High Johnny Five

Sinds een jaar loop ik hard. Ik vind het verschrikkelijk, maar houd het vol met dezelfde doorbijterigheid als waarmee ik studies afmaakte, aikidoexamens haalde en andere dingen onder de knie kreeg die erg moeilijk zijn en waaraan weinig plezier te beleven is, zoals gitaararpeggio’s en het kopen van kleren in drukke winkels.

Tot heel recent had ik een smartphone, waardoor ik tijdens het rennen naar Hip Hop kon luisteren, maar met het oog op ons vertrek naar Suriname ben ik overgestapt naar een eenvoudiger abonnement. Hardlopen is nu nog saaier geworden: ingedroogd van verveling ratelen mijn hersenen rond in hun schedelpan, op zoek naar om het even welke afleiding. Input. Input. Need input, Number Johnny Fiveimages

Gelukkig is sporten in het Westerpark ingewikkeld. Er zijn lange rechte paden waarop je steeds plaats moet maken voor tegemoetkomende renners. Soms groet je elkaar, soms niet. Dat gaat – althans voor mij – niet op organische wijze.

Zo gauw ik de ander aan zie komen begint de stress: is het een wegkijker of een groeter? En als het een groeter is: wisselen we een blik, een knikje of een knipoog?

Dat zijn alleen nog maar de mannen, bij vrouwen wordt het pas echt complex, want voor je het weet beperk je iemand keihard in haar vrijheid. Nu geloof ik niet dat een oprechte, naturelle groet ooit angst kan inboezemen, maar hoe naturel kom je nog over als je al 200 meter hebt getwijfeld tussen een hoge of een lage zwaai?

Ik kan slecht tegen ongemakkelijke situaties, of awkward gedoe, zoals het tegenwoordig in het Nederlands heet. Nu kan niemand daar tegen, want anders was het geen begrip. Mijn probleem is echter dat ik er fucking dwars van word. Opstandig, zelfs.

Deze week ben ik een sociaal experiment begonnen. Ik besloot een doorbraak te forceren in mijn ongemak bij het al dan niet groeten van vreemde renners door ze te high-fiven. Ik maakte het mezelf – om er een beetje in te komen – makkelijker door dit nog niet bij vrouwen te doen.

Het werkt als volgt: zo gauw je de ander aan ziet komen trek je een vrolijk gezicht. Mocht hij je kant op kijken, dan communiceer je dat hier iemand aankomt die lekker aan het rennen is en van niemand iets verlangt behalve dat zij ook lekker aan het rennen zijn. Je stelt de ander gerust, met andere woorden, opdat hij aan de positieve kant van het neutrale spectrum gestemd zal zijn en je zeker niet als een bedreiging ziet.

Stap twee is het moment waarop het aankijken van de ander door de ontstane nabijheid niet anders gezien kan worden dan als een poging tot het maken van contact. Voor de tegenligger is nu onmiskenbaar dat hier iemand lekker aan het rennen is, die zijn gevoel ook graag wil delen.

Stap drie (op circa twintig meter afstand) is dat ik mijn hand ophoud. Niet een laf halfhoog groetje, maar met de arm boven schouderhoogte (elleboog uiteraard gebogen om misverstanden te voorkomen) en de hand ontspannen maar duidelijk geopend.

Stap vier – we zijn nu vijf meter van elkaar verwijderd – is het nadrukkelijk strekken van de vingers en arm in een aantal korte enthousiasmerende rukjes, opdat de ander aanvoelt dat hier iets te gebeuren staat wat uit puur plezier geboren is en wat hij niet met goed fatsoen negeren kan.

Het feitelijke sociale experiment begint (stap 5) bij hoe het voelt als de ander je opgehouden hand voorbij laat gaan alsof het een verblazen herfstblad is en doet alsof er opeens iets heel erg mis is met zijn Iphone.

Afwijzing (en daar gaat dit stuk over) is een bizar sterke negatieve impuls. Check bijvoorbeeld Shakespeare’s Romeo and Juliet Act 3, Scene 3:

“ROMEO:

Ha, banishment! Be merciful, say ‘death,’

For exile hath more terror in his look,

Much more than death. Do not say ‘banishment.'”

Het is een zeer pijnlijke gewaarwording om een rondje te rennen en in tien pogingen slechts 1 keer handcontact te maken. Zo moet het voelen als alleen een nieuwe collega op je verjaardag verschijnt terwijl je huis vol taarten staat. En dan nog iets: die ene keer dat een tegemoetkomende renner (blond, baardje, heel dure schoenen) mijn gebaar beantwoordde, gaf hij zo’n vreselijk harde high-five dat het met de beste wil ter wereld niet als een vriendelijke groet kon worden opgevat.

Waarom ik het toch blijf doen? Misschien geloof ik in het immuniseren van het zelf tegen afwijzing; hoop ik dat een heleboel kleine afwijzingen me zullen harden tegen de alomtegenwoordige awkwardness van het bestaan. De rest van het jaar zullen mijn blogs uit Paramaribo komen. Es kijken hoe ze daar omgaan met vreemden die hun hand opsteken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.