, afgelopen zaterdag:  Poëzie is een daad/ van bevestiging. Ik bevestig/ dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

5) Straks

Maandagochtend. Mijn dochter is nog steeds niet thuis. Ik ben niet zo’n tobber die meteen het allerergste gaat denken… Natuurlijk blijft ‘t door mijn hoofd spoken dat ze is ontvoerd, verkracht, verminkt, vermoord. Misschien is ze inmiddels al in vijfenveertig stukken gesneden en als rosbief geserveerd aan afgetrainde zakenlui, opgewekte redacteurs van concernuitgeverijen en andere wereldverbeteraars. Ik zou nog een keer naar Rotterdam kunnen bellen. Maar ik vertrouw mijn collega. Was mijn dochter iets ergs overkomen, dan had er al lang een inspecteur à la Jean-Pierre Zeik voor de deur gestaan. Ieder moment kan ik de sleutel in het voordeurslot horen. Straks is ze gewoon weer thuis, ongeschonden. Alles komt goed.

—–

Volgende week: Samuel.

*Boekskes

Herman Brusselmans, Zeik, Prometheus (2014).

Remco Campert, Poëzie is een daad, uit: Het huis waarin ik woonde, De Weekblad Pers Groep (1955).

Optreden

Jaren geleden interviewde ik de Britse band Portishead. Het was een persdag zoals ik wel vaker had meegemaakt: met een stipte planning, een nerveuze manager, maximaal een kwartier interviewtijd en als decor een luxueus hotel. Maar anders dan gebruikelijk kreeg ik van tevoren een lijstje toegestuurd met daarop alvast enkele antwoorden.

Antwoorden op vragen die nog helemaal niet gesteld waren.

Vragen waarvan de bandleden van Portishead meenden te weten dat men ze zou stellen. (Waarom na al die jaren weer een nieuw album? Wanneer zijn jullie met de opnames begonnen? Naar welke triphopacts luisteren jullie zelf?)

Toen ik de lijst kreeg was ik zelfs beledigd. Het had iets heel hooghartigs, dat Portishead bij voorbaat al meende te weten welke vragen gesteld zouden worden, dat ze interviewers kennelijk voor zulke eentonige, voorspelbare figuren hielden.

Zelf had ik toen nog nooit een interview gegeven. Dat gebeurde pas maanden later, nadat een verhaal dat ik had geschreven tot mijn grote verbazing enthousiast werd ontvangen en zelfs werd uitgegeven als roman.

Binnen een half jaar was ik geen middelbare scholier meer maar een schrijver, althans, zo noemden sommigen me. Mijn uitgeverij regelde dat ik, vlak voor de verschijning van mijn debuut, tijdens Manuscripta mocht ‘optreden’. ‘Er komen veel mensen,’ werd me door de telefoon verzekerd. Ik was net negentien, had nog nooit een literair evenement bijgewoond en ging akkoord. Eenmaal ter plaatse zag ik dat het inderdaad druk was. Even voelde ik trots, tot ik me realiseerde dat al die mensen in de rij stonden voor de kantine. Ze spraken, ze lachten, sommige hard, andere zacht, maar ze hadden allemaal iets gemeen: niemand keek naar mij.

Ik werd geïnterviewd door een mij onbekende vrouw. Ze stelde vragen die verstomden in het geroezemoes van de hal, en mijn hakkelige antwoorden bereikten de interviewster volgens mij nauwelijks.

Dat was mijn kennismaking met publieke interviews. Soms betwijfel ik of ik er in de tussentijd op vooruit ben gegaan, of er in de tussentijd überhaupt iets is veranderd. Ik weet alleen van tevoren vaak beter welke vragen me op een podium gesteld zullen worden.

Hoe het is, om uit een schrijversfamilie te komen (heel gezellig).

Wat mijn generatie kenmerkt (geen idee).

Meestal antwoord ik op die vragen met een welwillende glimlach en een paar algemene statements. Ik vind het doorgaans ook wel aangenaam, zo’n gesprek: het is een zeldzame mogelijkheid om te zien wat voor publiek geïnteresseerd is in boeken, en om je eigen handelswaar, in deze tijd waarin een boek toch meer en meer de omlooptijd heeft van een videoclip, zelf aan de man te kunnen brengen.

Maar terwijl ik mijn antwoorden geef, denk ik weleens aan het antwoordenlijstje van Portishead. Ik stel me voor hoe hun promotiecampagne er destijds uit zag, iedere dag een ander land, steeds weer een stuk of twintig journalisten die hoopvol en nerveus naar je toe komen. Uiteraard wordt er dan vaak hetzelfde gevraagd. Uiteraard zijn er dan vragen waarbij je denkt: alsjeblieft, zwijg als je niets te zeggen hebt.

Ach, zoals de Britse journalist Russell T. Davies al eens opmerkte: ‘Dialogue is just two monologues clashing.’

Onder de huid

Ik zit haast elke dag in de trein naar mijn werk. Vroeger deed ik dat lekker anoniem, maar sinds een paar maanden check ik in en uit met mijn chip. Soms komen conducteurs langslopen om te kijken of iedereen netjes ingecheckt is. Dan vraag ik me af of dat afleidingsmanoeuvres zijn. Weten ze niet allang welke chips er aanwezig zijn in de trein? En als de NS het niet weet, zijn er dan geen andere instanties dat weten? Hebben de AIVD of NSA bijvoorbeeld al scanapparaten in de plafonds van de Europese intercitytreinen geplaatst die registreren waar iedereen uithangt? Of is zoiets waarneembaar vanuit een satellietje ergens in de dampkring?

De NS zegt mijn reisgegevens voor niets anders dan de verbetering van de reiservaring en de dienstverlening te zullen gebruiken. Maar als we met dienstverlening gaan schermen dan is er nog veel verbetering mogelijk als je het mij vraagt. Want elke dag moet ik mijn chipkaart 1. meezeulen 2. uit mijn portemonnee pakken 3. langs het scanapparaat halen (vòòrdat ik in de trein stap). Dus, lieve NS, is het misschien nog klantvriendelijker om een onderhuidse OV-chip te ontwikkelen? Waarschijnlijk is het ingreep van niets om een microchip te bevestigen, mijn voorstel zou zijn aan de onderste nekwervel: C7. Die C7 laat zich niet makkelijk stelen of transplanteren. Hij slijt wel met de jaren, maar daarmee komt hij (als we langzaam zakken in die onvermijdelijke bochel) alleen maar verder naar achteren te staan, waardoor hij voor de scanapparaten beter in zicht komt. (C7-alert: uw chip is de afgelopen maanden 10 graden gezakt, misschien is het tijd voor wat yoga? Een bezoekje aan de huisarts?).

In het begin zul je wat gesputter horen, NS. Bits of Freedom zal wel weer op de achterbenen staan en er zullen in de krant vergelijkingen met 1984 (hoe lang geleden is dat!) worden gemaakt. Maar wacht rustig af tot ze de voordelen merken. Bij onze huisdieren vinden we het de gewoonste zaak van de wereld: een chip in de nek. Terwijl het ook voor oma handig is dat een agent haar kan scannen als ze verward over straat doolt.kat-aflezen

De mensen zullen er later nog schande van spreken dat we in de 20ste en begin 21ste eeuw, ondanks alle technologische vooruitgang, zo achterlijk waren om identiteitsbewijzen en bankpassen buiten ons lichaam te dragen.
-Het was nog mogelijk om misdrijven te plegen. Identiteitsfraude en diefstal lagen altijd op de loer, zullen de geschiedenisleraren van de toekomst zeggen.
Dan schudden de leerlingen geschrokken hun hoofd. Dat soort gegevens is tegen die tijd namelijk veilig in onze nekwervel opgeborgen. Vooral nadat op een gegeven moment RNA-strengen zijn ontwikkeld die de chip al embryonaal konden ontwikkelen. Hoef je alleen nog de identiteit van je ongeboren vrucht te uploaden bij het (digitale) loket. Paspoort, bankrekening, BSN. Alles integraal in de C7. En mettertijd wordt langzaam alles geregistreerd. Basisschool behaald, zwemdiploma, middelbare school, rijbewijs. Dit alles gaat gepaard met nieuwe autorisaties in het leven, toegang tot openbare zwemplaatsen, toegang tot de banenmarkt, autowegen (alles met bijbehorende op de klant toegespitste reclame). Ook worden steeds meer simpele medische voorzieningen op de chip geïnstalleerd, die metingen doen aan onze suiker- en bloedwaarden, die onze hormoonhuishouding in de gaten houdt (C7-alert: U ovuleert). De microfoon die in de C7-chip is geïntegreerd (en die niet zal worden gebruikt om de gebruiker af te luisteren) registreert of we geen hartritmestoornissen krijgen. Facebook ontwikkelde (in samenwerking met Google-hoornvlies -de opvolger van de Google-bril) een C7 augmented reality streaming service waardoor je iedereens vrienden (en -gezamenlijke- vijanden) in een virtuele aureool om hem heen ziet (C7-alert: pas op! Er nadert iemand met veel -of belangrijke- vijanden). Bereik je een bepaalde leeftijd (hier was even discussie over, maar hij is toch vastgesteld op 18) dan kun je een alert krijgen als je iemand passeert die 1. binnen je league valt (op basis van oordelen van honderd voorbijgangers) en die 2. wat betreft klikgedrag en 3. wat betreft genetische achtergrond een potentiële levenspartner zou kunnen zijn. Ook is de chip goed bruikbaar om in een volgende levensfase de echtelijke trouw te toetsen. Sowieso is je huwelijk natuurlijk geregistreerd op je chip. En vervolgens kun je middels een app bijhouden waar je partner uithangt. (C7-alert: uw partner is langer dan een paar seconden op minder dan 20 cm afstand is van een andere chip.)
-Nee echt lieverd, dat was iemand die de hele tijd tegen mij opbotste in de Albert Heijn.
-Een uur lang? En hoezo was je op de Baarsjesweg?

Een laatste grote voordeel is dat we ons leven kunnen uitprinten als we sterven (of iemand daartoe kunnen autoriseren).
-Jongens, heeft iemand een uitdraai gemaakt van opa?
Misschien dat de Hema een app kan ontwikkelen, die opa’s harde schijf kan omzetten in een biografie. Het geheel opgeleukt met wat screenshots van zijn googlehoornvliezen (Wat keek opa vaak naar billen!)(Spacend hoor, de tijd dat hij Alzheimer had). Print on demand. Als er tegen die tijd nog iemand een boek leest.

Meer markt, maar krijgen goede bedrijven alle aanpak

Het hoogstfrequente zelfstandig naamwoord in de Troonrede is Regering.

Zolang ik me herinner lees ik troonredes. En zolang ik met de teksten iets dergelijks doen kan, pakweg sinds 1994, tel ik de woordfrequenties. In 1998 studeerde ik af op een gedichtenreeks van Martinus Nijhoff. Het leek me toen dienstig om eens te zien in welke gedichten welke woorden uit die reeks nog meer voorkomen. Dus scande ik het verzameld dichtwerk van Nijhoff. Dat is een klus, en tekstherkenning is nu veel makkelijker dan toen. Het is een mooie vorm van tekstonderzoek: in welke omgeving bevindt zich een woord nog meer? Want dit voegt iets toe aan de betekenis van een woord. Later ben ik met poëzie van Pessoa een net iets ander experiment gaan doen: neem een gedicht van Pessoa uit de tweetalige editie van August Willemsen. Zoek het eerste zelfstandig naamwoord,tik dat Portugese woord in ‘Google afbeeldingen’ in en pak het eerste plaatje. Pak dan de Nederlandse vertaling van dat woord en doe er het zelfde mee. Zet de plaatjes naast elkaar. Doe dit met alle zelfstandig naamwoorden. De twee rijen plaatjes vertellen heel veel. Over Nederland, over Portugal, over vertalen.

De Troonrede is nooit poëzie geweest, het is wel een boeiende tekst omdat niemand zich eraan stoten mag, een zalvender tekst vind je nergens. 2136 woorden die je nauwelijks raken. De frequentie, daarvoor heb je programmaatjes, is dit jaar anders dan anders lijkt het: een andere tekstschrijver wellicht?
De functiewoorden voeren de ranglijst altijd aan

152 keer het woordje  ‘de’, 108 en, 88 van, 67 in, 59 het, 54 een, 42 voor, 33 met, 29 is, 24 op, 23 te, 22 die.

De lijst met woorden die maar 1 keer voorkomen is langer dan de vorige keer. En de semantische kwaliteit, of de duidende potentie,  van die woorden is ook iets hoger naar mijn smaak: Dat ‘we’ maar 1 keer voorkomt dat was onder Beatrix niet voorgevallen. Dat Afrika maar 1 keer voorkomt zou Claus betreurd hebben. Dat Caraïbische er altijd een keer in moet is obligaat, maar ruimhartig bedeeld zijn ze daarmee niet.

Het tweede hoogstfrequente woord is'mensen' deze plaatjes levert google als eerste resultaat.
Het tweede hoogstfrequente woord is’mensen’ deze plaatjes levert google als eerste resultaat.

Het rijtje 9 tot en met 4 keer voorkomend is ook aardig: hoogfrequent maar niet frequent genoeg om het percentage functiewoorden hoog te maken. Zij vormen dus datgene waarover ons land nu gaat:

9 veel
9 jaar
9 blijft
8 worden
8 deze
7 werk
7 wereld
7 nieuwe
7 nederland
6 samenleving
6 onze
6 of

voor de opmaak van het blog hak ik maar een stuk van het lijstje af. De hele lijst zien?  Plak dit in dit.
4 nodig
4 naar
4 moet
4 miljard
4 meer
4 markt
4 maar
4 krijgen
4 goede
4 bedrijven
4 alle
4 aanpak
En dan wordt de lego-er in mij wakker, vallen van deze lijst geen zinnen te bouwen? Meer markt, maar krijgen goede bedrijven alle aanpak? Onze of niet gericht Europese economische economie?

Of misschien lees ik de lijst nog het liefst gewoon achter elkaar door: de woorden zijn opgeschoond van hun zalvende bedoeling, en we zien gewoon waar het om gaat. Zoals je ook wel eens de ingrediënten van een mooie maaltijd in de keuken staand opeet om je het koken te besparen en iets puurs te proeven. Functiewoorden weg, laagfrequente opschmuck weg, door mij met een enkel uitroepteken dramatisch aangezet:

 

Leden van de staten generaal!

Veel jaar blijft worden deze werk wereld nieuwe nederland samenleving! Onze of niet gericht europese economische economie beschikbaar; als zorg werken onder nederlandse kan jaren internationale hun heeft groei extra euro! Daarom daar bij baan andere alles zo zal werkgelegenheid voorzieningen uit over nodig, naar moet miljard meer markt maar krijgen goede bedrijven alle aanpak?

Zo waarlijk, helpe mij god almachtig.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

High Johnny Five

Sinds een jaar loop ik hard. Ik vind het verschrikkelijk, maar houd het vol met dezelfde doorbijterigheid als waarmee ik studies afmaakte, aikidoexamens haalde en andere dingen onder de knie kreeg die erg moeilijk zijn en waaraan weinig plezier te beleven is, zoals gitaararpeggio’s en het kopen van kleren in drukke winkels.

Tot heel recent had ik een smartphone, waardoor ik tijdens het rennen naar Hip Hop kon luisteren, maar met het oog op ons vertrek naar Suriname ben ik overgestapt naar een eenvoudiger abonnement. Hardlopen is nu nog saaier geworden: ingedroogd van verveling ratelen mijn hersenen rond in hun schedelpan, op zoek naar om het even welke afleiding. Input. Input. Need input, Number Johnny Fiveimages

Gelukkig is sporten in het Westerpark ingewikkeld. Er zijn lange rechte paden waarop je steeds plaats moet maken voor tegemoetkomende renners. Soms groet je elkaar, soms niet. Dat gaat – althans voor mij – niet op organische wijze.

Zo gauw ik de ander aan zie komen begint de stress: is het een wegkijker of een groeter? En als het een groeter is: wisselen we een blik, een knikje of een knipoog?

Dat zijn alleen nog maar de mannen, bij vrouwen wordt het pas echt complex, want voor je het weet beperk je iemand keihard in haar vrijheid. Nu geloof ik niet dat een oprechte, naturelle groet ooit angst kan inboezemen, maar hoe naturel kom je nog over als je al 200 meter hebt getwijfeld tussen een hoge of een lage zwaai?

Ik kan slecht tegen ongemakkelijke situaties, of awkward gedoe, zoals het tegenwoordig in het Nederlands heet. Nu kan niemand daar tegen, want anders was het geen begrip. Mijn probleem is echter dat ik er fucking dwars van word. Opstandig, zelfs.

Deze week ben ik een sociaal experiment begonnen. Ik besloot een doorbraak te forceren in mijn ongemak bij het al dan niet groeten van vreemde renners door ze te high-fiven. Ik maakte het mezelf – om er een beetje in te komen – makkelijker door dit nog niet bij vrouwen te doen.

Het werkt als volgt: zo gauw je de ander aan ziet komen trek je een vrolijk gezicht. Mocht hij je kant op kijken, dan communiceer je dat hier iemand aankomt die lekker aan het rennen is en van niemand iets verlangt behalve dat zij ook lekker aan het rennen zijn. Je stelt de ander gerust, met andere woorden, opdat hij aan de positieve kant van het neutrale spectrum gestemd zal zijn en je zeker niet als een bedreiging ziet.

Stap twee is het moment waarop het aankijken van de ander door de ontstane nabijheid niet anders gezien kan worden dan als een poging tot het maken van contact. Voor de tegenligger is nu onmiskenbaar dat hier iemand lekker aan het rennen is, die zijn gevoel ook graag wil delen.

Stap drie (op circa twintig meter afstand) is dat ik mijn hand ophoud. Niet een laf halfhoog groetje, maar met de arm boven schouderhoogte (elleboog uiteraard gebogen om misverstanden te voorkomen) en de hand ontspannen maar duidelijk geopend.

Stap vier – we zijn nu vijf meter van elkaar verwijderd – is het nadrukkelijk strekken van de vingers en arm in een aantal korte enthousiasmerende rukjes, opdat de ander aanvoelt dat hier iets te gebeuren staat wat uit puur plezier geboren is en wat hij niet met goed fatsoen negeren kan.

Het feitelijke sociale experiment begint (stap 5) bij hoe het voelt als de ander je opgehouden hand voorbij laat gaan alsof het een verblazen herfstblad is en doet alsof er opeens iets heel erg mis is met zijn Iphone.

Afwijzing (en daar gaat dit stuk over) is een bizar sterke negatieve impuls. Check bijvoorbeeld Shakespeare’s Romeo and Juliet Act 3, Scene 3:

“ROMEO:

Ha, banishment! Be merciful, say ‘death,’

For exile hath more terror in his look,

Much more than death. Do not say ‘banishment.'”

Het is een zeer pijnlijke gewaarwording om een rondje te rennen en in tien pogingen slechts 1 keer handcontact te maken. Zo moet het voelen als alleen een nieuwe collega op je verjaardag verschijnt terwijl je huis vol taarten staat. En dan nog iets: die ene keer dat een tegemoetkomende renner (blond, baardje, heel dure schoenen) mijn gebaar beantwoordde, gaf hij zo’n vreselijk harde high-five dat het met de beste wil ter wereld niet als een vriendelijke groet kon worden opgevat.

Waarom ik het toch blijf doen? Misschien geloof ik in het immuniseren van het zelf tegen afwijzing; hoop ik dat een heleboel kleine afwijzingen me zullen harden tegen de alomtegenwoordige awkwardness van het bestaan. De rest van het jaar zullen mijn blogs uit Paramaribo komen. Es kijken hoe ze daar omgaan met vreemden die hun hand opsteken.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Tekst op de tv

Laatst trof ik op Teletekst de mededeling ‘Geen tekst’ aan, want Teletekst was blijkbaar kapot. Het was een mooie en veelzeggende tegenstelling in zichzelf. Dat er geen tekst was, en dat iemand dat dan maar had ingetikt als enige nieuwsbericht van die dag. Het was ook een confronterend boodschap: de tv is verboden terrein voor tekst. De natuurlijke habitat van letters is nu eenmaal niet de televisie, hoewel tv niet zonder woorden en verhalen kan. Er verschijnen weinig schrijvers op tv want wanneer het over literatuur gaat schijnen de kijkcijfers een vrije val te maken. Literatuur staat op televisie altijd op de helling.

Vlak voor het begin van het tv-seizoen werd bekend dat er een eind komt aan de Dode Dichters Almanak. Het kleinste programma van de Nederlandse televisie stopt op 28 december. Straks komt er op zondagnacht tegen enen geen dode dichter meer in beeld, maar begint gewoon de herhaling van het een of ander praatprogramma. Armoede, vinden critici. Bezuinigingen, zeiden voorstanders. De Dode Dichters Almanak is briljant in zijn eenvoud. Het biedt een in memoriam door the real thing te laten zien: archiefbeeld van een dichter die zelf voordraagt. Ideaal voor het slapengaan. In de laatste aflevering leest Erik Menkveld zijn gedicht ‘Zwarte tranen’, krap twee minuten televisie die potentieel duizenden mensen kunnen raken. Want dat geeft de Dode Dichters Almanak: de mogelijkheid je te laten raken door iets onbekends, of om dat weer te vergeten. Zoals Menkveld in zijn gedicht schreef: ‘Is het ooit anders geweest? De een heeft / nooit geweten wat hem raakte, de ander / is het weer vergeten. (…)’

Aan de andere kant van de boeken-op-televisieschaal staat het boekenpanel van De Wereld Draait Door. Eén keer in de maand nemen een paar boekhandelaren plaats om hun favoriete boeken aan te prijzen. Ze deden dat vorig seizoen van dik-hout-zaagt-men-planken, met grote kreten en zonder diepgang. Een boek op tv is immers altijd een reductie van zichzelf – maar de aanpak van DWDD werkte volgens mij wel. Wim Brands had het er afgelopen weekend in NRC ook over: ‘De boekenclub van De Wereld Draait Door, ach, ik heb er niet zoveel bezwaar tegen.’ Hij erkent de uitwerking van de rubriek, maar vindt het persoonlijk een verschrikking, zo oppervlakkig is het. Eind van de maand schuiven er nieuwe boekhandelaren aan om de stapels door te nemen. Ik ben benieuwd of zij hun favoriete boeken ook zo vaardig weten terug te brengen tot een paar soundbites.

Brands zei ook nog: ‘Adriaan van Dis heeft een heel goed gelukt programma gemaakt. Alle boekenprogramma’s daarna zijn mislukt omdat ze daar een soort kermis omheen hadden bedacht.’ Zou hij ook zijn eigen zondagse boekenprogramma bedoelen? Ik neem aan van niet, want net als Van Dis zoekt hij de diepte op, en dat kan goed werken. De nieuwe talkshow van Jeroen Pauw laat dat ook zien: daar zat nagenoeg elke avond een schrijver of dichter aan tafel. Naar aanleiding van de eerste aflevering, met Ilja Pfeijffer, schreef ik dat Pauw in het gat van de Dode Dichters Almanak zou moeten springen. Ik denk nu dat het nog breder kan. Waarom daar niet elke avond een schrijver uitnodigen voor een interview van tien minuten? Gewoon behandelen zoals alle andere nieuwsitems en vooral niet spastisch doen over hoeveel kijkers er wegzappen. Een nieuw praatprogramma móét toch een beetje durven experimenteren – misschien ook buiten de buis.

Voor Teletekst zet ik de televisie niet meer aan, dat (tussen)medium heeft zichzelf heruitgevonden als app voor op de telefoon. Inmiddels heeft die app 1.000.000+ gebruikers. Mocht het zo ver komen dat er echt geen hond meer wil kijken naar literatuur op tv, dan kan de NOS misschien een boekenrubriek op Teletekst beginnen. Kunnen de liefhebbers daar lekker verder lezen.

 

* Volgende week de Nacht van de Poëzie.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

This is the real world, Annabel.’*

Utrecht, 15 september 2014

Geachte Consumentenman,

Enige tijd geleden boekten mijn vrouw en ik via de wijd en zijd als bonafide bekendstaande reisorganisatie Happy Holiday Travels een drieweeks verblijf in een luxueuze vakantievilla aan de Zeeuwse kust. Wie, echter, schetst onze verbazing toen wij, na kilometers over steeds slechtere wegen te hebben afgelegd – met vier misselijke kinderen op de achterbank (waarvan er twee in huilen waren uitgebarsten en er één herhaaldelijk, uit onvrede met het gebrekkige rijcomfort, uit de rijdende auto probeerde te springen) – aankwamen bij een

‘Hahaha, mooie opening! Krijgen we nou dat LINDA interview?’

‘Nee, nee… ik was te snel, we hebben nog niet alle vragen binnen. Komt volgende week.’

‘Oké… maar je gaat ’r toch niet weer een oud stukje in pleuren? Net als vorige week?’

‘Welk stukje?’

‘Kom op, man… dat Krijt stond in 2011 al op die rare blog van je, hoe heet ie tegenw- ’

‘Ja, nou ja… destijds leek ’t een beetje een profetisch stukje en vorige week voelde ik opeens de behoefte om die blogpost weer eens te toetsen aan de actualiteit.’

‘…’

‘Wat kijk je nou? Ik mag mijn eigen materiaal toch wel recyclen? Het zou godverdomme pas raar zijn als iemand ánders mijn teksten, ideeën en fucked up leven zou gaan gebruiken of hergebruiken.’

‘O, nou, dat ben ik totaal niet met je eens. Bronvermelding, copyright, privacy… dat is allemaal ontzettend passé, hoor. Ethiek is een niche voor kwezels.  God is dood. Dus alles mag. Zolang je d’r maar mee wegkomt.’

‘O. Echt? Dat wist ik niet. Jeetje. Sorry. Nou. Dan heb ik niks gezegd!’

‘Bijscholing op de maandagochtend.’

‘Hartstikke bedankt!’

‘…’

‘Jammer dat je vorige week niet op de borrel was, trouwens… ’t Was echt te gek… alleen toen ik na m’n speech vanaf de bar in ’t publiek sprong – in de veronderstelling dat mijn populariteit garant stond voor een zachte landing – stapten al die hufters vlug opzij… dus ik ging vol op m’n plaat daar op die fijne planken vloer van De Klepel… Heb m’n knie nog gestoten aan de schouder van La Samson ook… Maar iedereen moest keihard lachen, omdat ze dachten dat ’t een act was.’

‘…’

‘Zo, nou doe ik nog ff snel de nieuwe Corbijn en dan ga ik een uurtje naar de zonnebank zodat ik zaterdag niet te bleek afsteek bij al die dichters in Vredenburg.’

Film: A Most Wanted Man (2014).

Regie: Anton Corbijn.

Verhaal: daar kan ik eigenlijk nooit echt een touw aan vastknopen bij dit soort thrillers. Maar de omschrijving van de IMDB doet wel een belletje rinkelen (‘Is het de kerstman? Is het de ijscoboer? Nee het is de IMDB!’) : A Chechen Muslim illegally immigrates to Hamburg, where he gets caught in the international war on terror.

Een figuur van de Duitse Geheime Dienst, Günther Bachmann, gespeeld door Philip Seymour Hoffman, klaagt tegenover een vrouwelijke collega van de CIA over ‘all the mess we leave behind’ bij het uitoefenen van hun taak om van deze wereld ‘a safer place’ te maken. De parallel met cinema is moeilijk te negeren.  The mess we leave behind: alle maatschappelijke ruis die dit soort mainstream shit aanricht.

Eindoordeel: Anton Corbijn bewijst – z’n pretentieuze lulpraatjes over ‘het herfstpalet’ dat zijn visuele keuzes zou hebben gestuurd ten spijt – dat er van sommige films niet dertien, maar wel veertien in een dozijn gaan. Op zich een hele prestatie. Twee tegen een stuk plastic geworpen papieren vliegtuigjes (2/5). Wezenloze meuk. Tijdverspilling.

Radicalisering, marteltrauma’s en terreurbestrijding als entertainment: flikker toch op.

P.S. Nog even iets praktisch/persoonlijks. Vorige week, op de Tirade-borrel, kwamen er steeds mensen naar me toe om me te complimenteren met m’n blogstukjes… Hartstikke aardig en sympathiek en goed bedoeld, natuurlijk, maar doe dat voortaan als-je-blieft niet meer waar m’n vriendin bij is… Ik wist me er nu steeds redelijk uit te lullen, maar zij weet dus niet dat ik voor Tirade blog en aangezien mijn vriendin Extreem Jaloers is wil ik dat gráág zo houden… Thuis praten we alleen over ditjes en datjes en als ze erachter komt dat ik allerlei persoonlijke details uit mijn leven en gedachteleven hier gewoon op de blog knal, dan zijn de rapen godverdomme goed gaar hoor! Houden jullie er in de toekomst allemaal een beetje rekening mee? Alvast bedankt!

Volgende week: De Nacht van de Poëzie, Zeik (Herman Brusselmans), de LINDA Questionnaire. En méér.

*Titel van deze blogpost. Een uitspraak die Philip Seymour Hoffman/Günther doet tegen een naïeve pro deo/maatschappelijk betrokken advocate die door de veiligheidsdienst is ontvoerd en gevangengezet, omdat ze iets te dikke vrienden met een staatsgevaarlijk persoontje is en zich nog niet realiseert dat de geheime dienst buiten de wet opereert.  [Kiekje: M.K.]

Writers Unlimited/Winternachten en Tirade prolongeren samenwerking

Voorplat tirade 452Het is beklonken! Net als vorig jaar gaan Writers Unlimited/Winternachten en Tirade een internationaal georiënteerde festivalspecial maken. Dat nummer, Tirade 457, verschijnt in januari 2015. In november verschijnt natuurlijk eerst Tirade 456 nog.

De 20e editie van Writers Unlimited/Winternachten vindt plaats van donderdag 15 tot en met zondag 18 januari 2015 in Theater aan het Spui en Filmhuis Den Haag (te Den Haag).

De volgende auteurs/artiesten hebben hun komst naar de 20e editie van het festival al bevestigd: Nii Ayikwei Parkes, Reggie Baay, Abdelkader Benali, Cristina Branco, Wim Brands, Remco Campert, Jennifer Clement, Leela Corman, Saskia De Coster, Adriaan van Dis, Elsbeth Etty, Hanneke van Eijken, Maxim Februari, Mira Feticu, Louise Fresco, Maarten van der Graaff, David Grossman, Stefan Hertmans, Arthur Japin, Ineke van Kessel, Martijn Knol, Michel Krielaars, Maaza Mengiste, Roos van Rijswijk, Maarten Ornstein, Paul Scheffer, Vamba Sherif, Sheila Sitalsing, Mustafa Stitou, Witold Szablowski, Bo Tarenskeen, Typhoon en Niña Weijers.

We gaan je op deze blog natuurlijk op de hoogte houden van ontwikkelingen rondom WU/W & Tirade 2015. Maar er is nu al meer informatie te vinden op de website van het festival.

Meer over de festivalspecial van afgelopen jaar: Tirade 452.

Tirade 457 zal tijdens WU/W worden gepresenteerd.

TiradeUnlimited.

De uitnodiging

In de Volkskrant stond dat ik een ‘toegewijde fan’ ben van Lydia Davis. Vreemd, aangezien ik nog nooit een boek van Davis heb gelezen.

Vermoedelijk had de schrijfster van het Volkskrant-stuk een aanmeldingslijst gekregen van een bijeenkomst rondom Davis’ werk – waar ik, op uitnodiging, inderdaad bij was. Mijn aanwezigheid werd blijkbaar interessant genoeg geacht voor in het stuk, een redacteur lichtte mijn naam er vervolgens uit in de inleiding, en prompt, het stond zwart op wit in de eerste zin, was ik een ‘toegewijde fan’.

Het blijft verbazingwekkend hoe makkelijk dergelijke misverstanden ontstaan, hoezeer napraten in sommige kringen een onderdeel van journalistiek is geworden. Zelf heb ik gemerkt dat ik, na jaren door niemand als talent te zijn genoemd, sinds vorige zomer plotseling opdook op lijstjes met beloftevolle auteurs. Alsof het ene lijstje diende als rechtvaardiging voor het andere. En plots werd ik regelmatig uitgenodigd ergens te komen voorlezen of vragen te beantwoorden.

Zo belandde ik onlangs in een Nederlandse stad waar ik zelden was geweest, voor een openbaar vraaggesprek. De interviewster haalde me van het station. Terwijl ze mijn hand fanatiek heen en weer schudde, vroeg ik me kort af waarom ze uitgerekend mij had uitgenodigd.

Die vraag gaat wel vaker door mijn hoofd, maar nu met een reden. Omdat ik de interviewster niet kende, had ik haar ’s ochtends achter mijn computer alvast opgezocht.

Via Google kwam ik op een profiel van haar terecht bij een openbare boekensite.

Ik zag dat ze recent een boek van Dickens had bestemd, vier sterren, Proust ook, Nabokov, allerlei namen schoten langs.

Toen zag ik wat ze van mijn werk vond. Mijn vorige boek, twee sterren. Mijn debuut, één ster – het laagste oordeel op haar hele profiel.

‘Ik heb je verhalenbundel nog niet gelezen,’ zei ze nu, enkele uren later, lopend uit het station. ‘Maar je twee romans wel.’

Natuurlijk had ik kunnen zeggen: dat weet ik. Ik had terloops kunnen vragen: waarom nodig je me dan in hemelsnaam uit? Of, bescheidener: wat vond je ervan? Maar dat durfde ik niet, en misschien was het ook nogal kinderachtig: gebeurde dit niet vaker bij optredens, was ik wellicht gewoon door een organisator uitgenodigd die niet met de interviewster had overlegd?

Zij aan zij liepen we naar het café waar het interview gehouden zou worden. Een stuk of vijftien, twintig jongeren zaten rondom een houten tafel. Zwijgend keken ze toe hoe ik plaatsnam. De interviewster zei haastig: ‘Goed, laten we maar meteen beginnen.’

Ruim een uur stelde ze me vragen. Eerst algemeen, over schrijven, over debuteren, over het vinden van een uitgeverij. Toen ging het specifieker over mijn boeken. Hoe langer ze daarover sprak, hoe meer ik in een defensieve houding schoot. Achter elke vraag meende ik een kritische kanttekening te horen. Over mijn debuut vroeg ze hoe ik bij een bepaalde scène kwam. Over mijn tweede roman zei ze dat ze de momenten op school zo levensecht vond aanvoelen – en ik dacht alleen maar: vond ze de andere scènes dan zo zwak? Steeds wilde ik in mijn reacties subtiel laten blijken dat ik wist van haar online oordelen, maar de juiste manier diende zich niet aan, en nee, het was ook te kleinzerig, waarom trok ik me hier iets van aan?

Mijn antwoorden werden korter. Op het gezicht van het meisje zag ik paniek opkomen. Na een tijdje noemde ze uit het niets de personages uit mijn boeken ‘stumpers’. Ik zweeg, want ik hoorde geen vraagteken. Een ogenblik was het helemaal stil. Meer en meer bekroop me het gevoel: waarom zit zij hier naast mij, of ik naast haar, wie heeft dit in gang gezet?

Maar, in het schimmige gebied tussen hoffelijkheid en lafheid, zei ik er nog steeds niets over.

Het gesprek kabbelde langzaam richting het einde.

‘Kun je iets vertellen over je nieuwe boek?’ vroeg de interviewster ter afsluiting. ‘Wat voor mensen komen erin voor?’

‘Veel stumpers,’ zei de getergde ik zachtjes. ‘Heel veel stumpers.’

Bij mijn vertrek werd me gevraagd het gastenboek te ondertekenen. Ik overwoog daar iets te zeggen over mijn online ontdekking, maar dat leek me te laf, een beetje alsof je een sneeuwbal in iemands gezicht gooit en daarna heel hard wegrent.

Weken later, op de dag dat de Volkskrant schreef dat ik een toegewijde fan was van de vrouw wier werk ik nooit heb gelezen, stuurde de interviewster me eenvriendschapsverzoek via Facebook. Onder een foto van mijn nieuwe boek schreef ze dat ze er zo naar uitkeek.

Linda

Als jonge schrijver komt er veel onverwachts op je af. Zo was ik naar de lancering van de nieuwe Tirade, het roemruchte nummer 455. Noem me naïef maar ik had geen idee van dit soort feestjes. Ik was weleens op een andere literaire borrel geweest en dacht dus dat schrijvers rustige bedachtzame mensen waren, die met elkaar prakkiseren over de teloorgang van de literatuur en het engagement. Maar maandagochtend kwam ik op mijn werk met bloeddoorlopen ogen en een krakende stem. Op mijn schouder zat een flinke blauwe plek van toen Martijn na zijn geïnspireerde voordracht in het joelende publiek (Knol Knol Knol) sprong. Dit alles maakte me hongerig naar het boekenbal.

Ik vind het maar spannend om schrijver te zijn. Eerst schaamde ik me ervoor. Ik schreef mijn boek stiekem en ‘s nachts. Op mijn werk zat ik daarna te dromen over hoe het verder moest met mijn personages. Het was een soort aangenaam geheim, maar ergens wist ik dat er een dag zou komen dat ik alles zou moeten opbiechten. Toen ik in de finale zat van een schrijfwedstrijd? Nee, dat valt nog onder hobby. Toen mijn eerste verhaal gepubliceerd werd in Tirade. Nee, alleen het verhaal dan, de rest hoeven ze niet te weten. Toen ik een contract had getekend bij AP? Ja, toen kon ik er niet meer onderuit. Rijst de vraag hoe je over zoiets begint. De meeste vrienden reageerden niet heel verbaasd. Voor mijn collega’s heb ik een keer een chocoladetaart gebakken en bij het aansnijden ervan met vlekken in mijn nek gezegd dat ik een boek had geschreven. Dat het zich op kantoor afspeelde, maar dat het uiteraard fictie was. Dat vonden sommige collega’s leuk, en anderen interesseerde het niet zo. Later begreep ik niet meer precies waarom ik dat allemaal zo ingewikkeld had gevonden. Het probleem is geloof ik dat ik er niet zo van hou als de ogen op mij gericht zijn. Richt u uw kijkers liever op mijn woorden.

Ik heb al eerder eens verzucht hoe blij ik was te leren dat andere schrijvers ook verlegen zijn.  Ergens onbegrijpelijk, want er is weinig zo onbeschaamd als het schrijven van een roman. Daarbij komt: je moet je zegje klaar hebben als schrijver, niet dralen, onbescheiden zijn, geen gemiep. Pretenties hebben. Zoals Leo Richter, schrijver/protagonist uit Daniel Kehlmanns Roem. Leo reist de wereld af van voordracht naar voordracht, en beantwoordt daarbij met onverbloemde minachting steeds dezelfde vragen, zoals: Schrijft u ’s ochtends of ’s avonds? En: Waar doet u uw ideeën op? In de badkuip, antwoordt hij meestal . ‘Je moet als fictieschrijver in staat zijn een goed antwoord te leveren’, legt hij uit aan zijn vriendin die werkt voor Artsen Zonder Grenzen (en die niet in een verhaal wil). Terwijl Leo met een bel Chablis handjes staat te schudden met Duitse diplomaten die hem vertellen waar zij zijn bestseller hebben gelezen, probeert zijn vriendin op de wc van de ambassade met gedempte stem haar gegijzelde collega’s in Noord-Somalië vrij te krijgen.

Inmiddels ben ik steeds meer gewend geraakt aan het idee dat ook ik een schrijver ben. Over twee weken komt mijn debuut uit, er staat een voorpublicatie op Athenaeum, ik blog, ik draag voor. Ik ben begonnen aan een tweede roman, doe research voor een derde. Ook werd ik voor het eerst geïnterviewd. Ik had mezelf al eens geïnterviewd voor een tijdschrift op mijn werk, waarin ik een rubriek schrijf over ambtenaren met een bijzondere hobby, maar dat maakte toch minder indruk. Deze keer werd ik geïnterviewd door de Linda. Op een roodfluwelen gestoelte in de stadsschouwburg moest ik voor een camera vertellen wat ik schoonheid vond en wat lelijkheid. Ook moest ik vragen beantwoorden als: waardoor laat jij je inspireren? Kun je je roman omschrijven in één zin?, vroeg Linda. Mijn god, één zin? Eerder had ik ongeveer 70000 woorden nodig om dat verhaal te vertellen.

Anne Marieke Samson

Voor nu sla ik Kehlmanns insinuatie dat er wellicht belangrijkere zaken in de wereld zijn dan het schrijverschap, even in de wind. Het interview op Lindanieuws is hier te vinden.

Richard Siken – Verhalenverzinner

Naar: Richard Siken – Scheherazade. Vertaling Hannah van Wieringen

verhalenverzinner

vertel me over de droom waarin we de lichamen uit het meer trekken
en ze terug kleden in warme kleren
hoe het laat was en dat niemand kon slapen dat de paarden renden
tot ze vergaten dat ze paarden waren
het is niet zoals bij een boom, dat de wortels ergens uit moeten komen
maar meer als een liedje op de radio van een verkeersagent
hoe we het tapijt oprolden zodat we konden dansen
en de dagen helder rood waren en steeds als we kusten was er nog een appel
om in stukken te snijden
kijk naar het licht door het venster het betekent dat het midden op de dag is
het betekent dat we ontroostbaar zijn
vertel me dat dit alles, en de liefde ook, ons kapot zal maken
deze lichamen, de onze, bezeten door licht
vertel me, dat we daar nooit aan zullen wennen

De koning van de bijzaak, Bill Bryson

Mabel Walker Willebrandt, heldin.

Omdat ik tegenwoordig veel boekhandelaren spreek kan ik met enig gezag beweren dat hoe ouder je wordt, hoe meer non-fictie je leest. Hoewel er altijd een hersengebied blijft schreeuwen om verhalen. Misschien is dát wel wat er zo knap is aan het werk van Bill Bryson. De Amerikaan Bryson, die al decennia in Engeland woont heeft een magnifiek palmares. Een jaar of drie geleden las ik At Home, een magistraal geschiedenisboek bedacht vanuit zijn huis op het Schotse platteland. Hij dacht niet alleen: wat is dit voor een huis (oude pastorie) en wat zal ik daar eens over vertellen, maar hij liep ook rond door alle vertrekken en structureerde daar zijn boek naar. In de keuken krijgen we natuurlijk verhaald over gastronomische geschiedenis, maar ook over het gebruik van de vork bij de Schotse middenklasse, tafelzilver, noem het maar. De slaapkamer geeft ruimte voor zeden in de 18e eeuw etc. Ik las over guano als economisch fenomeen, de financiering van kanalen, Chrystal Palace en hoe het ontstond.
Brysons laatste boek heet One Summer. America 1927 en ook hier laat de titel weinig te raden over de inhoud van het boek. De kracht van Brysons schrijven schuilt daarin dat hij de bijzaken een ereplaats geeft. Er ís een centrale lijn, maar de geschiedenis is –  zo weet Bryson – opgebouwd uit toeval en onbelangrijke voorvallen, ogenschijnlijk onbelangrijk. Zo komt hij in One Summer. 1927 wanneer hij de kranten bestudeert rond de fantastische eerste rechtstreekse trans-atlantische vlucht van Charles Linbergh, erachter dat de kranten vol hebben gestaan van een moordzaak, de ‘sash weight murder’ (Lees ook dit lemma op Murderpedia) waarbij Ruth Snyder en Judd Gray de eigenlijke echtgenoot  van Ruth om zeep helpen. Er zijn aan weinig gebeurtenissen in de wereld meer woorden gewijd dan aan deze moord, en ik kende hem niet.
17883958Nog een. Mabel Walker Willebrandt heeft in 1927 de leeftijd van 37 jaar. Tien jaar daarvoor was ze een ontevreden huisvrouw in California. Ze besluit de avondopleiding Rechten te gaan volgen en rondt die ook af. In 1921 weet ze al een redelijk hoge positie te verwerven in het hooggerechtshof gedurende de Harding Administration. Eeuwige faam verdient ze – maar ik was haar nog niet eerder tegen gekomen – door de zaak die de geschiedenis inging als ‘United States vs Sullivan, 274 U.S. 259’ wat mij betreft een heel goed voorbeeld van briljantie op het juiste moment. De zaak is een belastingaanklacht tegen een kleine misdadiger. Misdadigers zijn vaak moeilijk te pakken omdat iedereen bang is te getuigen. Mabel Walker Willebrandt kwam op idee (door ervaring rijk geworden waarschijnlijk: voor die tijd had ze veel prostituees verdedigd en veel echtscheidingszaken gedaan, onbezoldigd) dat je rotkerels het beste raakt in de portemonnee. Door misdadigers aan te klagen wegens belastingontduiking ‘pluk’ je ze.

Sedertdien een probaat wapen in de geschiedenis van de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Ze legde ermee de bijl aan de wortel van het Capone imperium. Het werd heel snel zeer frequent geraadpleegde jurisprudentie en heeft dus als ondersteunend argument ten grondslag gelegen aan heel veel veroordelingen. De discussie of je als staat wel mag verdienen aan je misdadigers was tot die tijd prevalerend.

Bryson diept vergeten verhalen op en dat enthousiasmeert, een heel bijzonder historicus die zijn bronnen weet  te filteren op wat misschien toch wel interessant is. Bryson is het tegendeel van rechtlijnigheid.

 

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Bij de dood van Kouwenaar

Er zijn dichters die je leven ongemerkt kunnen begeleiden. Een van hen is, in mijn geval, Gerrit Kouwenaar.

Telkens wanneer ik met de trein Amsterdam kom binnenrijden kijk ik naar zijn ‘Stenen gedicht’ op een gevel aan de Panamakade. Het lukt mij in het voorbijgaan nooit om het geheel te lezen, maar inmiddels ben ik er vaak genoeg langsgekomen om het te kennen. Zodra ik in het metselwerk de eerste regel van het gedicht kan lezen, ‘ik lig als een schip op de rede’, weet ik dat ik bijna thuis ben. De trein houdt nog even stil bij de ankerplaats, voor een rood sein of wat dan ook, en legt daarna aan in de haven.

Kouwenaars beknopte beschrijving van Amsterdam kan ik levendig navoelen, elke keer weer. Net als het samenvallen van mens en stad, dat het gedicht lijkt te suggereren:

ik huis hier tussen mijn muren
zoals mensen binnen hun huid

ruimte kijkt uit door mijn ramen
ik ben voor de mensen gebouwd –

Ik ben (als import-hoofdstedelijke) steeds meer een geworden met de stad. Al voor mijn verhuizing vond ik Amsterdam een menselijke stad, ondanks de waarschuwingen die ik van tevoren om me heen hoorde. Kouwenaar (her)bevestigt met zijn gedicht in bakstenen dat het goede beslissing was.

De uitvoering in metselwerk is treffend gekozen voor het gedicht. Tegelijkertijd illustreert het ook een vooroordeel over Kouwenaars poëzie. Zoals in de necrologieën ook naar voren kwam, bestaat er het misverstand dat zijn werk nogal hermetisch is. Het tegendeel is volgens mij waar, maar dat beeld heeft wel degelijk invloed gehad, op de verkoop bijvoorbeeld. Toen ik bij uitgeverij Querido ging werken kreeg ik op mijn eerste dag bij wijze van welkomstgeschenk een zilvergrijs boek in de handen gedrukt. ‘Hier. Volstrekt onverkoopbaar,’ zei mijn collega. Het waren Kouwenaars Gedichten 1948–1978, een uitgave uit 1982, die nooit was verramsjt. Bij mijn aantreden waren er twintig in voorraad, toen ik vertrok negentien.

Later had ik een hernieuwde kennismaking met Kouwenaar. Na de dood van Harry Mulisch was er sprake van dat zijn huis een museum zou worden. Een van de voorbereidingen daartoe was het in kaart brengen zijn bibliotheek, waar ik aan meewerkte. Met een groepje enthousiastelingen beschreven we een paar duizend boeken. Een deel daarvan ging naar het Letterkundig Museum, de rest werd verdeeld onder de familie of zou misschien eindigen op het Waterlooplein. Als dank voor onze inzet mochten we ieder een gesigneerd boek uit de boekenkast uitzoeken. Bovenaan mijn lijstje had ik de poëziebloemlezing Atonaal gezet, in de hoop naar huis te gaan met de eerste druk uit 1951. Mulisch had er twee exemplaren van, ook de derde druk uit 1956. Ik kreeg het laatste. En daar ben ik blij mee. Kouwenaar debuteerde als dichter met Achter het woord (1953) en was te laat voor de eerste versie van Atonaal. Samensteller Simon Vinkenoog mocht zijn bloemlezing later uitbreiden met enkele nieuwe dichters, waardoor Kouwenaar uiteindelijk in de uitgebreide druk is vertegenwoordigd met de gedichten ‘Een uur leven’ en ‘Zacht vlees’.

Los van die concrete momenten waarop Kouwenaar zich aandiende, begeleidde hij mij het meest met de gedichten uit De tijd staat open (1996) en Totaal witte kamer (2002). De eerste bundel bevat een van zijn mooiste gedichten, ‘men moet’. Iedereen met machteloze haast zal zich herkennen in de openingsregels: ‘men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis / nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen’. Uit de tweede bundel leerde ik nog meer over dat merkwaardige ‘men’, en meer over de mensen om me heen:

dat men voor alles zichzelf is
in zijn badkuip zijn oorlog zijn spiegel

dat men voor alles zijn huis is
met zijn inzicht zijn leesbril zijn spiegel

dat men voor alles zijn uitzicht
met zijn siertuin zijn sikkel zijn spiegel

dan men voor alles zijn datum
in zijn stilstand zijn afgang zijn spiegel

dat men voor alles zijn ander
in zijn halfheid zijn heelhuid zijn spiegel

dat men voor alles van vlees is
op zijn sofa zijn kladblok zijn bord –

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Krijt

Ook als ze al lang hebben leren lopen, werken veel kinderen bij het scheppen van buitenkunst het liefst op hun knieën, hurken, handen en voeten.

Misschien laten ze zich sturen door het woord ‘stoepkrijt’ of door het begrip ‘straattekenen’ en zou hun hoogstpersoonlijke evolutie van aapje tot tweebenig tekenaar sneller verlopen als het materiaal ‘steenkrijt’ was genoemd.

De meeste ‘echte’ beeldend kunstenaars weten, of leren al snel, dat het prettiger is om staand te werken. Achter een ezel of aan een werkbank. Jackson Pollock hoort, met iemand als Hermann Nitsch en, sporadisch, Gerhard Richter, tot de uitzonderingen die hun doeken op de grond legden/leggen.

Wat voor de benadering van de meeste kinderen pleit is dat het veel langer duurt voordat de regen een muurtekening heeft weggespoeld dan een straattekening – en de ontwikkeling van kindkunstenaars is natuurlijk gebaat bij de snelle opeenvolging van scheppen en uitwissen.

Evengoed lijkt het meisje dat/de jongen die deze tekening heeft gemaakt, me een tikje slimmer (of luier – die twee zijn verwant) dan zijn of haar gemiddelde leeftijdgenoot. Of trotser: ik buig niet voor de conventies van het stoeptekenen. Mijn figuren staan rechtop als ik dat wil.

De tekening. Een zeer eenvoudige mise-en-scène. Een moeder houdt haar dochter bij de hand. Het meisje heeft een hartvormige ballon vast. Geniaal detail: er loopt geen draad tussen kinderhand en ballon waardoor het gewichtloze hart nog lichter lijkt en werkelijk zweeft. De ballon heeft een eigen wil, net als die in Le ballon rouge.

Het hart vervult de huisdierfunctie: het meisje is er de baas over zoals haar moeder de baas is over haar. En, even meisjes onder elkaar, waarschijnlijk wil de tekenaar ook laten zien dat een meisje geen touw nodig heeft om een hart aan een lijntje te houden.

De tekening doet denken aan de beroemde ballonmeisjes van Banksy (deze en deze). Die zijn vetter, cartoonesker – bijna freezes uit een animatie. Dat maakt ze communicatiever. Maar persoonlijk vind ik deze krijttekening veel innemender. Subtieler. Echter. Bescheidener. En ook gewoon: mooier.

De figuren zijn zo fijntjes ingevuld, dat het net is alsof de kunstenaar (M/V) kleurpotloden heeft gebruikt in plaats van pastelkrijt. Wat me nog het meest bevalt aan het ding: het is gemaakt uit innerlijke noodzaak. Of om het wat minder zwaar te zeggen: voor de lol.

En: het werk is niet te koop.

Het is voor iedereen. Geen kunsttheoreticus, curator of koper/eigenaar die tussen ons en het werk in gaat staan. De afbeelding moet wedijveren met rozen die twee meter verderop in bloei staan, met elegante passanten en met wolken die door de hemel drijven. Toch vangt het je aandacht meteen.

Mooi detail: moeder lacht, dochter lacht. De figuren zijn vast naar het leven getekend, kijk maar naar de hardroze krijtstreepjes links die, naar ik vermoed, de lengte aangeven van de moeder en het meisje die model hebben gestaan voor dit portret.

De schuurmuur waarop de tekening is aangebracht, bevindt zich op een meter of tien van een bushalte. Op een dag stappen moeder en dochter in. Ze gaan wandelen in het park, ze haasten zich naar een familiefeest of naar een matinee in de schouwburg.

———–

Volgende week: ‘Mm-mm. En wat is voor jou… inspiratie?’ Linda vraagt, Martijn antwoordt. Een questionnaire.

Foto: mk.

Ufo’s

Stel, je schrijft een verhaal waarin iemand uit je directe omgeving zichzelf zeker zal herkennen, wanneer stel je hem of haar daarvan op de hoogte? Zodra het verhaal voltooid is? Zodra je weet dat het gepubliceerd zal worden? Of zeg je er gewoon niets over en merk je het vanzelf wel als de ander er een mening over heeft?

Het zijn vragen die het afgelopen jaar meermaals door mijn hoofd gingen. Nu ik een verhalenbundel heb uitgebracht, heb ik meer personages opgevoerd dan in mijn twee romans bij elkaar – en dat betekent in dit geval ook dat ik meer gebruik heb gemaakt van de mensen om me heen, van hun uiterlijke kenmerken, hun geschiedenissen, hun karaktertrekken, noem het maar op.

Natuurlijk zou ik me kunnen verschuilen achter het veilige masker van de fictie. Ik zou kunnen beweren dat alles wat ik schrijf verzonnen is en daarmee elke persoonlijke vraag kunnen afwimpelen. Maar dat vind ik te laf, zeker tegenover degenen die zichzelf in het verhaal herkennen. Daarom heb ik hen van tevoren toch, na enig aarzelen, ingelicht. Ik ben dit voorjaar langs familieleden gegaan, langs vroegere vrienden en voormalig klasgenoten, allemaal met dezelfde mededeling: er zal een verhaal verschijnen waarin je, mocht je het lezen, wellicht flarden van jezelf herkent.

De toon van die mededeling was heel belangrijk. Het moest niet onnodig bedreigend klinken, ik schreef geen afrekeningen, en tegelijk wilde ik wel duidelijkmaken dat het om verhalen ging die uiteindelijk door anderen gelezen zouden worden.

Tot mijn genoegen maakte mijn mededeling op de meesten weinig indruk.

Een jeugdliefde vroeg, nadat ik haar vertelde dat ik een verhaal had geschreven over iemand die op haar leek, of ik het zout kon aangeven.

Een jarenlange vriend antwoordde, toen ik zei dat ik enkele details over hem en zijn vader had gebruikt, met een glimlachend hoofdschuddend: ‘Ach, fictie is toch een uitstervend genre. De waarheid, mijn vriend, staat in non-fictie.’

Bijna niemand voelde aanvechting het verhaal te lezen waarin hij of zij opdook. Inmiddels is mijn bundel verschenen en ik heb tot dusverre nog geen klachten gekregen van mensen die zich misbruikt voelen. Ik ben er nog niet uit of dat een goed of slecht teken is.

Vanochtend, terwijl ik mijn huis uitliep, realiseerde ik me wel ineens dat ik iemand vergeten ben tijdens mijn inlichtingsrondjes. De eigenaar van de erotische massagesalon aan de overkant van mijn straat. Tegenover hem heb ik uiteraard niet dezelfde verplichtingen als tegenover familieleden of vrienden, maar volledigheidshalve stapte ik toch op hem af.

‘Ik heb een verhalenbundel geschreven,’ zei ik aarzelend, ‘waarin een personage voorkomt dat enigszins op u lijkt.’

De man, een vroege vijftiger, zat zoals gebruikelijk op zijn brommer. Hij droeg een bomberjack en een strakke spijkerbroek. Volgens mij wachtte hij tot een van zijn werkneemsters hem een envelop kwam overhandigen.

‘Een boek?’ zei hij. ‘Serieus? Over Amsterdam?’

‘Niet per se. Het is fictie.’

‘Ah, met ufo’s enzo.’

Er viel een korte stilte. Toen vroeg hij: ‘Elke dag thuis zitten pennen, valt daar eigenlijk een beetje geld mee te verdienen?’

‘Jawel,’ zei ik. ‘Een beetje.’

‘Goed zo. De meeste jongeren leven tegenwoordig in een droomwereld. Dan vraag ik wat ze willen doen en zeggen ze: wat ik leuk vind. En ondertussen hebben ze geen piek in de zak. Ik wist al heel jong: ik wil geld verdienen. Ik vraag ook nooit aan mensen: studeer je, maar: waarmee ga je verdienen?’

Bij die laatste woorden keek hij me zo doordringend aan, dat ik snel antwoordde: ‘Nou, ik hoop dus met schrijven.’

‘Ja, natuurlijk, die ufo’s.’

De ufo’s waren hardnekkig. Die beklijfden meer dan alles wat ik zei. De deur van de salon ging open, een werkneemster drukte de man zijn envelop in de handen. Ik keek in stilte toe hoe hij de sleutel van zijn brommer omdraaide. Hij reed weg en ik verstond alleen nog dat hij mijn boek ‘beslist zou…’.

Aanbidding

Zomergast David van Reybrouck stelde mij voor aan Sam Dillemans (en tegelijk ook aan het Amerikaanse duo Azure Ray, wiens rustige stemmen en cello’s daarbij op de achtergrond klonken). Dillemans’ boosheid en zijn onaangepastheid vind ik heerlijk, en in mijn hoofd klonk nog lang na wat hij zei over aanbidden. Ik transcribeer het even: “Waar het de mensen aan (‘t) ontbreekt voor mij den dag van vandaag is aanbidding. Mensen maken niet graag meer van mensen goden, ze maken graag van goden mensen. (…)* We moeten ook op de knieën kunnen vallen voor iets of voor iemand.”

De zwartkijker ziet hierin misschien vooral Dillemans (onbevredigde) behoefte om tot god verheven te worden. Maar mij ontroerde het om een andere reden. Ik kom namelijk uit een atheïstisch nest. Van religie komt oorlog en er is te veel ellende in de wereld om een universele rechtsprekende instantie te kunnen aanvaarden, zo werd ik opgevoed. Aanbidden is slecht, want geen mens is beter dan een ander. Mijn posters van Madonna moesten daarom van de muur. Als God bestond was er geen Holocaust, zei oma. Religie is bedacht om de mensen dom te houden en te onderdrukken, leerde ik op school.

Ik herinner me dat ik eens las dat er restanten van offers waren gevonden die dateerden van vóór de oudste samenlevingsvormen. Dat maakte grote indruk op mij. Opeens zag ik voor me hoe onze bebaarde voorvaderen overweldigd raakten als ze hongerig, na een paar dagen jacht, op een open plek kwamen, waar tussen de heiige dampen van de oerbossen dat hert stond, waar ze zo naar verlangd hadden, omgeven door dikke zonnestralen die tussen het donkere gebladerte neerdaalden uit de hemel. En dat ze dan hun blik oprichtten naar dat ontzagwekkende licht in de verte, dat hun verblindde. En dat ze dachten: daar zit iemand die ons ziet, die ons kan helpen. Daar zit iemand die weet dat we ook maar ons stinkende best doen. Dit besef maakte dat de oermens zijn naaste niet meer zomaar de hersenen insloeg, omdat hij bang was dat deze oppermacht hem anders geen nieuw hert meer zou gunnen. Of zoiets.

Oké, ik zie dat hierbij allerlei problematische aannames komen. Want heeft de mens godsdienstig (of de seculiere variant: schoonheids)besef nodig om zich te (willen) gedragen? Wie weet. Tegenwoordig houden we in elk geval niet meer van goden, niet meer van aanbidden (ook niet van ons gedragen). Geloven wordt al snel gezien als fundamentalisme, en kunst als een subsidieslurpende hobby. Velen hebben aan God en/of kunst een broertje dood. Af en toe een festival en een pilletje geven voldoende vervulling (al is het wel kut als je daarna opeens een strafblad hebt). Eigenlijk elke vorm van superio-autho-riteit is een bedreiging; onze Haagse/Brusselse bestuurders, de politie, de fietsenmaker. We bepalen liever alles zelf, we lezen hulpboeken voor dummies, volgen tutorials op Youtube. We prefereren goden die er volledig van doordrongen zijn dat wat zij doen eigenlijk niets voorstelt: goden bij wie je altijd op de koffie kunt komen. Dat zien we als een verworvenheid, democratisering, vooruitgang, in onze moderne seculiere wereld is geen mens meer waard dan een ander. Ik dacht dat deze neiging Hollandsch was, maar hij is volgens Dillemans dus ook Belgisch, en voilà, misschien wel universeel.

Dillemans’ woorden zetten mij aan het denken. Misschien laat dit gebrek aan aanbidden een gapende leegte achter. Misschien verlangen we er diep van binnen allemaal naar om op de knieën te vallen voor schoonheid, om te huilen om perfectie. En wat als we dichterbij dat transcendente komen, het goddelijke? Worden we dan allemaal zo kwaad als Sam Dillemans?

 

* “Merckx is een betere wielrenner dan Sam Dillemans. En ik ga nie de kleine kanten van een god in het licht stellen, in het licht plaatsen om te zeggen: kijk, hij is eigenlijk in zijn menselijke kantjes even klein als ik, dus we staan toch dichter bij elkaar. Nee! Michelangelo moest ook naar het toilet, das een feit, dat moeten we allemaal. Maar zet iedereen aan de sixtijnse kapel en ze geraken nog niet eens de stelling op. Dus. En dát is belangrijk.”

een dag

een ochtend

een ochtend lang heb ik het idee dat ik op zoek moet naar mijzelf
dat idee hebben heel veel mensen heel vaak
ergens ligt het zelf, en dan zijn wij er, op weg naar dat zelf – om er mee samen te vallen
welk deel van ons valt?
heeft het pijn als het neerkomt?

een overkoepelend probleem hierbij is dat je zelf ondeelbaar is
eenzelvigheid, met jezelf samenvallen, is een tautologie
tenminste, zou je zelf deelbaar zijn, dan viel ze uiteen in meerdere niet aan elkaar identieke entiteiten oftewel niet-dezelfden, waardoor er van ‘zelf’ geen sprake meer was
hoogstens van onderlinge gelijkenis
er zouden natuurlijk nieuwe zelven ontstaan, maar die ben jij niet

nee, erger
je zelf opdelen zou betekenen dat wat opsplitst gelijk is
aan dat wat opgesplitst wordt, een opsplitsend opgesplitste

zoiets valt binnen enkele seconden tot stof uiteen, of explodeert in de kern

moeilijk te zeggen

voor de zekerheid houd ik mijzelf extra goed vast die ochtend
een vasthoudend vastgehoudene – dat kan gewoon

.

een middag

er gebeuren de hele middag dingen die het daglicht niet verdragen
of, moet je zeggen: het daglicht verdraagt de dingen niet
daglicht, denk ik, is niet zo selectief
noch de dingen
het zijn de mensen die de dingen doen die ervoor kiezen
het daglicht onverdraagzaam te noemen

wat is er in het licht dat er in het donker ook is?

laat het gaan, lieverd
het is middag, geen nacht

.

een dag

waarschijnlijk komt er iets tot me in de loop van een dag

Een nul en een lul

Een water-hefmachine

Ik zat tussen drieënveertig dertienjarigen, omdat ik de krant verkeerd gelezen had. De tentoonstelling ‘1001 inventions ,’ heden in het voormalig postkantoor aan de Coolsingel in Rotterdam is een jeugdtentoonstelling. Het is een lovenswaardig internationaal initiatief dat compensatie hoopt te bieden voor de aandacht voor barbaarse wreedheden in de huidige moslimwereld door te tonen dat er veel ontdekt, gedacht en geweten is aldaar, in vroeger tijden. Dat had ik ook wel nodig want die lul in zwart met dat mes in zijn hand bij zijn in oranje geklede slachtoffer spookt voortdurend door mijn hoofd, en roept een misselijkmakende woede op. Compensatie dus.

Al Jazari, (Badi’al-Zaman Abū al-‘Izz ibn Ismā’īl ibn al-Razāz al-Jazarī (بديع الزمان أَبُو اَلْعِزِ بْنُ إسْماعِيلِ بْنُ الرِّزاز الجزري‎) (1136–1206)) – Turks polymath of Renaissancemens – doet al veel goeds. Hij is de auteur van het Boek van de kennis van ingenieuze mechanische apparaten. Het is typisch een wonderboek waar Rudy Kousbroek over geschreven zou moeten hebben, maar ik kan het niet opzoeken want er is helaas nog steeds geen Verzameld Werk. (Komt dat er nog…?) Een schitterende  verzameling doe-het-zelf platen van molens, pompen en klokken waar de intelligentie en het plezier van afspatten.

Een ketting-pomp
Een ketting-pomp

Toch nog verbaasd, wellicht door mijn onnozelheid op het vlak, was ik over het volgende. Ik lees nu een boek voor dummies: Wiskunde in 30 seconden van Richard Brown. De belangrijkste theorieën en stellingen in meet- rekenkunde en algebra.

Fibonaci, Pascal, Euclides, Diophantus etc. Het vermoeden van Poincaré. Dat doe ik omdat ik te weinig van wiskunde weet en hoop dat dit helpt. Verbaasd dus was ik dat bij elk lemma een doorleessuggestie staat waarin nooit een Arabische naam ontbreekt. Abu’ Abdalah Muhamad Ibn Musa Al-Khwarizmi bijvoorbeeld. Hij introduceerde het Indische getallenstelsel in de Islamitische wereld, waarna het gebruik van nul in de wiskunde populair werd.

Al Jazari wordt geacht een handwerkman te zijn geweest in het zuidoosten van het huidige Turkije, die meer in de hoek van blijven-proberen zat dan die van  berekening vooraf. Dat trekt me logischerwijs  als wiskundig nul die ik nog ben erg aan.

De 43 dertienjarigen zaten vanzelfsprekend bij de photo booth, maar leken ergens toch wel gegrepen door de gelikte presentatie. Zelf duik ik met hernieuwd enthousiasme in de wiskunde.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Redactievergadering – Show, don’t tell

Pfeijffer, Pauw en poëzie

‘Een dichter aan tafel en dan ook nog praten over poëzie, want dat gaan we even doen… nu,’ zo kondigde Jeroen Pauw in zijn nieuwe talkshow gisteren Ilja Leonard Pfeijffer aan. Pauw vroeg zich waarschijnlijk af hoeveel van de 737.000 kijkers er nu zouden wegzappen. Vroeg ik me ook af, maar om het van de positieve kant te bekijken: een dikke acht minuten poëzie op de teevee! En wat viel het mee.

Er was dan ook wel iets te melden. Pfeijffer mocht aan tafel bekendmaken dat hij de schrijver van het Poëziegeschenk 2015 is. De organisatie van de Poëzieweek had hem gevraagd aan de slag te gaan met het thema Liefde, onder het motto ‘Met zingen is de liefde begonnen’. Eind januari krijgt iedereen bij aankoop van een dichtbundel een echte Pfeijffer cadeau. Het is een cyclus geworden over de liefde, het verlopen ‘van begeren, beminnen en verliezen’. Pfeijffer schreef er vijftien sonnetten voor.

‘Natuurlijk, het kijkerspubliek dat naar jou kijkt weet precies wat een sonnet is.’

‘Een sonnet is twee keer vier, twee keer drie. Zeg maar 4-4-3-3, de opstelling waarmee Van Gaal wereldkampioen was geworden.’

De sonnetten vormen samen een krans, die een doorlopend rijmschema heeft. Ze sluiten allemaal op elkaar aan doordat de laatste regel van het ene gedicht de beginregel van het volgende is. Het afsluitende gedicht bestaat zelfs uit alleen de beginregels van de voorgaande sonnetten. Als voorproefje gaf Pfeijffer dat laatste gedicht ten beste en liet meteen zien hoe goed hij voordraagt:

Op marktplaatsen heb ik naar jou gezocht.
Ik wist je naam niet, wilde die niet weten.
Op elke website wist ik jou te heten,
hoewel ik nergens op je hopen mocht.

Toen ik je vond was jij verrassend echt.
Je maakte lange vingers van gedachten.
Je vlocht de woorden tot een strik. Je lachte,
al had ik volgens mij niets raars gezegd.

We scheppen wie ons liefheeft naar ons beeld.
In wolken valt een wereldrijk te winnen.
Bestaan is een illusie die je steelt.

Ik kan je slechts als fantasie beminnen
en op een blanke bladzij die vergeelt,
wil ik je weer als een gemis verzinnen.

Het publiek reageerde met enthousiast applaus. Pauw haastte zich nog te melden dat hij in de aanloop naar een ander poëzie-evenement, de Nacht van de Poëzie, elke dag een dichter zou uitnodigen. Een voorschot op een, wat mij betreft, erg goed idee: er moet sowieso elke dag een dichter aan die tafel. Poëzie is een verrijking, al was het maar op een heel basale manier: de andere gasten* vonden het gisteren leuk, het publiek was gretig. De precieze kijkcijfers laten nog op zich wachten, maar goed, bij het minuutje muziek van DWDD zapt men ook weg, dus waar hebben we het over. Laat Pauw in een gat springen nu De Dode Dichters Almanak van de buis verdwijnt. Er staat vanzelf wel een éminence grise op om een bedrag uit te loven voor de eerste dichter die met zijn gedicht het minuutje durft te overschrijden.

 

* Gevraagd naar ‘wat voor hen poëzie is’ gaven ze de volgende antwoorden. Alain Clarke: ‘Geluk’ van Toon Hermans. Jeanine Hennis-Plasschaert: ‘Een soldaat spreekt’ van Joost Prinsen (‘Maar als ik val, de ogen sluit / En nooit meer iets zal zien / Prevel ik zachtjes voor me uit / Jeanine, Jeanine, Jeanine…’). Jozias van Aartsen: ‘Waar in de wereld is een plein…’ van Constantijn Huygens.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

‘En ik zal u altijd sprookjes vertellen.’ – la rentrée

Scarlett en ik hebben een uurtje banen gezwommen in het zwembad onder mijn huis. Ik geef haar een kusje (‘Fijne draaidag, schatje! Jaja, ik ook van jou! Doei de Poei!’) en trim via de brede draaitrap in de hal van mijn kasteel naar de oostelijke vleugel om daar wat te gaan ontbijten.

En ja hoor… daar zitten ze met z’n ik weet niet hoevelen aan één kant van de grote eettafel. M’n literair agent. M’n zakelijk leider. M’n dochter. De butler. De tuinbaas. De schijnheilen. Ze hebben achter m’n rug om weer iets voorbereid, dat is overduidelijk.

Ik neem een dienblaadje met een dubbele espresso en een croissant aan van… van hoe heet ze ook alweer, dat nieuwe meisje uit de keuken, nou ja… van Dinges. En ik ga zitten.

Ik trek m’n gun uit m’n schouderholster… en leg ’t wapen rustig op tafel (hahaha! iedereen toch even geschrokken).

Mijn literair agent schraapt haar keel. ‘We maken ons allemaal een beetje zorgen om je,’ zegt ze. De tuinbaas valt haar bij: ‘We hebben de indruk dat je werkelijkheid en fantasie niet meer zo goed uit elkaar kan houden.’

‘O, ja? Dat is m’n werk dacht ik zo. Daar vreten jullie godverdomme allemaal van. Of niet dan?’

In de gespannen stilte horen we hoe Scarlett de bandjes van haar cabrio flink laat piepen op de oprijlaan. Ze is laat, de ondeugd, maar de crew wacht wel op haar.

‘Weet je wat het probleem is,’ zegt mijn styliste vanaf een hip bankje in de hoek, ‘je gaat te vaak naar de film.’

Ik begrijp nog steeds niet hoe het kan, maar ik laat me overtuigen. Ik beloof dat ik me, om te beginnen, twee maanden niet in de buurt van de filmhuizen ’t Hoogt, Springhaver of Louis Hartlooper Complex zal wagen.

Dit alles was begin augustus. De eerste week was de hel. Ik kwam vijf kilo aan. De tweede en derde week gingen al wat beter. En toen kreeg de nieuwe Allen haar roulement…

You’re leaving fingerprints on my arm…

Film: To Catch a Thief (1955). Regie: Alfred Hitchcock.

De Franse Rivièra. Nice, Cannes, Monte Carlo. Afgezwaaide dief Robie the Cat wordt verdacht van juwelendiefstallen die hij niet heeft gepleegd. Zaak dus om de echte dief te vangen. Dat blijkt een vrouw in deze geëmancipeerde romantische komedie.

Eindoordeel: classic. Beeldschone openingssequentie (kat op nachtelijk dak, schreeuw bij daglicht). Bloedstollende finale. En daartussen plot, romantiek, achtervolging, crosstalk, schitterende zee sequenties. Vier witte, elegante chauffeurshandschoenen (4/5). Zie ‘m in de bios.

Zestig jaar na Hitchcock maakt Woody Allen een film die dertig jaar eerder is gesitueerd dan TCAT en die zich afspeelt aan de Côte d’Azur.

He’s a militant scientific.

Film: Magic in the Moonlight (2014). Regie: Woody Allen.

Verhaal: rationalistische goochelaar wil ‘helderziend’ meisje ontmaskeren en wordt verliefd op haar.

Iedereen die nog met het aanmeldingsformulier voor één of andere schrijfschool zit te hannesen of die zich heeft laten foppen door het Schrijfkamp van de commerciële phonies van Das Mag: flikker je cursusspullen maar weg, wis dat malle geënsceneerde kitschkamp vlug uit je geheugen… en herkans bij Allen. Plotpoints, statuswisselingen… in ruim anderhalf uur komt de hele flikkerse trukendoos voorbij en je hebt nog een leuke avond ook. Discussievraag voor na afloop, lieve cursisten: altijd leuk, well made plays, maar moet je als literair auteur niet verder reiken? Just asking.

Eindoordeel: verrukkelijke poppenkast voor Grote Mensen. Drie klopjes op het tafelblad (3/5).

—–

Foto (MK): Korte Smeestraat, Utrecht. Een kunstwerk van Allen Ruppersberg. De dagen worden korter. Mooi toch? Kun je weer lekker lezen en naar de film. De titel van deze blogpost is een citaat uit Frederik van Eedens De kleine Johannes (1887; p. 51).  Windekind zegt tegen Johannes: “Als de herfst komt, zullen wij met de zomer medetrekken, daarheen waar de hoge palmen oprijzen, waar kleurige bloemtrossen aan de rotsen hangen en het donkerblauwe zeevlak schittert in de zon. En ik zal u altijd sprookjes vertellen.” Het is de belofte van de Literatuur aan de ware Lezer.

Meta: de pay-off’s en soundtracks ben ik persoonlijk een beetje zat. En: met ingang van vandaag verlucht ik mijn maandagstukjes alleen nog met eigen foto’s.

Volgende week: ‘Tyn, weet je wat ik een beetje mis in jouw blogjes? Een stukje humor.’

Nu te koop: Tirade 455

September. La rentrée littéraire. Oogsttijd. Ze kwamen dan ook van de drukker in fruitkistjes:  blozende exemplaren van Tirade 455.

Alle teksten in deze gloednieuwe Tirade verdienen je aandacht. Maar Extra Speciaal is het project dat we ondernamen met Ilja Leonard Pfeijffer: de introductie, in de Nederlandse letteren, van de Italiaanse dichter Ilja Leonardo Pfeijffer.

Redacteur Marko van der Wal vertaalde acht van Leonardo’s gedichten en presenteert die naast de oorspronkelijke Italiaanse teksten die de Nederlandse auteur (ILP) schreef na zijn emigratie naar Genua. Ilja Pfeijffer zelf reageert op de vertaalde Leonardo-gedichten in een kort essay, in het Nederlands.

Het project – niets minder dan een intellectueel en literair avontuur – is volgens ons een geslaagde poging Ilja Leonard Pfeijffers obsessie met identiteit en authenticiteit op de spits te drijven.

Over authenticiteit gesproken. Ook in Tirade 455:  een rauw en persoonlijk essay van Walter van den Berg over zijn gewelddadige stiefvader, een pissige tirade tegen ons allemaal van Carolina Trujillo en een essay van de Mexiaanse auteur Valeria Luiselli, vertaald door Luc de Rooy, waarin zij, onder meer, vertelt over de tijd waarin zij boeken stal (nooit van levende schrijvers, alleen van concernuitgeverijen).

En er staat nog zoveel meer in Tirade 455!

Het nummer opent met een gedicht van James Salter, in de vertaling van Peter Verstegen. Bindervoet & Henkes schreven een hilarisch essay over één van hun favoriete auteurs/kunstenaars: Aart Clerkx. We brengen een melancholisch verhaal van Wytske Versteeg en zintuiglijk proza van country-noir auteur Daniel Woodrell, vertaald door Gilles van der Loo.

Bovendien vind je in Tirade 455 een prozatekst van Eloy Tizón, vertaald door Melani Reumers. Tizóns werk was niet eerder in het Nederlands te lezen.

Poëzie. Naast de Leonardo en Salter vertalingen bevat dit nummer vijf gedichten van de jonge en veelbelovende Amarantha Groen. Wim Brands gunde ons twee nieuwe liefdesgedichten en Roos van Rijswijk een kortverhaal.  Ook in deze Tirade: ontroerende nieuwe poëzie van Eva Gerlach, proza van Arjaan van Nimwegen, een beschouwing over Nina Weijers’ De consequenties, door Carel Peeters, én het verhaal waarmee Gert-Jan van den Bemd eerder dit jaar Tirade‘s Goudse Schrijfwedstrijd won.

‘Nou, nou, nou… met Tirade 455 piekt het literaire seizoen ’14-’15 wel héél erg vroeg!’

De tekeningen op, achterop en in het nummer zijn van de hand van Floris Felix van Velsen.

Tirade 455 – godenspijs.

Tirade wordt uitgegeven door het zelfstandige Uitgeverij Van Oorschot.

Hier kun je Tirade 455 voorproeven en/of bestellen.

Niks mis met losse nummers. Maar abonneren is: beter.

P.S. Lezers, schrijvers, vertalers, critici, contribuanten, (oud)redacteurs – op zondag 7 september komen we allen tezamen, jubelend van vreugde, om het verschijnen van Tirade 455 te vieren. In Café De Klepel, Amsterdam. De uitnodiging.