Niet-bestaande gedichten V

Ik dacht altijd dat de verlammende hitte van de hondsdagen, als de zomer al eindeloos lang lijkt te hebben geduurd en je het gevoel krijgt dat het kwik nooit meer onder de vijfentwintig gaat zakken, nooit beter verwoord was dan in ‘July’ uit John Clare’s Shepherd’s Calendar. Het hele gedicht is loom en zwaar en je voelt haast fysiek de druk van onontkoombare hitte op je borst, in regels als:

And in the oven-heated air,
Not one light thing is floating there
Save that, to the earnest eye
The restless heat seems twittering by.

Dat was misschien zo, tot het verschijnen van dit gedicht. In ‘Loodwit’ is alles nóg zwaarder dan bij Clare, in wiens gedicht de zomerloomte er weliswaar met virtuoze klankherhaling ingehamerd wordt, maar waar die ook een kortstondige episode vormt tussen twee periodes van – en dat hoort natuurlijk ook bij de zomer – zoemerige bedrijvigheid.

Zo niet in ‘Loodwit’, waarin de titel alleen al de indruk wekt dat het licht van de zon zwaar als lood over de wereld druipt. Zo fragiel en zuiver als licht in poëzie soms kan zijn, bij Lucebert bijvoorbeeld, zo smoezelig en ondraaglijk en massief is het hier. Metaforen die je bij licht niet snel zou verwachten, aardse begrippen zoals pek en stro, worden hier toch overtuigend de atmosfeer in gegooid, waardoor de wereld een onherbergzame oven wordt waarin het moeilijk rondlopen is.

Is het dan alleen maar zwaarte en stroperigheid in dit gedicht? Nee, want dat zou het ook eendimensionaal maken. Pas in de slotregel valt écht op hoe secuur er in de voorafgaande zeventien regels met klank wordt omgesprongen. Als er ineens een ijsvogel over het water flitst, heeft het woord ‘flitst’ iets van een visuele onomatopee: zo’n snelle klank hadden we in het hele gedicht nog niet gehoord. Het woord detoneert, zoals elke beweging detoneert op zo’n zomerdag, die op het moment zelf ondraaglijk kan voelen, maar waar je diep in november toch weer vurig naar terugverlangt. Extra mooi dat die flits de blauwe bliksem van een ijsvogel is, die niet alleen in snelheid maar ook in naam detoneert met de lome hitte om hem heen.

Ons opengegooide bed

Stoppen met schrijven is moeilijk. Er zijn er maar weinig die het kunnen. De meesten willen het blijven doen zolang een hand de pen kan vasthouden. Sommigen ook te lang. Of mag je daar eigenlijk niet over oordelen? Ik oordeel wel soms over boeken die ik lees waarvan ik denk dat de schrijver moet hebben gemeend dat alles wat hij denkt wel interessant is… En ik ken schrijvers die hun werk verwateren door teveel te schrijven. Het is maar zeer weinigen gegeven altijd boeiend te zijn. En onder hen zullen er weer relatief veel zijn die toch besluiten te stoppen. Want nadenken over wat er toe doet en wat niet, dat is een kwaliteit. George Simenon, van wie ik nooit een boek las, schreef er honderden. Op zijn zeventigste stopte hij, omdat hij er genoeg van had altijd maar in dienst van zijn personages te staan. Zijn laatste vrouw schonk hem – het was toen begin jaren ’70 – een bandrecorder. Hij raakte verslaafd aan elke dag een poosje herinneringen en overwegingen inspreken. Voor zichzelf. Beelden noemde hij het. Maar zoals dat gaat met goed verkopende schrijvers: het is uitgegeven. Een man als ieder ander. Ik lees het met bijzonder veel plezier en eigenlijk is dat onverwacht. En een beetje vermoeid, want nu ga ik toch ook maar een Maigret ter hand nemen.

Simenon is krankzinnig eerlijk. En hij lijkt nauwelijks iets te pretenderen. Hij had succes, verkocht miljoenen boeken, een redelijk avontuurlijk leven – zeker wanneer je in ogenschouw neemt dat hij dagelijks zo’n 50 bladzijden schreef, en in niet samenhangende beelden roept hij moeiteloos een hele wereld op. Van Luik in het eerste decennium van de twintigste eeuw. Van Parijs in het daaropvolgende, op een wijze die Patrick Modiano in herinnering brengt, maar ook Paul Léautaud, of Jules Rénard. En hij geeft een beeld van een onvolmaakt mens.

De eerste zin de film ‘Don Juan’ luidt in mijn herinnering: ‘My name is Don Juan de Marcos. I’ve had more than a thousand women.’Iets waarbij ik onmiddellijk in de lach schoot, omdat het iets grotesks heeft. Volgens Simenons tweede vrouw heeft George zeker met 1.500 vrouwen het bed gedeeld. Zijn eigen inschatting is een stuk hoger, maar ik ga maar even af op de tweede vrouw. Waar ik het in de film ongeloofwaardig vond, moeten we dit van Simenon dus wel aannemen. Ik verwacht dat dat plezierig kan zijn, maar denk ook dat er een pathologische grondslag in het spel moet zijn. Wellicht wel verwant aan de neiging om dagelijks tussen de 40 en 80 pagina’s te schrijven. En oneindig veel te drinken.

Op 70 jarige leeftijd dus, haalt Simenon opgelucht adem. Dat hoeft niet meer. Die jacht. De memoires van iemand die vooral voor zichzelf spreekt lijken me eerlijker dan die voor publicatie bedoeld zijn. De eerlijkheid in deze ‘onbedoelde memoires’ zijn het aantrekkelijkst. Het is als poëzie van Leo Vroman in zijn laatste decennia: spel zonder een seconde te wijden aan de gedachten wat-men-er-wel-niet-van-mag-vinden. Vrijheid dus, in tekst. Nu maar hopen dat je daar niet per se 70 voor hoeft te worden.

IK ZIE DE TOEKOMST


Ik zie de toekomst als een onrijpe
ongeplukte vrucht van het verleden.
Dat is de oorzaak of de reden
waarom we haar nog niet begrijpen.

Maar wat is begrijpen voor begrip:
dat we alles kunnen doorzien
en herleiden tot minder dan een stip
van sindsdien tot voordien?

Dan begrijp ik zelf met
alle hulp van daarnet
al minder dan een moment:

hoe ik ook heb opgelet,
die plooi in ons opengegooide bed
is mij totaal onbekend.


Leo Vroman, Fort Worth, 19 mei 2013 (verschenen in Tirade)

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Klein feest

Op de tweede maandag van oktober konden Jan van Mersbergen en ik nog een Vertellers van Helmers organiseren. De kroeg stond vol, het was warm en ons traditionele pauzebiertje smaakte uitstekend.

Wat hadden we fijne gasten. Wat werd er veel gelachen. Het tweede, derde en vierde biertje smaakte ook, net als het vijfde en zesde. Om twaalf uur was de zaak leeg en stapte ik op de fiets om op tijd in bed te liggen.

Natuurlijk wist ik dat er een borreltje was bij gezamenlijke vrienden, en ik wist ook wie daar allemaal zou komen. Die usual suspects vind ik heerlijke mensen, ik vreesde alleen tezeer de kater. De afgelopen jaren is die bij mij vooral psychisch, te vergelijken met de serotoninedip die je na xtc-gebruik wel ziet. Alles lijkt zo zinloos, dan.

Hoewel dat voor mij niet hoeft, had B een lichtje aangelaten. Otis de Hond richtte zijn kop op en kwispelde, maar bleef in zijn mand. Ik zat een tijdje aan de keukentafel, wreef in mijn gezicht, trok mijn laptop naar me toe – misschien moest ik een stukkie schrijven – en schoof hem weer van me af. Misschien had ik naar dat borreltje moeten gaan.

Uiteindelijk dronk ik spuitwater en poetste mijn tanden voor de badkamerspiegel, die nog van mijn tante Fien geweest is. Hoe lang had ik al niet meer aan mijn tante Fien gedacht? Ik liet mijn vingertoppen over de donkere lijst gaan en rook eraan: bijenwas, zwavel, een zweem van het zure stof dat ook in slechtbezochte kerkjes hangt.

Mijn tante woonde in een enorm appartement aan de Nicolaas Witzenkade, dat na de oorlog werd gehuurd door haar man Abraham. Souterrain, bel-etage en eenhoog voor één enkele huurder – Abraham Sarphati overleed al snel. Geen idee wat tante op het laatst betaalde, maar duizend euro in de maand zal het niet zijn geweest.

Het pand werd na haar dood verbouwd, gesplitst en verkocht. Wie er nu woont zal niet veel thuis zijn, omdat zo’n hypotheek tenslotte bij elkaar moet worden verdiend. Mijn tante was er altijd: het huis rook zo mogelijk nog meer naar haar dan de oude dame zelf. Een blend van zweet, een hint urine en een dikke laag Miss Dior – het flesje met de zwart-witte ruit dat altijd naast de wasbak van haar toilet stond, onder de spiegel waar ik nu in keek.

Tijdens deze tweede lockdown denk ik veel aan tante Fien. Ze had net als ik een stoel bij het raam, en kon van daaruit op het water kijken. In de mijne doe ik nu bijna al mijn werk, maar ik tuur ook veel naar de gracht. Vanochtend lag er rijp op de brug. Ik hoop dat mijn huis inmiddels niet méér naar mij ruikt dan ikzelf, maar je schijnt dat dan als laatste door te hebben.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).

Fijnzand-effect

Trigger warning: onderstaande tekst bevat referenties naar onderwerpen als seksueel misbruik en geweld.

Al een jaar spookt er een filmscene uit een Netflix-serie door mijn hoofd, van een afschuwelijke verkrachting. Van alle dingen is dat het beeld dat ik het liefst uit mijn hoofd zou wissen. Na een kwade mail naar Netflix over hun gebrek aan trigger warnings – niemand zou dit onvrijwillig moeten tegenkomen – zette het me verder aan het denken.

Wat is de impact van dit soort beelden? Het is een vraag die ik tijdens mijn master Mediastudies veelvuldig ben tegengekomen. Met name de impact van gewelddadige videobeelden of games op kinderen en jongeren wordt veel onderzocht. Echter kom je er bij het lezen van deze onderzoeken snel achter dat ze vrijwel allemaal aansturen op hetzelfde: de vraag of gewelddadige beelden kopieergedrag onder de kijkers opleveren. Zelfs een groot advies- en onderzoeksorgaan als Stichting Kijkwijzer/NICAM noemt dit het grootste uitgangspunt voor hun adviezen. Naast het feit dat sommige beelden schadelijk kunnen zijn, is men vooral bang dat kijkers de scenes gaan naspelen.

We lijken te verwachten dat blootstelling aan mediabeelden als een kopieermachine werkt, dat beelden van verkrachtingen bijvoorbeeld leiden tot mensen die zelf gaan verkrachten. Dat is niet zo. Het is geen kopieermachine, het is eerder fijnzand. Fijnzand dat via onze laptops en tv’s met bakken tegelijk binnenkomt, overal tussen kruipt en je bijna onmogelijk weg krijgt. Fijnzand dat overigens niet alleen seksueel geweld tegen vrouwen beslaat, maar alle vormen van stereotypering en onderdrukking van minderheden. Die beelden normaliseren bij de massa, op heel subtiele wijze, het idee van gewelddadig gedrag richting een specifieke groep mensen in de maatschappij. Dat wil zeggen dat we daardoor niet eindigen met enkele gekkies die de verhaallijn nabootsen, maar met miljoenen mensen die langzaam ongevoelig worden, wat op langere termijn wellicht nog veel erger is. We staren ons blind op een effect dat nauwelijks plaatsvindt, terwijl er ondertussen een veel groter probleem ontstaat.

Ik doe navraag bij mijn omgeving: ‘Hoeveel films kennen jullie met verkrachtingsscenes van mannen?’ Er worden er met moeite één of twee opgenoemd. ‘En hoeveel met soortgelijke scenes met vrouwen?’ Alle mainstream media komt voorbij; Game of Thrones, Firefly Lane, The Magicians, Dare Me, Tiny Pretty Things… Moet ik doorgaan?

Een ander perfect voorbeeld van die normalisering is een ingesleten zin die te pas en te onpas door Nederlandse huiskamers schalt en gebruikt wordt als merknaam voor biertjes, viltjes en cabaretprogramma’s: ‘Oh buurman, wat doet u nu?’ Die zin is afkomstig uit de serie Flodder. Het gaat hier om een scene waarin een vrouw wordt aangerand, zo niet verkracht. Een scene waarbij we de impact van het beeld blijkbaar helemaal niet meer weten te vatten, gezien we hem voor van alles gebruiken. Daarbovenop kom je er met het kleinste beetje research achter dat de actrice die deze scene moest spelen, Tatjana Šimić, er helemaal niet comfortabel mee was en voorafgaand aan het opnemen heel hard heeft gehuild. Schandalig.

Nog erger is wat er van over is – een gemarginaliseerd zinnetje, vaak als grapje gebruikt, wat wij allemaal doodnormaal vinden. Hoe ontzettend cru, helemaal als we dit tegenover het bewezen feit zetten dat 53%, van de vrouwen een vorm van seksuele grensoverschrijding en geweld heeft meegemaakt, tegenover 19% van de mannen (Rutgers, 2021).

Waarom maken we deze beelden dan nog? Een combinatie van het feit dat sensatie verkoopt, en een gebrek aan inspiratie bij de makers. Gewelddadige verkrachtingen zijn een perfecte manier om je plot vooruit te helpen zonder dat je daar een inhoudelijk sterk verhaal voor moet schrijven. De kijker blijft geïntrigeerd door de heftigheid van de beelden. Problem solved.

Begrijp me niet verkeerd, ik zeg niet dat we vanaf nu alles moeten censureren en dat elke film de vredelievendheid van Barbapapa moet uitstralen. Ik zeg alleen dat je niet altijd alles hoeft te laten zien. Het gaat om de gigantische kwantiteit waarmee dit soort beelden via de mainstream media onze huiskamers binnen rollen, en het effect daarvan. Je moet jezelf, als maker én als kijker, bij dit soort heftige beelden afvragen: hoe vaak zien we dit op tv? Is het niet al te vaak gedaan? Is het absoluut noodzakelijk dat ik dit zie of laat zien? Gaat het hier om een minderheidsgroep?

En tot slot, als je het echt niet kan bedenken: heb ik zo’n soort scene ooit al eens gezien met een hetero witte man? Is het antwoord nee? Doe of kijk het dan gewoon eens een keertje niet. Heftige scenes moeten echt bijdragen aan het verhaal, een dramaturgische noodzaak hebben, en niet zomaar een sensatiepuntje zijn. Als we iets anders van de maatschappij willen, moeten we misschien beginnen iets anders te laten zien.

Anne Steenhoff

Anne Steenhoff (1996) schrijft fictie en voor films. Ze studeerde in 2019 af aan de master Beroepsspecialisatie Film aan de UvA. Ze werkt momenteel als parttime leerkracht en schrijfster van kortverhalen bij Ella Global. Eerder verscheen haar werk bij De Optimist, Writenow en het NRC.

De plattelandsdroom

Wendell Berry is een marginaal boer. De Amerikaanse schrijver besloot een aanstelling aan de Universiteit van New York op te geven en terug te keren naar zijn roots, het platteland van Kentucky. Daar volgt hij zoals Roland Holst dichtte ‘oude paden in lang niet meer in zwang zijnde gedachten’. En vooral: daar is hij de boer geworden die hij zijn wilde. Hij noemt het marginaal: land dat door grote bedrijven genegeerd zou worden omdat het te lastig is: steile hellingen en daar tussen die hellingen kleine stukjes land. Hellingen die je slechts met paardenkracht bewerken kunt. Wendell schrijft daar heel aanstekelijk over, want het is een levenswijze: niet mee met de vaart, maar verbondenheid met grond, daar goed voor zorgen, en een gemeenschap waarin je leeft. Geen dure luxe en niet leven ten koste van het nageslacht.

Het is een droom die Wendell leeft; zwoegen voor je geld op de grond die van jou is in een gemeenschap waar je om geeft. Wendell kan dat om vier redenen. In de eerste plaats is hij een intelligente en geduldige man. In de tweede plaats schat ik in dat zijn aanstellingen aan universiteiten en publicaties hem aan geld helpt om de opstart die decennia duurde te kunnen bekostigen. In The World Ending Fire schrijft hij in een essay uit 1980 dat – nadat hij in 1964 begonnen was – de boerderij nu ook wat oplevert. In de derde plaats werkt hij waar hij geboren werd. Zonder ‘uncle Jimmy’ die altijd alles bewaart, was het hem naar eigen zeggen niet gelukt. En tenslotte: Berry is weggeweest, heeft een paar jaar gereisd en elders gewoond. Ik merk dat ik de neiging heb Wendells werk in een licht te stellen alsof het voor hem makkelijker zou zijn, dat is niet zo, maar je voelt al lezende de neiging om de mogelijkheden van wat hij beschrijft af te zwakken. En misschien betekent die neiging wel dat hij je bij de kladden heeft…

Soms beginnen boeken terwijl je leest tegen elkaar te praten. Wendells plattelandsdroom kreeg ferm weerwoord van Luigi Pirandello. In februari verschijnt bij Van Oorschot een grote verzameling (832 p.) van zijn ‘Novellen voor een jaar’ onder de titel Geluksvogels. De moois mogelijke keuze, in een werkelijk monumentale vertaling van Yond Boeke en Patty Krone. Zij laten nu eerst echt Pirandello in het Nederlands klinken zoals het moet. Pirandello is de Italiaanse Tsjechov.

In het verhaal ‘De reis’ volgen we een weduwe die te lang op Sicilië opgesloten zat in een huis, met wel haar zeer vriendelijke zwager. En hier schetst Pirandello een beeld van Wendell en een andere opvatting over het platteland: ‘Hij was altijd vriendelijk, en zijn manier van spreken, van kleden, al zijn gedragingen getuigden van een uitgelezen natuurlijke voornaamheid, die noch door het contact met de onbehouwen inwoners van dat oord, noch door zijn bezigheden, noch door de gebruikelijke indolentie waartoe dat lege en armzalige leven in de provincie vele maanden per jaar placht aan te zetten, ooit was verruwd of zelfs ook maar enigszins aangetast.’

Als de weduwe uiteindelijk de stap zet op reis te gaan gebeurt het: vanuit de trein ziet ze de wereld: ‘Daar had je de schamele huizen van een dorp: daken en ramen en deuren en trappen en straten. De mensen die er woonden zaten met hun gewoonten en hun beslommeringen opgesloten op dat stukje aarde, net als zij al die jaren in haar dorp: buiten hetgeen hun ogen konden zien bestond er voor die mensen niets. De wereld was een droom: er werden in dat dorp talloze mensen geboren, ze groeiden er op en stierven er zonder ook maar iets te hebben gezien van wat zij nu op haar reis ging zien, wat in vergelijking met de weidsheid van de wereld maar heel weinig was, maar wat haar toch al behoorlijk veel toescheen.’

Lou Reed schreef:

There’s only one good thing about a small town
You know that you want to get out

Daar is Pirandello het wellicht meer mee eens dan Wendell. Maar Wendell kreeg dan ook de gelegenheid te kiezen, en koos ervoor een denkende boer te worden, een Amerikaanse Vergilius van de Georgica. Pirandello blijft de meester van de gefnuikte levens, maar magistraal beschreven.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Wortel, ik, die bloesem was

Alweer bijna drie maanden geleden, op 12 september, bracht de Paus een bezoek aan Boedapest. De grootste boulevard van Boedapest was afgezet, door de hele stad hingen posters en de gratis krantjes in de metro stonden er vol van. De Paus kwam. En niet zomaar. Hij kwam om de slotmis van het 52e Internationale Eucharistisch Congres bij te wonen, dat dit jaar in Boedapest werd gehouden. Een eer voor Hongarije. Het Eucharistisch Congres organiseren is voor een katholiek land zoiets als de Olympische Spelen mogen verzorgen.

Viktór Orbán zag het Congres dan ook als een uitgelezen kans om het imago van Hongarije als katholiek bolwerk binnen Europa op te vijzelen. Prompt liet hij de foto waarop de Paus en hij handen schudden in de staatsgezinde kranten afdrukken. Orbán had goed nagedacht over hoe hij de ontmoeting in scene wilde zetten. Op de foto is te zien hoe Orbán een kopie van een middeleeuwse brief aan de Paus overhandigt: een verwijzing naar de brief uit 1247 die koning Béla IV aan de toenmalige Paus Innocent IV gaf, waarin hij de Paus om hulp smeekte bij de Mongoolse invasie van Hongarije in die tijd. Zo presenteert Orbán Hongarije graag: als een katholiek bastion dat historisch gezien, aan de grens van het christelijke Europa, de Europeanen tegen binnendringende, vijandige religies beschermde.

Paus Franciscus liet zich echter geen rol toebedelen in Orbáns decor. Zijn bezoek aan Boedapest was opvallend kort in vergelijking met de vier dagen die hij daarna in Slowakije doorbracht. Bovendien waarschuwde hij het Oecumenische concilie en de Joodse gemeenschappen in Boedapest voor oprukkend antisemitisme in Europa. Een waarschuwing die nadrukkelijk aan het adres van de Orbán-regering gericht was, aangezien die er in de afgelopen jaren niet voor terugschrok antisemitische symboliek in haar campagnes te gebruiken, nazistische auteurs in het schoolcurriculum in te voeren en over het algemeen met antisemitische organisaties te flirten. De Paus wees Orbán terecht.

De Paus benadrukte de gemeenschappelijke wortels van het joden- en het christendom, en de vriendschappelijkheid die daaruit zou moeten volgen. ‘Ja, er liggen misverstanden, haat, leed en vervolgingen achter ons in het verleden, maar onze gemeenschappelijke “geestelijke schat” is nog veel groter.’

Eén dichter werd door de Paus uitvoerig geciteerd: de Hongaarse dichter Miklós Radnóti, die als joodse dwangarbeider in Servië te werk was gesteld en op een dwangmars richting Hongarije uiteindelijk de dood had gevonden. Tijdens zijn gevangenschap bleef Radnóti doorschrijven, ’s nachts, in het geheim, in een schriftje.

Net als iedereen die op het verhaal van Radnóti en zijn gedichtenschriftje stuit, verwonderde ook de Paus zich over Radnóti’s opmerkelijke volharding en zijn mildheid naar zijn medemensen: ‘Opgesloten in een werkkamp, in de donkerste en diepste afgronden die de mens maar kent, bleef hij tot aan zijn dood gedichten schrijven.’

Op 8 augustus 1944 schreef Radnóti, toen hij wist dat hij de Duitse bezetting van Hongarije waarschijnlijk niet zou overleven, het gedicht ‘Wortel’.

Wortel ben ook ik geworden,
rondom wormen, mijn verblijf,
waar ik deze regels schrijf.

Wortel, ik, die bloesem was,
zwarte aarde is mijn last,
mijn lot is vervuld; vandaag
jankt boven mijn hoofd de zaag.

(uit: Het Schriftje uit Bor, vertaling Orsolya Réthelyi en Arjaan van Nimwegen)

Al het wereldlijke kan zomaar afgelopen zijn, vertelde de Paus: regeringen wisselen, minister-presidenten worden niet meer herkozen, landsgrenzen veranderen, levens eindigen en dichters sterven. Alleen van gedachten blijven er wortels in de grond achter, die nieuwe planten kunnen voortbrengen, nog lang nadien.

Het wonderbaarlijke is dat ook Radnóti’s gedichtenschriftje uiteindelijk in de grond is teruggevonden.

Marian van der Pluijm

Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.

Addio, Mr. Sausage

I was always afraid of this happening, and it has. You moved to Brussels. You killed yourself there two years ago. I didn’t know.

I have thought of you every time I made gnocchi. Every time I ferment cabbage, I think of you. Every time I drink vodka, too. We broke up ten years ago – is that what one calls a friendship ending when one does not want it to? You were good to me but bad for you, and I could no longer stand to watch you throw yourself off of everything you so laboriously built.

You said you didn’t photograph well and you were right. The picture I encountered on your Facebook remembrance page today is the best one I have ever seen of you. I will share it here, for everyone to see that great inviting face.

You kicked a heroine habit and survived a very lethal form of cancer, moved from Trieste to Moscow as a graphic designer. You found a home in Amsterdam and became a chef and partner in a fine restaurant, surrounded yourself with good people. You managed to survive all that life threw at you, but could not overcome yourself.

We met when we still had great expectations, we lost touch when you began to spiral down. I remember that it felt like you were removing yourself from my life, erasing yourself – as though you were ashamed of something. For some time I kept track of where you worked, whom you were seeing.

When I last visited you, you were living on a friend’s sailboat, moored in a tiny overgrown harbor in the north. So far from the waves of the Adriatic you used to sail as a young man, that had somehow given your eyes their arresting shade of blue. You smiled like you always did when you saw me, but wouldn’t let me in. You made us coffee in your tiny blackened moka, and smoked as we sat and talked on the rear deck. Your big frame hardly fit the harbor, let alone the boat.

I wanted to help you, but also felt the urge to leave. I was ashamed of that. Still am.

You repaid every cent you owed me that day, and my relief was short lived. It was like you were saying goodbye. But even there, smoking and drinking coffee in the rubble of your life, you could make me laugh – so hard.

Ever since you found out that loo means toilet, I was Mister Vandertoilet to you. And so you, Andrea Sossi, became my Mister Sausage.

I lost you all those years ago and lost you again today, but love you still.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).

Kruistocht met portemonnee

‘…en dit,’ zei dr. Simiak, ‘is dan de materie-transmitter.’

De laatste dagen komen er spontaan allerlei citaten in mijn geheugen naar boven uit Kruistocht in Spijkerbroek van Thea Beckman. Dat komt omdat ik een portemonnee heb gevonden. Het was op een gewone donderdagavond, kort na tien uur, op een druk punt in de stad.

Ik fiets over het mapje heen, rem en rijd terug. Er zitten acht pasjes in en een briefje van vijftig euro. Een pinpas, creditcard, kortingsbonnen van een restaurantketen, een collegekaart. Er zit zelfs een identiteitsbewijs in.

Thuis ga ik meteen op zoek. Zoveel gegevens; dit kan niet moeilijk zijn. Ik vind een Twitter-account, een Facebook-account. Ik heb geen Twitter en dat wil ik graag zo houden, dus ik app mijn zus of zij een privé-bericht wil achterlaten. Ik ben geen Facebook-vrienden met deze persoon, dus ik kan hem niet taggen. Hij is ook niet erg actief de laatste tijd. Ik laat toch maar een bericht achter.

De volgende dag is er nog geen reactie. Ik bel de bank en de onderwijsinstelling. Zij mogen geen gegevens delen, maar zeggen wel allebei een mail te zullen sturen met mijn telefoonnummer. Ik voel me als dr. Simiak, die op goed geluk aluminium doosjes achterlaat in een ver verleden om Dolf Wega terug te vinden.

‘Buiten, voor de basiliek, lag op het plein een glanzend doosje te schitteren in de zon. Niemand zag het nog.’

Stilte. De eigenaar van deze portefeuille en ik, wij delen – behalve onze stad – helemaal niets. Geen van mijn berichten lijkt doel te treffen. Onze bubbels zweven kilometers ver van elkaar door het universum. Dit is het tijdperk van ongekende social-media mogelijkheden en toch voelt het alsof wij minstens zevenhonderd jaar van elkaar verwijderd zijn.

‘Alleen Leonardo keek twijfelend. Blijkbaar vond hij het rondstrooien van geheimzinnige doosjes een rare manier om iemand op te sporen. En dat was het ook. Behalve als je niets anders tot je beschikking hebt dan een materie-transmitter en je in het wilde weg moest proberen contact te maken met zevenhonderdzestig jaar geleden…’

Kruistocht in Spijkerbroek is trouwens het allereerste boek dat ik van mijn zakgeld kocht. Ik heb de negentiende druk, uit 1980, dus ik moet elf jaar zijn geweest. Ik had vijfentwintig gulden gespaard. Jeugdvriendin Karin ook. We kochten allebei een exemplaar, ook bij haar staat het rijtje Beckmansen nog altijd in de boekenkast. En ook al zijn onze levens een andere kant uitgegaan, die boeken en onze herinneringen delen we.

Met de 22-jarige Portugees-Angolese man deel ik niets, behalve de stad en zijn portefeuille. Ik zak weg in gemijmer over hoe gescheiden onze bubbels zijn. Hoe langer de tijd zonder bericht doortikt, hoe groter de kloof voelt tussen mij en al die mensen in deze stad, in deze wereld, wier levens ik nooit zal kennen.

Een van mijn Facebook-vrienden tipt dat ik een cent kan overmaken en op de plek waar je doorgaans een factuurnummer invult, een boodschap in kan tikken. Geniaal plan.

‘… dit was een boodschap uit de toekomst.’

Hoewel ik denk dat ik het verleden ben en hij de toekomst is. Het is maar vanaf welke kant je het bekijkt.

Hij belt.

Hij werkt in het restaurant van die kortingsbonnen. Nota bene in het filiaal vlakbij de plek waar ik het aluminium doosje, pardon, de portemonnee, vond. Hij was die donderdagavond even buiten een sigaretje gaan roken. Inderdaad, rond tien uur ’s avonds.

Ik fiets daar al negentien jaar een paar keer per week langs. En de laatste jaren regelmatig rond tien uur ’s avonds. Ik kom dan van mijn werk, hij rookt een sigaretje. Oké, hij is pas 22. Hoe kort of lang werkt hij in dat restaurant? Maar toch: onze levens schuren blijkbaar dagelijks naadloos langs elkaar heen. Als we de verbinding verbreken, barst ik in tranen uit. Dan stap ik op de fiets en breng het mapje terug naar het restaurant.

Such a nice way to meet a perfect stranger,’ zeg ik. Hij lacht.

Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

Op café

Waar ik bij veel mensen om me heen gelatenheid bespeurde in reactie op de verscherpte maatregelen, voelt het voor mij anders. Het terugpakken op de noodgreep van de lockdown maakte me duidelijk – rijkelijk laat, ik weet het, maar er is een verschil tussen wat je snapt en wat echt tot je doordringt – dat er geen voorzienbare uitweg is.

Vanaf nu, las ik af aan Rutte en die gozer met die schoenen, gaan we een paar keer per jaar in lockdown ter ontlasting van de zorg, en er weer uit voor de economie en de maatschappelijke draagkracht voor volgende lockdowns. De burger zal alleen maar minder geneigd zijn zich aan de maatregelen te houden, dus de lockdowns zullen harder worden, langer duren en vaker voorkomen.

Hoewel het zonder nog veel erger zou zijn: als verlosser is het vaccin zo dood als een pier. De enige weg hieruit, drong tot me door, is opschaling van de zorg. Ervaren personeel dat elders werk gevonden heeft teruglokken met iets hogere salarissen lijkt zinloos, dus er moet een lichting jonge mensen worden klaargestoomd om IC’s te bemannen. Dat duurt – verpleegkunde is een vierjarige opleiding – minstens vijf jaar.

Ik heb een gezin, wat het mij veel makkelijker zou moeten maken dan alleenstaanden om te dealen met perioden waarin sociale contacten tot een minimum worden teruggebracht. Het lijkt zo’n klein en onbelangrijk iets, die twee keer per maand dat ik op vrijdagavond naar het café ga, maar dat is het niet gebleken. De vergelijking met paddestoelen dringt zich op. Ja, volg me nu maar even.

Wat als ons thuis een bovengrondse uiting blijkt – zoals een ridderzwam – en al die wisselende sociale contacten die we normaalgesproken door de week heen ervaren het mycelium? Een bijna onzichtbaar netwerk van draden dat het feitelijke organisme is?

De biologie snapt steeds beter dat je een plant niet op zich bekijken moet, maar als onderdeel van een systeem. Er zijn losse entiteiten, maar er is ook een entiteit te benoemen waarvan die schijnbaar op zich staande wezens deel uitmaken.

Ja, ik kan overleven zonder jullie allemaal, maar ik gedij gewoonweg niet.

Beeld is van Rob Waumans: Op café met Cindy Hoetmer

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).