Van Oorschot Boekhandels

In de kaart hieronder staan de Van Oorschot Boekhandels aangegeven. Om de dichtsbijzijnde te vinden kunt u uw huidige locatie invoeren en op de knop Zoek klikken. U kunt uw adres invoeren of de postcode met plaatsnaam, bijvoorbeeld:

Herengracht 613, Amsterdam

of

1017 CE, Amsterdam

Derde druk Duitsland ‘Julia’

Het boek Julia van Otto de Kat, beleeft in Duitsland reeds zijn derde druk. In de Frankfurter Allgemeine Zeitung verscheen eind mei 2010 een lovende recensie van Peter Henning: ‘Otto de Kat hat sich mit seinem meisterhaften Roman Julia endgültig in die erste Liga der niederländischen Autoren geschrieben.’

Peter Henning vergelijkt het werk van De Kat met dat van F.B Hotz en Iwan Boenin:

‘Mit Julia, dieser Geschichte einer am Ende tödlichen Liebe, hat Otto de Kat, der Philosoph des beständig Unbeständigen, eine neue Stufe seiner Kunst erklommen: in Form eines Erzählens, das – mal an den süchtig machenden Ton seines großen, im Jahr 2000 verstorbenen Landsmannes F. B. Hotz erinnernd, mal an den melancholischen Zauber eines Iwan Bunin – stärker und suggestiver noch als früher mit Genauigkeit und Anteilnahme das thematisiert, was sich in immer neuen Ausprägungen durch sein gesamtes Werk zieht: das Wechselspiel von Liebe und Tod, gepaart mit der Einsamkeit, die seine Figuren in der Welt verlorengehen und ihr Tun letztendlich vergeblich sein lässt.’

In Nederland werden er reeds vier drukken van deze roman verkocht.
Zie ook www.ottodekat.nl

Nieuws

Er is een nieuw deel verschenen in onze Turingreeks: Zoals een ster verstand heeft van het licht. Deze bloemlezing uit de verzamelde gedichten van Adriaan Morriën is samengesteld en voorzien van een inleidend essay, door Ester Naomi Perquin. Zij ontving eerder dit jaar de Jo Peters Poëzieprijs voor haar bundel Namens de ander.
Uit het inleidende essay: ‘Dikwijls trof me in Morriëns gedichten de stem van iemand die overal het fijne van lijkt te weten. Commentator, nieuwslezer, welingelichte passant: ik kreeg er de vinger niet helemaal achter. […] Toch lijkt hij van die wereld niet echt deel uit te maken: hij lijkt te doen alsóf hij er is, terwijl hij al elders verblijft. Het levert, vooral in zijn latere werk, ijzersterke gedichten op.’

Eerder verschenen in de Turingreeks bloemlezingen van het werk van Jan HanloJ.A. dèr Mouw, Chr.J. van Geel, M. Vasalis en J.C.van Schagen.

Bestel

U kunt deze bloemlezing hier bestellen en thuis laten bezorgen.

Een gedicht per dag

U kunt zich abonneren op een gedicht van Adriaan Morriën op elke werkdag, zolang de bloemlezing strekt.

Over de reeks

 

Het Nederlandse poëziefonds van Uitgeverij Van Oorschot is befaamd geworden door talloze Verzameld werk-edities, de ‘vignettenreeks’ (1950–1975) en de presentatie van nieuwe dichters die in de loop der tijd doorbraken naar een groot publiek. Een aantal van hen is over leden maar dat hun werk nog springlevend is moge blijken uit de presentatie van een reeks nieuwe en kernachtige bloemlezingen, samengesteld en ingeleid door aansprekende hedendaagse dichters.

Deze uitgaven kwamen tot stand mede dankzij een bijdrage van de Turing Foundation.

 

Jan Hanlo Tjielp tjielp
(door Guus Middag)
J.A. der Mouw Je bent de wolken en je bent de hei
(door Marjoleine de Vos)
M. Vasalis Op een vlot van helderheid
(door Hagar Peeters) (uitverkocht)
Chr. J. van Geel Het mooiste leeft in doodsgevaar
(door Willem Jan Otten)
Adriaan Morriën Zoals een ster verstand heeft van
het licht
(door Ester Naomi Perquin)
turing_afm_200_copy J.C.van Schagen Ik ga maar en blijf (door Ingmar Heytze) 2008-11-12_1512341

Gedicht

Inleiding

door Ester Naomi Perquin

In het Huis van Bewaring waar ik een paar jaar werkzaam was, weet ik één gedicht te hangen. Het is op posterformaat afgedrukt, tegen een zachtroze achtergrond. Het hangt in een klein kantoor in een van de personeelsgangen. Omdat het gedicht is ingelijst kun je in de glasplaat de weerspiegeling zien van een klein, hoog raam met tralies. Het enige raam in het kantoor. Het gedicht wordt, ook dat weet ik, met regelmaat zeer doeltreffend ingezet. De man die het daar ophing is een intelligente man, een scherpzinnig leidinggevende – met een klein wreed trekje om zijn mond. Regelmatig ontvangt hij in zijn donkere kantoor vers aangetreden bewaarders, waar hij eerste evaluatiegesprekken mee houdt, zogenaamde ‘kleine ondervragingen’. De bezoeker wordt altijd strategisch in de stoel tegenover het gedicht gemanoeuvreerd. ‘Koffie,’ zegt de leidinggevende dan, en beent het kantoor uit.
Eenmaal alleen in het kantoor richt zo’n gespannen nieuweling als vanzelf de blik op het prominent aanwezige gedicht. ‘Zweven’ is de titel, en de inhoud is al even licht en zacht van aard.

‘Het sneeuwde toen. Op je wimpers / nog geen kristallen. Maar in je haren / glinsterde het even geheimzinnig / als op de mouwen van mijn jas. // De dwarrelende lucht / bracht onze ogen in de war. / Toch zag ik dat ik van je hield / duidelijker dan toen wij nog niet zweefden.’

Het moet voor de genodigde een merkwaardige tekst zijn, de reputatie van de leidinggevende kennende. Zou hij dan toch, onder dat pantser en onder dat uniform, een zachtaardige geest verbergen? Een romantische ziel? Waarom hangt zo’n man anders zoiets op? De bezoeker ontspant een beetje. Als de leidinggevende eenmaal is teruggekeerd en de koffie heeft neergezet kan hij het effect van Morriën in de ogen van de jonge bewaarder haarfijn zien. ‘En dan,’ heeft hij me verteld, ‘dan knal ik erin.’
Ik vind het een mooie manier om poëzie als gebruiksvoorwerp in te zetten. Dit gedicht heeft een heldere functie gekregen; het dient ter misleiding. En misleiding, daar hoeven we niet moeilijk over te doen, dat is toch al een taak van de poëzie. We zijn, zeker als we de hedendaagse kritiek mogen geloven, dol op gedichten die de lezer ‘pootjelichten’, ‘met lege handen achterlaten’ of ‘bedonderen’. Sterker nog: we willen zo graag op het verkeerde been worden gezet dat we het verkeerde been eigenlijk als het enige zijn gaan beschouwen. Het goede been, dat is er misschien nog wel, maar daar stá je natuurlijk niet op. Het gedicht ‘Zweven’ van Morriën is in zichzelf weinig verwarrend, het eindigt immers precies zo lieflijk als je zou verwachten. Daar heb ik geen bezwaar tegen – maar Morriëns sterkste gedicht zou ik het zeker niet willen noemen. Eigenlijk beschouw ik het als een positieve ontwikkeling dat dit gedicht, door toedoen van één slimmerik, zo’n sluwe lading heeft gekregen.

Wat mij ook deugd doet is het doel van die misleiding. Ik koester een zekere antipathie tegen ‘de reputatie’ in het algemeen. ‘Veel tegenstrijdigs ligt in onze zielen bijeen als kinderen in hetzelfde bed,’ zou Morriën gezegd hebben. Iemand zijn is vaak al ingewikkeld genoeg – maar ‘bekend staan als’, dat moet je toch zoveel mogelijk proberen te vermijden. Een reputatie richt de blik, dat geef ik toe. Zoiets kan natuurlijk van pas komen (zowel achter als vóór de tralies). De mens is van nature geneigd zijn wereld overzichtelijk te houden – hij is dol op kloeke definities – en mijdt graag risico’s. Reputaties zijn daarom vaak vervelende dingen. Ze worden ons nagedragen, ze veranderen nauwelijks, ze kleven en plakken en hinderen. Ze voorzien ons van een bijsluiter. Reputaties vergen weinig onderhoud. Ze richten de blik dan wel – ze vertroebelen hem ook.
Ik kan me goed voorstellen dat je, als je eenmaal bent opgezadeld met een reputatie, graag eens voor verwarring zorgt. Zelfs als je globaal gezien wel in je reputatie past (of, want dat bestaat ook: ervoor gewerkt hebt). Daar gáát het niet om. Het gaat erom dat je, zo nu en dan, met nieuwe ogen bekeken wilt worden. Dat je niet steeds mensen over de vloer wilt hebben die handelen met voorkennis. Maar lastig en vermoeiend is het wel, een definiëring af te wentelen. ‘Oom Henk staat bekend als een échte francofiel,’ hoor je iemand zeggen. En oom Henk zit er zelf maar onhandig bij te knikken. In Frankrijk is hij al zeven jaar niet geweest. De werkwoordvervoegingen heeft hij nog altijd niet onder de knie, hij kent hooguit een deel van Parijs en van wijn moet hij al helemaal niets hebben. Hij knikt dan ook niet omdat hij zichzelf als een francofiel zou bestempelen – hij knikt omdat hij weet dat anderen dat blijven doen. Hij legt zich er maar bij neer.

Adriaan Morriën (1912-2002) was schrijver, dichter, essayist, vertaler en criticus. In 1939 verscheen zijn eerste dichtbundel Hartslag, in 1942 gevolgd door Landswind. In 1951 verscheen de verhalenbundel Een slordig mens. Morriën maakte naam als criticus en essayist en vertaalde werk van ondermeer Sigmund Freud, Albert Camus en Heinrich Böll. In 1962 ontving hij de Martinus Nijhoffprijs voor zijn vertalingen. In 1986 kreeg hij de Herman Gorterprijs voor de bloemlezing Oogappel. Morriëns Verzamelde gedichten verschenen in 1993 en in 1999 werd Brood op de plank, zijn verzameld kritisch proza, uitgegeven.
Morriën staat bekend als een romanticus bij uitstek, grossierend in zintuiglijkheid. Altijd bezig met de zwaarmoedige God en de lichtzinnige liefde. Een dichter die graag woorden als ‘tederheid’ en ‘zoetheid’ laat vallen. Die vrouwen verheerlijkt en naaktheid niet schuwt. The dirty old man van de Nederlandse poëzie, zo heb ik hem ook eens horen noemen. Wat kun je van een dichter met zo’n reputatie verwachten, voor je zijn verzameld werk openslaat? Veel meisjes, natuurlijk. Zo nu en dan wat pikante regels vol borsten en tepels, onbereikbare geliefden en uit-het-raam-starende-jonge-vrouwen. Je kunt kortom verwachten dat je gedurende het lezen in je vermoedens bevestigd wordt.

Dat zat me dwars. Ik wilde graag een poging wagen om Morriën te lezen alsof ik niets van hem wist. Ik heb tijdens het samenstellen van deze selectie daarom vooral geprobeerd Morriën nergens aan te houden – of liever: om het beeld dat van hem ontstaan is terzijde te schuiven. Het is natuurlijk maar de vraag of zoiets mogelijk is en of het, als het al mogelijk is, wel zo’n vruchtbare leeshouding zal blijken. Zo te bloemlezen zou verwarrend kunnen worden. Het zou per ongeluk kunnen uitmonden in een anti-selectie: alle gedichten die mijn voorkennis bevestigen vallen af, alle gedichten die mijn voorkennis tegenspreken worden opgenomen. In dat geval zou er een verzameling ontstaan die zo ongeveer het negatief van Morriëns reputatie vormt – er zou weinig mee gewonnen zijn. (Ja, een mens piekert wat af, in zijn eentje.)
Gelukkig bood de situatie in het Huis van Bewaring, die ik me nog zo levendig voor de geest kon halen, houvast. Ik heb als het ware plaatsgenomen in Morriëns kantoor (zenuwachtig, zoals je van een nieuweling kunt verwachten). Ik heb me daar, wachtend op koffie, afgevraagd welke geest hij onder zijn reputatie verborgen hield. Wás hij wel wie men zei dat hij was? Klopten de verhalen? Ik heb geprobeerd zoveel mogelijk te vergeten – en aan wat ik niet vergeten kon heb ik zo ernstig mogelijk getwijfeld. En toen hij binnenkwam, de koffie neerzette – nouja, u kunt dat zelf beoordelen.

Morriën heeft als dichter zo ongeveer alles in huis wat ik belangrijk vind: eigenzinnigheid, humor, melancholie en bewapening. In de reeks ‘Passie’ uit de bundel Moeders en zonen (1962) bijvoorbeeld, trekken al die eigenschappen voorbij. Ik heb ervoor gekozen om die reeks in zijn geheel op te nemen. Het zijn zulke grimmige, nuchtere gedichten, met de stem van een verrassend onsentimentele commentator. Er zitten grappen in, vol weerhaakjes. En wat een jeugd trekt er in voorbij! De tragiek van een kind dat kind-af raakt, die de schellen van de ogen zijn gevallen (Ik moest mijn ogen wennen aan het licht / God troont in duisternis achter gesloten wimpers). Niets blijft onaangetast – er wordt geen stap opzij gezet, alles wordt doorgemaakt of opgerakeld – zonder de verzachtende blik van een melancholische volwassene. Een vader die doorzien wordt (mijn vader sneed het brood in onberispelijke plakken), een moeder die een lichaam blijkt te hebben, een hemel die niets anders lijkt dan lucht. Het wordt met zo’n precisie opgeroepen dat het bij lezing, ook vijftig jaar later, nog altijd schrijnt.

En waarbij je, evenzogoed, in de lach schiet. Morriën schrijft zo nu en dan uitermate stootvaste regels. ‘Een meisjesmond werd mooier als hij vloekte’ of ‘Voortaan hing Jezus elke zondag aan het kruis.’ Op die momenten levert hij gedichten af met bijpassend gereedschap, zou je kunnen zeggen. Er is steeds iets om de rest mee te lijf te gaan.
Dikwijls trof me in Morriëns gedichten de stem van iemand die overal het fijne van lijkt te weten. Commentator, nieuwslezer, welingelichte passant: ik kreeg er de vinger niet helemaal achter. Morriën creëert dan een wereld waarin de dingen helder en zonder schaamte worden benoemd. Hij doet dat niet zonder compassie. Hij doet het niet afstandelijk. Toch lijkt hij van die wereld niet echt deel uit te maken: hij lijkt te doen alsóf hij er is, terwijl hij al elders verblijft. Het levert, vooral in zijn latere werk, ijzersterke gedichten op.
Zo begint ‘Onherbergzaamheid’ uit de bundel Een toegevoegd zintuig (1992) met de regels: ‘Mijn hond let op heel andere dingen dan ik / omdat hij snuffelt en bijna niet kijkt.’ Het vervolgt met een nogal plompverloren ‘waarom heb je mijn brieven niet beantwoord?’ en een samenvatting van de zomer: ‘warm, kil, winderig, geregeld regenachtig’. Morriën vergelijkt de dagen (‘van sommige heb ik hartstochtelijk gehouden’) met een vertrekkende vrouw die je netjes naar de trein brengt, waar je nog een tijdschrift voor koopt en die je nawuift (‘op een leegstromend perron, versteend door de tijd’). Maar dan eindigt het gedicht als volgt: ‘In de lange donkere straat drie jonge negers / die mij wel zien maar niet doodslaan.’
Over meegeleverd gereedschap gesproken. Waar zo’n vaststelling elders nog een geruststelling zou kunnen betekenen (we weten nu wat ons te wachten staat), geeft Morriën er hier, door het gedicht met deze mededeling te besluiten, een onheilspellende lading aan. Ik schreef het al: we worden graag een beetje misleidt. Morriën doet het hier meesterlijk. Je leest over de dagelijkse beslommeringen, over het weer en over de liefde, je gaat er al ontspannen voor zitten en voelt dan ineens hoe daar, in die laatste regels, de veiligheidspal van het gedicht wordt afgehaald.

Er valt veel te zeggen voor Morriën als dichter van het zintuiglijke en het zinnelijke. In tal van zijn gedichten wemelt het van handen en haren, monden en ogen. Er is tederheid. Er is lust. Vaak ook is er sprake van een lijfelijke aanwezigheid: iemand kijkt, iemand hoort, iemand raakt aan. Uit Morriëns werk blijkt een schijnbaar onvermoeibare interesse voor wat het lichaam zich herinnert, wat het doet, wenst en wat het ondergaat. Maar echt onvermoeibaar is die interesse misschien óók niet. In het gedicht ‘Hoe voelt het om oud te zijn?’ staat het er als volgt: ‘Het voelt lang niet slecht, geef ik eerlijk toe. / Het voelt vaak goed niet zo lang meer te hoeven leven / en afscheid te nemen van jou, u, jullie, voorgoed.’ Mooi vind ik dat de dichter minder tragiek lijkt te leggen in wat hij ‘voelt’, dan in wat hij ‘leest’ en wel ‘in elke blik’: de glimlach die mij overslaat. Door die keuze te maken toont de dichter, heel terloops, waar hij uiteindelijk belang aan hecht.
Adriaan Morriën liet, als lezer, schrijver en dichter een indrukwekkend oeuvre na. Zijn poëzie verdient het om in beeld te blijven (ook in donkere kantoren). En of het nu de namen zijn die hij zichzelf gaf (‘literaire lanterfant’, ‘kampioen van de besluiteloosheid’) of die hij kreeg toegeschoven (‘de liefste ironicus’, werd hij door Geert van Oorschot genoemd), het zijn zulke slechte bijsluiters natuurlijk niet. De dirty old man van de Nederlandse poëzie zou er vast raad mee hebben geweten. Toch is Morriën het vooral waard om te worden losgeweekt van welke reputatie ook. Om zomaar, met de helderste blik die we hebben, opnieuw te worden gelezen.

Moorddiner zeer goed ontvangen

De verhalenbundel van Mohana van den Kroonenberg is verschenen: Moorddiner. De schrijfster publiceerde eerder verhalen in onder andere Tirade, Elle en Parmentier. Kees van Beijnum schreef over haar werk: ‘Ik herkende direct een oorspronkelijke toon, een ongekunstelde manier van schrijven. Je wordt als lezer aangesproken en van begin tot eind vastgehouden. Deze schrijfster heeft de taal verrijkt.’

Persgeluiden: ‘Moorddiner is een taart die opgebouwd is uit vele lagen. Kunstig opgespoten en fraai versierd, wie een hap neemt weet niet precies wat hij proeft. Maar hij wil meteen meer.[…] Van den Kroonenberg heeft een uniek toon, ze trekt je meteen het verhaal in zonder dat je ook maar enig idee hebt in wat voor wereld je bent beland.’
– Edith Koenders in de Volkskrant

‘Het debuut Moorddiner is beslist een van de verrassendste titels van het afgelopen boekenseizoen. […]Het knappe van deze verhalen is de achteloze manier waarmee de grenzen tussen het acceptabele en absurde worden overschreden. Je voelt dat je aan de hand van de schrijfster een waanwereld betreedt waar je jezelf wel in onder moet dompelen.
– Jaap Goedegbuure in Financieel Dagblad

Luister ook naar het interview met Mohana van den Kroonenberg in VPRO’s ‘De Avonden’ Het interview werd afgenomen door Anton de Goede.

Inleiding

door Guus Middag

Ik heb altijd een zwak gehad voor de gedichten van Jan Hanlo. Toen ik nog nooit iets van wie dan ook had gelezen en nu nog steeds, nu ik ook wel eens wat van iemand anders heb gelezen.
Eigenlijk is Jan Hanlo de ideale dichter. Je kunt er zo mee beginnen, en het is altijd wel raak. En geschikt voor alle leeftijden.
Je slaat zijn verzamelbundel open en je leest bijvoorbeeld een heel zuiver en nauwgezet verslag van de geluiden die een mus maakt als hij zingt. ‘Tjielp tjielp – tjielp tjielp tjielp’. Het wordt kalm achter elkaar genoteerd, twintig keer in totaal, en kalm afgesloten met een treffend ‘etc.’
Of je leest een simpele opsomming van alle mooie dingen waarmee een geliefde kan worden vergeleken. Hoe moet je je liefste beschrijven? Hanlo doet het zo: ‘zoals de koelte ’s nachts
langs lelies/ en langs rozen/ als wit koraal en parels diep in zee/ (…) zo meen ik dat ook jij bent’. Maar er is nog veel meer om de ander mee te vergelijken: met melk, met leem, met een waskaars, een koekoek, een oud boek, een glimlach. Zo gaat dat, als je verliefd bent.
Of je leest het verhaal van het kleine jongetje, een hoogwaardigheidsbekledertje in de dop, dat een lint moet doorknippen, maar dat helemaal niet wil, want daarvoor vindt hij het lint veel te mooi. In 1962 las Hanlo een bericht in de krant over dit weigerachtige jongetje, verplaatste zich in de overwegingen van de tweejarige en schreef een vers voor hem, vol onafgeronde en aarzelende kinderzinnen, maar ook met enkele vlot rijmende regels ertussendoor. ‘Ik accepteer de Teddiebeer’ is een van de statements van deze Philippe, de oudste zoon van prins Albert en prinses Paola, uit België.
Drie voorbeelden. Drie keer een verrassende benadering, drie keer een lichte toon en drie keer valt er wat te grinniken. Het is vreemd: de gedichten van Hanlo hebben helemaal geen eigen of herkenbare vorm. Bij het mussengedicht volstaat hij met het herhalen van de klank tjielp, twintig keer. Je zou, sjiek, kunnen spreken van een modernistisch klankexperiment. Bij het liefdesgedicht zet hij keurig een hele reeks eenvoudige vergelijkingen achter elkaar. Je zou, weer sjiek, kunnen spreken van een lyrisch opsommingvers, of van een liedtekst in  roubadourtraditie, of van een romantisch uitzingen in vrije vorm. En bij het gedicht voor Philippe kiest hij dan juist weer voor een onbeholpen stamelversje in praattoon, met wat kinderlijke rijmen en grappige brabbelingen. Een geleerde lezer zou er een poëticaal programma in kunnen zien waarmee de dichter de grenzen van de bestaande poëzieopvattingen heeft willen oprekken.
Het lijkt wel alsof Hanlo per gedicht helemaal opnieuw begint, en al zijn voorafgaande gedichten is vergeten. Er zit geen enkel systeem in. Hij kan op een Vijftiger lijken, maar ook op een Tachtiger. Hij kan een dadaïst nadoen, maar ook een bedaagde negentiende-eeuwse dominee. Er zijn in zijn Verzamelde gedichten taalspelletjes te vinden, maar ook korte haikuachtige verzen, heel lange gedichten in een heel lang doorzeurende praattoon, sonnetten, balladen, nonsensverzen, tot aan stukjes proza aan toe, in het Engels, in het Antwerps, in het laatmiddeleeuws en in  eheimschrift. En het zal na het voorafgaande geen verwondering wekken dat die gedichten over van alles en nog wat kunnen gaan: over honden, over kinderen, over de jaargetijden, maar net zo gemakkelijk over vloerkleden, verlanglijstjes, geluidsoverlast van vliegtuigen, de theorie van de zwaartekracht of de korriewedstrijden te Zaandam.
Wat een raar geval. Een oeuvre dat eruitziet als een bloem lezing uit het werk van veel verschillende dichters, uit heel verschillende tijden en talen. Het zou een vooropgezet plan kunnen zijn. Er is in de jaren vijftig van de vorige eeuw wel eens gedacht dat Jan Hanlo niet echt bestond, maar dat zijn naam een collectief pseudoniem van de Vijftigers was. Het is zoals de leer van het modernisme het voorschrijft: de dichter die niet meer namens zichzelf spreekt, maar als een anonieme, onpersoonlijke instantie. Bij elk nieuw  gedicht neemt hij een nieuwe gedaante aan.
Maar hoe zit het dan met al die eenvoudige, zuivere, argeloze gedichten over de liefde, over de schoonheid van ogen, van wimpers, van een blik, een verlegen gebaar – die toch bij elkaar opgeteld te midden van al die rare experimenten de hoofdmoot vormen van Hanlo’s poëzie? Dan ga je denken dat er misschien toch wel een persoonlijkheid, een karakter of een ziel achter dit verknipte oeuvre schuilgaat, of dan toch in ieder geval zoiets als een wens, een verlangen of een geheim.
Er is door veel mensen naar gezocht, op veel verschillende manieren. Eerst vanuit de literair-historische hoek. Moet Hanlo niet toch tot één literaire stroming worden gerekend? Is hij niet ‘eigenlijk’, ‘in wezen’ een experimentele dichter, een Vijftiger? Er valt wat voor te zeggen, maar dan moet je even vergeten dat hij het grootste deel van zijn poëzie nu juist schreef tussen 1944 en 1951, toen de Beweging van Vijftig nog moest beginnen. Is hij dan met zijn nuchtere inslag en zijn oog voor de poëzie in de alledaagse realiteit niet juist een voorloper van Barbarber en de Zestigers? Dat zou ook kunnen. Moet hij op grond van zijn beroemdste gedicht, het rare klankvers ‘Oote’, niet een dadaïst worden genoemd? Of juist, vanwege zijn ontroerende liefdesliedjes, een romanticus? Of toch eerder, gelet op zijn curieuze aandacht voor de vorm, een rederijker?
Niemand is er tot nu toe in geslaagd hem overtuigend bij één stroming onder te  brengen. Zit er dan misschien een ‘ontwikkeling’ in zijn werk die ons een greep op het geheel kan geven, een lijn van de ene poëzieopvatting naar de andere? Ook daar valt niets zinnigs over te  zeggen. Lees maar eens hoe volstrekt willekeurig zijn dichterschap is ontstaan. Hanlo, in mei 1954, in een gesprek met Adriaan Morriën: ‘Met gedichten schrijven ben ik pas laat begonnen. Ik las niet graag gedichten. Pierre Kemp had dat ook. Op een keer lag ik in bed met griep en toen dacht ik: laat ik ook eens een gedicht maken. Iedereen maakt gedichten. Bovendien was ik verliefd. Ik schreef toen: ‘zo meen ik dat ook jij bent’ en daarmee is het eigenlijk begonnen, in ’43 of ’44. Om de een of twee maanden kwam er toen wel iets.’ Zo is het begonnen, op een achternamiddag, bij wijze van tijdverdrijf, toen hij de dertig al gepasseerd was.
Eén blik in Hanlo’s chronologisch geordende Verzamelde gedichten laat zien dat er op dat mooie begin al  meteen allerlei andersoortige gedichten volgden, en dat bleef zo tot het eind. Hanlo hechtte om een of andere reden enorm aan de chronologische volgorde, maar inhoudelijk of stilistisch is daar geen reden voor. Aan de volgorde van zijn gedichten valt geen enkele ontwikkeling af te lezen. En het is ook helemaal niet zo dat ze in de loop van de tijd beter werden. Er zit veel gebabbel, gezeur en ongein bij de latere poëzie, vooral bij de tien gedichten (geschreven tussen 1959 en 1967) die hij later nog aan zijn Verzamelde gedichten (eerste druk 1958) toevoegde.
Als je iets overkoepelends over dit springerige oeuvre wilt zeggen, dan zou je het misschien eerder in de psychologie van de dichter moeten zoeken. Hanlo’s neiging om steeds weer opnieuw te beginnen zou in verband gebracht kunnen worden met zijn verlangen om niet ouder te willen worden. In zijn biografie van de dichter (Zo meen ik dat ook jij bent, 1998) stelt Hans Renders Jan Hanlo voor als iemand die leed aan een Peter Pan-complex. ‘Ik wil altijd een kleine jongen blijven’ zegt Peter Pan. In Hanlo’s leven valt een grote trouw aan de jeugd aan te wijzen: aan zijn eigen kindertijd, aan kinderen en de kinderlijke blik in het algemeen, aan de zuiverheid en de  onbedorvenheid van de kinderziel, en op een gegeven moment ook aan de schoonheid van de jeugd, de jongetjesjeugd in het bijzonder, waar zijn erotische belangstelling zich op richtte. Het besef dat de liefde voor jonge jongens een verboden liefde is, en de wetenschap dat hij steeds verder van de jeugd zou wegdrijven, kunnen de droevige toon in sommige gedichten verklaren. Zo’n gevoel van gemis, en van onbereikbaar geluk, vormt de achtergrond van Hanlo’s lange gedicht dat begint met de regel ‘wij komen ter wereld, met rouw, uit de graven’. Daarin is de normale volgorde van wieg naar graf omgedraaid. Het leven ziet er dan opeens een stuk vrolijker uit. Wij worden steeds gaver en harmonischer, we gaan steeds meer lachen en naarmate het leven vordert, komen we dan steeds dichter bij ‘de tijd van de jeugd, de tijd van de schoonheid’. Jeugd, schoonheid, waarheid. Het is het gedachtegoed dat Hanlo terugvond in de epigrammen van enkele Griekse dichters uit de oudheid. Hij heeft er een paar van vertaald, en ook gepubliceerd. Ze waren op het gebied van de jongensliefde uitgesprokener dan hij zelf in zijn gedichten durfde te zijn.
Maar ook deze biografische achtergrond geeft geen beslissend inzicht in het curieuze oeuvre van Hanlo. Een gedicht als ‘Oote’ wordt geen ander vers als we weten dat de maker ervan graag naar spelende kinderen keek. De dichter las graag de Donald Duck, zijn hele leven lang, maar die kennis maakt een raar, kinderlijk gedicht als ‘Jossie’ niet ineens begrijpelijker. Zo gaat het vaak met biografische gegevens: wat heb je eraan? De dichter die zo van vogels en vogelgezang hield, was iemand die overdag graag aan zijn motor sleutelde en er graag en veel en hard mee reed. Op een van de mooiste foto’s van Hanlo zien we hem op het circuit van Zandvoort, bij de start van een motorrace. Strobalen, de Vincent tussen de benen, voorwiel op de startstreep, pothelm op, starre blik en grimmige trek om de mond – klaar voor de wedstrijd. Een heel andere vorm van motorrijden was het ‘bij mezelf achterop zitten’, wat Hanlo voor de grap wel eens deed. Hij schreef erover in een prozastukje, onder de titel ‘De verloren bestuurder’: ‘Ik gaf de lange, stabiele motor een heel matig vaartje van 70 of 80 km op een goede rechte weg, en schoof een plaats achteruit tot op het uiterste puntje van de “dicky seat”. Achter had ik ook voetsteunen, voor eventuele duopassagiers. De gashendel, nu heel ver weg, bleef in z’n stand zitten en met losse handen rijden was geen kunst, ik had wel op m’n knieën op het zadel kunnen zitten, met een beetje oefening dunkt me. Om het echt mooi te maken deed ik of ik in slaap was gevallen. Krom, het hoofd scheef en sterk knikkebollend met de hoge ouderwetse Cromwell-helm op. De armen over elkaar, bijna uit elkaar glijdend door de intense maar niet onbehaaglijke sluimering die mij klaarblijkelijk te pakken had. Onnodig te zeggen dat ik door mijn bijna gesloten ogen het wegdek, de zijwegen en eventueel verkeer op de eigen weg terdege in de gaten hield. Zo werden dan toeschouwers gepasseerd (…). De grootste kunst was het gezicht in de plooi te houden.’
Een mooi fragment. Motorpoëzie! Maar voor een goed begrip van de andere poëzie van Hanlo heb je er natuurlijk niet veel aan. Dat geldt voor bijna alle biografische bijzonderheden, waarvan er intussen genoeg te noemen zijn. Met de motor heeft Hanlo, op zijn vijfentwintigste al, iemand aangereden – die als gevolg daarvan overleed. Hanlo raakte in 1947 in een psychose, werd opgenomen in een kliniek en behandeld, en zou volgens zijn biograaf bij die gelegenheid ook meteen gecastreerd zijn. Men hoopte hem zo van zijn ‘tegennatuurlijke’ neigingen te genezen. Nog meer? Hanlo dronk wel eens bier met warme melk erin. Hij was een fel tegenstander van de fluoridering van het drinkwater. Hij was zijn hele leven een gelovig katholiek. Hij was enig kind. Hij was erg gesteld op zijn moeder, die hij altijd Mai noemde (eigenlijk heette Mai Anna, maar haar moeder had al vroeg spijt gekregen van die naam en haar daarom altijd Dolly genoemd). Mai rookte graag sigaren en pijp. Hanlo woonde lang in een heel klein portiershuisje, bestaande uit één kamer, tevens de garage voor zijn drie motorfietsen.
Hij kon enorm zeuren over de plaatsing van komma’s en punten. Hij nam in 1969 een Marokkaanse jongen uit Marokko mee naar Valkenburg, om hem een goede opvoeding te geven, maar dat liep al gauw mis en Mohamed moest terug. Een paar weken later raakte Hanlo zwaar gewond toen hij met zijn motor een ongeluk kreeg – en twee dagen later, op 16 juni 1969, overleed hij.
Bizarre feiten genoeg. Zie daarvoor de biografie. Bizarre gedichten genoeg. Zie daarvoor zijn verzamelde gedichten. Maar zelden zijn biografie en werk nuttig met elkaar te verbinden. Er zijn weinig dichters over wie ik zoveel weet als over Hanlo, maar ik heb er niks aan op het moment waarop ik zijn gedichten ga lezen. Dan ben ik weer dezelfde lezer als die ik was toen ik Hanlo voor het eerst las. Een beginner. Dan ga ik weer die bijzondere wereld binnen waarin een dichter spreekt die ook alles wat hij wist weer vergeten lijkt te zijn, en zojuist weer helemaal opnieuw is begonnen. Als een kind. Een nieuwe bladzijde, een nieuwe dichter. Je kunt er zo mee beginnen. Een inleiding is niet nodig.

Boekomslagen

js151
js156 js169
js174 js178
js179 js180
js184 js185
js186 js187
js188 js189
js190