Zon

Verkleed als zonnegod zingt Ramses Shaffy een reikhalzende Liesbeth List toe: ‘Maar soms ben ik als kokend lood / Ik ben het leven en de dood’. De zon is in het diepst van zijn aard een gewelddadig hemellichaam. Al in de Metamorphoses van Ovidius treedt de zon op die manier naar voren wanneer hij zijn zoon Phaëton toestaat de zonnewagen te besturen, terwijl hij juist heeft uitgelegd hoe riskant dat is. Zijn zoon wordt door Jupiter neergehaald met een enkele bliksemschicht.

Bij beschrijvingen van het zonlicht sluipt er regelmatig een spoor van agressie in, net zoals dat gebeurt bij liefde (miles amoris) of bij ongeveer alles in de Bijbelboeken. Zo ook in het geval van Louis-Ferdinand Céline, die in Reis naar het eind van de nacht (1952) het volgende optekent: ‘De zonsondergang in deze Afrikaanse hel bleek iets gewelddadigs te zijn. ’t Was altijd raak, je moest er wel naar kijken. Elke keer tragisch, net een enorme zonslachting.’ In het origineel staat d’énormes assassinats du soleil. ‘Een ontzaglijke kitsch. ’t Was jammer genoeg wel wat veel voor iemand alleen om van te genieten.’ Céline geeft toe dat wat hij schetst een sleets beeld is geworden, niettemin hanteert hij zelf kordaat de guillotine. ‘Een uur lang stond de hemel te pronken, van het ene end tot het andere volgespoten met een krankzinnig rood (…) En dat was dan het eind.’

Drie decennia eerder beschrijft Isaak Babel in het begin van De rode ruiterij (1923) op een pompeuze manier de omgeving. Vanaf het eerste woord is het verhaal doordrenkt van bloeddorst: ‘Purperen papavervelden bloeien om ons heen, de middagwind speelt in de vergelende rogge, maagdelijke boekweit verrijst aan de horizon als de muur van een verafgelegen klooster.’ Op naar het onbarmhartige district van Novograd… ‘Het stille Volhynië wendt zich van ons af, Volhynië trekt zich terug in een parelachtige nevel van berkenbosjes, het kruipt weg tussen heuvels vol bloemen en raakt met zijn verzwakte armen verstrikt in de hopstruiken. Een oranje zon rolt langs de hemel als een afgeslagen hoofd, zacht licht gloeit op in de kloven van de wolken, de vaandels van de zonsondergang wapperen boven ons hoofd.’

Of Céline met zijn ‘ontzaglijke kitsch’ nu bewust doelt op Babels beschrijving, daar wil ik af wezen.* De beelden die beiden gebruiken liggen er dicht bij elkaar. En het verschrikkelijk mooie weer van vandaag doet vermoeden dat de heren schrijvers wel gelijk zullen hebben wanneer ze zon afschilderen als een misdadige koperen ploert. Shaffy verwoordt het, alle zonaanbidders ten spijt, treffend: ‘Je kunt niet houden van de zon’.

 

* Dat is niet waarschijnlijk. De Franse uitgave van De rode ruiterij verscheen later dan de Reis.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.