Mannenavond

Het was mannenavond. Samen met Otis de Hond wachtte ik op Arie en Boris. Zoals altijd waren we te vroeg in het café. Ik bestelde een kopstoot en goot wat bier op een schoteltje voor Otis. Het bier ging snel op omdat we dorstige mannen waren, en het was goed om vroeg te zijn. Zo konden we nog even in stilte naast elkaar zitten. 
 
Een groepje toeristen kwam binnen en wilde weten wat er van de tap was. Toen de barman al zijn speciaalbieren had opgesomd bestelde het Heineken, wat er niet was, om te eindigen met een fluitje Amstel. Otis likte zijn schoteltje nog eens af. Ik nipte jenever, keek naar het drankenbord en vroeg me af waarom je jenever met een g zou schrijven. Je schreef toch ook niet geneverbes?  
 
Een van de toeristen, een vrouw van een jaar of dertig, liet haar oog op Otis vallen en maakte de geluiden die Amerikaanse vrouwen maken als ze knappe honden zien. Otis ging verzitten en keek om zich heen. Met een beetje goeie wil zou hij wel onder mijn stoel passen. De vrouw zette haar doodgeslagen bier neer en liep onze kant op.
 
‘Oot’, zei ik. ‘Blijf.’
 
Otis draaide een rondje op zijn stoel en probeerde zijn kop zo ver mogelijk onder tafel te krijgen, maar het was te laat.
 
‘OH. MY. GOD’, zei de vrouw. ‘I just LOVE your dog. What’s her name?’
 
‘His name’s…’
 
‘Can I pet her?’
 
‘I wouldn’t do that, if I were…’
 
‘Oh, you are just the CUTEST thing, aren’t you girl?’
 
‘Actually, he’s…’
 
Ik weet dat we er teveel in lezen, in het gedrag van onze huisdieren. Het zit natuurlijk allemaal tussen mensenoren, maar wat mij betreft was er niets mis te verstaan aan de blik die Otis de Hond me toewierp: de blik van de jongen die met het lelijke meisje moet, omdat zijn maat een oogje op haar mooie vriendin heeft. De mooie vriendin in kwestie was een veertiger die Arie heette, en net binnenkwam. Buiten zag ik Boris zijn fiets vastmaken. Otis sprong blaffend van zijn stoel, omzeilde de grijpende handen van de Amerikaanse en kegelde Arie bijna weer het café uit.
 
‘Wat zit jij daar te drinken?’ zei Arie. Ik kreeg een kus.
 
‘Een kopstoot.’
 
‘Alcoholist.’
 
Ik knikte. ‘Wil je ook?’
 
‘Bruine rum met ginger ale voor ome Arie. Misschien doet die lange wel met je mee.’
 
De Amerikaanse liep terug naar haar vrienden om vandaar naar Otis te loeren. Ik pakte zijn stoel beet en draaide hem met zijn rug naar haar toe. Weer kon er geen twijfel over zijn blik bestaan: nu was het pas écht mannenavond, en Otis de Hond was – in ieder geval voorlopig – gered. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.