Een uitgestelde brief

Lieve David,

Inmiddels meer dan drie en een half jaar geleden schreef je me deze brief op dit blog, onze vriendschap was nog maar net begonnen. Ik heb nooit geantwoord, althans niet in deze vorm. Nu doe ik het alsnog. Er is zoveel gebeurd.

Ik schrijf dit vanuit de trein terug uit Berlijn, de stad waar je een tijdje woonde toen we wat minder contact hadden. Een ding waar ik zojuist over nadacht is dat we tegenwoordig veel opener zijn dan we waren, en daarom denk ik dat je het meeste van wat er de afgelopen tijd in mij om is gegaan wel weet. Het voelt dan ook gek om je dit te schrijven, omdat we elkaar dagelijks spreken – is er nog iets te zeggen? – maar soms is het goed om terug te blikken, de balans op te maken; dat doe ik de laatste weken erg vaak.

Zijn er nog meer feesten geweest? Ja. Soms ben ik bang dat het er teveel waren, dat we in onze eindeloze luidruchtige zoektocht naar liefde en veiligheid onze vlucht hebben gezocht in drank en te laat opblijven – niet zozeer om het nu, wat met jou altijd een prettige plek is om te verblijven, te vergeten, maar om onze verwachtingen voor de toekomst een tijdje te vergeten. Ik weet wel dat we allebei eigenlijk gewoon een gezin en een kind willen (niet voor niets vragen we elkaar drie keer per dag ten huwelijk), en hoewel wij de eersten zijn om nog terwijl we vertederd naar een peuter kijken te roepen dat dat Sad is, vind ik dit eigenlijk een van onze mooiste en puurste verlangens. Vaker echter denk ik dat het er precies genoeg waren, onze feesten, dat ze er waren op de momenten dat wij ze nodig hadden, en dat alles simpelweg een stuk minder zwaar wordt als je zo hard om jezelf kunt lachen dat de gin-tonic op verschillende plaatsen je gezicht uit spuit.

 Jij gaf mij een citaat van Sylvia Plath. Ik geef jou nu dit citaat van Susan Sontag dat ik sinds het begin van het jaar als toegangscherm voor mijn telefoon gebruik, en hoewel ik het je vast al eens stuurde, hier is het opnieuw: 

“I feel a sense of mastery, amid all the pain and anguish at being abandoned. A breakthrough of intelligence like this — perceptions not only verbalized, but spun into a long, searching, open-ended discourse — makes me know I’m alive and growing. It’s almost as great a source of vitality– of feeling palpably the sense of life in me — as being in love. I feel once again, and I rejoice, that I’m not busy dying — I’m still busy being born.”* 

Dat is hoe het voor ons is, of hoe ik wil dat het voor ons gaat zijn. We zijn nogal wat bang geweest de afgelopen drie jaren (het lijkt me evident dat wij aan de niet-coole versie van bindingsangst, namelijk verlatingsangst, lijden), maar als ik bedenk hoe we ondanks al die paniekaanvallen en mislukte liefdes enkel minder en minder cynisch zijn geworden (hoewel kritischer), dan kan ik alleen maar zeggen: but jesus, what brave losers we are.  Als ik jouw beschrijving lees van hoe wij drie jaar geleden waren en mijn eigen beelden daar bij oproep, dan denk ik dat het nu een stuk beter met ons gaat. Ik zie ons nog zitten op jouw zolderkamer: snobbistisch. Wantrouwend. Zacht gekookte eieren misschien, maar toch ook dat: arrogant. In ieder geval niet bereid om iets of iemand werkelijk toe te laten.

De trein rijdt verder, Hannover op drie uur. Toen ik 19 was wilde ik misschien nog de wereld in verdwijnen, nu voel ik die behoefte veel minder. Ik ben bovendien een slecht reiziger die snel heimwee heeft: hoewel het heel fijn en nuttig is om zo nu en dan een paar dagen je eigen leven te verlaten om eenzaam door een vreemde stad te zwerven, levert dit afstand nemen van je leven ook een confrontatie op met de hiaten die daar in zijn ontstaan. Ik wil dan doorgaans zo snel mogelijk terug om die krampachtig op te vullen.

Daarin lijk ik niet op jou. Jij hebt het de laatste tijd steeds vaker over weg willen gaan, elders opnieuw beginnen. Ik houd van die  mogelijkheid, maar het is een uiterste uitweg die ik eigenlijk niet denk ooit in te zullen slaan. Het is het sterkste maar ook het zwakste wat een mens kan doen. Opnieuw beginnen: sterk. Het oude achterlaten: sterk en zwak. Doen alsof het oude nooit gebeurd is: zwak. Ik wilde eigenlijk maar zeggen: niet weggaan.

Ik denk aan het Louis Nanet feest, zomerse fietstochten naar Holysloot, barbecuen bij mijn ouders, dronken worden in Limburg, de gouden boekenuil, onze mislukte vakantie, vreselijk boos op je zijn maar je vergeven, ochtenden lang over het Waterlooplein struinen, naakt mijn huisgenoot toezingen, tegen elkaar liegen, dat doorhebben, overal USB-sticks met jouw muziek er op vinden, zingend gehaktballen draaien, poëzieavonden waarop mensen denken dat we geliefden zijn, me daar heimelijk trots over voelen, je filmambities, mijn sportsweater met jouw parfum er op, foto’s maken bij min veertien, de medogenloze manier waarop we ons kunnen schamen, honderd keer roti eten, vijftig keer indonesisch, het hondje van je vader…

Ik vind het ontroerend hoe je steevast mijn gitaar pakt en willekeurig over de snaren slaat terwijl je de klanken van een Griekse volkszanger nabootst. Ik vind je mooi als je in een rommelige kamer zes documentaires uit een verhuisdoos trekt, die je allemaal aan het huilen hebben gemaakt. Ik vind je lief als je teveel bent, als je met een tas vol boodschappen op iemands stoep staat en de deur blijft dicht – ik hoop dat je nooit een andere manier zult leren. Ik hou van je als je zegt dat je mijn broer bent en blijft. Ik wilde eigenlijk maar zeggen: niet weggaan.


Het liefste,
Lieke

*Susan Sontag (ed. David Rieff) – As Consciousness is Harnessed to Flesh: Journals and Notebooks, 1964-1980, Penguin Books, p. 274

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.