Fuck you, muscle memory

Vrijdagavond was het feest. Vijf van onze vrienden werden veertig en dat schreeuwde om tweehonderd man in een bunker met lauw bier en een Ramonesachtig bandje. Birre en ik hadden Nadim voor het eerst uit logeren gestuurd en begonnen de avond op het terras van ‘t Blaauwhooft. Daarna besloten we bij Toscanini te eten. Natuurlijk hadden we daar geen geld voor, maar dat deed er op dat moment al niet meer toe.

Ergens in de nog redelijk vroege avond moet er een keuzemoment zijn geweest: proberen een klein deel van de slaap in te halen die we over de laatste negen maanden zijn misgelopen, of het op een keihard zuipen zetten. Birre en ik nipten van onze koffies en draaiden onze grappaglaasjes wat onrustig rond tussen onze vingers. Ik dacht aan alle doorwaakte nachten, aan de wrede en koude ochtenden. Aan Birre’s geluk, als ze morgenmiddag zou wakkerworden uit een helende, reinigende, zalvende slaap. Hoe heerlijk zou ze zich uitrekken en tegen me aan kruipen om nog heel even verder te soezen, voor we volledig uitgerust Nadim gingen halen bij mijn schoonouders. 

Ik heb een heel slecht geheugen, maar mijn muscle memory raakt aan het geniale. Het functioneert volledig autonoom en kan de meest exacte en veeleisende handelingen inzetten zonder mijn bewustzijn te verstoren. Wat het vrijdagavond deed, was een aantal motorneuronen op hun staarten trappen waardoor mijn hand zich om mijn grappaglas sloot, mijn bicep aanspande en het glas naar mijn mond bewoog. Daar kantelde mijn pols het glas, waarna mijn ogen zich sloten en mijn slikrespons geactiveerd werd. Het neerzetten van mijn lege grappaglas deed ik zelf. 

Verbouwereerd staarden Birre en ik naar het glas. Als door een poltergeist aangedreven schoof nu ook haar grappa over het tafellinnen mijn kant op. Weer werd mijn spiergeheugen getriggerd, en weer gebeurde hetzelfde. Wat volgde weet ik niet meer precies, behalve dan wat stroboscopische plaatjes van de betonnen bunker (hij was groot en angstaanjagend), het Ramonesachtige bandje (ik háát punk), en het feit dat ik steeds niet mocht betalen bij de bar (!) Om een lang verhaal kort te maken: mijn laatste heldere beeld van de avond was dat mijn spiergeheugen een spa rood bestelde, wat heel erg slim, of heel erg wanhopig is voor een spiergeheugen.   

Toen ik de volgende dag mijn ogen opendeed, waren we te laat om Nadim op te halen. Birre moest huilen van moeheid. 

En ik, ik had het allemaal gedaan.

‘Maar’, zei ik. ‘Dat was ik niet zelf, het was mijn muscle memory.’

Birre kreunde en schudde haar hoofd, dat er klein en verschrompeld uitzag. Ze wreef in haar ogen en probeerde haar rug te rechten. Toen knikte ze; langzaam kwam haar bloeddoorlopen blik op mij te rusten. Met wat een bovenmenselijke krachtsinspanning moest zijn, tilde ze haar wenkbrauwen op en zei : ‘Ik wil scones.’

Hier was mijn rehabilitatie, mijn kans op genade. ‘Natuurlijk, lief. Natuurlijk maak ik scones.’ 

‘En een sappie’, zei Birre. ‘En koffie met melk.’

Ik riep dat ik al op weg was, en hobbelde de trap af. Scones, sap, caffe latte. Ik had lang genoeg in de horeca gewerkt om dat allemaal op mijn spiergeheugen af te kunnen schuiven. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.