Tijd

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…

langzamer dan de oudste steen.

Het was verschrikkelijk: om mij heen

schoot alles op. schokte of beefde,

wat stil lijkt. ‘k Zag de drang waarmee

de bomen zich uit de aarde wrongen

terwijl ze hees en hortend zongen;

terwijl de jaargetijden vlogen

verkleurende als regenbogen…

Ik zag de tremor van de zee,

zijn zwellen en weer haastig slinken,

zoals een grote keel kan drinken.

En dag en nacht van korte duur

vlammen en doven: flakkrend vuur.

– De wanhoop en welsprekendheid

in de gebaren van de dingen,

die anders star zijn, en hun dringen,

hun ademloze, wrede strijd…

Hoe kón ik dat niet eerder weten,

niet beter zien in vroeger tijd?

Hoe moet ik het weer ooit vergeten?

Uit: M. Vasalis, Verzamelde gedichten

Angst

Ik ben voor bijna alles bang geweest:

voor ’t donker, voor figuren op het kleed,

voor stilte, voor de schorre kreet

van de avondlijke venter, voor een feest,

voor kijken in de tram en voor mezelf.

Dat zijn nu angsten, die ik wel vertrouw.

Er is één ding gekomen, dat ik boven alles vrees

en dat mij kan vernietigen; dat ik bedelf

onder een vracht van rede, tot het wederkeert:

dat is het nuchtere gezicht van mijn mevrouw

wanneer zij ’s morgens in de kamer treedt

samen met het ontluisterd licht en dat ik weet

wat ze zal zeggen: nog geen brief, juffrouw.

Uit: M. Vasalis, Verzamelde gedichten

[zonder titel]

’t Is avond. Hoor! in ’t witte lentezwijgen

klinkt, dof en grijs, het brommend klokgeluid

heel ver, en dooft de stille liefde uit

van hen die in dit uur naar vrede hijgen.

 

Niets vaart nu door de witbebloemde twijgen

dan ’t klokgebrom dat ‘k weet niet wat beduidt;

het is of het den verren dood beluidt

van bleke sterren, die als regen zijgen…

 

Nu grote, diepe stilte. Maneglans

omhult hoog lichtend heel het donkerblauw,

en gans de hemel is één sterrenkrans.

 

En schoner nu staan al de lentebloemen

zo roerloos stijf in ’t lichtend grauw,

grijswit, alsof ze blij zijn dat ze dromen.

Uit: Jan van Nijlen, Verzamelde gedichten

Vanaf het platteland

3.

In de namiddag stopt in het centrum van het dorp een oude autobus: mannen met grijze gezichten stappen zwijgend uit.

 

Hoewel traag lopen zij doelbewust: huiswaarts (vast), met in hun hoofd altijd en alleen maar weer gedachten (over, respectievelijk: eten, rusten, slapen gaan) die steunen op de ene gedachte die nog maar amper

een

gedachte is: ‘Morgen weer een dag.’

Uit: Peter van Lier, Gaandeweg rustieker

Vanaf het platteland

1.

Hoewel het elf uur in de nacht is, of daaromtrent, komt er een meisje voorbijgefietst. Alleen, neuriënd. Aan de rand van het dorp, in een van die schaars verlichte straten.

            Uit geweest in het centrum, natuurlijk.

            Met een vriend die hier woont, waarschijnlijk. Prettig verlopen.

            En nu fietst ze goedgeluimd naar huis, naar het aangrenzende gehucht een paar kilometer verderop, waar haar ouders haar liefdevol zullen opwachten, pa wel wat slaperig. Nadat wordt gevraagd ‘Hoe was het?’ en zij volkomen oprecht ‘Goed’ kan antwoorden (haar vriend, zoon van een goede bekende van haar vader, zo bleek, werkt zelfs al) en iedereen vervolgens zwijgend zich gereedmaakt om naar bed te gaan (morgen inderdaad weer een dag), vult haar hoofd zich weldadig met geliefde gedachten in verband met nageslacht,

liever te veel dan te weinig.

Uit: Peter van Lier, Gaandeweg rustieker

Reisherinnering

Eens heb ik het leven liefgehad

Met mijn ganse liefde

De morgens waren als een glas witte wijn,

De avonden als een glas rode,

En de dag was louter champagne.

 

Eens heb ik op café-terrasjes

Blij koffie gedronken

Terwijl ik uitkeek naar de meisjes die passeerden

En mijn hart beklemd werd toen het jongetje

(Het donkere) vroeg of hij mijn schoenen mocht poetsen.

 

Eens heb ik staan wachten

Op hem onder de palmen

Terwijl de maan scheen en de schooiers

Om een aalmoes bedelden of de afvalbak

Nazochten voor een gebroken kammetje.

 

En alsof er niets was gebeurd

Ben ik teruggekomen.

Mijn hart is als een ongestemde piano

Waarvan de toetsen geel zijn en gebroken.

Geen lied kan ik meer spelen dat ik herken.

Uit: Hans Lodeizen, Verzamelde gedichten

[zonder titel]

al die dingen gebeuren en zijn

netjes geordend: de kinderen

spelend aan de vijverrand

het paard ploegend de aarde

en de trein in het landschap.

 

 
Uit: Hans Lodeizen, Verzamelde gedichten