De vader van Fatima

Ik lig – de boog kan niet altijd gespannen staan – op de bank wat te lezen in Yasmina Reza’s Gelukkig de gelukkigen. Het boek hangt van de clichés en stereotyperingen aan elkaar en hoewel het eerder kluchtig dan geestig is – bijna een transcriptie/ bewerking van het improvisatieprogramma De vloer op – amuseer ik me er erg mee. Na ieder hoofdstuk kijk ik even naar buiten. In het harde voorjaarslicht lijken de knoppen van de esdoorns groter dan ze in werkelijkheid zijn. Voor een enkel huis vlamt een struik (forsythia, kerria).

Ik neem een slok thee en wil net een lange streep naast een grappige passage over Pim’s chocoladekoekjes trekken als ik Fatima hoor schreeuwen: ‘Ik ga bij de buurman aanbellen!’

Aanbellen betekent bij mij: met de brievenbus klepperen. Een jaar of twee, drie geleden is er in de transformator die de deurbel van stroom voorziet een draadje losgesprongen en door alle hectiek (YouTube filmpjes kijken, op twee stoelpoten balanceren) ben ik er nog altijd niet aan toegekomen om dat ordentelijk te herstellen.

Klepklep. Klepperdeklep. De klank van paniek.

Ik steek m’n gun in m’n schouderholster en loop rustig de trap af. Fatima op de stoep. Dochter van een Marokkaanse moeder en een Spaanse vader. Zwarte broek, zwarte trui, lang zwart haar. Haar grote ogen groot opgezet.

‘Mijn kat zit in de dakgoot… zou u d’r alstublieft willen vangen?’

Ik loop naar buiten, de straat op en kijk omhoog. Inderdaad: in de dakgoot, ter hoogte van de dakkapel, zit een sneeuwwit, jong poesje. Ze kijkt ons aan. Om haar kopje zo’n lampenkapachtige plastic kraag die huisdieren omkrijgen als ze zijn geopereerd.

‘Ze heet Sunny.’

‘Mooie naam.’

Fatima vertelt dat haar broertje het raam van zijn slaapkamer open had laten staan. Daardoor is Sunny naar buiten geglipt en over de rand van de dakgoot naar mijn huis gewandeld – nu durft ze voor noch achteruit, alsof haar kattenpootjes zijn vastgevroren.

‘Wilt u d’r alstublieft vangen?’

‘Natuurlijk.’

Ik loop het huis in, laat de voordeur openstaan. Met drie treden tegelijk bestijg ik de twee trappen, loop de studeerkamer met het dakkapelletje in. Mijn bureau ligt bezaaid met aantekeningen en opzetjes voor dit verhaal. Ik hoop maar dat het goed afloopt!

Als ik het raam open, kijkt het slanke poesje met grote, blauwe ogen naar me op. Van goot naar raam is ongeveer een meter. Dat haalt ze nooit. Met d’r malle kap. In de diepte zie ik Fatima staan. Meisje van veertien. Uit de manier waarop ze haar hoofd in haar nek heeft gelegd, spreekt het vertrouwen op een goede afloop.

‘Spring maar,’ zeg ik tegen Sunny.

Vanuit die krater van plastic kijkt ze me bang aan, schat dan de afstand in – en springt… voor ik ’r kan grijpen, landt ze op het daklood onder het raamkozijn en begint over de dakpannen terug naar de dakgoot te glijden. Fatima gilt. Sunny komt tot stilstand tegen de rand van de goot, kukelt er net niet overheen – hijgend blijft ze zitten.

‘Pakt u haar alstublieft,’ roept Fatima. Ze huilt bijna.

Sunny kijkt over de rand van de goot en dan weer naar mij. Het beestje kan zich nauwelijks oriënteren met die kraag – grijp ik zo weer mis, dan valt ze misschien wel te pletter.

Ik moet aan Fatima’s vader denken. Vorig jaar zomer werd longkanker bij hem geconstateerd. Na de diagnose zat hij van zonsopkomst tot zonsondergang op een bankje in het Borg-plantsoen. Zwijgend, starend. Drie weken lang. Daarna klonk, van de ene op de andere dag, opeens weer gelach, geruzie en gezang uit de open ramen van mijn buren. Totdat een ambulance Fatima’s vader naar het ziekenhuis reed en het maanden stil bleef bij Fatima thuis. Nu heeft ze Sunny.

‘Alles of niets, Sunny,’ fluister ik.  ‘Kom op!’

De poes springt, ze komt niet ver, maar ik heb me, tegelijkertijd, zo ver mogelijk uit het raam geworpen en weet Sunny, voor ze weer achterwaarts over de dakpannen richting goot begint te glijden, bij haar satijnen vacht te grijpen. Ik til ’r over de vensterbank naar binnen.

‘Hij heeft ’r!,’ roept Fatima. Ik houd de poes vast, leun naar buiten. Naast Fatima: de moeder van Fatima. Op blote voeten.

‘Ik heb ’r!,’ roep ik. De vrouwen zwaaien.

De poes springt uit mijn armen op een witte, linnen leesstoel. ‘Je bent net een Zeeuws meisje met die malle kap,’ zeg ik. Sunny mauwt. Ik mauw terug. Ik til haar weer op. Haar pootjes hebben vier cartooneske stempels achtergelaten op de bekleding van de stoel. Sunny was here.

Onder mijn hand haar bonzende hartje. Bovenaan het trapgat begint ze te kronkelen en met haar poten te maaien. Dat houdt ze twee trappen vol. De deur naar buiten staat nog open. Als ik Sunny aan Fatima overgeef – haar moeder is alweer foetsie – zie ik pas dat ze, de poes, een groot litteken op haar witte buik heeft. Ik zou nog wel even willen napraten – vertellen hoe Sunny langs de dakpannen naar beneden kabbelde, net of er een liter melk wegstroomde – maar Fatima heeft de poes al van me overgenomen om ermee naar haar moeder, naar huis te rennen.

Twee dagen later – het schemert, vanaf daken en uit bomen het waanzinnige, apocalyptische gezang van merels – wordt er opnieuw geklepperd. Fatima. In haar handen een wit doosje met een lichtblauw lint erom.

‘Omdat u Sunny heeft gered.’

‘Ach, dat hoeft toch helemaal niet.’ Ik schiet in de lach. ‘Het is… hoe gaat het nu met ’r?’

‘Veel beter. Dag!’

‘Dag!’

Ik loop naar boven om mijn jas aan te trekken. Even later zit ik in het Borg-plantsoen, op het bankje onder de robinea’s. Ik trek het blauwe lint los, doe het doosje open. Vierentwintig crèmekleurige bonbons. Ik stop er één in mijn mond. En dan nog één. En nog één – dat doosje moet leeg.

—————-

Tirade – redt.

Soundtrack: Kom van dat dak af.

Volgende week: ballonnen, juwelen, een paraplu – naar Parijs.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.