Werk-Werk-Werk

Schrijven is een eenzame aangelegenheid. Elke schrijver heeft daar zo nu en dan last van, maar deze dagen in Noord-Frankrijk zou alles anders gaan. Rond twaalven parkeerde ik in Reims, waar Roos, Sun en ik op advies van vrienden lunchten bij een zaakje met waanzinnige kazen, vleeswaren en zalm. We waren vroeg uit Amsterdam vertrokken, hadden flinke trek.

Er was ook wijn, en onze stemming werd steeds zonniger. Tijdens de eerste kilometers hadden we elkaar bekend dat we zenuwachtig waren: zouden we straks wel kunnen werken, in dat voormalige klooster?

Na de lunch reden we verder; binnen veertig minuten waren we in Saint-Erme. Het klooster bleek gigantisch en op het randje van bouwvallig: ontoereikende verlichting, verzakte trappen, pokdalig stucwerk, stoffige vloeren, roestende gietijzeren pilaren, stof en waterschade alom. De droom van elke schrijver.

Op één andere auteur na was iedereen podiumkunstenaar, en er werd gewerkt aan heel uiteenlopende projecten. Sommigen gleden als geesten door de kille gangen en anderen leken hun tijd hier deels te vullen met het uitdragen van hun persoonlijkheidsproblematiek. Feestelijke gasten waren er ook, zoals het zeventienkoppige feministische Parijse koor Les Hot Bodies (pun intended, weet ik bijna zeker), waarmee het later gezellig koken was in een van de ruime communale keukens.

We vonden drie kamers op dezelfde gang en deden inkopen bij de lokale supermarkt, wisten een collectieve maaltijd van verbrande linzen te ontduiken en dronken op onze onderneming. Alleen Sun leek niet helemaal tevreden, en bij navraag bleek dat zij van plan geweest was om onmiddellijk na aankomst te beginnen. Haar klokt tikte kennelijk al, maar onze klokken zouden de rest van de dagen steeds meer synchroon gaan lopen.

De volgende ochtend waren we vroeg op, en vonden een lichte leegstaande ruimte aan de binnentuin. Omdat er één bureau stond, trokken we daar drie stoelen naartoe en installeerden ons. Sun leerde ik beter kennen als iemand die in korte rukken van twintig minuten werkt en tussendoor herinricht en mopt. Roos tikte gewikkeld in fleecedekens, waardoor er steeds een soort Laurentien of Arabia in mijn ooghoek leek te zitten.

Het delen van dat bureau bleek een gouden greep waar we niet van afgeweken zijn, ondanks een wisseling van werkkamers om plaats te maken voor Les Hot Bodies. Dat er aan het zelfde vlak twee anderen zitten te ploeteren, maakt dat je minder afleiding zoekt. De beschuttende koepel die ik om me heen kan voelen als ik aan een verhaal werk, bleek samen te kunnen smelten met die van anderen, en daardoor dikkere wanden te krijgen.

We werkten van negen tot twaalf en dan weer van halfeen tot drie. Tussendoor aten we, en praatten over ons werk. Iets wat een schrijver normaliter zelden doet: de voortgang bespreken met collega’s. Ik weet zeker dat Roos en Sun van invloed zijn geweest op het begin dat onder mijn vingers groeide, en zullen zijn op het verdere verloop van mijn roman.

Zo nu en dan keek ik naar mijn vriendinnen, en voelde een soort ontroering. Niemand anders dan een schrijver snapt wat er precies voor nodig is om tot een roman te komen. We zouden als beroepsgroep zoveel aan elkaar kunnen hebben, dacht ik, maar maken daar zo zelden gebruik van. We praatten ook over het werkproces en over hoe het was om mét elkaar te werken. Ik zag mijn enthousiasme gespiegeld in Sun en Roos.

Toen onze dagen erop zaten, wilde niemand naar huis. Vanaf dag twee waren we in een warm ritme gevallen, en ik geloof dat we bang waren voor wat er zou gebeuren als we weer alleen achter de laptop zaten. Onderweg luisterden we naar de literaire podcast van de New Yorker – dank nog, Sun – waardoor de reis voorbij vloog. Niemand hoefde het te hebben over de sipte. Rond vijven waren we terug in de stad, en ik zette mijn homies voor hun huizen af.

Maandagochtend bracht ik de kinderen naar school en zette me aan mijn bureau om verder te gaan waar ik zondagochtend in Saint-Erme gebleven was. Ik maakte een foto van mijn laptop met twee lege stoelen erachter, en deelde die in ons appgroepje. Al snel stuurden Sun en Roos reacties: ze kregen geen reet gedaan.

Vanaf vandaag komen we elke woensdag samen om weer aan één bureau te werken. Om negen uur staan Roos en ik bij Sun op de stoep. Het is niet niks, om na vijftien jaar je werkproces open te breken, maar ik kan niet wachten om zo op de fiets te stappen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).