Een nieuwe brief

 Amersfoort, 19 januari 2023

Lieve Helene,

Het is vreemd om te beginnen aan een brief die je nooit zult lezen. De laatste brief die je aan me schreef heb ik wel honderd keer gelezen – ik kan ieder woord dromen. Mijn laatste brief aan jou, deze kleine, gevleugelde brief, zul je niet eens één keer lezen. Anderen zullen dat voor je moeten doen.

Laatst was je een jaar dood. Ef had een herinneringsbijeenkomst georganiseerd met al jouw dierbaren. Iemand verzuchtte dat het even leek of je er weer bij was, en eigenlijk was je dat ook: in onze verhalen, in onze gedachten, in de kamer, even. Ef heeft een prachtig monumentje voor je gemaakt, in het midden van die kamer. We stonden voor je foto en proostten op je, zo luid, omdat we hoopten dat je het ergens zou horen.

Zijn nieuwe liefde, Het, was er ook bij, en hij hield haar stevig vast. Het ontroerde me, hoe hij dapper zijn blik weer op het leven heeft gericht, en een nieuwe liefde heeft gevonden, zonder de oude liefde kwijt te raken. Ik dacht aan de momenten waarop jij hem door het leven hebt gedragen. Nu draagt hij jou, zijn hele leven lang.

Een jaar is niet samen te vatten in één brief. Er is te veel gebeurd. Ik ben al tien keer aan een nieuwe brief begonnen, als ik de behoefte voelde om je toch te schrijven. Om te vertellen over nieuwe gedichten, nieuwe liefdes, nieuwe gebeurtenissen. Om te vertellen over kleine onbenulligheden in mijn bestaan. Om je grote levensvragen te stellen. Om gewoon te zeggen dat ik je mis, en dat het nu wel lang genoeg heeft geduurd. De ijzige stilte die zou volgen op die brieven weerhielden me om ze af te maken.

Als ik naar de Kruiskamp fiets, om Ef te bezoeken, verwacht ik je nog steeds in de deuropening. Bij het binnengaan denk ik soms nog dat je boven zit te werken. Als Ef koffie zet of bier inschenkt, hoop ik altijd dat je naar beneden komt, met je hoofd nog in een boek of een stuk tekst, en hoor ik je bijna verontschuldigend de kamer binnenkomen. Het gebeurt nooit.

Als ik in Van Zanten zit, ben je er bij. Je zit aan de bar, of aan een tafel, en krijgt nooit een biertje. Soms draaien ze jouw lievelingsmuziek, vertelt iemand die je heeft gekend een verhaal over je dat ik nog niet ken, of wordt er op je geproost.

Als ik vertel over mijn leven, praat ik je weer een beetje tot leven. Met mensen die je hebben meegemaakt haal ik herinneringen op, maar meer nog vertel ik de mensen die je niet hebben gekend over het feit dat je bestond. Het voelt als iets wat ik moet doen, omdat ze je niet meer kunnen ontmoeten. Ik weet zeker dat je ze had gemogen, en zij jou.

Nu, een jaar later, heb ik pas een beetje het gevoel dat het echt tot me doordringt dat je weg bent. Rouw is een onvoorspelbaar, onpeilbaar en haast onmogelijk iets, en dat de tijd niet alle wonden heelt, heb ik nu wel geleerd. Er hoeft ook eigenlijk helemaal niets geheeld, want dat zou betekenen dat je een gemis kunt genezen. Dat er een pleister kan op het gat dat je achterliet. Ik heb nog geen pleisters gevonden van dat formaat.

Ik wil deze brief niet eindigen. Nu ik dit schrijf, heb ik het gevoel dat ik niet meer zo dicht bij je ben geweest sinds het moment waarop ik je voor de laatste keer zag. En ik ben bang dat dit gevoel ook niet meer terug zal komen. Ik wil niet weg uit deze woorden. Maar: het moet. Ik heb nog tijd, en tijd is kostbaar, tijd is alles wat we hebben, zei je altijd: ik moet daar zorgvuldig mee omgaan. Het leven wacht, buiten deze brief. Ik ben er nog. En ik moet door, of ik nu wil of niet.

Het is vreemd om te beginnen aan een brief die je nooit meer zult lezen, maar het is nog vreemder om een brief die je nooit meer zult lezen af te ronden. Ik heb een jaar lang gedacht dat ik het niet zou kunnen.

Maar kijk, lieve Helene, kijk: het leven weet me nog altijd te verbazen. Zelfs nu. Ik sluit deze brief af, maar jou niet. Er waren twaalf maanden, zeshonderdnegentig woorden en duizend tranen nodig om dat in te zien.

Een laatste, lieve groet,


T.

Voetnoot: Dit stuk droeg eerst de titel ‘Een laatste brief’, omdat ik dacht dat deze brief de afronding van ons schrijven zou zijn, een laatste, geschreven groet aan een vriendin. Maar: het schrijven hoeft niet te stoppen, weet ik nu, dankzij een nieuwe vriend, die kwam nadat Helene vertrok. Hij schreef me: ‘Je kunt haar nog houden, als je wilt. Als je schrijft dan wordt het waar.’ En: ‘Je kunt zo veel inhalen door te schrijven aan iemand die er niet meer is.’

Het is waar. Hij kan het weten, want hij doet het ook. In zijn stukken, in een roman, in een gedicht. Dit is geen laatste brief, maar een nieuwe brief. Ik blijf haar brieven schrijven. Ik weet nog niet wanneer, en waar, en zelfs waarover, maar dát ik zal schrijven, dat weet ik wel. Dat is eigenlijk ook al terug te lezen in de brief, al wist ik het zelf toen nog niet. De brief wist het wel. En Helene misschien ook.

Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en muziek. Zijn gedichten werden gepubliceerd door De Revisor, DW B, Het Liegend Konijn en Deus Ex Machina. Tot 2024 is hij stadsdichter van Amersfoort. Hij blogt wekelijks voor Tirade.