‘Het kan morgen toch ook nog?’

Lui:

Afl. Luiaard, luierik, luiheid, luiigheid (zie die woorden). — Verder: Luiachtig, tot luiheid geneigd (”De Haey … is seer traech int swemmen, ende is seer luyachtich”, O.-I. e. W.-I. Voyag. 5, 68 d [1602]; ”Ik weet nie’ hoedat ‘t komt, maar ik zijn vandaag zoo luiachtig”, CORN.-VERVL. 1882) luielijk (”Luyelick. Paresseusement”, PLANT. [1573]; — ”Hij lag daar zoo luielijk tegen de’ muur”, CORN.-VERVL. 1882)

De literatuur van de luiheid is menigvuldig. Ik las nogal graag Proud Beggars van Albert Cossery, een Frans-Egyptische schrijver van wie bekend is dat hij het liefst zat en keek, en verder heel weinig deed. Een andere favoriet is een reisboek: Joden Moren en Christenen van Camilo José Cela, een traag reisboek dat voor een goed deel uit uitrusten, mijmeren en rondkijken bestaat. In Charles Bukovski’s schitterende oeuvre wordt geluierd en gezopen. In Voskuils Bij nader inzien, geouwehoerd en gezopen. John Fante: dromen en luieren. De Nederlandse literaruur is er minder sterk in, al is het meesterwerk Wampie van A. den Doolaard bijvoorbeeld een traag en zalig lui en landerig boek, zonder die luiheid te problematiseren. Of J.C. Bloem:

Toen ik jong was bestond ik in vormen
van het leven dat komen zou:
een vervoerend de wereld doorstormen,
een lied en een eindelijke vrouw

Het is bij dromen gebleven;
ik heb, wat een ander onsteelt
aan het immer weerbarstige leven,
slechts als mogelijkheden verbeeld. […]

Dadenloosheid is voor Bloem de onwil om te kiezen. Voor Seneca is het meer: ‘Ja, we hebben ontspanning nodig. Wie goed uitrust staat op in betere conditie en met meer energie. Op vruchtbaar bouwland moet je niets forceren, want als je er ononderbroken zaait en oogst is de grond snel uitgeput. Zo is het ook met onze mentale kracht: die zal breken bij voortdurende inspanning. Maar krijgen we een beetje rust en ontspanning, dan sterken we weer aan. Voortdurend hard werken leidt tot een soort geestelijke afstomping en slapheid.’ (Vert Vincent Hunink)

Ik ben boeken gaan lezen omdat ik geen huiswerk wilde maken. Ik bestrijd het beeld van luiheid met activiteit die ik waardeer, maar ik kan goed niets doen: een goede herinnering is in Zuid-China twee dagen naar een bergwand staren zonder enige activiteit. Of in Zuid Frankrijk uit een tent branden, slaapzaklopend naar een schaduwplek onder een plataan en doorslapen. Ik ben regelmatig wakker gemaakt door C. die in de tussentijd als stewardess al heen en weer gevlogen was naar Frankfurt of London.

De komende weken verdiept de ‘Oblomov leesclub’ van Van Oorschot zich niet te intensief in een andere spreekwoordelijke luiheid, die van Gontsjarovs Oblomov. Vanavond bespreken we de eerste 100 pagina’s (aansluiten kan nog, we doen het rustig aan.) Luiheid is verzet. In de eerste 100 bladzijden verzet Ilja Iljitsj zich met succes tegen de pogingen van verschillende gepersonifieerde maatschappelijke ‘deugden’ om hem uit zijn bed te krijgen. Voor… ja voor wat eigenlijk? Ik leer nu al veel van Oblomov, een rijk personage: ‘Toen hij zijn ambtelijke loopbaan en de uitgaande wereld ontrouw was geworden, begon hij een andere oplossing voor het probleem van zijn bestaan te zoeken; hij verdiepte zich in zijn bestemming en ontdekte tenslotte dat de horizon van zijn activiteit, van heel zijn handel en wandel in hemzelf besloten lag.’

Wat dat betekent, daar praten we vanavond verder over, vanaf een kussenrijk ligbed. Er is nog plaats.


Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Coronawinst

Mijn voorwiel liep aan, en het probleem leek in de as te zitten. Hoewel ik me erop voorsta bijna alles zelf te kunnen, repareer ik geen fietsen als gevolg van een kosten-irritatieberekening die ik begin jaren ’90 heb gemaakt.

Ik verplaatste mijn gewicht meer naar achter en zocht mijn telefoon, belde een excollega die nu een fietsenwinkel in de Utrechtsedwarsstraat heeft.

‘Gilles.’

‘Geertje. Ben je open?’

‘Wij zijn gewoon open, hoor.’

De werkplaats van Fietsconsult oogt als een jongenshonk, en ik zit graag op de lage bank met mijn voeten op tafel te kijken naar hoe Geert sleutelt. Hij verving de as en was niet tevreden over hoe alles daarna liep; stelde een nieuw wiel voor. Het duurde een halfuur of een uur.

Coronawinst: de tijd is elastisch geworden.

Ik zette mijn brood en de tupperware met soep terug in mijn fietskrat, bedankte Geert en zette aan richting de Rivierenbuurt, waar ik eerst de soep naar K zou brengen.

K zelf heb al twintig jaar niet gezien, maar we zijn Facebookvrienden. Uit een recente post van haar was af te leiden dat ze diepvrieserwten met mayonaise en barbecuesaus at.

Moet ik voor je koken? had ik gestuurd, en me meteen een snob gevoeld.

Ik sla nooit een goede maaltijd af, antwoordde ze binnen de minuut.

Ik zette de doos soep voor haar deur en fietste door naar de Jekerstraat, waar ik mijn brood aan baas J zou brengen. Het zag er geweldig uit, maar ik had nieuwe bloem gebruikt en dus was het spannend hoe de binnenkant zou zijn.

De dochter van baas J deed open. Ik gaf haar het brood en wilde net vertrekken toen J zelf aan kwam lopen. We praatten kort, maar ik moest door.

Bij het uitfietsen van de Jekerstraat vroeg ik me af waarom ik door gemoeten had. Mijn spullen waren afgeleverd. Ik hoefde helemaal nergens te zijn.

Ook dat was Coronawinst.

Ik overwoog bij Arie langs te fietsen. Er zou een biertje zijn op de balkonbar, twee krukken met de juiste afstand ertussen. Misschien konden we wel voor zijn huis een glaasje drinken, gesprekjes-op-afstand aanknopen met passerende buren. Oud-West lult makkelijk.

Ik wilde best langs Arie, maar het voorwiel van mijn fiets koos een lijn die me naar huis leidde, en misschien was dat omdat het een nieuw voorwiel was.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Zeker weten

The people have had enough of experts,’ zei de Britse minister Michael Gove in 2016.  Ik denk niet dat Gove momenteel graag aan zijn uitspraak herinnerd wil worden. De regering waar hij nu deel van uitmaakt (hij is ‘Minister of the Cabinet Office’) vaart, net als het Nederlands kabinet, momenteel blind op deskundigen. Nu het Coronavirus door het land trekt, zijn politici maar al te graag bereid te luisteren naar deskundig advies.

Maar Gove had het in 2016 niet over deskundigen wat betreft volksgezondheid maar over hen die voorspelden dat een vertrek van het VK uit de EU rampzalige gevolgen zou hebben. Rampscenario’s kwamen Gove en zijn mede-Brexiteers natuurlijk niet goed uit. Het waren beren op de weg naar ‘taking back control’. Deskundigen moesten met hun beren gewoon even aan de kant.

Maar toch had Gove wel een puntje. Als het over economie gaat, zijn deskundigen namelijk helemaal niet goed in vooruitkijken. Als het CPB een economische groei van 2% voorspelt kan dat in werkelijkheid best eens 5% blijken te zijn, of -1%. En wie wil beleggen kan een portefeuille laten samenstellen door een goed betaalde expert, maar misschien is het beter om naar Jacko te gaan. Jacko woont in Artis, in het gorillaverblijf en deed het in het verleden uitstekend op de beurs, beter dan veel professionele handelaren. En iedereen in de financiële wereld, op een klein handje met excentrieke uitzonderingen na, werd verrast door de grote financiële crisis van 2008.

Zijn economen daarmee waardeloze deskundigen? Nee, maar er zijn grenzen aan hun deskundigheid.

In de gezondheidszorg kunnen deskundigen ook behoorlijk miskleunen. Lees bijvoorbeeld het meesterwerk The Emperor of All Maladies: a biography of cancer, van S. Mukherjee. Lees en huiver. Decennialang werden kankerpatiënten onderworpen aan radicale chirurgie, waarbij zoveel mogelijk weefsel rond een tumor werd weggesneden. Bij het kleinste gezwel werden organen geamputeerd. Het uitgangspunt bleek niet te kloppen, en het erge is dat men deze conclusie veel te laat trok. Zeker weten zat de chirurgen in de weg.

Zijn artsen slechte deskundigen? Nee, maar ook zij moeten oppassen voor misplaatste zekerheid. Zekerheid is vaak schijn.

Schijnzekerheid speelde ook een rol bij het over het hoofd zien van de huizencrisis door de ‘rating agencies’ in de VS. Een mooie beschrijving daarvan is te vinden in The Signal and the Noise van Nate Silver, een prachtig en glashelder boek over voorspellen. De ‘rating agencies’ hadden onzekerheid weggestopt in ingewikkelde modellen en beslissingen werden genomen op drijfzand dat van boven enigszins leek op een betonnen vloer. Hun modellen kwamen met heel nauwkeurige voorspellingen die daarmee de schijn van zekerheid gaven.

Onlangs hoorde ik GGD-directeur de Gouw op radio1 zeggen: “De kans op besmetting [met Corona – MJ] op een lagere school is 0,003 procent en zelfs 0,0003 procent als men zich houdt aan hygiëneregels.”

Zulke zekerheid staat een deskundige niet. Niet dat ik wil beweren dat een besmetting met Corona op een lagere school waarschijnlijk is. Ik geloof de Gouw best als hij beweert dat de kans op besmetting erg klein is, maar om dit uit te drukken in drie tot vier cijfers achter de komma is onzinnig. Het straalt een mate van zekerheid uit die ongepast is. Alsof er maar één model mogelijk is, alsof de wetenschap elke twijfel, ook bij een uitbraak van een onbekend virus de nek omdraait. Alsof een getal alleen een argument is dat iemand overtuigt.

Wetenschap biedt nauwelijks zekerheden, hooguit beperkingen aan de twijfel. Er wordt zelden iets ‘wetenschappelijk bewezen’. De meeste wetenschappers die iets proberen te voorspellen, hanteren modellen die gebouwd zijn met behulp van waarschijnlijkheden en de uitkomsten moeten bijna altijd met zorgvuldige, liefst kleine korrels zout genomen worden.

Jaap Goudsmit, onderzoeker en voormalig frontsoldaat in de strijd tegen het AIDSvirus zei het mooi in Nooit meer slapen, ook op radio1. ‘Wetenschap is twijfelen. Wetenschap is niet zekerheid verschaffen, dat is een godsdienstig concept van wetenschap.’

Luister naar deskundigen, vooral als ze onzekerheid de ruimte geven.

Machiel Jansen

Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

Een intellectueel jongensboek

Een droomroman. Ik kon er geen betere woorden voor vinden. Een revelatie, dat was Een kamer in Rome (2012) ook, maar wel een die vooral het bekende aan het licht bracht. Het was jaren geleden dat ik bij het lezen van fictie zo’n hevige schok van herkenning had gevoeld. 

Hoofdpersonage Daniël van Duren is een student Literatuurwetenschappen, die zich bezighoudt met ‘virtuele romans’: boeken die alleen bestaan in andere boeken. Hij leest Nabokov en Borges, leeft op tijdens zijn colleges in het fraaie Bungehuis, is lid van een literair dispuut en voelt zich vooral thuis op het Spui en in een drietal historische bruine kroegen. Hier was een personage dat vrijwel exact dezelfde leefomgeving en interesses had als ikzelf, toen ik een paar jaar terug bachelorstudent in Amsterdam was – een tegelijkertijd bevreemdende en bevredigende realisatie. 

Na het lezen van een mysterieuze novelle reist Daniël naar Italië om de auteur ervan op te zoeken en, uiteindelijk, zijn eigen verhaal te schrijven. Zo ontspint zich een spannend, rijk verhaal, dat met uitzonderlijk veel gevoel voor sfeer is opgetekend. Een kamer in Rome is een heerlijke roman, een intellectueel jongensboek dat in de Nederlandse letteren zijn weerga niet kent. 

Toen ik het boek uithad was ik erg benieuwd hoe het Sipko Melissen (1941) precies was gelukt; hij had zich feilloos weten te verplaatsen in een jonge student op het moment dat hij zelf eerder de leeftijd van een pensionado had. In de hoop meer inzicht te krijgen in de jongere jaren van deze schrijver bestelde ik zijn debuut, de dichtbundel Gezicht op Sloten (1985). Veel informatie bood de flaptekst niet, dus ik begon meteen maar aan de gedichten. 

Voor een liefhebber van Nabokov schrijft Melissen verrassend toegankelijke verzen. Niet gemaniëreerd, maar lichtvoetig en alledaags. Er worden avonden met vrienden vastgelegd, wandelingen en stadsgezichten. Naast lyrisch is hij af en toe filosofisch: in verschillende gedichten reflecteert hij op zijn verhouding tot de werkelijkheid. Soms twijfelt hij zelfs aan zijn eigen bestaan: ‘mij overvalt de twijfel / of ik hier werkelijk zit’.

De eerste afdeling bestaat uit beeldgedichten. Het titelgedicht, over een tekening van Rembrandt, sprak me onmiddellijk aan:

Rembrandt van Rijn, ‘Gezicht op Sloten’, circa 1650

Gezicht op Sloten

In deze tekening kom ik thuis

de weg leidt onvermijdelijk

naar de oneffenheid 

op ’t poldervlak

zomervolle bomen

houden nog verborgen

het dorp

waar ik in door wil dringen

om bij de kern te horen 

in de kerk te zingen

begraven naast de toren

wachten op een jongste dag

Daarin zag ik opeens iets terug van die begeesterde student uit Een kamer in Rome: zoals Daniël toegang wil krijgen tot gesloten fictionele werelden, wil de dichter doordringen in dit afgebeelde landschap, opgenomen worden in de gemeenschap die hij in het dorp veronderstelt. Dat is wat schrijver en personage verbindt: ze willen niet alleen begrijpen, maar deel gaan uitmaken van dat wat hen fascineert. 

—-

De nieuwe roman van Sipko Melissen, De vierde mei, is vorige week verschenen.

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Drank en suiker

Zo gauw duidelijk is dat er nog maar heel weinig kan, word ik een tevreden mens. Het Nederland van voor de pandemie zat in een dijk van een hausse, maar echt gedijen deed ik niet: te veel dingen kunnen betekent te veel dingen van mezelf moeten.

In Suriname ben ik anders. Het is er vaak te warm om te bewegen en de gebrekkige infrastructuur laat een Hollandse vaart niet toe; gevolg hiervan is dat deze jongen al bij aankomst op de luchthaven enorm ontspant en zijn verdere verblijf met geen mogelijkheid te stressen is.

‘Vandaag is het niet gelukt een auto te huren, schat. Ik ga overmorgen nog een keertje langs. Kijken of er dan wél iemand is.’

B, die anders in elkaar zit, trekt onmogelijkheden slecht, en zal ook in de lastigste situaties proberen haar afgesproken productie te behalen.

Een verschil tussen ons is óók dat zo’n beetje alles wat ik normaal gesproken doe voor mijn geld of ontspanning door de corona onmogelijk geworden is. Ik moet oppassen niet dagelijks te drinken, en als ik niet drink moet ik oppassen niet alle zoete dingen die ik bak op te eten.

Ik heb de zwakte voor zoet van mijn vader, hoewel mijn moeder er ook niet vies van is. Gisterenavond bakte ik weer kouign amanns (boterige Bretonse geweldigheden), die ik in een tupperwaredoos meenam op mijn late wandeling met Otis de Hond. Ik hoopte mijn karamelbommen aan mensen uit de buurt te kunnen slijten, anders zouden ze vanzelf ontbijt worden. Omdat ik niemand tegenkwam, at ik er vast een paar.

Er zit troost in suiker, en wie een beetje warenkennis heeft weet dat alcohol ook omgezette suiker is. Moest ik getroost worden? Terwijl ik kauwde, glimmende bladerdeegsnippers rondstrooiend in de Galgenstraat, dacht ik aan de theorie dat overeten naar binnen gekeerde agressie is.

Zou ik net als B gefrustreerd zijn door de corona, maar dat niet als zodanig registreren en mezelf straffen met suikers? Met zekerheid was in ieder geval te zeggen dat ik dankzij de corona te veel tijd had om over dit soort dingen na te denken.

Ik beklom de trappen naar ons kraaiennest op de vierde verdieping en legde Oot te rusten, vulde zijn waterbak voor de nacht.

De maatregelen waren aangepast. Over drie weken zou er weer school zijn, en crèche voor Ada, maar voor mij zou er nog steeds heel weinig kunnen. Ik zette de doos met zoetigheid vast naast het espressoapparaat voor morgenochtend, en deed traag alle lichten uit.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

De oorspronkelijke bron

The Gift (1938) is niet een van Vladimir Nabokovs (1899-1977) toegankelijkste romans. Het is het laatste boek dat hij in het Russisch schreef, en zijn beheersing van zijn moedertaal was op dat moment onovertroffen. The Gift is daarom schitterend geschreven, maar ook zo rijk aan details en ongebruikelijke woorden dat het taai en soms zelfs ondoordringbaar is. Verhaal, verbeelding en herinnering worden daarnaast zo nonchalant afgewisseld dat ik er meer dan eens gedesoriënteerd van raakte. 

Het is het verhaal van Fyodor Konstantinovitch Cherdyntsev, een jonge Russische dichter die, net als Nabokov zelf, kort na de revolutie zijn thuisland verliet. Hij woont in Berlijn, waar hij deel uitmaakt van een gemeenschap van emigrés, en debuteert aldaar bij een kleine uitgeverij met ‘a thin volume entitled Poems.’ Het is een reeks autobiografische gedichten, waarin Fyodor de helderste herinneringen aan zijn vroege kinderjaren probeert vast te leggen. Een jeugdig ziekbed, absoluut een klassieke kinderervaring, beschrijft hij als volgt:

A writing case with my note paper

Is what I most vividly see:

The leaves are adorned with a horseshoe

And my monogram. I had become

Quite an expert in twisted initials,

Intaglio seals, dry flattened flowers

(Which a little girl sent me from Nice)

And sealing wax, red and bronze-gleaming.

Dit project deed me denken aan Zes (2016), de mooie eerste dichtbundel van Mathijs Gomperts (1988), waarin vrijwel hetzelfde gepoogd wordt. Ieder gedicht van Gomperts behandelt een losse indruk uit zijn kindertijd. Ook zijn vader, moeder en broers worden zo terloops geportretteerd. In tegenstelling tot Nabokov probeert Gomperts nadrukkelijker vast te houden aan de taal van zijn vroegere zelf. Zijn toon is minder gedragen, lichtvoetiger:

De radio in de keuken 

maakt grijs geluid als je erlangs loopt

ik klim op de kruk, klamp me vast

aan de plak leisteen van het aanrecht 

er ik richt met mijn hand de antenne 

hierheen daarheen

tegen het kruidenrekje is het geluid het beste –

In The Gift reflecteert Fyodor uitgebreid op zijn drijfveren als dichter. Dit zegt hij over zijn herinneringsgedichten (hou je vast):

‘My probing thought often turns towards that original source, towards that reverse nothingness. Thus the nebulous state of the infant always seems to me to be slow convalescence after a dreadful illness, and the receding from primal non-existence becomes an approach to it when I strain my memory to the very limit so as to taste of that darkness and use its lessons to prepare myself for the darkness to come; but, as I turn my life upside down so that birth becomes death, I fail to see at the verge of this dying-in-reverse anything that would correspond to the boundless terror that even a centenarian is said to experience when he faces the positive end (…).’ 

Terugdenken aan je jeugd om je voor te bereiden op de dood – ik denk niet dat Mathijs Gomperts hetzelfde voor ogen stond. Hij lijkt via zijn gedichten juist méér te willen leven. Door herinneringen op te schrijven laat Gomperts zijn vroegere zelf niet verdwijnen, maar houdt hij hem altijd bij zich, hier, in het heden. 

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Praten met vreemden

Okay, even zeuren. Ik mis omarmingen, uit eten. Ik mis cafés, buurtborrels. Ik mis boekpresentaties, dansvoorstellingen. Ik mis bioscoopbezoek en het concertgebouw. Ik mis roeien en tennissen. Ik mis feesten en diners. Ik mis wedstrijden en reizen. Ik mis… En natuurlijk gaat dit om kunst, sport en consumptie als ergens nog wel te compenseren aspecten, maar het gaat -bedacht ik – voor een goed deel over andere mensen, vreemden, praten met vreemden. Ik doe dat veel liever dan ik dacht. Een woord, een woord! Maar het is stil…

Talking to Strangers van Malcolm Gladwell is een raar boek. De eerdere boeken van deze Brits-Canadese journalist houden het midden tussen intelligentere managmentboeken, al doe ik hem daar licht onrecht mee, en introducties in sociaal psychologisch onderzoek. Een standaard Gladwell-boek wordt na de eerste helft minder interessant omdat hij dan zijn punt wel gemaakt heeft. Maar dit boek is veel boeiender, het is namelijk heel lang niet duidelijk welke kant Gladwell precies op wil. Een een bizarre waaier van voorbeelden, Hitler en Chamberlain, Amanda Knox, de Amerikaanse uitwisselingsstudent die in Italië jaren in de bak zat voor een moord die ze niet beging, de Cubaanse geheime dienst, een mol in de Amerikaanse geheime dienst, Sandra Bland die voor schijnbaar niets werd aangehouden in Texas en drie dagen later zelfmoord pleegde in de cel, een populaire gymleraar die decennia kinderen misbruikte, maar niemand wilde en slecht woord over hem horen, toont Gladwell aan hoe slecht we de intentie van een ander kunnen ontwaren.

Gladwell maakt nogal grote bewegingen, hij onderzoekt gasaansluitingen in Engeland in de jaren ’60 om de suïcide van Sylvia Plath te kunnen begrijpen, haalt onderzoeken naar gelaatsinterpretatie onder de inwoners van de Trobriand Islands aan, kijkt heel goed naar een aflevering Friends en verklaart waarom een politieonderzoek over aanhoudingsstrategie in Kansas in de jaren ’80 uiteindelijk leiden tot de dood van een dame in Texas 30 jaar later.

Gladwells boek is hiermee een heel fraaie mix tussen psychologie, sociologisch en antropologisch onderzoek, maar vooral een uiting van onstilbare honger naar kennis over hoe dingen die hem verbazen werken. Aan te raden dus…

En hoewel je vreemden volgens zijn uitkomst dus verkeerd interpreteert omdat je abusievelijk steeds ervan uitgaat dat ze de waarheid spreken, dat je per ongeluk denkt dat ze transparant zijn wat ze niet zijn, en dat je de context waarin je ze spreekt te weinig betrekt bij het gesprek, verlang ik intens naar praten met vreemden…

En films, diners etc. etc.

Maar we houden gewoon nog een paar jaar vol. Tegen die tijd heb ik minstens de helft van het verzameld werk van Nijhoff uit mijn hoofd geleerd. Je moet wat….

‘Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.’

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Lezen in een lege kroeg

Juist in crisistijd hebben we een avond in de stad nodig met vrienden en collega’s, een moment om onze ellende met wederzijdse steun en humor te lijf te gaan. Corona maakt dit onmogelijk, en naarmate de sluitingsweken verstrijken zal het aantal faillissementen in de horeca stijgen. 

Samen met Jan van Mersbergen presenteer ik vijf keer per jaar De Vertellers van Helmers, een drukbezochte literaire avond in een fijn café in West. Nu dat tijdelijk niet kan willen Jan en ik onze geliefde horeca een hart onder de riem steken. In samenwerking met Het Parool maakten we filmpjes van acteurs en schrijvers die literaire barverhalen voorlezen in het droeve decor van een leeg café Helmers, met de gordijnen dicht en stoelen op de tafels. 

In totaal maakten we zestien filmpjes, waarvan er elke vrijdag twee online komen op de site van Het Parool. Vorige week trapten we af met Femke van der Laan en Gilles van der Loo. Aanstaande vrijdag 17 april lezen Marian Mudder (Cormac McCarthy) en Hanneke Groenteman (Guus Luijters).

Andere voorlezers zijn: Arthur van den Boogaard, Thomas Heerma van Voss, Ilse Warringa, Maartje Wortel, Saskia Temmink, Martin Schwab, Gonny Gaakeer, Ivo Victoria, Cynthia Abma, Raymond van de Klundert en Carly Wijs. Camera/regie: Matthijs Immink. Montage: Lex Coppoolse. 

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Liefde en lust

Via mijn vriend Merijn kwam ik in aanraking met Liefde en goudvissen (1940), de schitterende liefdesroman van Jacques Gans (1907-1972). Het boek speelt in Parijs, waar Gans aanvankelijk leeft als een gelukkige bohémien. Later probeert hij er een Nederlands tijdschrift over Franse literatuur op te zetten. Op zijn zoektochten naar kopij komt hij in contact met de schrijver Paul Léautaud (1872-1956), die de kost verdiende met redactiewerk voor Mercure de France. Gans is een groot bewonderaar van zijn werk: toen hij wegens het ingooien van de ruiten van een boekhandel in de Utrechtsestraat een korte gevangenisstraf moest uitzitten, nam hij een exemplaar van Passe-Temps (1928) mee naar zijn cel. 

De roman bevat ook een geweldige beschrijving van Léautauds eigenzinnige manier van uitklokken: ‘Punctueel om vijf uur maakte Léautaud aanstalten tot vertrek. Anderen konden rustig in zijn kamer de discussie voortzetten tot de Mercure sloot. Zoals hij afscheid nam, het gedeukte stoffen hoedje op het hoofd, een beige boodschappentas in de hand met inkopen voor zijn honden en katten, was hij stellig een van de weinige overlevenden uit de 19de eeuw die nog de atmosfeer van Parijs uit een vorig tijdperk om zich heen hadden.’ 

Aangestoken door de idolatrie van Gans kocht ik bij Kok het boekje Lichtzinnige herinneringen (1969), Privé-Domein nummer 12, waarin onder meer Léautauds debuut Le Petit Ami (1903) is opgenomen. 

Jaren geleden schreef ik eens iets naars over Léautaud zonder een boek van hem uitgelezen te hebben – een zonde die ik daarna nooit meer heb begaan. Ik vroeg me hardop af: wat is er nu zo boeiend aan de notities van een nihilistische hoerenloper? Aanvankelijk was ik alleszins bereid om mijn smadelijke opmerking hier publiekelijk terug te nemen, maar al lezend in Le Petit Ami kwam ik tot de conclusie dat mijn voorbarige kritiek toch een kern van waarheid bevatte. 

In het boek neemt Léautaud de belangrijkste herinneringen aan zijn jongensjaren door, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan zijn fascinatie voor vrouwen van lichte zeden, danseressen en prostituees, die hij liefkozend zijn ‘vriendinnen’ noemt. ‘De liefde interesseert me eigenlijk maar bitter weinig,’ schrijft hij, en uit verveling en geilheid zocht hij zijn toevlucht bij vrouwen die alleen maar lichaam mogen zijn.

Léautaud staat bekend als een navolger van Stendhal (1783-1842), maar hierin had hij niet verder van zijn voorbeeld af kunnen staan. In Het leven van Henry Brulard (1834-1835) gaat het juist consequent om liefde, de obsessie met de persoonlijkheid van een ander. Stendhals extreem openhartige beschrijvingen van zijn verlangens en de invoelende portretten die hij van zijn geliefdes schetste maken zijn werk juist zo enerverend en origineel. 

Le Petit Ami ontbeert een dergelijk gevoel voor details, en interesse in het innerlijk van anderen is zo goed als afwezig. Léautauds zelfonderzoek brengt hem tot een nogal afgezaagde conclusie, die koren op de molen is voor de Weense delegatie: hij zou de belangeloze affectie van zijn vriendinnen opzoeken omdat hij door zijn eigen moeder is verwaarloosd. Léautaud werd opgevoed door een kindermeisje en durfde zijn moeder als volwassene nog geen brief te sturen uit angst om opnieuw afgewezen te worden. Wanneer hij haar rond zijn negentiende weer ontmoet, overlaadt hij haar met kussen en zoete woordjes. Le Petit Ami verandert razendsnel van een lustdagboek in het zelfportret van een smoorverliefde Oedipus. 

Wat er beweerd wordt over Léautauds stijl onderschrijf ik zeker: hij formuleert precies en vertelt zeer aangenaam, bijna praterig. Maar hij klinkt ook als een ordinaire oude snoeperd wanneer hij het heeft over de natuurlijke aantrekkingskracht die hij op ‘kleine meisjes’ zou uitoefenen. Nog storender dan dat is de onversneden sentimentaliteit waarmee dit relaas doordesemd is. Terugdenkend aan zijn kindertijd schrijft hij dingen als: ‘O! die kleine jongen, die kleine jongen, wat is er van hem overgebleven en wat voel ik me week wanneer ik naar hem kijk!’ En: ‘Verwelkte schoonheden, eeuwige stilte!’ De talloze zoetsappige uitspattingen wekken de suggestie dat hier een oud heertje aan het woord is, dat zijn verloren vitaliteit beweent. De auteur was echter nog geen dertig toen hij dit schreef – dat is wel heel vroeg om zo ongegeneerd met je jeugdjaren te dwepen. 

Enigszins teleurgesteld begon ik maar aan Le Petit Ouvrage Inachevé (1964), de onvoltooide en postuum gepubliceerde notities die het tweede deel van Lichtzinnige herinneringen uitmaken. Deze teksten zijn gewijd aan Madame Cayssac, die tussen 1913 en 1933 de geliefde van Léautaud was. Ze zijn compleet anders van insteek en toon: ditmaal blikt de schrijver niet terug, maar richt hij zich volledig op het heden. Op uiterst manische wijze probeert Léautaud de vrouw waar hij op latere leeftijd, tegen alle verwachtingen in, hartstochtelijk verliefd op werd te vereeuwigen. Hij registreert hun gesprekken, beschrijft hun markante erotiek en legt zonder ironische distantie zijn aan wanhoop grenzende liefde vast. Ik werd overvallen door de energie en de levenslust, en was mijn eerdere ontgoocheling snel vergeten. Toen ik het uit had besloot ik meteen dat ik Onvoltooid verleden tijd, de bundeling van Léautauds latere werk, moest zien te bemachtigen.

In het laatste hoofdstuk van Le Petit Ami stelt Léautaud dat schrijvers eigenlijk niet voor hun veertigste zouden moeten beginnen: ‘Voor die tijd is het rijpingsproces namelijk nog niet voltooid.’ Als hij dit op zichzelf had betrokken, zou ik hem zeker gelijk hebben gegeven. 

Paul Léautaud met poes
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Lockdown

‘Ach joh, ik leef al jaren zo. De rest van de wereld nu eindelijk ook’, mailde D., die behalve mijn beste vriend ook kluizenaar is.*

Ik moest aan D. denken toen ik vanuit Nederland van meerdere mensen het verzoek kreeg om weer eens iets te schrijven op Tirade. Over de situatie in Amerika. Over Trump. Over het coronavirus en onze quarantaine in Pittsburgh, waar we voorlopig niet weg kunnen. Ik doe het om mijn goede wil te tonen, maar eigenlijk heb ik niks te melden.

Net als D. blijf ik voornamelijk binnen. Ik vul mijn hoofd met zuiver theoretische mijmeringen ter voorbereiding op mijn hypothetische herintreding in de samenleving: waar moet ik straks met mijn eventuele sleutelroman aanschuiven nu DWDD gestopt is? Hoe regel ik helikopterbeelden van mijn nog te fabriceren – maar mogelijk monumentale – verzetskunstproject? D. en ik maken samen muziek, maar bestaan besmettingshaarden als de Grammy’s überhaupt nog wel als ons debuutalbum eindelijk is afgemixt?

Ik had dit verblijf in Pittsburgh oorspronkelijk ingepland voor een grondige metamorfose, een totale do-over (betaald uit het salaris van mijn M. en veilig uit het zicht van vrienden en familie) bij de beste cosmetische specialisten van Amerika, zodat ik bij terugkomst in Amsterdam de uitzendkwaliteit zou hebben die zowel mijn maatschappelijke rentree als mijn midlifecrisis verdienen. Maar ook hier is alles ineens gesloten, dus zit ik thuis met één gelaserd oog en een tijdelijk setje overbruggingsvoortanden drie tinten lichter dan de rest van mijn gebit. Aan mijn haar ben ik niet eens toegekomen (zie foto).

Om mijn natuurlijke, blozende teint van weleer bijtijds weer terug te krijgen, ben ik gestopt met roken – precies op het slechtst mogelijke moment natuurlijk, net nu elke stap buiten de deur gepaard gaat met de doodsangst voor infectie en bijbehorende stresslevels. Ter compensatie knars ik ’s nachts de tanden die ik nog over heb tot gruis.

Ook had ik me voorgenomen om deze maanden op onze roeimachine in de kelder al mijn spiergroepen eens stevig aan te pakken, maar al sinds februari heb ik last van een onverklaarbare krampkuit, waardoor zelfs het gangetje naar de betaalbare supermarkt te ver voor me is. Noodgedwongen hink ik dagelijks naar de Whole Foods om de hoek waar een pak yoghurt acht dollar kost. Gelukkig ziet niemand me bij het afrekenen binnensmonds vloeken vanachter mijn zelfgenaaide mondkapje uit een zurige oude spijkerbroek.

Ik las ergens dat je deze periode positief moet benutten door een nieuwe vaardigheid aan te leren, zoals schilderen of een muziekinstrument bespelen. Ik hou het voorlopig op zuipen, de enige troost die er nog over is in deze lockdown, en trek ter ere van D. al vóór het middaguur mijn eerste fles open.

_________________________

* Hij is blij als ik langskom, maar ook als ik weer vertrek.

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten

Een lezer

B is beter dan ik in het vinden van de juiste boeken voor onze kinderen. Ze heeft meer geduld en luistert beter.

De meeste kinderboeken vind ik slecht van taal en saai. Aan mij heb je pas iets als ik boeken mag aanraden die ik zelf graag lees.

Groot was mijn geluk toen Nadim deel 3 van Harry Potter grommend van zich af wierp.

‘Wat is er?’ vroeg ik zo neutraal mogelijk. ‘Vind je het niet leuk meer?’

‘Die boeken zijn echt veel te dik. Er staan allemaal dingen in die er niet toe doen en je moet heel lang wachten voor er weer iets gebeurt. En ze leggen echt álles uit.’

‘Interessant,’ zei ik, en probeerde niet te juichen. Onder het voorlezen van het eerste deel was ik bijna gestorven van lamlendigheid; bij een aantal cruciale scènes had ik Nadims woede gewekt met mijn slappe lach.

Je zou kunnen denken dat ik zijn mening heb beïnvloed, maar B en ik lazen hem na deel 1 nog twee delen voor. Daarna begon hij ze zelf te lezen, aanvankelijk met veel plezier. Een Harry Potterverjaardag volgde, we maakten toverstokken van wilgentenen in Normandië.

Toen er nog geen internet was koos ik mijn leesvoer op titel. Ik had uren te slijten in boekwinkels, toen. Na de titel begon ik aan de eerste bladzijde, en als ik merkte dat ik op een van die lage krukjes wilde blijven zitten om te lezen, nam ik het boek mee naar huis.

Boeken hoefde ik als kind niet voor mijn verjaardag te vragen. Ik kreeg ze, alsof ze een eerste levensbehoefte waren. Ik heb daar niet genoeg gebruik van gemaakt.

Voor Nadim en Ada geldt hetzelfde. Ze vragen wel eens boeken aan Sinterklaas of voor verjaardagen, maar als het leesvoer op is gaan we sowieso naar de boekhandel.

Vorige week kocht ik bij de Island Bookstore op de Westerstraat het eerste deel van een magisch drieluik van zo’n vierhonderd bladzijden voor Nadim. Gisteren moesten we wéér. Tijdens onze stadswandeling leek hij zich zorgen te maken over of het volgende deel er nog wel zou liggen.

‘Maar papa, je zei toch dat we naar de Island zouden gaan?’

‘We gáán ook naar de Island, man. Op het einde van de wandeling is beter, anders loop je de hele tijd met dat boek te slepen.’

‘Maar ik vind dat helemaal niet erg.’

Nadim mocht de route bepalen. Ik merkte dat hij steeds kleinere cirkels maakte rond de Westerstraat, en binnen het uur legde ik Otis de Hond vast aan het fietsenrek voor nummer 15.

‘Yes!’ riep mijn jongen bij binnenkomst. Na een minuutje liep hij lezend in deel 2 weer buiten.

‘Naadje,’ zei ik. ‘Laat me dat boek even in de rugtas doen.’

‘Wat?’

‘Dit gaat zo niet. Je loopt nog ergens tegenop.’

‘Het gaat toch prima, zo?’

Ik haalde een hand door zijn stugge haar, maakte een foto van hem en appte die aan B.

“We hebben een lezer,” schreef ik. “Een echte.”

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Denken in dwarsverbanden

De verhalen van D. Hooijer (1939-2013) vrolijken me altijd op. Een paar jaar terug las ik haar bekroonde bundel Sleur is een roofdier (2007). De volslagen vreemdheid van dat boek was voor mij een verademing. De rare vertelstijl en humor deden me denken aan Gogol, maar binnen de Nederlandse literatuur kon ik weinig adequaat vergelijkingsmateriaal vinden. Hooijer schrijft als een minder narcistische en wijdlopige Brakman, of misschien eerder als een gejaagde Biesheuvel. Maar vooral als zichzelf, natuurlijk. Vanwege die eigenheid kocht ik ook haar Zuidwester meningen (2004), en nu lees ik haar debuut, Kruik en kling (2001). 

Overigens zijn Hooijers verhalen zelf niet bepaald opwekkend. Ze schrijft consequent over wereldvreemde figuren: gokverslaafden, jutters, drankorgels, internetdaters. Haar personages rommelen maar wat aan, blaten en oreren zonder werkelijk nader tot elkaar te komen. Als deze verhalen überhaupt een gedeeld thema hebben, dan is het eenzaamheid. 

De troosteloosheid wordt opgevangen door Hooijers stijl, die altijd even energiek en levendig is. Haar woordkeuze is vaak buitenissig en het verloop van haar verhalen wordt gestuurd door een springerige denktrant. De schrijver lijkt niet een plot, maar de taal zelf als leidraad te nemen. Vandaar dat haar paragrafen vaak geen natuurlijk geheel lijken te vormen: het verband tussen de hoekige zinnen is niet logisch, maar associatief. 

Een voorbeeld uit Kruik en kling:

‘Ik kende de buurman alleen van gezicht. Ik vond dat een aardig gezicht. Mijn kinderen zeiden dat zoiets niet bestond, dat aardige gezichten de grootste ongelukken gaven. Kijk naar Jeltsin, dat heerlijke hoofd. Er waren mannen die van hun open gezicht een broodwinning maakten. Ze liepen in Monaco en op de stranden van Nice te flaneren tot je met je geschutter langskwam.

Ik verbeterde mij en zei: “Een goed gezicht.”’

Iedere zin is een zijtak die terstond verder vertakt, maar de verbindende stam is weggelaten – Hooijer lezen is leren denken in dwarsverbanden. Daarom is er soms paginaslang geen touw aan vast te knopen. Je wordt gedwongen om van de ene inval naar de andere te gaan, en in de tussentijd moet je er zelf maar een coherent verhaal van zien te maken. 

D. Hooijer geeft de gewillige lezer genoeg te doen. Vrijwel iedere tekst lijkt uit een aaneenschakeling grappen, malle observaties en abrupte wendingen te bestaan. Het zijn vertellingen vol verrassingen, waarin je nooit weet wat er achter de volgende hoek of bladzijde schuilgaat.

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Dood aan de digital nomad

Hieronder woorden uit tijden die misschien niet simpeler waren, maar wel meer vertrouwd. Ondertussen zit ik vast in Abidjan, waar ik gelukkig een mooie berg Dostojevski’s bij elkaar kon sprokkelen.

Wanneer ik mij al veel te lang niet meer gedoucht heb of nog eens Engels wil praten of mijn libido mij influistert, dat dit een goed idee is, durf ik weleens een jeugdherberg betrekken. Vaak vallen hier uitstekende tijden te beleven of in ieder geval vele bieren te drinken. Wel loop je steeds het risico vriendelijk te moeten doen tegen twee van de ergste soorten mensen die deze wereld te bieden heeft: VS-Amerikanen en zelfverklaarde digital nomads.

Deze laatste zijn “creatieve freelancers” die zich al afstandwerkend laten onderbetalen voor het uitschrijven van banale marketingplannen, ontwikkelen van zwendelapps of vormgeven van jaarverslagen, waarin geen kat geïnteresseerd is. In de bedroevende financiële, inhoudelijke en vormelijke vruchten van hun professionele inspanningen zien zij zelf geenszins graten. Hun blik is immers uitsluitend op de dans gericht, die zij zichzelf meest elegant zien dansen, op het goddelijke koord gespannen tussen een zekere professionele bekwaamheid aan de ene, en wat zij als een diepe zucht om vrijheid ervaren aan de andere kant. Het zou hen, kortom, enkel om het geld te doen zijn. En zolang deze inkomsten hun reisdoelloosheid onderhouden, is er geen vuiltje aan de lucht. Want door de uiterlijke vorm van hun loonarbeid te radicaliseren, dat is: hun arbeidstijd in de geuren en kleuren van Marokkaanse medina’s te versmoren, ontsnappen ze aan de grijze vervreemding van een vaderlandelijk bureaubestaan. Als dat niet geniaal is?

(Pecunia non olet, wisten Romeinse leerlooiers en kleerwassers, maar wat wisten zij van de loonvorm?)

De harde beperkingen van de digital nomad worden weerspiegeld in haar grenzeloze zelfgenoegzaamheid. Terwijl ze op dakterrassen van jeugdherbergen wereldwijd hoogmoedig uiteenzet hoe goed ze het leven wel niet begrijpt en het overbodige leerde loslaten, zien wij de trieste waarheid van haar vloeibaar-moderne heldendom en haar eenzaamheid. Geenszins ontgroeit ze de burgerlijke grond die haar voortsproot, maar is zij net haar meest kleurrijke stinkbloem.

Wat ware nomadologie de moeite waard maakt, is dat het tot een gegrond universalisme uitnodigt. Maar de digital nomad omarmt een omgekeerde praxis. Zich dubbelplooiend voor de god genaamd flexibilisering begrijpt zij zichzelf als een verlichte uitzondering – die in werkelijkheid slechts de wereldsystemische ketens bevestigt. Dit spreekt ontegensprekelijk uit hoe zij voorstaat de wereld van zichzelf te redden: iedereen moet slechts worden zoals zij: blank en rijk en zonder grenzen. Het is te zeggen: haar universalisme is onmogelijk te universaliseren en dus vals. Burgerlijke blindheid op haar best. Dat is: op haar meest hopeloos.

Hegel zegt: aan datgene waarmee een geest genoegen neemt, is de omvang van zijn verval te meten. Agamben leert: de homo sacer heeft van oudsher een Januskop.

In volle oogsttijd fietste ik in Zuid-Spanje dagenlang langs uitgestrekte latifundia, waar groepen zwarte veldwerkers scherp door clichés van booskijkende cowboys werden overschouwd. Wanneer de opzichters even uit het zicht waren, probeerde ik gesprekjes aan te knopen. Ze ontvingen elke avond een briefje van vijf euro, maar stonden zelf in voor hun maaltijden. ’s Nachts werden ze in geruïneerde schuren te slapen gelegd. Mensen die een taal deelden werden zoveel mogelijk over verschillende landerijen verdeeld: een beproefde tactiek uit nooit vervlogen plantatietijden. Wanneer ik naar papieren vroeg, keek men naar de grond.

Ondertussen bevestig ik graag je vermoeden, dat ook ik er wel degelijk op reken voor dit zonnige dakterrasgetokkel te worden betaald, en hoop ook in de toekomst nog vele jeugdherberggesprekken met slimme, knappe en vrije laptopblanken te mogen voeren.

Jan Lodewijckx

Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.

Themalezen – plagen en volkeren

‘Gesine, klopt dat met de pest? Dat die uit Vietnam naar jullie toe wordt overgebracht?’

‘Met vijfduizend gevallen per jaar kun je niet anders verwachten. Een ervan zal heus wel een Amerikaan besmetten.’

‘Staat dat bij jullie in de krant?’

Dit is een citaat uit het in het najaar te verschijnen fantastische boek Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl van Uwe Johnson. Dat boek is zo bijzonder dat ik bang ben dat ik je er twee blogs over ga voorschotelen, maar eerst dit. Het kleine telefoongesprekje tussen Berlijn en New York in 1968 op een kwart van de ongeveer 2.000 bladzijden die de Van Oorschot-uitgave gaat beslaan, past wonderwel in de gedachte van een heel ander boek: William H. McNeill De pest in de geschiedenis waarvan ik hoop dat de collega’s van de Arbeiderspers dit najaar een nieuwe druk opleggen. McNeill schreef in 1975 een boek dat zowel Jared Diamond, Yuval Noah Harari als Bill Bryson zeer goed gelezen hebben (in alle drie boeken kom je letterlijke citaten tegen.)

De grondgedachte is dat een gebrek aan kennis over parasieten en infectiezieken er de oorzaak van zijn dat historici door de eeuwen heen geen oog hebben gehad voor wat in retrospectief zeer vormend is geweest voor de wereldgeschiedenis: het ziektereservoir (microparasitisme) van een bepaalde bevolkingsgroep bepaalt mede zijn succes in veroveringen en oorlogen (macroparasitisme); Cortez kon met 800 man alleen de Mexicaanse Indianenbevolking decimeren door de kleine medestrijders: het pokkenvirus. In 200 goed geschreven intelligente pagina’s onthult McNeill heel veel historische inzichten in de mate waarin ziekten vormend zijn geweest in de geschiedenis.

En een stevige ‘slik’ factor hebben zijn waarheden soms ook: ‘Zoals we in een volgend hoofdstuk zullen zien doet de historische ervaring ons vermoeden dat de mensheid een periode van honderdtwintig tot honderdvijftig jaar nodig heeft voor de stabilisatie van de reactie op ernstige nieuwe infecties.’

Het behoort tot de fascinerendste non-fictie boeken die ik recentelijk las, omdat het zo diep ingrijpt op wat we nu meemaken, en omdat het zo ouderwets degelijk geformuleerd en doordacht (en door Tinke Davids prachtig vertaald) is. Overigens met een voorwoord van Joop Goudsblom.

Arbeiderspers…?

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Westerdoksdijk jaren '90, foto Matthijs Immink

Als de eerste jaren

Een bevriende fotograaf stuurde me zwartwitbeeld dat hij in de vroege jaren ’90 maakte, toen hij op de academie zat. Plaatjes van mijn wijk, die ook nog steeds de zijne is.

Er zit mooi licht in, fijne leegte.

Een collega zei laatst dat ik veel over licht schrijf. Misschien was dat negatief bedoeld, maar ik denk niet dat ik zonder licht zou kunnen schrijven.

De foto’s van Matthijs deden me denken aan mijn begin in deze stad, de zondagsrust die er nog was. De rust op straat ook door de week, die geleidelijk uit Amsterdam verdween.

Vliegtickets kostten nog een maandsalaris, toen. We kunnen dat nooit meer terugdraaien.

We kunnen heel veel dingen nooit meer terugdraaien. Er is een revolutie nodig om de privatisering van de zorg terug te draaien. Nederlanders bouwen dijken, geen barricades.

De denkers buitelen over elkaar heen met verhalen over hoe we dankzij Corona dichter bij een andere manier van leven zijn dan we de afgelopen decennia waren. Het basisinkomen, een rem op de luchtvaart: nu gaan we zien dat het kán.

This is the dawning of the age of Aquarius. Ook nooit gebeurd.

Ik ben geen negatief mens, maar zo gauw dit ellendige virus onderdrukt is gaan wij onmiddellijk de lucht weer in. De poldergeur zal uit de stad verdwijnen, en ook dit ongelooflijke licht.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.