Het wonder van de 64 velden

Mijn vader en ik stonden laatst in de keuken voor mijn laptop te juichen. Het halfuur daarvoor hadden we in enorme spanning voor het beeldscherm gestaan, terwijl we keken naar twee mannen die tegenover elkaar aan een tafel zaten met een schaakbord tussen hen in. Anish Giri en Magnus Carlsen. Giri stond gewonnen, volgens de computeranalyse boven in beeld. Dit soort spanning is vele malen erger dan de spanning die je voelt als je naar een voetbalwedstrijd kijkt. Wij weten namelijk meer dan de spelers zelf. Wij zien die analyse. De computer schaakt tegenwoordig veel beter dan de mens, dus wij weten welke zet Giri moet doen. En wij weten dus ook meteen of de zet die Giri doet goed is of niet. Giri stond dus gewonnen tegen Carlsen, de wereldkampioen. Als doorgewinterde Giri-fans weten wij echter ook dat Giri een gewonnen stelling nog wel eens weet te verkloten. Dus, iedere keer dat Giri zijn hand uitstak naar het bord om een stuk te verplaatsen, sloegen we hem gespannen gade. Hij ging toch wel dat paard pakken? Zou hij het zien? Ja! Hij ziet het! Hij doet het! Kijk, de analyse schiet verder omhoog. Wat doet Carlsen nu? En zo gaat dat door.

Een relativerende gedachte bij dit schaaktoernooi, het Tatasteel-schaaktoernooi in Wijk aan Zee (bijgenaamd het Wimbledon van het schaken), is dat de zetten en de live-camerabeelden dit jaar een kwartier op de werkelijkheid achterlopen. Dat is gedaan om valsspelen met hulp van een handlanger op afstand (die de computeranalyse kan zien) te bemoeilijken. Alles wat er gebeurt is al gebeurd! Niet dat dit de spanning minder maakt, maar toch.

Het commentaar van de twee grootmeesters op de livestream deed niet onder voor het sportcommentaar dat op de televisie en de radio te horen is. Ze waren reuze-enthousiast en zaten helemaal in de wedstrijd. Het grappige was dat ze volledig op de hand van Giri waren, net als wij. Zoals bij het commentaar bij voetbalwedstrijden moest ik me soms bedwingen om niet tegen hen te gaan schreeuwen als ze zeiden dat Giri op het punt stond te winnen (‘Dat weet je helemaal niet! Roep het nou niet over hem af!’). De varianten die ze op hun analysebord toverden volgde ik met interesse. De varianten die Carlsen een ontsnappingsmogelijkheid boden deden mijn zenuwen de pan uitrijzen, terwijl de varianten die lieten zien dat Giri huizenhoog gewonnen stond, mij rustiger lieten ademhalen. Een andere factor die de spanning verhoogde, was dat Giri nog maar weinig tijd had: slechts tien minuten voor tien zetten en het werd er niet beter op. Het is algemeen bekend dat men, en zelfs topschakers, fouten maakt onder tijdsdruk. (Carlsen had misschien wel minder tijd dan Giri, maar dat vond ik vanzelfsprekend niet erg…) 

Gelukkig won Giri. Hij deed steeds de beste zet en Carlsen maakte nog ergens een kleine fout, waarna hij de handdoek in de ring gooide.

Ik ben door Tonke Dragt aan het schaken verslingerd geraakt. Ik was dertien, veertien en terwijl ik bouwwerken maakte met Kapla en die vervolgens in grote veldslagen met soldaatjes liet instorten, luisterde ik naar luisterboeken: soms was dat Harry Potter, ingelezen door Stephen Fry, maar vaak was het De geheimen van het wilde woud, ingesproken door Victor Löw (tot mijn ergernis hadden we De brief voor de koning niet als luisterboek). Ergens halverwege het boek schaakt Tiuri met de vorst van Eviellan op leven en dood. Zeer spannende passages, maar wat mij echt tot het schaakspel aantrok was een gedicht, een mijmering. Een mijmering in dichtvorm over het schaakspel dat voor hem op tafel stond. Ik denk nog wel eens aan dat gedicht. Vooral de zinsnede: ‘Zwart-wit, wit-zwarte velden.’ Prachtig woordspel.

Gek genoeg was het pas bij de derde of vierde keer luisteren dat dat gedicht mij begon te intrigeren en ik bedacht mij dat we in de huiskamer een schaakspel hadden staan en dat mijn broer mij ooit de beginselen van het spel had bijgebracht. (Ik had verder eens op een lagereschooltoernooitje een aantal kinderen verslagen omdat ik als enige het herdersmat kende, maar daarna was de belangstelling verpieterd.) Die avond ging ik aan de slag. Gewapend met het boek Schaken voor Dummies, maakte ik mij het spel eigen. Toen ik dat boek uithad ging ik op zoek naar andere schaakboeken in onze kast – mijn broers hadden ooit enige jaren op een schaakclub gezeten en mijn opa was ook een fervent amateurschaker. Met mijn vader nam ik ondertussen Jan-Hein Donners De koning. Schaakstukken en een paar boeken van Jan Timman door, wat inhield dat mijn vader de verhaaltjes eromheen voorlas en we samen de partijen naspeelden. Ondertussen leerde ik Giri’s My Junior Years in 20 games uit het hoofd (ik heb zelfs bij het NK een handtekening van hem gescoord!).  

In de boekenkast stond ook een boekje van een zekere Peter van Foreest, over een schaaktoernooi in Groningen in 1946, geschreven voor amateurs (hij zal wel familie zijn van de huidige schakers Van Foreest). Het boek heeft zo’n heerlijk ouderwetse titel: Grote denkers binnen Neerlands grenzen. Het was een verjaardagscadeau voor de achttiende verjaardag van mijn opa. Ik heb dat boek met veel plezier van a tot z doorgenomen. Het boek ademt de sfeer van de schaaktoernooien van die tijd uit: sigaren- en sigarettenrook, drank en analoge schaakklokken. Bovenal spat het enorme plezier dat Van Foreest heeft in het vertellen over het schaken en het vertellen van anekdotes over de diverse schakers van de pagina’s af. 

Een ander toernooiboek dat wij hadden was het toernooiboek van het AVRO-schaaktoernooi van 1973, samengesteld door Max Euwe. Dat boek is zowaar nog leuker om te lezen. Per ronde worden er een paar partijen volledig geanalyseerd, maar iedere partij wordt van een korte omschrijving voorzien. Zo loop je, als was het een roman (op de achterflap noemt Euwe het zelf ‘een film’), met de gebeurtenissen in het toernooi mee. Wat aan het filmische bijdraagt is dat er ook enkele niet-toernooi-gerelateerde stukjes instaan, zoals een stukje van Hans Böhm, dat beschrijft hoe de schakers in het hotel elkaar zelf-gecomponeerde eindspelpuzzels laten zien en elkaar uitdagen om ze op te lossen. Het is eigenlijk net literatuur.

Wat mij eraan herinnert dat ik tot mijn schande Stefan Zweigs Schaaknovelle nog niet gelezen heb. Hij ligt al jaren op mijn bureau. Binnenkort ga ik hem lezen. Echt.

En nu ga ik weer voor Giri juichen.

Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Zijn moeder komt uit Hongkong. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Momenteel studeert hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. In juli werd een Friestalig essay van zijn hand gepubliceerd in het Fries literair tijdschrift Ensafh.