Persona grata

Vertel een willekeurig iemand hier in Paramaribo dat je in Flora woont, en hij zal je aanradeDSC_0095n goed op je bezittingen te letten. ‘Heeft uw woning dievenijzers en alarm?’ zal hij vragen.

Toen we voor het eerst naar ons huis gingen kijken wisten we niet dat we in een ‘mindere’ wijk rondliepen. Er speelden kinderen op straat en iedereen hing voor zijn deur met de buren te kletsen. De eerste die ik aansprak bleek de mater familias van een hindoestaanse familie die zowat het hele blok bewoont, op het huis links van ons (Brazilianen) en recht tegenover ons (creolen) na.

Op de dag van onze verhuizing wilden twee buurmannen telefoonnummers met me uitwisselen opdat we elkaar zouden kunnen bellen als er iets ‘aan de hand was’. Er is nog niets gebeurd, en met de waakzaamheid van de mensen hier lijkt me de kans ook klein. Langs de schutting van ons erf lopen zonder een omwonende te moeten groeten is bijna onmogelijk.

Wat maakt eigenlijk dat je door een buurt loopt en je er prettig voelt?

Er zijn vervallen huizen in onze straat en er staat een auto zonder wielen op de stoep bij de overburen. De overbuurman repareert trouwens wel heel veel wagens van vreemden voor iemand die geen illegale garage heeft. Van zes tot tien is er bijna elke avond een soundsystem-battle tussen onze rechterbuurman en de mensen die tegenover hem wonen. Maar de Marijkelaan voelt goed. Ik ben niet bijgelovig, dus die informatie moet met zintuiglijke waarneming zijn begonnen.

Ik denk dat mijn aanvankelijke beeld van de straat de plus in schoot door het groeten, wat men hier met zoveel enthousiasme doet. Een opgestoken hand wordt altijd beantwoord. Men groet niet binnensmonds, maar luid en duidelijk; onze overbuurman stond vanmorgen zelfs op toen ik bij thuiskomst naar hem zwaaide, en riep ‘Buur!’ alsof hem tijdens mijn bezoek aan de markt ter ore was gekomen dat er een volksheld tegenover hem was ingetrokken.

Het zette me aan het denken over de ingewikkeldheid van het groeten in Nederland, of ik moet zeggen: de Randstad, omdat ik zelden verder kom. We zijn spaarzaam met onze groet. Afgemeten. We lijken angst voor afwijzing te hebben, wat maakt dat we voorzichtig groeten, waardoor onze groet door de ander gemakkelijk over het hoofd gezien wordt, wat de mate van ervaren afwijzing weer vergroot.

Ik heb me er in Amsterdam zelfs op betrapt dat ik over een niet al te opmerkzame buurtgenoot dacht: Als hij me nu weer niet ziet staan, dan groet ik die eikel nooit meer. Wat natuurlijk het einde is van elk mogelijk begin.

Nee, het is goed om in Paramaribo te zijn op het exacte moment van het normaliseren van de diplomatieke verhoudingen tussen Suriname en Nederland. In ieder geval op straatniveau hebben we nog veel van deze republiek te leren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.