Geloven willen

Zoals elke herfstvakantie zouden we met familie naar Normandië gaan. B en ik hadden besloten niet onderweg te overnachten, en dus poetsten we onze tanden in het kwaadste deel van de ochtend, dat feitelijk nog dief is van de nacht.

De straat lag voor dood op haar stenen terwijl ik Ada in het zitje tilde, de bestuurdersstoel van onze geleende auto terugklapte om Nadim met zijn kussen nog tegen het gezicht gedrukt in te laten stappen. Bleek als kunstijs, zag hij. De stoel kwam vast te zitten en de wegenwacht moest gebeld. Het zou meer dan een uur duren en om vage redenen tweehonderd euro kosten, en mede daardoor kon ik de stoel toch eigenhandig losvloeken. Een halfuur later dan gepland reden we aan.

Nadim zou weer tijdens de vakantie jarig zijn, een helaasheid die mijn jongen al een paar weken uit de slaap hield. Hij kan zijn hoofd moeilijk parkeren en dat heeft hij van zijn vader. Ik maak me daar in mijn eigen nachten dan weer zorgen over: als hij nu al wakker ligt van zaken waarop hij geen grip heeft, hoe moet dat later dan?

Dit jaar werd hij tien. Ik zocht zijn grote ogen in de achteruitkijkspiegel en glimlachte naar hem. ‘Probeer even te slapen, kerel.’

‘Maar dat kán ik niet.’

‘Doe je oogjes nou maar dicht.’

Hij deed het braaf, maar slapen zou hij nergens in de acht uur die we onderweg waren. Eenmaal in Servigny zocht hij vaak zijn kamer op, bouwde elke dag wat rustmomenten in weg van honden, opa’s, oma’s, ooms, tante, zus en nichtje. Het leek me verstandig en ik liet hem maar een beetje.

Elk jaar, aan de vooravond van zijn verjaardag, gebeuren er rare dingen in het dorp. Dit keer bracht een heksachtige buurvrouw een drankje langs, dat ik vrolijk uitschonk voor de hele familie behalve Nadim en zijn opa, die daar wat knorrig op reageerden. Iedereen die het gedronken had viel in slaap, en toen pas viel het briefje aan de flessenhals mijn jongen op.

Met mijn hoofd op tafel, overluid snurkend, luisterde ik hoe opa de brief van de heks van Servigny voorlas; uiteenzette hoe Nadim en hij hun familie konden bevrijden van de vloek van de eeuwige slaap. Ik had de brief die middag in grote haast geschreven, en vroeg me af of mijn jongen zo langzamerhand niet te oud was om in een verhaal over heksen en bokkenrijders mee te gaan.

Je kunt een zorgelijk hoofd maar beter concrete zorgen geven, dan draait het als een vers uurwerkje. Alle vermoeidheid leek uit zijn stem verdwenen. Nadim verbeterde zijn opa nu en dan, dacht vooruit, schikte de volgorde van te nemen stappen. Daarna vertrokken de twee naar buiten, en moest de rest van de familie zich in moordtempo schminken en verkleden om hen op te wachten in de holle weg die van het kerkhof naar een naburig dorp leidt.

Er was een clochard die hem een fles wijn gaf, er waren heksen op verschillende punten aan de holle weg die hem delen van een spreuk gaven, en kruiden voor een tegengif. Toen Nadim dat allemaal verzameld had en omkeerde, werd hij staande gehouden door een sinistere bokkenrijder met hoorns van twijgen en een vurig rood oog. Met de spreuk die hij geleerd had versloeg hij de duivelse struikrover, om samen met zijn opa de weg naar huis te vinden. Toen ze hun toverdrank verhitten in de haard verschenen er lichten aan de hemel en ontwaakte zijn familie. Zijn oom kwam schielijk via de tuindeur binnen met handen meurend naar vuurwerklont.

‘Oh, wat heb ik diep geslapen,’ zei B. ‘Wat is er allemaal gebeurd?’

En onze man vertelde over het slaapdrankje van de heksen en de vloek van de bokkenrijder. Nu en dan bijgestuurd door zijn opa kwam de hele beproeving eruit. Zijn wangen waren rood en zijn ogen glommen. Het was niet niks allemaal, en hij was zéker bang geweest, maar het was allemaal op tijd gelukt. Iedereen juichte en we aten taart.

Ik zocht zijn ogen, volgde zijn gebaren en de klank van zijn stem terwijl hij bij ooms en tante delen van de beproeving navertelde. Aan niets was te zien dat hij doorhad dat iedereen had meegespeeld. Schijnbaar van het ene op het andere moment zwaaide Nadim af. Zijn sokkenvoeten klonken op de trap, en even later bracht ik hem een kus in bed. Ik vroeg of het niet veel te eng geweest was.

‘Ik was heel bang,’ zei hij, al halverwege slaap. ‘Maar ik kon het aan.’

Terwijl ik de treden afliep om me bij de anderen te voegen, besefte ik dat geloven in verhalen niet stopt wanneer je oud genoeg bent om ze te doorzien, maar wanneer je niet langer geloven wílt.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, journalist en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In juni verscheen Gilles’ nieuwe roman Dorp (nominatie Boekenbonprijs).