Everybody loves the sunshine

Iedereen sliep nog toen ik de trap afdaalde. Op mijn tenen liep ik naar de keuken, waar ik het koffieapparaat en de oven aanzette; deeg voor scones begon te maken. Ik waste fruit, maakte aardbeien schoon en schepte zure room in het mooie schaaltje dat van mijn oudtante geweest is. De eierwekker was ik drie seconden voor: terwijl ik met mijn linkerhand de laatste sinaasappels perste hield ik met rechts de eieren onder de koude kraan.

Toen de tafel gedekt was en de kaarsen aangestoken, waren de scones klaar. Het was handig om een tijdje in de horeca gewerkt te hebben. De bodem van mijn bordje dampende scones raakte de tafel iets te hard, waardoor Otis de Hond gapend uit zijn mand kwam.

‘Hé’, zei ik. ‘Dag jongen. Ga je mee naar buiten?’

Ik deed de voordeur open en samen staarden we naar het aquarium dat onze straat geworden was.

‘Ga dan’, zei ik.

Otis de Hond ging – net buiten het bereik van de opspattende regen – zitten.

‘Ook niet even piesen?’

Het was duidelijk dat ik het goede voorbeeld zou moeten geven. Met een zucht stapte ik door de waterval, maar toen ik na een aantal passen omkeek, was ik de enige op straat. Otis zat zelfs niet meer in de gang. Ik veegde mijn drijfnatte haar uit mijn gezicht en liep terug naar binnen. In mijn hoofd had iemand D’Angelo’s versie van Everybody Loves the Sunshine opgezet, en terwijl ik de volgezogen Volkskrant van de mat scheurde, begon ik ook nog mee te zingen. Misschien was ik zo langzamerhand wel een rare man aan het worden. Het was de schuld van al dat schrijven.

Met de krant en de kadootjes veilig en droog opgestapeld naast Birre’s bord, was het tijd geworden om naar boven te gaan. Achter de deur van de slaapkamer bereidden Otis de Hond en ik ons voor. ‘Je haar’, zei ik tegen hem. ‘Je ziet er niet uit.’

Otis probeerde me een poot te geven.

‘Weet je wat? Laat maar. Een, twee, drie!’

Ik gooide de deur open en zong Lang zal je leven, terwijl Otis uit alle macht Birres voeten likte. Bij hiep hiep hoera! begon Nadim te huilen, en viel mijn oog op de lekkage naast het bed, die nu duidelijk erger geworden was.

‘In de gloria’, zei ik. ‘En sorry, van het weer.’

‘Als we maar wél naar de dierentuin gaan’, zei Birre.

Ik dacht aan samen door de zeikende regen langs de lege hokken lopen. Aan modderstroompjes met daarop dobberende apenkak; een jengelende Nadim, die na twee ondertanden nu ook een joekel van een boventand aan het kweken was.

‘Niks liever’, zei ik, en ontdekte dat het waar was. ‘Kom je een ontbijtje eten?’

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.