De eeuwigheid in 2000 bytes

Het is moeilijk om over geluk te schrijven. Schrijven over verlies, dreigend verlies of lang verloren geluk is veel makkelijker. Dat heeft waarschijnlijk met afstand te maken, met het vermogen je beschouwend op te stellen. 

Wat mij betreft is een belangrijk kenmerk van gelukkige momenten de onmiddellijkheid ervan. Het ervaren van intens geluk laat weinig ruimte voor andere gewaarwordingen. Ons beschouwend vermogen valt weg, en daarmee de mogelijkheid het geluk te beschrijven, behalve in de meest afgrijselijke termen als allesverzengend, tot in het diepst van mijn ziel snijdend, bijzonder en transcendent.

Fuck transcendentie, denk ik dan. Een beetje man ervaart al allesverzengendheid als hij zit te kakken. 

Geluk is sowieso moeilijk voor iemand als ik, die altijd het vochtig verval achter de gevels ruikt en in een pasgeboren kind de grijnzende schedel al kan zien. Bij het horen van kleuterstemmen op het plein achter ons huis stel ik me vast voor hoe zangerig en nasaal ze zullen klinken als die stroopbesmeerde kinnetjes straks tien centimeter lager hangen.

Toch ben ik geen ongelukkige man. De neiging het einde in alle begin te zien, maakt ook dat ik me steeds bewust ben van de kostbaarheid van mijn momenten, dat ik ze vast wil kunnen houden. Misschien is het waarom ik schrijf.

Iemand vertelde me laatst dat een foto die op internet geplaatst is altijd ergens terug te vinden blijft. Dat is een vorm van onsterfelijkheid die vroeger alleen door de allergrootste kunst gehaald werd. Mocht het echt zo zijn, mag ik dan de linksbovenstaande 2000 bytes de eeuwigheid toewensen?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.